Zeventig jaar en niet vergeten

Stan Okkers, een vage echo uit een rijk Vlaams wielerverleden. Een naam die alleen bij bejaarde liefhebbers de ogen laten glinsteren. Stan al zeventig jaar niet meer onder ons, is niet helemaal vergeten, met dank aan generaties wielerauteurs.

Zijn hemelvaart is dan ook een regelrechte tranentrekker. Smartlapzangers weten daar wel raad mee. Even voor de onwetende: op Stan’s palmares staat onder meer de groene trui in de Ronde van Frankrijk en overwinningen in de Waalse Pijl, Luik-Bastenaken-Luik en de Zesdaagse van Antwerpen, Gent en Brussel.

In 1955 wordt Stan wereldkampioen op de weg. Een jaar later slaat  het noodlot toe. Tijdens een dernykoers  op de wielerbaan in Antwerpen komt hij ten val en overlijdt twee dagen later.

Stan Okkers  hét prototype van een renner uit de fifties, want een uitgemergeld lijf op een stalen koersfietsje, en ogen als koplampen. Bidon in de achterzak. En waarom deze column..?

Omdat Stan Okkers zeventig jaar na zijn overlijden in Vlaanderen nog steeds niet is vergeten.

 In Okkers’ geboorteplaats Borgerhout is een straat naar hem vernoemd. Met als extra, dat vijftig jaar na zijn dood in de Stan Okkersstraat ook een herdenkingsplaat is onthuld.

En meer… op de top van de Cote des Forges dé benenbreker in Luik-Bastenaken-Luik verrees een pompeus monument ter ere van Stan. Vlaanderen heeft zijn helden lief. Moet je in Nederland om komen…

Zie verhaal hieronder…

Land van Cuijk

Zoals bovengenoemd eert Vlaanderen hun  gewezen wielerkampioenen. Zoals het hoort.  Neem maar eens een kijkje  op het Vlaamse platteland, waar je in de dorpen struikelt over het eerbetoon aan hun vroegere wielerhelden, in brons gegoten of gemetseld in een muur met een plaquette.  

Terecht, want renners hebben niet voor niks jarenlang hun ballen geschroeid op dat smalle lederen zadeltje ter vermaak voor volk, vaderland maar vooral voor eigen portemonnee.  

Zoals Briek Schotte meervoudig winnaar van de Ronde van Vlaanderen, die na zijn verschijnen een standbeeld krijgt in zijn dorp Kanegem. Of anders een Jef Planckaert winnaar van onder meer Luik-Bastenaken-Luik. Ook Jef is vereeuwigd in brons in diens dorp Otegem.

In het calvinistische Nederland niet. Of voormalig bergkoning  Gert-Jan Theunisse op zo’n eerbetoon zit te wachten is hoogst onwaarschijnlijk. Maar zeker niet zo’n publieke vernedering, wat hem over komt in  het gemeentehuis van het Land van Cuijk. Enfin in de Telegraaf  deed hij zijn schrijnende relaas.

Hoewel de media en vooral de socials zijn ontploft, doet deze blog  er ook maar een plasje over heen. Zoals onderstaande uitspraak van Gert-Jan Theunisse…

„Daar sta je dan als voormalige ’populairste Nederlander’: weggestuurd als een willekeurige, ongedocumenteerde asielzoeker, wetende dat ik ernstig ziek ben. Ik eiste de burgemeester of een wethouder te spreken om te vragen of het normaal is dat ze op deze manier met hun eigen mensen omgaan, terwijl migranten met alle egards worden behandeld: zelfs de vragenlijsten op het gemeentehuis zijn er in het Arabisch. De stoppen sloegen door. Uiteindelijk ben ik door een interventieteam het gemeentehuis uitgeknikkerd.”

Scheveningen

Is het pech..? Ach nee, want uiteindelijk mag de man zijn hand dicht knijpen. De opkomst van Jan Snoek als stayer vindt  plaats nét na de Eerste Wereldoorlog.  Als Jan vóór de ‘Grote Oorlog’ actief als stayer is,  dan had hij op de tientallen Duitse wielerbanen een greep uit de ruif kunnen doen, want dat was dé periode dat stayers letterlijk goud verdienen. Het is tevens de tijd dat tientallen stayers dodelijk verongelukken, of geestelijk getormenteerd de rest van hun leven zich afvragen ‘waarom’…

Trouwens dat Duitse managers en het publiek  op Jan zitten te wachten is hoogst onzeker, want zó  goed is hij nou ook niet.

