TV-dominee

Opeens was Bertus er. Bertus,  vetkuif,  lang, slank in de heupen als  een kruising tussen Clint Eastwood en Gene Vincent. Bertus Hoogerman, amper droog achter de oren maakte ergens in de fifties zijn debuut als keeper bij Ajax.  Met Bertus in het doel was garantie voor rock ’n roll in het zestienmetergebied.
Voor ons, de jongens van de staantribune was Bertus een rolmodel. Zoals Bertus,  wilde wij ook zijn.  Bertus  was namelijk een held, met onheilspellende acties, wat altijd link is voor een doelman. Keepers zijn dan ook de eenzaten van de sport, voer voor psychologen. Een beetje keeper behoort zó te zijn, want altijd balancerend op het randje van het mentale evenwicht. Bakken publicitaire stront bij een blunder.  Of Bertus zich daar wat aantrok…?
Bertus Hoogerman,  – jeugdsentiment voor een hele generatie jongens, afkomstig uit Amsterdam- Oost – met dikke  vingers als kroketten,  met door zijn moeder gebreide handschoenen, waarmee hij roodgloeiende kogels mee ving.
Van die grote, speciale keepershandschoenen waarmee hedendaagse keepers hun doel mee schoon houden, kwamen bij de toenmalige ballenvangers alleen voor in natte dromen. Trouwens voor Bertus had deze handschoenen niks uitgemaakt.   Bertus’ lot lag immers vast. 
Feyenoord-Ajax 1964,  gespeeld in de Kuip. Waar de eerste noten van  de prelude klonken van zijn nadere keepersondergang, en ons, zijn hondstrouwe fans een levenslange trauma bezorgde. Bertus had namelijk niet zijn dag. Negen ballen vlogen langs de lange Amsterdammer, waarvan er drie gestopt hadden kunnen worden door een visueel gehandicapte. Feyenoord-Ajax 9-4! Bertus kon niet veel later vertrekken uit Stadion de Meer.
Zijn opvolger was ene Gert Bals, een saaie man met het uiterlijk van een tv-dominee. Voor ons, de jongens van vak F, nóóit meer  ruige rock ’n roll in Stadion de Meer. Goddank duurde dat maar heel kort. Het zelfde jaar maakte een muizig, uitziend jochie uit Betondorp zijn debuut in de spits van Ajax…
Bertus Hoogerman, onze held die nooit de grote successen van Ajax had meegemaakt, stierf op zesenzestig jarige leeftijd.

