Geboortedag van de enige echte Campionissimo

Ben je nooit aan zijn graf geweest, dan ben je geen echte wielerliefhebber. De tocht naar Castellania, een piep klein dorpje hoog weg gestopt in de Apennijnen, is daarom verplichte kost. Beter gezegd een hedendaagse pelgrimstocht. Beschouw het bezoek aan Castallania daarom maar als een  boetedoening.  Castallania, waar Fausto Coppi, de enige echte campionissimo van de wielersport, geboren werd. En ben je geen wielerliefhebber, dan is een wandeling door Coppi’s geboortedorp evengoed een bizarre, maar fascinerende ervaring.
Wat al begint tijdens de autorit tegen  de steile hellingen rondom het dorpje. Kijkend omhoog ontwaar je, opeens en onverwacht,  tussen de woeste natuur in, een metershoge actiefoto van Coppi, gemonteerd op een vijf meter hoog electragebouw. Castelania, waar geen blinde muur van een gebouw noch schuur zijn te vinden. Deze zijn allemaal voorzien van foto’s, type billboard,  van de kampioen zelf. Met als bizar hoogtepunt het kolossale, pompeuze praalgraf,  waar ook Coppi’s broer Serge in mag rusten. Naast het graf een kapelletje zonder Roomse parafernalia, maar tjokvol relikwieën uit de wielergeschiedenis.
Fausto Coppi was natuurlijk geen heilige. De man was op dopegebied een trendsetter. En van zijn turbulente liefdesleven zijn genoeg verhalen over geschreven. Misschien dat hij daarom, ten onrechte, nu een cultheld is. Dáárom staat deze blog,  even bij stil dat vandaag 15 september, het honderd jaar geleden was, dat deze kleurrijke, grote kampioen werd geboren.

Foto: Op 22 september 1947, verpletterde Fausto Coppi, tijdens de Grand Prix de Nations, een monsterlijke tijdrit over 140 kilometer, de concurentie, in een tijd van ruim drieënhalf uur. Dat Emile Idéé, tweede werd op ruim acht minuten is ter kennisgeving.

Big Mike

Binnen tien jaar werkt Mike Passenier zich op van een onbekende trainer tot de godfather van de Nederlandse en internationale kickbokswereld. Vechters komen uit de hele wereld naar Oostzaan om in zijn sportschool te trainen, want het aantal kampioenen dat hij aflevert is indrukwekkend. De ring is zijn leven, maar soms levert de wereld daarbuiten spanningen op. Naast atleten vragen ook onderwereldfiguren hem om privé-trainingen, waaronder Willem Holleeder en Gwenette Martha. In het jaar dat hij 50 is geworden geeft hij voor het eerst openheid over de hardheid, de opoffering, glorie en het verdriet achter de schermen van de kickbokswereld.
Mike Passenier groeit op, net als zijn grote idool, de legendarische nummer 14 Johan Cruijff,  in Betondorp. Als puber zoekt hij de grenzen op, maar blijft altijd net aan de goede kant van de wet.
Het geheim van Mike Passenier is zijn oog voor detail, het eindeloos herhalen van dezelfde bewegingen en weinig empathie. De meeste kickboksliefhebbers die een keer mee willen trainen schrikken van het geweld dat ze over zich heen krijgen. Medelijden is een woord dat bij Mike’s Gym weinig wordt gebruikt. Of zoals Mike verwoordt: De hardste en beste vechters zijn jongens van de straat en komen niet uit Aerdenhout.
Zoals Melvin Manhoef, die zijn sport combineerde met roofovervallen. Het hoofdstuk over Manhoef leest ademloos weg. Auteur Boldewijn neemt de lezer mee in het harde criminele leven van Manhoef en hoe deze door Mike Passenier  uiteindelijk uit de criminaliteit werd gered. Manhoef,  inmiddels als professional kickbokser tot de wereldtop, heeft inmiddels zijn leven op de rails. Boldewijn beschrijft dat de wereld van het  kickboksen én criminaliteit soms héél dicht bij elkaar komen. Ook Mike Passenier schurkte daar als tiener tegen aan. Zijn jeugdjaren kun je omschrijven als een schelmenroman. Boldewijn geeft daar een aardig inkijkje in. Fascinerend is het hoofdstuk waarin beschreven wordt hoe Amsterdamse topcriminelen de weg vonden naar Mike’s Gym. Zoals Willem Holleeder die, wat trainingstijden betreft, een Spartaanse levensritme er op na hield. Enfin, het boek ‘Big Mike’ geeft een inkijkje in de tot dusver gesloten kickbokswereld.
Big Mike
Auteur: Wilson Boldewijn,
Omvang : 256 blz.
Formaat : 15 x 23 cm, paperback met fotokatern
ISBN : 97890 8975 683 1
Prijs : € 20,00

