Goddelijke Kale

Veertien februari, Valentijnsdag. Waarbij je geacht wordt om je liefde te betuigen aan je geliefde. Een  uit Amerika overgewaaide malligheid, waar columnist dezes, niét aan mee doet. Evengoed tóch éven stilstaan bij deze opmerkelijke dag.
Al was het alléén maar  dat op deze datum, precies vijftien jaar geleden, Marco Pantani, aan zijn definitieve laatste klim begon. De kleine, Goddelijke Kale, de man van de verschroeiende snok, ooit in het pak gestoken door die schele, gedrogeerde schurk, uit Austin, had genoeg van dit aardse tranendal.
En er waren meer die hun kras kerfde op deze datum, zoals Al Capone! Vergeleken met Al, waren de zogenaamde daden, van Willem Holleeder, kwajongensstreken.  Al, niet van de pot gerukt, liet op 14 februari 1929, in de North Clarc Street, Chicago, zeven leden van een concurrerende gang doodschieten. Kom daar maar eens op als modale Hollandse boef.
14 Februari 1929, ook de datum waarop in Watsonville, Californie, het gevecht plaats vond tussen lokale favoriet Jess DeMotte versus Jock Malon, bijgenaamd  Johnny Murphy.
DeMotte, Italiaanse roots, tegen de van Ierse afkomst zijnde Jock: áltijd bloed aan de paal. Lang had het thuispubliek niet kunnen genieten van deze partij. Ierse  Jock, ramde in de eerste ronde Jess bewusteloos tegen het canvas.
Jock Malone, middengewicht uit Saint Paul, Michigan, beleefde zijn debuut in 1916 tegen Gorilla Jones, en vocht tijdens zijn carrière honderdzestig partijen. Stapte daarbij honderddertig keer als winnaar uit de ring. Drieëndertig tegenstanders werden wakker op het canvas.  Jock’s laatste gevecht was in 1930, tegen Tiger Johnny Cline, waarbij de Ier, inmiddels drieëndertig jaar, een aframmeling kreeg.
Ach god, die  Jock, ooit gevreesd in de ring kende een dramatische ouwedag. De laatste jaren bracht hij bij zijn moeder én zuster door. In wiens huis hij in 1964, een hartaanval kreeg, waarbij hij door zijn Schepper op vierenzestig jarige leeftijd definitief werd uitgeteld.
Jock Malone, begraven ergens op een begraafplaats in New York.

Bron: het digitale archief van de New York Times.