Grandeur

Geen rangen en vooral geen standen. De Tour de France is voor het volk. Ook  die van 1960, wat tevens een mooi jaar was. In Frankrijk wel te verstaan. De Franse Republiek, aangevoerd door monsieur le president De Gaulle, bij wie enig nationalisme niet vreemd was. ‘Frankrijk kan Frankrijk niet zijn, zonder zijn grandeur’, was één van zijn uitspraken. Dat was wáár.
Want opeens was daar Brigitte Bardot, ontworsteld aan de benauwende jaren vijftig en zojuist de sixties binnen gehuppeld. Bardot,  een frivole, sexy stoeipoes, met als bijnaam BB, waar hele generaties  potente  jongens, ontsnapt aan de aandacht van ouders én mijnheer pastoor, met overdreven ijver haar afbeelding aan de muur van hun jongenskamer prikte. Garantie voor  woeste fantasieën. Wat er vervolgens in die jongensbedden gebeurde moeten we maar niet aan denken.
Frankrijk 1960,  waar de leden  van terreurorganisatie  OAS, voor het eerst het handboek ‘Hoe knutsel ik een plasticbom in elkaar’, ter hand namen:  beoogde doel,  president Charles de Gaulle. De jongens van de OAS, duidelijk aanleg voor het helse, brachten een jaar  later hun geleerde in de praktijk. In september 1961 ontplofte in een wegberm een dertig kilo zware bom, gevuld met vijftien liter napalm. Waaraan De Gaulle, in zijn Citroën wonderlijk en ongedeerd aan ontsnapte.
In dat geharnaste lijf van monsieur le President, een gewezen oorlogsheld, bleek ook maar een gewoon jochie schuil te gaan. Dat hij Brigitte aan de muur van z’n slaapkamer  had hangen is onwaarschijnlijk. Wél  dat hij via de media de Tour volgde. Zaterdag 23 juli 1960, had hij in zijn agenda met rood omcirkeld. Op deze door God aan de president geschonken dag, trok de Tourcaravaan door zijn dorpje Clombey-Les-Deux-Eglises, en langs het huis van Frankrijks eerste burger.
‘De Tour is genadeloos en wacht op niemand’, wat een stoffig, maar waar cliché is.   Laat staan dat er zomaar gestopt wordt. Behalve voor de eerste man van de Vijfde Republiek. De Gaulle tussen het volk, en beschermd door twee gendarmerie nationale, die je onbewust aan films van Inspector Clouseau doen denken, audiëntie verlenend aan de renners. Waarvan sommigen, uit misplaatste eerbied hun koerspetje voor af deden, door De Gaulle duidelijk gewaardeerd. Met een Vive La France  zegende hij vervolgens het koersende volk.
Met enige fantasie is Charles De Gaulle met een geharde Tourrenner te vergelijken. De man overleefde maar liefst eenendertig moordaanslagen. Probeer dát maar eens te evenaren.  De Gaulle stierf uiteindelijk, zittend in zijn lievelingsstoel op tachtig jarige leeftijd. 

Bron: Le Miroir des Sports, jaargang 1960, Biografie Charles de Gaulle.

Strak in de leer

De dramatische val  Wim van Est in het ravijn van de Aubisque. Leuke wielergeschiedenis. Maar ook een  totaal afgegraasd onderwerp, dat jaarlijks bij iedere voorbeschouwing van de Tour, wel een keer langs komt. Meer dan  zes decennia kon het verhaal rijpen, waarbij  ongetwijfeld flink bij gefantaseerd werd. Heiligschennis om dat op de juiste feiten te controleren. Misschien daarom is de kukel van Van Est, hoog geëindigd op de parade van smakelijke sportanekdotes. Althans in dit land.
Dat twee jaar later, tijdens  de Ronde van Frankrijk 1953, ene Guy Buchaille, een jonge Franse regionale prof, op exact dezelfde plek ook in dat genoemde  ravijn lazerde,  weet niemand. Ook niet dat Guy, met aan elkaar geknoopte tubes omhoog werd gehesen. Jammer voor Guy, maar  goed voor de heldenstatus van Van Est. Want Buchaille’s val was daarmee ontsnapt aan de aandacht van striptekenaar Yves Duval.
De laatste, afkomstig uit de rijke school van Belgische striptekenaars. In 1973 verscheen het stripalbum, ‘Heldenepos van de Ronde van Frankrijk’. Waar in  veertig pagina’s  de geschiedenis van de ronde van Frankrijk langs komt.  De renners en het materiaal zijn met veel gevoel voor details door Duval getekend. Waarmee de mare, dat strips, vooral de Belgische uitgaves, pure kunst is, wordt bevestigd. Ondanks dat Duval zich goed in de materie had verdiept maakte hij toch zijn foutjes. 
Dat Fausto Coppi zijn hele carrière op een licht blauwe Bianchifiets koerste, en niet op ’n rood exemplaar is hem vergeven. Erger is dat andere kleine foutje. Ongetwijfeld opgevallen bij wielerkenners die strak  in de leer zijn.  De tekening van Van Est, open mond, neerstortend naar de bodem van het ravijn, en gevangen met het potlood van Dumas, die voor het dramatische effect zorgde met een vette,  in rood gekleurde schreeuw. Kunst op enkele vierkante  centimeters. Alleen jammer dat Duval bij Van Est iets vergeten was. Diens  polshorloge! Want hoe  zat het ook alweer? Was de  reclamekreet, waarmee Nederland in de fifties werd overspoeld niet,    ‘Van Ests hart stond stil, maar zijn Pontiac-horloge deed het nog’?