Netvlies

De Europese wielerbanen anno 1901, waar een lullig, ééncilinder gangmaakmotortje  zijn opwachting maakte. Een motor die amper de zestig kilometer aan tikte. Of dat evengoed een veilige snelheid  was? Nee! Dat  de gangmaker, vér achter zijn achterwiel zat,  was al bloedlink.  Spontane zenuwtrekjes had de renner moeten krijgen bij het feit dat vóór op het stuur, een blok ijzer was geplaatst om de motor in evenwicht te houden.
Ondanks de gevarenzone zag  César Simar wel mogelijkheden.  Om meer in de zuiging van de motor te zitten liet de man, afkomstig uit Lille,  een fietsje bouwen waarbij zijn héle lijf boven het voorwieltje zat. Het was stayeren in de twilightzone, waar ‘gene zijde’ nooit ver weg was, want  geremd werd  door met het hoofd tegen de rug van de gangmaker aan te rijden. Hoe dat ging tijdens een koers met meerdere renners, én op een kleine wielerbaan,  moeten we maar niet aan denken.
César Simar, met een verdienstelijke uitslagenlijst, bij elkaar gereden op obscure wielerbanen in Buenos-Aires, New York, én de Parijse banen, werd goed genoeg gevonden voor een serie contracten op de Duitse wielerbanen, de Premier League van het toenmalige stayeren. Vanaf 1905 tot 1910 werkte Simar in Duitsland een serie contracten af. Simar, winnaar van onder meer de Grote Prijs van Dresden en de  Grote Prijs vom Rhein,  gehouden in Keulen. In  vijf seizoenen werd  dertien grote koersen gewonnen, waarbij hij ruim negenendertigduizend goudmark op zijn bankrekening mocht bij schrijven. Maar de grote doorbraak bleef voor César uit. De man leed aan een slepende astma waar hij uiteindelijk op vijfenvijftig jarige leeftijd aan overleed.
César Simar, op de foto achter  gangmaker Bertin, een man met een duistere, gekwelde blik, die ondanks dát,  voor het grote avontuur ging. Na een jaar met Simar,  verruilde Bertin zijn één cilindermotortje  om voor een zogenaamde motortandem, een monster op twee wielen. Bertin stelde zijn kunsten in dienst van stayer Paul Dangla. De laatste beelden  op Paul’s netvlies op dit ondermaanse,  was de rug van Bertin. Een paar seconden later  verongelukte hij dodelijk, wat gebeurde tijdens de Golden Rad van Magdeburg in 1903. 
Een jaar later raasde de Franse stayer Charles Brécy achter Bertin, toen de voorvork diens motor brak. Charles Brécy werd 31 jaar. Met Jean Bertin liep het trouwens  ook niet prettig af. In 1912 knutselde de Parijzenaar een vliegtuigje in elkaar. Of Bertin, op het moment van neerstorten dacht aan Dangla en Brécy is niet zéker. Wél dat Bertin 35 jaar werd.

Foto: Bertin verruilde zijn één cilindermotor om voor de loodzware motortandem. Links stuurman Sigonand, daarnaast stayer Paul Guignard, die niet veel later de honderd kilometer afraasde in een uur: een  werelduurrecord. Helemaal rechts Bertin. Tussen hen in Bertin senior.