Ja, in Nederland is Jan een vedette, waar hij tussen 1919 en 1925 zes keer nationaal kampioen wordt. Of Jan tijdens het interbellum deze titels in Duitsland kan omzetten in lucratieve contracten…. Nee!

In de paginalange uitslagenstatistieken gepubliceerd in de jaargangen van Album der Radwelt, komt Jan niet of nauwelijks voor. In Jans hoogtijdagen  – waarin in Duitsland honderden koersen zijn verreden, – wint Jan vier koersen, en daar houd het ook meteen mee op.

Aardiger is de locatie waar bovenstaande foto is geschoten, want Jan Snoek met gangmaker Jan Roos op de houten wielerbaan van Scheveningen. Een wielerbaan  waar de hedendaagse hooligan figuurlijk schatplichtig aan is.

Dat de eerste grote supportersrellen daar plaats vindt is een kras in de sportgeschiedenis, met dank aan de beruchte supportersclub van de Amsterdammer Piet van Nek die hun held in augustus 1911 met de trein zijn nagereisd.

Even kort: de jongens zijn het met een jurybeslissing niet eens. Omdat te benadrukken worden stukken hout uit het hekwerk getrokken waarmee   wereldkampioen Darragon, – een concurrent van Van Nek  -wordt belaagt.
Nadat de hevig ontdane Fransman afgestapt is, volgt de finale. Het Mokumse grauw stort zich op de wereldkampioen. Een tiental Haagse agenten met wapenstok wist erger te voorkomen.

Plaats delict

Daar heb je Stuyfssportverhalen weer met z’n stayerij, hoor ik jullie denken. Dat klopt. Want de fascinatie  blijft. Tenminste… als het de prehistorie van het stayeren betreft: om precies te zijn de romantische tijd vóór de Eerste Wereldoorlog. Een fascinatie gevoed door regelmatig  op ansichtkaartenveilingen unieke foto’s te scoren.

Om een lullig spreekwoord even af te stoffen ‘één foto zegt meer dan duizend woorden’. Met bijgevoegde foto als bewijs. De foto is geschoten op de Zeeburgwielerbaan in het Amsterdam van omstreeks 1905.

Even voor de onwetende: vóór de Eerste Wereldoorlog worden met angstige regelmaat stayers en gangmakers van de wielerbanen geschraapt. Tientallen van deze jongens verongelukken namelijk achter zware motoren (zie de link ‘verongelukte renners’ op deze blog).

Een foto als plaats delict, waar fijntjes de gevaren in al zijn naaktheid gevangen is, want een houten wielerbaantje, gemaakt van dwarsliggers met vrijwel platte bochten,  met grote kans dat  een renner, dan wel motor daar uit vliegt. Terzijde, aardig is de sleetse reclame uiting van Dunlop Banden gekalkt op het hout.

Terug naar het sluimerende gevaar, want dat zijn die motoren, de beruchte tweezitter. Een monster van een motor bediend door een stuurman en een gangmaker.

Tijdens de belle epoque de wildwesttijd  van het stayeren, waar het begrip veiligheidsvoorschrift ver weg is, hadden renners en gangmakers snel in de gaten dat koersen achter motortandems niet pluis is.

Deze monsterlijke motoren verdwenen daarom na 1910 zo’n beetje van de wielerbanen. Evengoed ging de bloedbruiloft achter motoren  door, want na 1910 tot 1918 sneuvelde nog vijftien renners.

Radrennbahn Rielh

De wielerbaan van Keulen ook wel de Radrennbahn Rielh genoemd. Een wielerpiste gebeiteld in de lokale Keulse geschiedenis. Een feit waar het Kolnische Stadsmuseum aandacht aan geeft, zie hier onder.

Waar nu het Olifantenpark in de dierentuin van Keulen staat, bevond zich tot 1956 een van de belangrijkste sportlocaties van Keulen: de Riehl-wielerbaan. De 400 meter lange baan werd in 1889 geopend, aanvankelijk als zandbaan, en vanaf 1895 als een geasfalteerde betonnen baan met steile bochten.