Tekening: Yves Duval, S. Ardan, Marc Hardy.

Prodentsmile

Geestelijke nazorg?  Voor René Vignal, keeper van het Franse nationale team, te hopen van wel. Tijdens Frankrijk-Nederland, gespeeld in 1950, was zijn strafschopgebied decor van  horror,  binnen de zestien meter. Ga daar als eenvoudige ballenvanger maar aan staan.
Op de schouder van zo’n keeper rust dan wel  ‘íets’.   Eén fout, en de pennen worden gevuld met vitriool. Met als extraatje, dat je ook nog eens de hele natie  over je heen krijgt. Voor zo’n doelverdediger  begon de ellende al op het schoolplein.  Partijtje tegen. Waarbij de kneus per definitie op doel moest staan. Je hoeft geen psych te zijn om te weten dat zo’n jongen later getormenteerd onder de lat staat.
Robert Enke, keeper van de Duitse mannschaft  ging daar geestelijk kapot aan.  Enke trok daar  zijn dramatische conclusie uit. De man stapte vrijwillig uit het leven. Trouwens, ook  Willem Landman, ooit keeper van Oranje in een grijs verleden.
Wat het wedstrijdverloop Frankrijk-Nederland betrof, viel  René niets te verwijten.  Les Bleu walste met 5-2 over Nederland heen. Voor Vignal zat dé kneep  bij de spits van Oranje, ene Noud van Melis. Een woest uitziende kerel,  die gemakshalve zijn kunstgebit in de kleedkamer achter had gelaten. Noud,  – zonder voortanden, duidelijk ontsnapt aan de aandacht van een producer van horrorfilms – vormde samen met z’n handlanger Cock van der Tuijn, hét aanvalsduo van Oranje, en doken met niets ontziend geweld regelmatig voor René op.
Vignal had zo zijn voorzorg genomen.  Je weet maar nooit, moet René gedacht hebben. Hoog springend,  met  de keiharde punten van z’n kicksen, in de schopstand, hield hij  Noud van zich af.
Noud van Melis,  dé stormspits van Oranje, waarin hij vijftien keer scoorde, in dertien wedstrijden. Noud mocht er dan wel eng uitzien, maar de man was daarmee één van de succesvolste spitsen van Oranje. Leg dat maar eens uit aan een Memphis Depay met diens Prodentsmile. Maar die compenseert dat weer met z’n onderwereldtattoo ’s.