Bron: Radwelt jaargangen 1905 tot 1910, La Vie au Grande Air jaargang 1903.

‘Slachtoffer van den Wielersport’

Overwoekerd door struikgewas. Verwaarloosd door de tijd.  Tientallen jaren niet bezocht, en door personeel van de begraafplaats totaal vergeten. Tot twee weken geleden. Een wandelaar trok uit pure  nieuwsgierigheid de struik weg. Een prachtig grafmonumentje, voorzien van  een wielrenner in reliëf uitgehakt, kwam uit het groene onkruid tevoorschijn, met aan de voet een foto van een jongen. De tekst op de steen  verraadde dat zich vijfennegentig jaar geleden een dramatisch voorval had afgespeeld. Dat ene Herman Sluijter, zeventien jaar oud, in het graf rustte  was zeker. En waarschijnlijk had het reliëf op de grafsteen betrekking op hem.  Maar wie was deze Herman Sluijter? En wat voor drama had zich precies afgespeeld? Stuyfssportverhalen ging op onderzoek uit…

Het clubkampioenschap van wielervereniging De Romein. Een  koers van niks, en gehouden   in de polders ten westen van Muiderberg, met start en finish bij de Hakkelaarsbrug. Een van de deelnemers is Herman Sluijter, 17 jaar, zoon van een gemeentewerker,  afkomstig uit de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt. Herman’s club, De Romein, organiseerde net zoals veel andere wielerclubs, hun koersen in de stilte van de weidse polders rondom Muiderberg.
Ook op die  zondagmorgen in  juni 1924, waar op de verlaten  polderweggetjes   veilig gekoerst kan worden. En waar het tóch mis ging.  Waarschijnlijk door die bedrieglijke stilte liet Herman Sluijter, eerste jaar nieuweling met een bescheiden palmares,  even zijn voorzichtigheid varen, en klapt vervolgens vol op een tegemoetkomende auto. De jonge Sluijter, zwaar gewond afgevoerd naar het  Gerardus Majella Ziekenhuis in Bussum, waar hij enkele dagen later sterft. Een week later wordt de ongelukkige jonge renner begraven in een ‘algemeen graf’, op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam.
Een algemeen graf, een eufemisme voor een begrafenis ‘van de armen’.  Een gegeven voor  wielvereniging De Romein om  een inzamelingsactie onder de wielerverenigingen te starten:  doel een eigen graf mét gedenksteen voor hun lid. Twee jaar later, een dag na Herman Sluijter’s geboortedag, is het zover: het grafmonument van Herman,  herbegraven, wordt onthuld met onder meer  voorzien van de tekst: ’Slachtoffer van den wielersport’.
Helemaal soepel verliep de inzamelingsactie niet. De solidariteit onder de clubs was ver te zoeken. In Het Nieuws van den Dag,  aandacht bestedend aan de onthulling, laat een verbitterde secretaris van de club, ene Cornelisse, weten dat: ‘Dat andere clubs er anders over dachten en het soms zelfs niet eens noodig oordeelden te antwoorden’. Om in een zin te verwoorden dat HSV De Kampioen, de Amsterdamse Wielervereniging, én De Peddelaar wél gedoneerd hadden.

Neef Herman Sluijter
Hoewel hij als kind regelmatig bij zijn opa en opoe kwam, werd over de verongelukte Herman nooit gesproken. Naamgenoot Herman Sluijter, 86 jaar, neef en naamgenoot van zijn jong gestorven oom, wist van diens bestaan af. Al was het alleen maar omdat hij met zijn opoe regelmatig het graf bezocht. Ondanks dát werd over zijn oom nooit gesproken. Zo ging dat in die tijd verzucht hij. Emoties werden weg gestopt. Herman Sluijter, hierna genoemd Herman senior, heeft evengoed een band met de jonge oom die hij nooit gekend had. Al tientallen jaren bewaart hij zuinig de weinige stoffelijke herinneringen aan z’n oom. Het zijn onder meer fragiele krantenberichtjes, foto’s, en heel bijzonder, een doosje. Waaruit,  open gemaakt,  vier medailles tevoorschijn komen, gewonnen door oom Herman en voorzien van inscripties.

Enigste overwinning

Ook die ene medaille met de tekst,  dat  Herman Sluijter, op 8 juni 1924 een ‘honderd kilometer’ koers won. Het was de enige overwinning voor de nieuweling afkomstig uit de Amsterdamse Monnickenstraat. Twee weken later verongelukte hij. Hoewel Herman senior al jaren niet meer het graf bezocht, betaald hij sinds het overlijden van zijn vader in 1985, jaarlijks de grafrechten. Herman senior weet weliswaar niet veel over de wielercarrière van zijn oom, maar wel over de geschiedenis van het graf. Zoals dat in 1938, Stientje, zijn tante én het zusje  van de verongelukte renner, op achttienjarige leeftijd werd bijgezet. In 1959 volgde de moeder. Waarmee het graf vol was.  Om ruimte op de grafsteen te maken voor de namen van het zusje en de moeder, werd de waarschuwingstekst ‘Slachtoffer van den wielersport’ weg gehaald.
Over de toekomst van het familiegraf behoeft Herman senior zich geen zorgen te maken. Mischa Smeding, staflid van de Nieuwe Oosterbegraafplaats, heeft verzekerd dat bijzondere graven, zoals die van Herman Sluijter, nooit geruimd gaat worden.

Foto 1 en 2, gemaakt door Hans Kramer tevens de tipgever van dit verhaal.

Graf van Piet Dickentman herontdekt

Eeuwige rust is een beperkt begrip in Nederland. Zeker op de begraafplaatsen. Zit het zogenaamde grafrecht er op, of wordt door nabestaanden daar  niet meer voor betaald, dan wordt zo’n graf geruimd. De botten van de overledenen verdwijnen in de knekelput. Althans daar ging Stuyfssportverhalen altijd van uit. Dat was dus een groot misverstand. Dat is namelijk niet zo. Wat  duidelijk gemaakt werd door Mischa Smeding, staflid van de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam.
Op ‘haar’ dodenakker wordt al tientallen jaren graven niet meer geruimd. Wat wél verdwijnt zijn de grafstenen. Afgelopen vrijdag kreeg Stuyfssportverhalen van Smeding, zie foto, een kleine rondleiding langs de vele monumentale grafmonumenten die de begraafplaats rijk is:  door Smeding en haar collega’s gekoesterd,  en eventueel gerestaureerd. Ook het graf van de in 1914 dodelijk verongelukte stayer Piet van Nek. Waar dit verhaal allemaal mee begon. Komende oktober bestaat ‘het Ooster’ honderdvijfentwintig jaar. Om daar bij stil te staan, maar ook om de monumentale status te benadrukken, worden bij de graven van voorheen bekende stadsgenoten, een tekstbordje geplaatst met uitleg én eventuele foto van de persoon in het graf.
Van Piet van Nek was geen duidelijke foto beschikbaar. Deze blog heeft, via zijn archief, dit hiaat ingevuld. Voor Mischa Smeding aanleiding als kleine tegenprestatie,  een rondleiding te geven over de dodenakker. Tijdens deze wandeling vertelde Smeding bijna achteloos, dat het graf van Piet Dickentman, nog steeds intact is. Sterker, Dickentman, Amsterdams eerste wereldkampioen in welke sport dan ook, rust slechts twee meter achter het graf van Van Nek. Een kleine historische sensatie!
Ook de graven van Chris Orlemans, dodelijk slachtoffer van  een stayerskoers, gehouden op de Amsterdamse wielerbaan van 1922, bestaat nog steeds. Maar ook het graf van Jan van Snoek, een meervoudig Nederlands kampioen en topstayer op de Duitse wielerbanen tijdens het interbellum, is er ook nog.
Stuyfssportverhalen,  bijna vijf jaar gelobbyd om een straat  dan wel een brug te vernoemen naar deze sportheld: wat inmiddels gelukt is. Dat Dickentman ook een tekstbord op diens graf moet krijgen is een logisch vervolg…

Gaat vervolgd worden

Zwemmen

Gekoesterde herinneringen mogen nooit bezoedeld worden. Denkend aan Gimondi zie ik daarom een atleet, lang, slank,  en rank in de heupen. Gebeeldhouwd zittend op z’n Bianchi-koersfiets, met een  oogopslag als een vlammenwerper.  Handen als klauwen om de remgrepen. Gehuld in dat prachtige roze tricot, die alleen Italiaanse campionissimo’s staan. Onvergetelijke beelden, afgedrukt in de kolommen van de Miroir de Cyclisme. Dat Gimondi de Tour won, meerdere keren de Giro d’Italia en Parijs-Roubaix, is leuk voor de statistici onder ons. Voor de liefhebber was Gimondi  méér dan grijze en dorre cijfers, want zinnebeeld van de ‘koers’ uit de jaren zestig en zeventig. Schoonheid op een koersfiets, waarbij je stiekem hoopte dat hij  voor eeuwig zal blijven koersen.
Voor Gimondi tikte de klok ook  genadeloos door. Felice werd ouder, ging met pensioen en verdween geruisloos uit de kolommen  van de geïllustreerde wielerbladen. Foto’s van een gepensioneerde Gimondi deden pijn.  Daar wilde je liever niet mee geconfronteerd worden.  Bang dat het  beeld van de ultieme renner werd vertroebeld.
Maar ook kampioenen hebben  niet het eeuwige leven. Ooit zal hij door zijn Heer opgeroepen worden om rekenschap over zijn leven af te leggen. Mocht dat gebeuren dat wél volgens de mores van de koers.
Zoals indertijd Edward de Caluwé, winnaar van de ronde van Vlaanderen anno 1938, waarmee Edward zijn plekje in de Vlaamse heldengalerij voor altijd innam.  Edward de Caluwé, liefhebber van de koersfiets, vertrok ergens in 1985 voor een tochtje op z’n fiets. In Geraardsbergen, aan de voet van de Muur, stierf Edward door een hartstilstand. Sterven in het harnas op heilige wielergrond.  Dat was Felice Gimondi niet gegund. De man stierf tijdens het zwemmen, waarmee een oeroude wielerwet werd bevestigd dat wielrenners, nóóit maar dan ook nóóit behoren   te zwemmen.
Felice Gimondi had dat kunnen weten.

Vier plakkertjes

Pioniers waren het. Jongens, zonder énig benul van gevaar of veiligheid.  Voor dat ze dát besefte, waren al tientallen van hen dodelijk verongelukt. Dat stayers tijdens de Belle Epoque regelmatig langs een vers gedolven graf scheerden, laat  bijgevoegde foto van George Leander, onbedoeld  zien.
George Leander, stayer afkomstig uit Chicago, maakte  op 21 augustus 1904 in het Parc des Princes, Parijs,  zijn Europese debuut achter de zware motor. Voor het Franse sportblad La Vie au Grande Air, aanleiding voor een pagina groot achtergrondverhaal over George, compleet met de toenmalige gebruikelijke, statische foto’s. Waarvan  er één duidelijk  opvalt. Die van  George, in profiel op zijn stayersfietsje.
Eerst even vertellen dat  de stayers op de Europese, maar vooral de Duitse wielerbanen tóen al, de negentig kilometer per uur aantikte. George wist dat. Oók  dat vanaf 1900, tot George’s  Europese debuut, inmiddels  dertien renners en gangmakers dodelijk waren verongelukt: het aantal zwaar gewonden was een veelvoud.  Met als sinister detail, dat in dat zelfde jaar 1904, al  negen stayers en gangmakers ter hemel waren getrokken. Gelukkig voor hem besefte  de jonge Jank uit Chicago niet, dat hij de tiende ging worden…
Terug naar die foto. Dat George zonder helm koerste was toen normaal. Dat in die zelfde koers waar George van start ging, de Parijzenaar Eugene Bruni, als eerst renner óóit, met een zelf gemaakt valhelm reed, was ter kennisgeving. De belangrijkste oorzaak van de vele zware ongevallen waren de lekke banden. Een lekke band met die hoge snelheden, dan sloeg deze van de velg, én vervolgens tussen de spaken.  Exit renner.

De foto bestuderend, had George daar al een klein vermoeden van. Georgie had zijn  voorzorgmaatregel genomen. Aandoenlijk te zien dat hij z’n voorband, met vier plakkertjes aan de velg had geplakt. Dat hij zijn achterband oversloeg zijn van die raadsels waar je nooit meer achter komt.
Even ter vergelijking met anno nu: als veiligheidsmaatregel zijn stayersbanden met linnen stroken compleet vastgeplakt aan de velg. Enfin, al hád George Leander dat wél gedaan dan lag even goed zijn lot vast.
Op die 21e augustus, tijdens die bewuste stayerskoers, achter gangmaker Cissac, raakte George Leander, in winnende positie, los van de rol. George  spurtte dat gaatje dicht, en klapte vol op de motor. George Leander, 22 jaar overleed twee dagen later aan de gevolgen van zware hersenletsel.

Puntige beha’s

De storm van mijn jeugd overleeft, en al zestig jaar  in m’n bezit. Een wonder op zicht. De ESSO-voetbalplaten, uitgegeven in 1959 door de gelijknamige oliemaatschappij. Negenenveertig kleurenfoto’s, afgedrukt op groot formaat, van elftallen uit het toenmalige betaalde voetbal:  bij elkaar gehouden in grote enveloppen.  Clubs met obscure namen als Rigtersbleek, NOAD, Stormvogels, Volewijckers en meer. Verenigingen, allang opgelost in de geschiedenis. Kleurige platen, negenentwintig centimeter breed,  geschoten  in knusse stadionnetjes, waarmee duizenden jongenskamers werden behangen.
Foto’s  met elf knoestige kerels, uitgeschoren nekken, in de kousen betonnen scheenbeschermers, die  voor een handvol knaken,  de eer van het dorp of stadswijk verdedigde.  Fanatiek  aangemoedigd door mannen met  alpinopetten en  stompjes sigaren tussen de lippen.  Voetballers getraind door een lokale feldwebel, die zijn jongens in de koude avonduren liet opdraven. Op de houten tribunes geen malligheid zoals van hedendaagse, rellende supporters. De enige die regelmaat over de schreef gingen, waren de keepers van dienst. Kerels met een geduchte reputatie. Die bij hoge voorzetten stompend naar de bal gingen en daarbij ‘per ongeluk’ het hoofd van de gevaarlijkste tegenstander raakte. Goddank kwam de VAR alleen maar voor in koortsige dromen. Of er met een systeem gespeeld werd? Ja, met   een ‘stopperspil’, die, als het hem uitkwam, je rücksichtlos het ziekenhuis in schopte.  Enfin, de avonturen van Kick Wilstra waren nooit ver weg…
Dat was dus 1959,   met radio Luxemburg,  –  de laatste Amerikaanse rock ’n roll-platen- , meiden,  angoratruitjes en puntige beha’s, achterop de brommer. Waarbij je enige zorg was dat je genoeg  brillantine in je haar had. En zondagsmiddags, op de buizenradio  Frits van Turenhout, die met sonore stem, alsof er zojuist een wereldoorlog was uitgebroken,  de voetbaluitslagen voorlas.
Tsja, de fifties, fijne tijden, met  de Esso-voetbalplaten als laatste tastbare icoon.

Foto: Stormvogels uit IJmuiden met zittend, tweede van rechts, Henk Groot, de man met de fluwelen techniek, die als enige van al die honderden spelers, echt doorbrak als voetballer. Eerst bij Ajax en later in Oranje.

Nieuwe kans

De gangmaakmotor van wijlen Noppie Koch. Meer dan zeventig jaar oud. Een relikwie uit vervlogen tijden.  Gebouwd in de Parijse fabriek van Meijer. Een vuurspuwend monster, die gemakkelijk de honderd kilometer per uur aantikte. Stayeren met dergelijke  motoren,  altijd spektakel. Achter de motor van Koch,  werden tien wereldtitels behaald onder meer door Piet de Wit, Matthé Pronk, Leo Proost, Martin Venix, en Theo Verschueren. Het mondiale stayeren is inmiddels exit, met dank aan een handvol corrupte gangmakers. Ook de zware, antieke motoren zijn van de wielerbanen verdwenen, en vervangen door handelsexemplaren. De ‘Meijers’ staan nu in  musea, of bij verzamelaars.
Of dat ook met Koch’s motor gaat gebeuren? Vorig jaar werd deze motor, op veilingsite Catawiki, aangeboden voor een bedrag tussen de 20- en 25.000 euro. Waar vermoedelijk geen kopers voor te vinden waren. Niet geschoten altijd mis, want nu staat de Meijer te koop voor 16.990 euro. Maar dan krijg je wel de helm én het gangmakerspak, de in 2010 overleden Noppie Koch daarbij.(zie video)

Zuinig naar goud

Van al zijn  collega’s kreeg hij felicitaties. Ook van de jongens, vers uit de ronde van Frankrijk gekomen. Tijdens de ronde van Boxmeer, het eerste criterium na de Tour, had Reinier Honig niet te klagen over gebrek aan belangstelling. Twee dagen eerder greep Honig de Europese stayerstitel. Dat zijn wielercollega’s, actief als wegrenner, daarvan op de hoogte waren vond hij verrassend. Waarmee  de sociale media zich weer eens had bewezen. Terwijl de Tour zijn laatste week inging was Honig samen met gangmaker Jos Pronk in het Noord-Italiaanse Pordenone, neer gestreken.
Waar de lokale hobbelige wielerbaan lag te sidderen in een hittegolf. Dat het rijvlak van de baan hobbelig was, was voor Honig, met diens ‘inhoud’, opgedaan in jarenlang wegkoersen,  een voordeel. Tijdens de series hield Honig zich rustig. Gangmaker Pronk loodste zijn renner, zuinig rijdend richting finale. Zo zuinig, dat Honig door de winnaar van zo’n serie op een ronde werd gereden. Voor de finale, gehouden in de avonduren kon Honig zijn borst nat maken. De hitte was slopend. En laat nou dezelfde avond de hemel voor het eerst in weken opgaan. Door de aanhoudende regen werd finale uitgesteld tot zaterdagmorgen. Ook de dag dat Honigs terugvlucht naar Amsterdam stond geboekt. Dat laatste werd snel omgezet.  
In die finale, met acht renners, in een koers over een uur, startte de Noord-Hollander als vijfde. De uittredende Europees kampioen, de Duitser Franz Schiewer als derde, die direct opstoomde naar de kop.
Het zekere voor het onzekere te nemen opende Honig al vroeg de aanval. Volgens hem was het te link om daar mee te wachten tot het laatste kwartier. De aanval verraste Schiewer.Als er in zo’n stayerskoers drie renners van dezelfde nationaliteit rijden, kun je wachten op een combine. Ook tijdens Honigs finale waarin hij moest afrekenen met twee andere Duitse renners. Franz Schiewer, niet bij machten Honig te bedreigen wendde een lekke band voor. Hopend op een wissel, waarbij hij hoogstwaarschijnlijk verder ging op een fiets met een voor hem betere versnelling. Waar de jury niet in trapte. Een diskwalificatie volgde. Wat overbleef werd stayersgeschiedenis. Na drie keer tweede op een Europees kampioenschap te zijn geworden greep Honig, inmiddels 36 jaar, eindelijk zijn wel verdiende titel, plus de kampioenstrui.

Uitslag: 1 Reinier Honig, 2, Daniel Harnisch (Duitsland), gevolgd door landgenoot Christof Schweizer. (foto: Europese Wieler Unie)

error: Content is protected !!