Er werden nationale en internationale wielerwedstrijden gehouden, waaronder zelfs wereldkampioenschappen. De zogenaamde motorpace-races waren bijzonder spectaculair en populair bij het publiek: in de slipstream van motorfietsen bereikten de wielrenners snelheden van meer dan 100 km/u.

Maar de faciliteit was veel meer dan alleen een wielerbaan. In 1890 gaf de legendarische westernheld Buffalo Bill er zijn show voor duizenden toeschouwers. Later volgden motorraces, speedway-evenementen, grote politieke bijeenkomsten en zelfs voetbalwedstrijden.

Na de Tweede Wereldoorlog werden de raceactiviteiten geleidelijk aan stopgezet. In 1956 werd de baan gesloopt om plaats te maken voor de uitbreiding van de dierentuin. Sinds 2004 is het Olifantenpark gevestigd op deze historische locatie.

Voor een inwoner van Keulen interessante geschiedenis. Wél jammer dat de auteur niet zó precies op de hoogte is, wat daar werkelijk op die baan heeft afgespeeld. Stuyfssportverhalen  wel!

Want op 7 september 1913 vindt op de Radrenbahn Rielh, één van de grootste ongelukken uit de wielersport want een stayerskoers  die de geschiedenis zal ingaan als de meest bloederige ooit, met in de dubieuze hoofdrol gangmaker Gus Lawson en zijn renner de wereldkampioen Paul Guignard.  

Een stayerskoers waar halfweg koers het nootlot toe slaat. De voorband van Lawsons motor ontploft.  Met negentig in het uur stort Gus tegen het beton. De aanstormende combinatie Meinhold en diens renner Scheuermann klapt er vol op. 

Lawson, twee gebroken armen én gespleten schedel, vertrekt niet veel later met de eveneens verongelukte  Scheuermann naar de Grote Stayershemel. Gussie Lawson, 31 jaar laat  z´n vrouw én drie kinderen in behoeftige omstandigheden achter.

Met dank aan Rob Duin.

Klimheilige

Marco Pantani. Uitvinder van de bandana. Grootmeester van de ultieme snok. Een sluipwesp en een vlinder tegelijk. Bracht rock ‘n roll op de flanken van de cols. Een reuzendoder die aanviel als iedereen dacht dat hij moest lossen. Een verademing in een tijd dat alleen menselijke machines in het hooggebergte de dienst leken uit te maken. Totaal gebrek aan uitstraling maar daarom bij mij zo geliefd. Regelmatig balancerend langs peilloos diepe psychische krochten wat de  kenmerk van de ware klimmer is.

Wat dat betreft had hij goede voorgangers. De carrières en levens van Charley Gaul, Gert-Jan Theunissen, Jiminez en Fuente, – om maar wat klimmers te noemen – zijn verplichte leskost voor aankomende psychiaters.

Terug naar Pantani. Die staat hoog in mijn heldengalerij. Om daar te komen moet je jong sterven. Liefst zo tragisch mogelijk.

Wat dat betreft heeft Marco niet teleurgesteld. Maar de manier waarop hij uit dit ondermaanse vertrok had beter gekend. Eerlijker. Eenzaam en verlaten doodgaan in een hotelkamer doen alleen verlopen jazzartiesten.

 Klimmers behoren op de fiets de laatste adem uit te blazen. Tommie Simpson gaf het goede voorbeeld. Dat hij daarmee een eeuwigdurend monument boven op de Mont Ventoux kreeg, is voor Tommy mooi meegenomen.

Pantani, vrijwel even oud geworden als de Verlosser uit Nazareth. Jezus en de Kleine Goddelijke Kale. De Prediker en de mystieke klimheilige. Beiden verraden. Jezus had zijn Judas. Pantani Jean-Marie Leblanc.

Want het is de toenmalige voorzitter van de Tour de France die het mes van de guillotine in de nek van Marco liet neerkomen. Leblanc was  er als de kippen bij toen San Marco – om een vermeend te hoog hemotocrietgehalte – uit de ronde van Italië te  verwijderen en verordende meteen dat het klimfenomeen daarom niet welkom was in Le Grand Boucle.