Koerskinderen

Parijs-Roubaix, editie 1950, waar alleen de Vlaamse, Italiaanse én de Franse pers acte de préséance gaven. Vooral Miroir Sprint, thuisbasis Parijs, pakte groots uit. Veertien grote actiefoto’s, vier achtergrond- en koersverslagen, geschreven door evenzoveel journalisten. Opgemaakt over vijf pagina’s: voor wielerliefhebbers het betere werk.
Vers gedrukt in grote oplages, op maandagmorgen te verkrijgen in de lokale kiosken en tabakszaken. Wél een kleine domper voor de redactie én uitgever van het blad. Parijs-Roubaix kende geen Franse winnaar. Noch één van die vele kansrijke, Vlaamse kasseienstoempers. Dat uitgesproken een Italiaan er met de publicitaire buit van door ging, gaf op de redactie het nodige tandengeknars.
Winnaar Fausto Coppi, op de cover van de Miroir, daar kwam men niet onderuit. Coppi, hét archaïsche rennerstype uit de fifties, stijlvol zittend op z’n Bianchifiets, afgemonteerd met Pirellitubes, máár zonder versnellingsapparaat. Fausto, door verzorger Biagio Cavanna, ongetwijfeld op ‘scherp gezet’, solo zwevend over de kasseien van de Hel. Met aan zijn wiel, als een zak aardappelen op z’n fiets,
Maurice Diot, ongetwijfeld ook een greep uit de amfetaminepot gedaan, waarbij geen moreel oordeel over geveld moet worden. Wat dát betreft waren Coppi en Diot, koerskinderen van hun tijd.
Diot, een Parijzenaar, de enige renner die Coppi enigszins bij kon houden. Om kilometers vóór Roubaix, door Il Campionnissimo, als een lastige strontvlieg afgeschud te worden. Voor Miroir Sprint maakte dat niet veel uit. De commerciële meubels werden gered door Diot naar een heldenstatus te schrijven, opgeleukt met een tweekoloms actiefoto.
Diot, werd vervolgens in een zespuntslettertje, weg gestopt in het uitslagenlijstje, waar hij op drie minuten achter Fausto Coppi, als tweede terug was te vinden.
Over Coppi weten we alles. Diot niet. Dat de man zes keer de op de deelnemerslijst van de Ronde van Frankrijk stond, met één etappeoverwinning is ter kennisgeving. Dion, geen fietsende weggooier, werd twee keer tweede in Bordeaux-Parijs. In 1951 won de Parijzenaar, de monsterlijke klassieker Parijs-Brest-Parijs, over twaalfhonderd kilometer, wat niet genoeg geprezen kan worden.
Maurice Dion werd slechts negenenveertig jaar.

Prijsstier

Wat te doen  op een lome zondagmiddag anno 1903? Tijdens de belle epoque, die heerlijke tijd,  wisten ze dat wel. Voor spanning en sensatie lonkte de lokale wielerbanen. Voor een paar centimes,  de hele middag koers. Op de tribunes, dames in baaien rokken, naast  kerels met bolhoeden, handen op avontuur in de broekzakken. Daar tussen door militairen met weekend verlof, samen met hun liefje. Met een beetje geluk stond er een stayerskoers op het programma. Hoewel geluk..? Soms  vloog er een  motor tussen het publiek. Of anders zorgde één van de vele bloederige stayersongelukken wél voor een collectief trauma. Ach wat maakte dat ook uit, heimelijk kwam het overgrote gedeelte  voor dergelijke sensatie. En de koersen zelf? Die waren  simpel in eenvoud.  Er waren sprintwedstrijden, tandemkoersen voor twee of drie man, en dat was het
Publiek van 1903, niet verwend, vond dat prachtig, en was nog in zalige onwetendheid wat voor krankzinnig, fietsend pretpark zich op de wielerpistes van een eeuw later aandiende.
Keirinraces? Totáál onbekend. De scratch? Hoe bedoel je? Koppelkoersen voor vrouwen? Die kwamen alleen voor in koortsige dromen van toenmalige feministen. En vertelde je over zo iets als de  elektrische derny, dan wachtte het dolhuis op je. In 1903 waren er ook geen, met anabolen opgekweekte sprinters, met dijbenen van de omvang van een prijsstier.  In 1903 namen renners gewoon een snuif cocaïne, of anders een tabletje strychnine.  Futuristische carbonfietsen, afkomstig uit het brein van  professor Lupardi? De jongens van lichting 1903 koersten op een ijzeren fiets, geknutseld door de plaatselijke smid. En er werd al helemaal niet hysterisch met de nationale vlag gezwaaid als er gewonnen was.  Doe maar gewoon jongen, want met die malle koersbroek aan, ben je al gek genoeg, was het credo.
Zomaar een toekomstbeeld op de pistes van het heerlijke jaar 1903: als een angstaanjagend kwatrijn van Nostrodamus. Die helaas uitkwam…

