
Het zijn de foto’s die de tijd even doen stil staan. Vooral de oeroude zeldzame plaatjes van meer dan een eeuw oud. Foto’s anno nu, die de grenzen van verbeelding voor bijgaan. Op deze blog staan er tientallen. En als je denkt dat er niet meer zijn, duikt er weer een zeldzaam exemplaar op. Zoals bijgaande onlangs gescoord op een digitale veiling. Een foto gemaakt in het Berlijn van 1906. De stad waar keizer Wilhelm het hofprotocol strak in de gaten houd en Pruisische generaals lekkere gevoelens krijgen achter de gulp, bij het inspecteren van de marcherende troepen.
Berlijn ook de stad van de Treptow wielerbaan. Waar de Berlijnse stayer Bruno Demke gesnapt is bij de training achter de motortandem.
De motortandem tijdens de belle epoque een paar jaar actief op de wielerbanen, maar genoeg om voor altijd berucht en gevreesd de geschiedenis in te glijden, als een monster op twee wielen waar het voor een stayer niet pluis is.
Even over het duo op de foto, door Stuyfssportverhalen direct herkend als het apocalyptisch duo Emile Borchardt als stuurman en gangmaker Willy Porte.
Borchardt en Porte jongens met een bedenkelijke reputatie als hoofdrolspeler in de aller zwaarste dodelijke ongeluk in de geschiedenis van de wielersport. Borchardt een man wiens carrière zich afspeelt in de twilightzone, het gebied waar het tijdelijke overgaat in het sterfelijke, want Emile kijkt iedere koers in de ogen van de dood.
Ook op 18 juli 1909 op de splinternieuwe wielerbaan in het Berlijnse Botanische Garden. Emil en Willy als gangmakers van Fritz Ryser. Nadat de renners zich hadden opgesteld klinkt het startschot. De motortandems zijn met veel geraas zijn vertrokken. Henry Contenet, Fritz Stellbrink, John Stol en Fritz Ryser trekken zich op gang.
Na een aantal ronden klinkt er een droge knal. De achterband van Stols gangmaakmotor is gesprongen en stort neer. De achteropkomende Borchardt stuurt in een splint second scherp omhoog, en vliegt vervolgens met negentig in het uur met motor en al over de balustrade midden in de afgeladen tribunes. Waar de benzinetank ontploft. Negen mensen vinden de dood, en vijftien anderen worden met zware brandwonden afgevoerd.
Emil Borchardt brengt het levend er van af, al zou nooit meer een motortandem besturen.
Dan is er ook nog Bruno Demke, die ook niet tussen de witte lakens zijn laatste adem uitstoot. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog wordt Bruno jachtvlieger bij de Fliegertruppe das Kaiserreich en stort tijden een routinevlucht in 1916 neer. Bruno wordt 36 jaar.


De Treptowwielerbaan. De kleinste wielerpiste van Berlijn. Maar wél de gevaarlijkste. Ter plekke aanwezige schrijvers van horrorverhalen, knikte begrijpend. Munitie voor gruwelverhalen lag voor het oprapen. Eén blik was al genoeg om te huiveren. Want het perfecte decor van verschraalde, afbladderende, reclameborden. Een versleten, betonnen wielerbaan, met een zwart spoor van gemorste olie en resten van afschilferende banden. Desolate tribunes, waar tussen de houten banken vandaan, kale bomen uit groeiden. Neerdwarrelende bladeren op de baan, gaf een onheilspellende meerwaarde. Alsof de stayerskoersen op Treptow al niet gevaarlijk genoeg waren.
De Treptowbaan had meer slachtoffers. Als onbekende soldaten op het slagveld ‘Treptow’, sneuvelden ook de stayers Max Hansen, en Willy Hamann, die respectievelijk in 1913 én 1914, op Berlijns eigenste horrorwielerbaan, verongelukte.
De overeenkomsten zijn er zeker. Twee mooie charismatische jongens. Vedettes van de wielersport. En daar hield meteen de vergelijking op. Waar Tom Dumolin, met een knieblessure zich voor maanden ziek meldde, daar ging Thaddy Robl, zwaar gewond, ijzerenheinig door. Thaddy, afkomstig uit München, waar een pot schuimende Franciscanerbier nooit ver weg is, en waar de borsten van de kelnerinnen, als extra verrassing, zomaar uit hun laag uitgesneden dirndljurk kunnen ontsnappen. Robl, tweevoudig wereldkampioen stayeren achter zware motoren, – een sport die zich voornamelijk, afspeelde op de Boulevard der Waanzin, – aan de start van het Gouden Wiel van Maagdenburg: tegenstanders, Emile Bouhours en Alfred Gornemann.
De man was hoogstwaarschijnlijk de eerste adrenalinejunk uit de geschiedenis. Thaddy Robl, mooie jongen afkomstig uit München. Ontdekte begin 1900 zijn latente verslaving aan snelheid. Robl, tot dan een baanrenner werd stayer achter motoren. Binnen een aantal jaar ontwikkelde hij zich tot de ’s werelds sterkste stayer ooit: zie elders deze blog. Robl, naast het stayeren ook bezeten van auto’s. Achter het stuur kende de Munchenaar ook geen grenzen en was betrokken bij diverse zware ongelukken. Dat de man jong ging sterven was zeker. De vraag was alleen, waar en hoe?
Collectief in slaap gesukkeld, door het ritmische getrippel van paardenhoeven, met bijbehorend geratel van de koetsen. De negentiende eeuw, stoffige tijd van vertrutting. Om rond negentienhonderd met één klap ruw wakker te worden. De eerste gangmaakmotor had zijn opwachting gemaakt. In Duitsland ging het hek van de dam. De Mof, altijd tuk op strijd, het liefst waarbij ‘de dood’ nooit ver weg is.
Overvolle tribunes. Tienduizenden Düsseldorfers op de harde, houten banken. Op het middenterrein, vier rijen dik. Aan de startlijn Adolf Schulze, Arthur Stellbrink, Willy Pongs, Heini Böhme, én de altijd verbijsterd uit z’n ogen kijkende, Kurt Rösenlocher.
De klus was geklaard. Winst in de Grand Prix de la Republique, een stayerskoers over honderd kilometer, zat in de knip. Dat Tommy Hall, achter gangmaker Cissac, met ruim vierentachtig kilometer het dan bestaande uurrecord, op naam van Paul Dangla, met drie kilometer verbrak, was mooi meegenomen. Eind oktober 1903, één van de laatste koersen van het seizoen. Op de Parijse wielerbaan van het Parc des Princes wordt winnaar Tommy Hall, met verkrampte benen, door mannen met pet én bolhoed van de fiets geholpen. Zelf had Tommy het niet zó op met hoofddeksels. De stayer uit Londen koerste blootshoofd. Wat hem bijna noodlottig werd. Tommy Hall dus, die in de revanche tegen Paul Dangla voor héél eventjes de zijkant van de motor raakte. Enfin, Tommy, zwaargewond van de wielerbaan weggesleept, werd vereeuwigd met een prachtige foto in de Radwelt jaargang 1903.
De Londenaar had de twijfelachtige eer om diverse keren de lijkkist van een gesneuvelde collega naar diens laatste rustplek te dragen. Ook die van Fritz Theile, doodgevallen op de Zehlendorfbaan van Berlijn in 1911.