De ware rede was, dat Pantani, op dát moment, de enige grote bedreiging vormde voor Lance Armstrong. Want een overwinning van die Texaanse gladjakker opende voor de farizeeër Leblanc, de eindeloos uitgestrekte Amerikaanse commerciële markt. Enfin we weten inmiddels hoe dat is verlopen met Armstrong. En buiten dat, wat kan mij het schelen dat Il Pirata wel eens een ‘Epootje’ tot zich nam. Voormalig beroepsrenner Leblanc verontwaardigd horen praten over doping! Alsof de vos de passie predikt…

 Mijn onbegrepen Held is gestorven op 14 februari. Op Valentijnsdag,  begon hij aan zijn laatste klim. Klimmend, dansend en snokkend vertrok hij naar het grote wielerwalhalla. Of die bestaat weet ik niet, maar Pantani geloofde daar zeker in gezien zijn gekoketteer met de duivel.

Ciao Marco.

Hyalurozuur

De datum zes februari is té toevallig om daar iets achter te zoeken. Want  6  februari aanstaande gaan de Olympische Winterspelen in Milaan en  Cortina  d’ Ampezzo los . En laat nou op deze datum exact negentig jaar geleden, ook de Winterspelen een aanvang nemen.

De Olympische Winterspelen van 1936  gehouden in  Garmisch-Partenkirchen  op een boogscheut gelegen van de Berghof in Berchtesgaden, de buitenplaats van de Führer aller Duitsers, die trouwens ook de opening van deze Winterolympiade verricht.   

De aankondiging van de Spelen van 1936  waarvoor de organisatie Duitsland  heeft dicht geplakt met posters, voorzien van een afbeelding van de ultieme Arische Man, die hongerig en hooghartig naar het oosten loert. Wat sneeuw, vorst, bittere kou en ijs betreft, kwam deze in de hel van Stalingrad en de ijzige toendra’s van Rusland ruimschoots aan  z’n trekken…

En dan de aankomende Winterspelen, wat voer is voor het volk. Ook voor schrijver dezes, die met grote belangstelling uitkijkt naar het schansspringen, want daar schijnt door de springers dope gebruikt te worden. En dan niet van die ouwerwetse boerenjongensdope uit een ampul, maar dope in de onderbroek. Raar maar waar.

Want skispringers schijnen de ‘snikkel’ op te pompen met hyalurozuur,  wat hen een aerodynamisch voordeel zou opleveren, waardoor ze verder kunnen vliegen…

Je moet er maar niet aan te denken aan hét moment als de spuit in het huwelijks gereedschap wordt gestoken.  Of er behalve de sportonderdelen ook nog een  overeenkomst is met de Nazi-Spelen van 1936?

Jazeker, want de Amerikaanse  immigratiedienst ICE stuurt een ploeg agenten richting Milaan en Cortina  d’ Ampezzo om de Amerikaanse atleten te beschermen. Ergens in de Hel staat Heinrich Müller de vroegere beruchte hoofd van de Gestapo, begrijpend te knikken…

Bron onder meer: Olympia 1936 uitgegeven in 1936,

Berlijn 1906

Het zijn de foto’s die de tijd even doen stil staan. Vooral de oeroude zeldzame plaatjes van meer dan een eeuw oud. Foto’s anno nu, die de grenzen van verbeelding voor bijgaan. Op deze blog staan er tientallen. En als je denkt dat er niet meer zijn, duikt er weer een zeldzaam exemplaar op. Zoals bijgaande  onlangs gescoord op een digitale veiling. Een foto  gemaakt in het Berlijn van 1906. De stad waar keizer Wilhelm het hofprotocol strak in de gaten houd en Pruisische generaals lekkere gevoelens krijgen achter de gulp, bij het inspecteren van de marcherende troepen.

Berlijn ook de stad van de Treptow wielerbaan. Waar de Berlijnse stayer  Bruno Demke gesnapt is  bij de training achter de motortandem.

De motortandem tijdens de belle epoque een paar jaar actief op de wielerbanen, maar genoeg om voor altijd berucht en gevreesd de geschiedenis in te glijden, als een monster op twee wielen waar het voor een stayer niet pluis is.

Even over het  duo op de foto, door Stuyfssportverhalen direct herkend als het  apocalyptisch duo Emile Borchardt als stuurman en gangmaker Willy Porte.

Borchardt en Porte jongens met een bedenkelijke reputatie als  hoofdrolspeler in de aller zwaarste dodelijke ongeluk in de geschiedenis van de wielersport. Borchardt een man wiens carrière zich afspeelt in de twilightzone, het gebied waar het tijdelijke overgaat in het sterfelijke, want Emile kijkt iedere koers  in de ogen van de dood.

Ook op 18  juli 1909 op de splinternieuwe wielerbaan in het Berlijnse Botanische Garden.  Emil en Willy als gangmakers van Fritz Ryser. Nadat de renners zich hadden opgesteld klinkt het startschot. De  motortandems zijn met veel geraas zijn vertrokken. Henry Contenet, Fritz Stellbrink, John Stol en Fritz Ryser trekken zich op gang. 

Na een aantal ronden klinkt er een droge knal.  De achterband van Stols gangmaakmotor  is gesprongen en stort neer. De achteropkomende Borchardt stuurt in een splint second scherp omhoog, en vliegt vervolgens met negentig in het uur met motor en al over de balustrade midden in de afgeladen tribunes. Waar de benzinetank ontploft.  Negen mensen vinden de dood, en vijftien anderen worden met zware brandwonden afgevoerd.
Emil Borchardt brengt  het levend er van af, al zou nooit meer een motortandem besturen.

Dan is er ook nog Bruno Demke, die ook niet tussen de witte lakens zijn laatste adem uitstoot. Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog wordt Bruno jachtvlieger bij de Fliegertruppe das Kaiserreich en stort tijden een routinevlucht in 1916 neer. Bruno wordt 36 jaar.

Giullia en Audrey

De overeenkomsten zijn duidelijk.  Beiden zijn van een besproken levensstijl, ruilde de echtelijke sponde in voor een ander, zijn bekend met de amfetamines, én een sterfdatum begin januari. En vóór ze ter hemel trekken, geven ze ook nog een diepe kras in de mondiale geschiedenis.

Hank Williams, de aartsvader van country en rock ’n roll en Fausto Coppi  de renner die voor eeuwig bekend is als Il Campionissimo. Hank Williams een man die weinig met sport te maken heeft, maar de wereld wél blij maakt met onsterfelijke songs. Hank die geheel in stijl – tijdens de nieuwjaarsnacht van 1953  – tsjokvol dope op de achterbank van z’n Cadillac z’n laatste adem uitstoot.

Coppi, met de status van een half god. Of dat laatste waar is..? Laten we het er maar op houden dat Coppi, zowel Williams culthelden zijn, wat ook niet mis is…

Zeker voor schrijver dezes, want die bezocht  zowel de graven van  Hank Williams als  die van Fausto Coppi. Hank Williams  rustend op het Oakwood Cemetery in Montgomery Alabama, waar later z’n ex-vrouw Audrey ook is bijgezet: of Hank dat laatste zó leuk had gevonden…

Het kan erger. Want in het  pompeuze graf van Coppi rust niet zijn minnares en grote liefde Giullia Occhini, maar Coppi’s broer Serge. Het is maar dat U dat even weet…

2026

Hoewel de foto is ingekleurd met het toverstafje van AI, is de bijgaande renner kleurloos de geschiedenis ingegleden. Bruno Salzmann tijdens de belle epoque een redelijk stayer die voornamelijk actief is op de Duitse wielerbanen. In de Pruisisch nauwkeurig bij gehouden statistieken, gepubliceerd  in de jaargangen van Radwelt,  – lijstjes met de namen van vijftig stayers – staat Bruno regelmatig bij de eerste tien. Daarmee is alles gezegd. Dat heeft waarschijnlijk te maken met zijn afkomst als zoon van steenrijke ouders.

In tegenstelling tot zijn stayerende collega’s – vaak van eenvoudige komaf – hoefde Bruno voor het geld niet tot het uiterste te gaan. Evengoed schraapte hij tussen 1903 en 1913 een aardig kapitaal van 153.602 goudmark bij elkaar, verdiend met ongeveer twintig overwinningen en talloze tweede plaatsen.

En dan even een stichtelijk woordje: Stuyfssportverhalen wenst zijn bezoekers een gezond en  voorspoedig 2026.

Bron: jaargangen Radwelt 1903 tot en met 1913.