Frau Antje en de Giro

Als een vers gebakken pizza, die snél genuttigd moet worden: dát was  de carrière van Ercole Baldini. Kort genot, maar wél lekker. Ercole Baldini, beroepsrenner tijdens de fifties. Koersend op een fietsje, gespoten in een geraffineerde kleurencombinatie,  opgeleukt met verchroomde tussenstukjes. Afgewerkt tot in het détail, en voorzien met het modernste Campagnolomateriaal. Een lust voor het oog. Púre kunst op twee wielen, zonder hoerig noch ordinair te zijn.  Waar alleen Italiaanse framebouwers een patent op hadden.
Het Italië van de jaren vijftig, scheurende Fiatjes-500, keffende Lamborghini-scooters, films van Felini, een Paus die de wapens van de Duitse legers had gezegend, en super gesoigneerde renners. Maar ook het land van  Sofia Loren, Gina Lollobrigida en Claudia Cardinale, godinnen met een boezem die de verbeelding ver voor bij ging.  
En wij? Wij moesten het doen met  Frau Antje. En onze wielrenners met racefietsen waar het calvinisme vanaf droop. Karretjes, waar mijnheer de dominee himselfe zijn goedkeuring aan gaf. Waar zo’n modale Hollandse profrenner, koersend op zo’n bokkenkar, het moraal en zin vandaan haalde, is nog steeds een goed bewaard  geheim. Enfin, daar had Ercole Baldini ieder geval geen last van.
Baldini, Toscaan en hardfietser als levensovertuiging. Kreeg  de goedkeuring van de altijd machtige mama Baldini én de zege van de pastoor van Forli: zijn  geboortedorp. Verbrak, als amateur in 1956,  het onaantastbaar geachte werelduurrecord van Fausto Coppi. Waarmee meteen het lot van Ercole bezegeld was. Baldini,  nat achter de oren, in 1957 meteen voor de leeuwen gegooid, met debuut  in de Giro d’ Italia,  waar hij een etappe won. Aardig te vertellen is ook zijn overwinning in de Trofeo Barrachi, een koppeltijdrit, waarin hij gekoppeld was aan de toen stokoude Coppi.
Baldini wist meteen waar de mosterd gehaald werd, en ging in de ‘verzorging’. Liet bij zich zelf  een liter bloed aftappen, opgeslagen in z’n koelkast. De jaren vijftig,  die heerlijke, onschuldige tijd waarin een renner zich kon verzorgen,  zonder meeloerende journalistieke scherpslijpers, of andere, met het vingertje zwaaiende moraalridders. Met een surplus aan rode bloedlichaampjes  werd  Ercole, in 1958 wereldkampioen op de weg, maar won eerst de Giro d’ Italia.
De Giro, van oudst her een tikkeltje louche, beetje corrupt, daarom onvoorspelbaar. Waar zaken in de schemering van het peloton afspelen. Waarschijnlijk daaróm is de Ronde van Italië, ieder jaar weer, vele malen leuker dan de Tour de France. En Ercole? Na  1959 geen platte prijs meer gewonnen is met zijn zesentachtig jaar nog scherp van lijf en geest.
De man daalt iedere morgen af naar de kelder van z’n huis. Waar zich zijn eigen privémuseumpje bevindt. Een soort bedevaartkapelletje afgeladen met zijn koersfietsen, wielershirts, zijn gouden Olympische medaille gewonnen op de Spelen van 1956, en andere voor hem heilige voorwerpen. Dan knikt hij, en mijmert dat zijn carrière er best mocht zijn.