Muilpeer

1948, het jaar dat Trees definitief was ‘uitgesnoerd’ met haar Canadees. En dat de voorheen kaal geschoren  moffenmeiden, weer  voorzien waren, van een fijne bos krullen. En dat Jan en Mien, iedere nacht, het stoom uit hun matras liet dampen:  resultaat, de geboortegolf.
Dat de wederopbouw in volle gang was, weten we onderhand ook wel. Ook dat de  ouwe Drees, het bed van de komende AOW, aan het opschudde was.   
Maar 1948, ook het jaar dat er een serieuze Ronde van Vlaanderen werd gehouden. En daar ging het ruig aan toe. Ná de finish dan. Dat kon je wel aan die Maurice Mollin overlaten. Dat de man over een snelle ‘linkse hoek’ beschikte, werd duidelijk. Of die Maurice,  profrenner afkomstig uit Antwerpen,  ook over een snelle sprint beschikte…?
Ieder geval liet Maurice zich tijdens een eindspurt, niet ongestraft flikken. Zéker  niet voor eigen Vlaamse volk. En al helemáál niet door een Fransman.
Stel een  Vlaming de gewetensvraag, waar hij de meeste hekel aan heeft:  de Mof of een Fransoos. Met de taalstrijd in het achterhoofd weet je het antwoord. Ik bedoel maar.  Het  anti-Franse sentiment,  als een niet te blussen veenbrand. Dat tijdens de jaarlijkse IJzerbedevaart tienduizenden vrolijk met de Vlaamse Leeuwenvlag wapperen, is ter kennisgeving.
Kortom, fijne ingrediënten aan de finish in het Oost-Vlaamse Wetteren. Waar het volk, ‘volgelopen’ in de Staminees,  met spanning afwachten op de aankomst van hun Ronde. Opgewarmd met de mededeling dat er een kopgroep aan zat te komen. Bevolkt met kasseistoempers als een Impanis, Sterckx, Briek Schotte, De Simpelaere, en de genoemde Mollin. Daar tussen, als paardenbloemen op een bed Vlaamse rozen, de Italiaan Magni én Louis Caput. De  laatste kreeg ongetwijfeld een harde bij het horen van de Marseillaise, want een Fransman.
En wat er nou tijdens die sprint precies was voorgevallen…? Onbekend! Maar wél dat het héél érg moet zijn geweest. En ook dat Caput daar bij betrokken was. Mollin,  ging na de koers, tsjokvol adrenaline én meer,  dan ook op een persoonlijke vendetta. Richting Caput. De laatste kreeg van Mollin een heuse muilpeer. Met de genoemde supersnelle linkse.
Dat was dus de ronde van Vlaanderen 1948. Die tot overmaat van ramp voor heel Vlaanderen, ook nog eens werd gewonnen door de Italiaan Magni. Ach die Mollin, had over zijn carrière, géén  rede tot klagen. De man, een middelmatige renner, met onder meer overwinningen in kermiskoersen van Hoboken, Wilrijk, Averbode. Maar evengoed was 1948 hem goed gezind, want de Antwerpenaar won in dat zelfde jaar wél Luik-Bastenaken-Luik.

De Neger

Duitse troepen hadden amper hun gespijkerde laarzen gelicht. Of Parijs-Roubaix werd gehouden. Met de juiste ingrediënten van dienst. Zoals de stenen. De smerige, bolle strontweggetjes. Dreigende luchten. Storm. Regen. De armoedige dorpen. Maar vooral de kolenmijnen. En die waren nog in vól bedrijf. Misschien dankzij dát, verkreeg Olimpio Bizzi zijn broodnodige morele steun. Want de Noord-Franse kolenmijnen, vanouds hét domein van de Italiaanse gastarbeiders. En die stonden op zondag zes april 1947, met tienduizenden  hun Olimpio aan te moedigen.
Tifossi´s, zet ze aan het front en als Italiaanse renner heb je géén dope meer nodig.  Dat dacht Olimpio Bizzi ook. Olimpio, bijgenaamd de Neger van Livorno. Ach gut, nou maar niet hopen dat die Silvana Simons dit leest.
We gaan verder. Parijs-Roubaix dus, waar de hedendaagse massahysterie nog ver weg was. Maar waar het wél guur, koud, nat was.
Olimpio, Toscaan, met dertien gewonnen Giro-etappes, smeerde hem direct na de start. In gezelschap van Fazio en een zekere Vlaeminck, de laatste getrokken uit de Vlaamse klei. Bizzi, van de Toscaanse God los, met een paar supersnelle benen, koerste vrijwel nóóit buiten De Laars. En nu ramde hij op zijn Viscontea-koersfietsje vér voor de meute uit. Voor de Neger lag eeuwige roem te wachten. Want zeg nou zelf. Je naam op de erelijst van Parijs-Roubaix, daar zijn renners bereid voor, om een vinger bij zich zelf af te laten hakken.
En dan is het zeventien kilometer voor het velodrome van Roubaix. Een gat in de weg. En dat zag de Neger van Livorno nou nét niet. Gebroken achterwiel. En geen materiaalwagen in de buurt. Met slechts veertig seconden voorsprong vecht de depanneerde Bizzi, met de moed der wanhoop verder. En tsja, dan krijg je dat geneuzel wat koersverslag wordt genoemd. Stuyfssportverhalen doet daar nooit aan mee. Die houd zich bij de dramatische feiten. Zoals dat Olimpio Bizzi, uiteindelijk teruggepakt en als zesde huilend – je bent Italiaan of niet –  over de eindstreep komt.
Olimpio Bizzi, inmiddels al tot stof vergaan, want de man overleed op zestigjarige leeftijd in 1976, maar de iconische foto van zijn drama, bevindt zich na zeventig jaar , in het archief van deze blog.

Frumselhaartje

Godsamme! Het gevaar spat van de foto af. De schrik slaat je om het hart. En de vraag was dan ook niet hóe, maar wanneer. Want dat er ongelukken gingen gebeuren, dát was zeker.
Stayeren in de Belle Epoque: voor gekkies en andere vermetele. Jongens, draaiend in de mallemolen van het leven.
Zoals Joe Nelson, afkomstig uit Chicago. Joe, gegangmaakt door ene Stinson. Achter een motor waarvan een visuele gehandicapte kan zien, dat je je leven daarachter, niet zeker was. Dat had die Stinson ook bedacht. Om te voorkomen dat zijn voorband in de bochten, er af vloog, had hij deze met tape vastgemaakt. Nog even doorgaan over die motor. Die altijd goed was voor zo’n tachtig kilometer per uur. Maak met die snelheid maar eens een smakkerd…  

Of die Joe daar van doordrongen was? Ja! Maar dáár kom ik straks op terug.  Wat die jongen bezielde? God, zal ongetwijfeld het antwoord weten. En anders stond dat wél in de sterren geschreven. Ik bedoel Joe, goed getraind, kaggelde met zo’n tachtig kilometer achter dat ding. Die was doordrongen van het gevaar.
Dat Joe geen helm droeg was een issue. Erger was dat achter die motor, voor de veiligheid van de renner, geen meedraaiende rol had. Zo’n rol, die voorkwam dat de renner tegen de motor aan reed. De afstand voorwiel/achterkant motor, was een kwestie van een  frumselhaartje…
Tijdens een stayerskoers gehouden in het New Yorkse Madisdon Square Garden,  anno 1904, realiseerde Joe dat ongetwijfeld ook.  
Joe, volle snelheid,  raakte inderdaad héél even de motor. Joe Nelson, werd eenentwintig jaar. Hoe het dáárna, met zijn  moeder was gesteld, daar durf ik, anno nu,  niet eens aan te denken. Drie jaar eerder want september 1901, op dezelfde baan, en óók tijdens een stayerskoers, verongelukte namelijk  haar andere zoon, Johnny, 23 jaar.
Joe Nelson had dus gewaarschuwd moeten zijn…

Schimmen

En daar was die opeens! Jan Zagers! En nog wel tijdens de klassieker  Parijs-Brussel, anno 1953. Waar die Jan,  op de gevreesde kasseien van Braine-le-Comte , een demarrage plaatste van jewelste.  
Ach, die Jan toch, een profje uit de buurt van Antwerpen. Pas tweeëntwintig jaar. Ga maar op avontuur jongen. Doe maar lekker gek. Laat je zien. Het geluk is voor de opportunist.
Alleen jammer dat Jan, door Loretto Petrucci, werd terug gepakt (zie foto). Jan en Loretto. Schimmen uit het wielerverleden. Opgelost in de tijd. Zoals die Petrucci, een geheimzinnige, mystieke Italiaanse coureur. Die er óók opeens was. En ook zomáár weer verdween. Van uit het vólkomen  niets, won die Loretto, amper droog achter de oren,  Milaan-San Remo van 1952. En net als je dacht aan die ene  blinde kip, die wel zijn graantje meepikt, flikt die Loretto dat een jaar later weer. Dat  hij deze Parijs-Brusssel ook won, is ter kennisgeving. Ook dat hij nadien nóóit meer een platte prijs reed.
Maar goed, deze column gaat over Jan Zagers.  In de fifties, tien jaar profrenner om een schrale boterham. Met een uitslagenlijst waarvan niemand van wakker ligt. Evengoed was de man in het cyclisme, géén toevallige voorbijganger. Zagers, winnaar van onder meer van de Vlaamse semi-klassieker, Nokere-Koers, en werd ook nog eens tweede in een Luik-Bastenaken-Luik en won daarnaast, nog een rits kermiskoersen: ik bedoel maar.
Maar dáár gaat het nu niet om. Wél dat die Zagers, na zijn profcarrière een racefietsennering begon in Brasschaat. Voor ons, koersende, Hollandse jongens van de geboortegolf, een  begrip. Ging je naar d’n Bels om daar een koersje te rijden, dan ontkwam je gewoon niet aan fietsenhandel Zagers. Want de grens overgestoken bij Wuustwezel, en rijdend over de Bredabaan,  grijnsde de zaak van Jan je tegemoet.
Mijn god, de eerste keer daar de drempel gepasseerd! De bek viel open. Wát een aanbod. Rekken vol frames. Italiaanse koersfietsen, gespoten in geraffineerde kleuren. Stapels tubes. Kasten vol koerskleding. En nog een stuk goedkoper dan in Amsterdam: per slot zijn we wél Hollanders. En natuurlijk Jan himself, die je met een prachtig Vlaams accent ter woord stond.
Tsja, dan de wielerzaken in Amsterdam. Wát een armoede. Zoals het befaamde RIH-Sport, op de Westerstraat. Granieten vloer, een paar fietsjes in de etalage, wat foto’s aan de muur, en dat was het. Wilde je een frame kopen, dan diende je eerst op audiëntie te gaan bij framebouwer Bustraan. Die dan héél bedenkelijk keek. Alsof hij je een gunst verleende. En dan kon je nog een half jaar wachten voor het frame gebouwd was. Niet bij Jan Zagers. Daar verliet je de zaak met een koersfiets aan de hand.
Het is decennialang geleden dat Stuyfssportverhalen gekoerst had. Maar de fietsenzaak van Jan Zagers bestaat nog steeds, uitgebaat door diens zoon. Trouwens, de ouwe Jan ook, want die is inmiddels achtentachtig jaar.

Gebleekt gebeente

Geen mens ligt daar wakker van. En zó interessant is het nou ook wéér niet. Maar onder de kreet ‘opdat we nooit vergeten’, toch maar een lullig stukje aan wijden. Vandaag is het precies honderdvijfentwintig jaar geleden dat ene Charley Mitchell, een pak op zijn lazerij kreeg. En niet zomáár een aframmeling.
Charley, zwaargewicht bokser, afkomstig uit Birmingham Engeland, met een redelijke staat van dienst. Vocht nog wedstrijden met de blote knokkels. Waarvan de winnaar veertig pond voor kreeg. Een fooi natuurlijk. In 1883 nam Charley, honderd officiële partijen achter zijn naam, eindelijk zijn plekje in de boksgeschiedenis in, door wereldkampioen John Sullivan in de eerste ronde neer te halen. De revanche die in Frankrijk plaats vond, ging over negenendertig ronden, en duurde uiteindelijk twee uur. Na afloop waren zowel John als Charley, met opgezwollen koppen, onherkenbaar. Hoewel de partij als onbeslist werd verklaard, kreeg Charley van zijn supporters, een van goud en zilver gemaakte kampioensgordel. Maar genoeg het bed van Charley opgeschud.
Het is vandaag precies honderdvijfentwintig jaar geleden..: weten jullie nog? Dat Charley een gooi ging doen naar de wereldtitel. Met een daaraan verbonden zak poen, gevuld met 20.000 dollar. Een kapitaal toen. Wat zeg ik nou? Nog stééds, zal ik bedoelen.  Daarvoor moest Charley wel, vanuit Engeland, de oversteek maken naar Amerika, want Jacksonville, Florida. Waar duizenden liefhebbers, én in de ring, James Corbett hem opwachtte. Om kort te gaan, in de derde ronde zag Charley Michell het licht uitgaan. Jim Corbett, 20.000 dollar rijker.
Hoewel Charley allang vergeten is, zong zijn naam vier jaar geleden nog rond.  Om precies te zijn in Chicago, waar op een sportveiling Charley’s gordel onder ‘de hamer ging’.
Verzamelaars, een vréselijke mensensoort. Zijn in staat om hun zusters of anders hun dochters, aan het plaatselijke bordeel te verkopen, om maar dat ene gewilde object in hun verzameling te krijgen. Ook in Chicago waar Charley’s gordel voor dertigduizend dollar werd afgehamerd. Ergens in een graf in Engeland, draaide het gebleekte gebeente van Charley Mitchell, zich om…
Charley Mitchel, 57 jaar geworden, bokser uit de prehistorie, en eind jaren vijftig opgenomen in de Boxing Hall of Fame.

Bron: John Brouwer de Koning en diens  merkwaardige  database, en de Daily Mail jaargang 2015.

Pyrrusoverwinning

Of hij nog wel eens dacht aan de 20e december 1950? Of beter gezegd, aan Sonny Boy West, die hij,  in het St. Nicolas Theater in New York, tijdens de zevende ronde, neersloeg? Waarschijnlijk wel. Want Sonny Boy, amper eenentwintig, stierf een dag later aan een zwaar hersenletsel. Dat  Sonny Boy een zwangere vrouw én een zoontje van één jaar achter liet, gaf een extra dramatische dimensie. Tsja, het risico van het profboksen. Waarschijnlijk hield Percy Basset met dát gegeven zijn geweten mee rustig. Het was Percy, die Sonny Boy naar een betere wereld sloeg. Percy, net twintig jaar, door het boksen ontsnapt aan het getto van Philadelphia. Het zelfde getto wat voor Percy een harde leerschool was. Als zeventienjarige beleefde de Philadelphian zijn profdebuut, en was vervolgens de eerste vijfentwintig partijen ongeslagen. Zo’n bokser dus.  
Met Percy Basset, een genadeloze vedergewicht, op de aanplakbiljetten, kreeg het publiek waar voor z’n geld.
Dat wisten ze ook in het Parijs van 1955. Waar Percy Basset, gecontracteerd was voor een partij tegen Seraphin Ferrer, Frans kampioen en al zestien gevechten ongeslagen. Maar dát ging veranderen. Daar zorgde Percy  wel voor. Maar niet zonder slag of stoot: wat letterlijk genomen dient te worden. Het werd een gevecht met alleen maar verliezers.
Een prachtige voorjaarszondag in het Parijs van 1955. Met als decor het parc des Princes waar meer dan twaalfduizend boksliefhebbers op af waren gekomen. Die zich na afloop ongetwijfeld niet bekocht voelde. Seraphin, hun jongen, dé favoriet, had er duidelijk zin in en sloeg, met een knock-down, tijdens  de eerste ronde Percy Basset tegen het canvas. Wedstrijdverslagen, áltijd saai om te lezen. Daarom maar even vertellen dat Percy Basset, nog duizelig van de eerste ronde, acht ronden lang een aframmeling kreeg. Het wachten was op de ‘genadeklap’.
Maar jongens uit de achterbuurten van Philadelphia laten zich niet zomaar naar de slachtbank leiden. Daar kwam Seraphin, een naam uit een stripboek van Kuifje , tijdens de negende  ronde, pijnlijk achter. Voor hij dát  besefte lag Serphin, gesterkt, in de touwen, want door Percy neergehaald met een ‘hoek’.  Percy Basset, bloed ruikend, maakte in de tiende en laatste ronde het karwei vakkundig af. Seraphins trainer, ongetwijfeld denkend aan Sonny Boy West, gooide de handdoek in de ring.
Voor Percy Basset , werd het een Pyrrusoverwinning. Het sloopwerk van Seraphin, duidelijk geen weggooier, had zijn uitwerking niet gemist. Percy Basset, vijfentwintig jaar nog, mocht zich dezelfde dag meldde bij de oogarts, met losgescheurde netvliezen. Percy Basset,  vierenzestig  overwinningen, eenenveertig door knock out, en twaalf verloren,   stond nóóit meer als bokser in de ring.
Bron: Miroir Sprint jaargang 1955.