Mon Pere

De vroegmis zat er op. Met een prevelende zege ná, werden de gelovigen de kerk uitgejaagd. Snel de kaarsen op het altaar gedoofd. De werkkleding uitgegooid. Want de koers wacht op niemand. Ook niet op een dorpspastoor ergens in Frankrijk. Waar de helse optocht van een etappekoers langs zijn kerkje trok. Gevolgd door motoren én materiaalwagens. Om daarna te  wachten. Wachten, op de ‘stervende medemens’ op de koersfiets.  Gelost, en moederziel alleen op een lege landweg.  Geen ploegmaat meer te bekennen. In de steek gelaten door zijn ploegleider. Zoek het maar uit jongen. De reserveband zit onder je zadel. En in je shirt nog een paar amfetaminetabletjes. Dat gaat helemáál goed komen, was hét laatste dat z’n ploegleider naar hem riep.  
Het grote afzien was begonnen. En dáár wist die ene plattelandzielenherder, staand langs de weg, wel raad mee.   Heb je naaste lief, oreerde hij laatst nog vanaf de preekstoel. En buiten dát, staat  er in de bijbel niet geschreven dat, met het ‘zuiverende lijden,  de dagelijkse zonden mee uit geboet kan worden?’  Met als beloning de hemel. Mijnheer pastoor, bedoelde maar. En wat die beloofde hemel betrof, dat was voor die ene zwoegende stumper, de top van die vuile, stinkcoll.
Pijn leed hij, als de Heer op Golgoltha. Met als extra dimensie, een brandende schroeiende hete zon in z’n nek, waar  dat oenige linnen petje, géén soelaas aan bood. Met in z’n strot een huig als een gemummificeerde muis. Zijn hele lijf schreeuwde om vocht.
En opééns, als in een koortsige droom zag hij hem staan. Als een mystieke, in zwart gehulde  vleermuis, stond de geestelijke langs de kant van de weg. ‘Mon pere’, drinken alsjeblieft, leek zijn diep in de kassen verzonken, ogen te smeken.  Wat hét ultieme moment was voor die ene anonieme pastoor. Met wapperende soutane, de alpino op het achterhoofd werd een volle bidon aangereikt.  
Vader, mijn stichtelijke taak voor vandaag zit er weer op, mompelde de pastoor in een schietgebedje, nadat de renner uit het zicht verdween.  En snelde vervolgens naar de pastorie, waar een glas, koele miswijn, én de zachte, wulpse borsten én de pronte kont van z’n huishoudster op hem wachtte. Voor een eenvoudige dorpspastoor was het leven goed, in het Frankrijk van de jaren zestig.

Traditie

Of het ver gezocht is? Ach, wat maakt dat uit. Inderdaad, de man is een eeuw geleden, dramatisch gestorven. En totaal uit het collectieve geheugen verdwenen. Moet je dan nog jaarlijks op zijn sterfdag daar bij stil staan?  Ja! Dáárom legt Stuyfssportverhalen, jaarlijks op de sterfdag van Piet van Nek een bloemetje op diens graf. Kleine eerbetoon aan een vergeten sportheld. Per slot van rekening ben je pas dood als je vergeten bent.
Piet van Nek dus, stayer tijdens de Belle Epoque. Had een eigen, indertijd beruchte supportersclub, bestaande uit havenarbeiders en scheepswerkers, jongens van de gestampte pot en afkomstig uit de volksbuurten van de Amsterdamse Oostelijke Eilanden. Piet van Nek was één van hen, want was voor zijn stayerscarrière elektricien bij de Amsterdamse Droogdok Maatschappij. Van Neks  supporters, drank in het lijf,  áltijd luidruchtig aanwezig.  Wat een enkele keer flink uit de hand liep. Zoals op de Scheveningse wielerbaan, waar  Van Nek een kunstje geflikt werd. Voor Piets supporters een rede om een flinke knokpartij te beginnen, met onder meer de Haagse politie.
Deze blog had al vaker gepubliceerd over Van Nek.  En voor degene die dat ontgaan waren: Van Nek, stayer achter grote motoren. Een moeilijke jongen, maar talentvol rolrijder. Brak in het seizoen 1913 in Duitsland eindelijk door. Wat beloond werd met een serie goedbetaalde contracten voor koersen op de Duitse wielerbanen. En daar ging het helemaal mis. Tijdens Van Neks eerste grote koers, gehouden op 13 april 1914 op de wielerbaan van Leipzig, kwam Van Nek zwaar ten val. Een dag later stierf hij aan de gevolgen van een schedelbreuk. In Amsterdam kreeg Van Nek een begrafenis, die groots en meeslepend was, bijgewoond  door meer dan tachtigduizend Amsterdammers.
Ook Duitsland, van oudsher dwepend, met gesneuvelden op het slachtveld,  besteedde  aandacht aan de tragische dood van de Amsterdammer. Van Nek werd herdacht door middel van een sinister aandoende ansichtkaart, voorzien van twee doodsengelen en gedrukt in duizelingwekkende oplages: altijd fijn om zoiets te ontvangen op je verjaardag.
De  rauwe en ruwe  supportersclub schonk  Van Nek een koninklijk aandoend praalgraf, op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam. Een graf dat inmiddels een monumentenstatus heeft, en  door Monumentenzorg goed onderhouden wordt. Afgelopen winter werd het graf grondig gerestaureerd, gezandstraald, en voorzien van nieuwe sierkettingen. Voor de komende eeuw ligt Piet er weer mooi bij.

Zaanse Illusies

De macht van reclame is de herhaling. Wat dát betreft had hij zijn huiswerk goed gemaakt. Gerrie  Hulsing, zakenman in ruste, heeft een ‘heilig doel’. Volgens hem is dit land rijp voor een  wielermuseum.  Een museum door hém geïnitieerd. Op facebook voert hij, hiervoor, inmiddels zeven jaar, een  campagne waar reclamemakers goedkeurend bij stonden te knikken. Waarbij alles  uit de kast werd getrokken. Zo noemde Hulsing zijn project Stichting  Nationaal Wielersportmuseum.  Resultaat, meer dan honderd koersfietsen,  en talloze historische wielerparafernalia,  geschonken, door argeloze schenkers. Waaronder ook de erven van de vroegere wereldkampioen Henk Faanhof. De laatste gaven, in goed vertrouwen de oorkonde behorende bij de wereldtitel 1947, gewonnen door hun vader. Om het financiële plaatje rond te krijgen schreef Hulsing een ‘grote loterij’ uit, met, volgens hem, fantastische prijzen.
Op facebook hield  de Zaankanter, meer dan een jaar vol, dat voor zijn toekomstige  museum een locatie was gevonden namelijk in de Rijp. Wat onmogelijk was, want daar zat een bestemmingsplan op. Voor de toekomstige museumdirecteur geen bezwaar, om even gemakkelijk, virtueel uit te wijken naar de gemeente Oostzaan.
Afgeblazen
In die Zaanse gemeente kwam volgens hem, de definitieve vestiging van zijn museum. Op facebook, – wéér dat facebook, – liet hij via tekeningen, gemaakt door een architect, zien hoe dat museum er uit kwam te zien. Dat zijn loterij, waarbij maar een fractie van de beoogde loten waren verkocht,  werd afgeblazen was ter kennisgeving.
Na het, door  Hulsing met veel tromgeroffel aangekondigde museum, ‘locatie Oostzaan’, er na anderhalf jaar, nóg stééds niet was, wekte argwaan. Het waren Jan Zomer, publicist van onder meer het jaarlijkse Wielerexpress, en Hans  Middelveld, beheerder van een klein privémuseum,  die aan de bel trokken. Met aantoonbare feiten wist het duo aan te tonen dat van Hulsings verhaal, én zijn plannen niets klopte. Wat het begin werd van een wederzijdse hetze op facebook, waarbij flink met modder werd gesmeten.
Dat trok de aandacht van onderzoeksjournalist Marco Knippen, schrijvend voor het Noordhollands Dagblad, die zich verdiepte in het ‘dossier Hulsing’. Het leverde een onthullend, paginagroot verhaal op, vandaag gepubliceerd in het Noordhollands Dagblad.

Voor wie meer wil weten over het dossier Nationaal Wielersport Museum: ‘Reporter Radio’ het onderzoeksprogramma van de KRO-NCRV, wijdt zondagavond 7 april, (19-20 uur) op Radio 1, in de rubriek ‘ReportersNL’ aandacht aan de laatste ontwikkelingen rondom het Nationaal Wielersport Museum.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: