Wurgen

Antonin Magne, met rechts René Vietto.

In de koers is het begrip ‘flikken’, tot een soort wetenschap verheven. Daar kwam René Vietto ook achter. Vietto werd tijdens de Tour van 1934, op een schandalige manier geflikt door z’n ploegleider én kopman Antonin Magné. Eerst even vertellen over René Vietto, die op twintigjarige leeftijd in de slangenkuil van het betaalde cyclisme werd gesmeten. Wat op zo’n jonge leeftijd, een  misdaad op zich is. Véél erger was, dat dat onvolgroeide jochie, ook opgesteld werd in de Franse nationale ploeg voor die genoemde Tour. De verantwoordelijke hiervoor, dienen alsnog postuum gegeseld te worden.  

René Vietto dus, een door God geschonken klimtalent, die tijdens die genoemde Tour, onbekommerd en speels over het hooggebergte dwarrelde. Het Franse klimwondertje won twee bergetappes. Tijdens de vijftiende etappe, met de gele trui virtueel om de magere schoudertjes, en vér voor het peloton uit, sloeg het noodlot toe. Tijdens een afdaling, kreeg René van zijn ploegleider het bevel z’n voorwiel af te staan, aan kopman Magne. De laatste was gevallen, waarbij zijn wiel brak. Snikkend van machteloos verdriet om zoveel onrecht kon René, meer dan vijftien minuten wachten op de materiaalwagen. Waarmee z’n winst op een touroverwinning verdampte.

Met die Tourzege ging Magné er wél van door. Als troostprijs won René het bergklassement, een prijs voor de kat z’n ‘derde oog’, en door iedereen al lang en breed vergeten. Want volgens de staalharde wetten van het cyclisme, mag je alleen een plekje in de wielergeschiedenis innemen met een Touroverwinning. Magne maakte wel zijn krasje in de Tourhistorie, en werd als winnaar van editie 1934 gehuldigd in het Parijse Parc des Princes. Waarbij hij als een gebrade haan, mét overwinningsbloemen, zijn ererondje reed.

René Vietto, die nóóit meer een kans kreeg op een Tourzege, mocht hem daarbij vergezellen. Een beetje kerel had dat nooit gepikt, sterker, die had die verdomde Magne ter plekke gewurgd, het liefst met die bos bloemen. Om vervolgens die ploegleider met een pomp de schedel in te rammen. Maar tsja, dát was en is, de mores van de koers, waar niets is wat het lijkt…

Bron: Le Miroir de Sports jaargang 1934.

Familiegraf

Joe Nelson met gangmaker Stinson.

Johnny en Joe Nelson, broertjes afkomstig uit de slumps van Chicago. Desperado’s op de stayersfiets. Ere wie ere toekomt, want het was Johnny die als eerste Nelson de wielerbanen aan de Amerikaanse Oostkust onveilig maakte. Niet veel later maakte ook Parijs kennis met de oudste Nelsonbrother. In juni 1901, stond Johnny Nelson op het programma voor een stayerskoers gehouden op de supersnelle baan van het Parc des Princes. Waarbij Johnny zijn achterwiel liet zien aan Amsterdammer Piet Dickentman en Paul Dangla.

Dat was het voorspel voor de avond van vier september 1901, met als locatie het Madison Square Garden in New York. Waar een stayerskoers over vijftien mijl op de rol stond.  Een duel voor twee renners, Johnny Nelson versus Jimmy Michael. De laatste, een drankzuchtige dwerg die ondanks de drank, van die dagen had dat hij vloog. Madison Square Garden, waar Johnny, halverwege de koers, boven het gebrul van de motoren en publiek, dat ene vreemde geluid van een brekende voorvork hoorde. Johnny, gevallen, mankeerde ogenschijnlijk niets, maar maakte die ene kapitale fout. Hij vergat zijn voet terug te trekken. En die laatste verdween  tussen het voorwiel van de aanstormende motor van Michaels.
Johnny drieëntwintig jaar, opgenomen in het Bellevue Hospital  waar zijn onderbeen geamputeerd werd. Twee dagen later stierf hij aan de gevolgen van gangreen. Aan het graf zijn door verdriet bevangen moeder, die troost vond bij haar jongste zoon Joe, het broertje van Johnny.

En bij Joe stapelt het drama zich op. Want ondanks de dodelijke smakkerd van z’n oudere broer Johnny, vond Joe ook z’n bestemming als stayer. Ook Joe was actief op de Europese wielerbanen. En net als z’n oudere broer, kon Joe, ergens in 1904 de verlokking van het de als levensgevaarlijk bekend staande wielerbaan, van het Madison Square Garden niet weerstaan.

In het aangezicht van een paar duizend Newyorkers, en lekker op snelheid, raakte  het voorwiel van Joe héél even de motor van gangmaker Stinson aan. Joe Nelson,  eenentwintig jaar, werd begraven in het graf naast zijn broer Johnny.

Bron: het digitale archief van de New York Times jaargang 1901 en 1904, La Vie au Grand Air jaargangen 1901 en 1904.

‘Door hebben’

Wat het verschil is tussen Jack Johnson en Johan Cruijff? Dat is een standbeeld! Wie Cruijff is, dat weten we onderhand wel. Jack Johnson, minder bekend, was een zwarte bokser rond 1900. De man knokte niet alleen in de ring, maar ook tegen het alledaagse racisme. Dat Jack als Afro-Amerikaan in 1908 om de wereldtitel mocht vechten, was een heuse primeur. Tegenstander  wereldkampioen Stanley Ketchel, een gewezen cowboy uit Montana. De partij Jack Johnson, versus wereldkampioen Stanley Ketchel, werd een beroemd  gevecht. Het massaal opgekomen blanke publiek, als één man achter hun jongen, zag tot grote afgrijzen hoe Johnson in de twaalfde ronde, Stanley Ketchel met een mokerslag knock-out sloeg. 

Ketschel, minuten lang in een andere wereld, werd wakker met drie tanden minder. Stanley’s ivoortjes, kon Johnson later uit zijn handschoenen pulken. Met z’n zege werd Jack Johnson, geboren en getogen in Galveston Texas, de eerste zwarte wereldkampioen bij het zwaargewicht: wat een kras gaf op de ziel van blank Amerika. Jack Johnson, vier jaar in bezit van deze titel, werd in 1913 door een volledig witte jury veroordeelt tot een jaar gevangenis. Wat tevens het einde van zijn bokscarrière was. Zijn misdaad? Hij was getrouwd met een blanke vrouw.

Jack Johnson, inmiddels postuum gerehabiliteerd door voormalige president Trump, is in de zwarte gemeenschap van Galveston nog steeds een held. Als blijk van erkenning werd een aantal jaar geleden in zijn geboortebuurtje, een groot standbeeld van Jack onthuld. Deze werd, vier jaar geleden door Stuyfssportverhalen bezocht, wat gepaard ging met een zoektocht door Galveston. Uiteindelijk werd de weg gevraagd aan een stel zwarte gemeentewerkers gehuld in fluorescerende jasjes. ‘Jack’? klonk het achterdochtig, ‘Jack Johnson, the boxer?’ Gereedschappen werden ter plekke neergelegd. Een grijns verscheen. ‘Sure’, klonk het collectief. Om er op te volgen dat Jack nog steeds hun grote held is. ‘Ik breng je wel, volg me maar’, riep een fluorescerend jasje.

Rijdend achter een pickuptruck van de gemeente Galveston, werd Stuyfssportverhalen afgeleverd in een zwart buurtje vol monumentale, goed onderhouden houten huizen. En daar, op de hoek van de 26e Street en Avenue M, bevindt zich een parkje ter grote van een postzegel. Onder palmbomen, met het geluid van ritselende eekhoorns en kwetterende gaaien, gloort Jack, gevangen in brons, staand in zijn karakteristieke bokshouding.

Ook Cruijffs geboortebuurtje Betondorp, besloot om één van z’n grootste helden te gedenken. En daar stopt meteen de vergelijking met Jack Johnson. Want staat Jack voor eeuwig in brons op de hoek van zijn geboortestraatje, daar moet Johan het doen met een ondefinieerbaar stapel stenen,  waarbij direct Johans uitspraak, ‘Je gaat het pas zien als je het door hebt’, een diepere betekenis krijgt.

Bumpers

Bob Spaak was de naam. Bob was hoofdredacteur van Sport in Beeld, de voorloper van Studio Sport.  En Bob had het niet zó op met wielrennen, dat vond die maar een sport voor proleten. Dat de koers op de televisie werd uitgezonden, was dan ook een utopie. Wat wij wél te zien kregen was Sjoukje! Sjoukje Dijkstra deed namelijk aan kunstschaatsen. En dát hadden wij geweten. Alsof de jongens van de geboortegolf al niet genoeg hadden geleden. De Selvera’s, Max van Praag, Tobi Rix, Eddy Christiani, de Spelbrekers, Mieke Telkamp, en andere handlangers van het onvoorstelbare, lullige liedjesgenre, zorgde voor Noord-Koreaans aandoende terreur, komende uit de Philipsbuizenradio. Dat hele generaties jongens op de rand van een mentale inzinking bungelde, is ter kennisgeving.  

En als je dacht dat het niet erger kon, waren daar de jaarlijkse kampioenschappen kunstschaatsen. Op de televisie urenlang uitgezonden, met dank aan de genoemde Bob, die ook het commentaar verzorgde. Sjoukje, dijbenen als bumpers van een botsauto, de dubbele Rittberger zien springen, deed de theekopjes op de huistafel rinkelen. Na drie van die sprongen had je het wel gezien. Of kunstschaatsen sport is..? Hooguit variété. Dat Sjoukje na haar carrière met een clown er vandoor ging, en vervolgens een circus begon, daar keken wij niet raar van op.  

Even een steen in een rimpelloze vijver gooien: of de val van de Muur hét belangrijkste naoorlogse moment was? Natuurlijk niet. Dat was de komst van de Muur van Geraardsbergen, én bijbehorende ronde van Vlaanderen, live op de televisie uitgezonden door de BRT, mét commentaar van Fred Debruyne (zie foto). In plaats van dat geneuzel van die Bob, onvervalst Vlaams in de huiskamer uit de mond van een kenner. Fred wist waar hij het over had. Als voormalig winnaar van Parijs-Roubaix én de ronde van Vlaanderen voelde Fred, van achter de microfoon, nog steeds het gestuiter van de kasseien zijne kloten rammelen.  

Jaren later werd Fred om onduidelijke reden door de BRT afgevoerd. In de plaats van Fred kwam Michel Wuyts, ook goed. De laatste, inmiddels met pensioen, is vervangen door Renaat Schotte.  Renaat verzorgde vanaf de motor, jarenlang het live verslag van de Vlaamse kasseienkoersen. Met de losse ballen van Renaat zit het dus goed. Het is maar dat U dát weet…

Postbode

Honderdzesentwintig seconden. Meer had Marcel Cerdan niet nodig om Leon Fouquet neer te halen. Die arme Leon, afkomstig uit het Vlaamse Ronse, het dorp dat synoniem is met de Vlaamse wielerkoers. Leon koos niet voor de koersfiets, maar werd bokser. Niet eens zo onverdienstelijk. Leon Fouquet Belgisch kampioen, en beschikkend over moordende linkse, waar Luc van Dam pijnlijk achter kwam. Eind december 1945, in een uitverkocht Concertgebouw werd Van Dam, door Fouquet in de vijfde ronde knock out geslagen.

Maar dan is het februari 1947, als Leon in het Parc des Exposions in Parijs, mocht opdraven voor een gevecht tegen Europees kampioen Marcel Cerdan. Eerst even vertellen dat voor een Vlaamse sportman mét succes, er meteen een supportersclub klaar staat, die hun held in alles ondersteunen. Ook met geld.  Dat laatste kan zo’n sporter mentaal opbreken. Er wordt namelijk wel iets van je verwacht. Of Leon over een ijzeren mentaliteit beschikte, is onduidelijk. Wat wél zeker is, dat Leon niet in zijn eentje richting Parijs vertrok. Honderden supporters gingen mee om Ronse’s eigenste vechter, verbaal te ondersteunen. Als lokale sportheld moet je dan sterk in je boksschoenen staan. Hoe stevig dat voor Leon was..?

Nadat de eerste gong had geklonken, en het publiek amper had plaats genomen, was het gevecht al over. Honderdzesentwintig secondes had Cerdan nodig, om alle aspiraties uit Fouquet te rammen.  Al in de eerste minuut kreeg Leon een linkse te verwerken, die hem in de touwen deed belandde. Om vervolgens met twee ‘hoeken’ het karwei af te maken.

Ongetwijfeld had Leon de dagen na z’n Parijse echec, zijn supporters wat uit te leggen, want je bent als bokser net zo goed, als je laatste gevecht. Alsof Fouquet geen krediet had. De man zat tijdens de Tweede Wereldoorlog niet alleen in het lokale verzet, maar vocht als eenentachtig partijen waarvan hij er vijftig won. Leon Fouquet moet een bescheiden mens zijn geweest, die met weinig tevreden was. Na zijn bokscarrière werd Leon in zijn geliefde Ronse postbode.

En dan is er ook nog Marcel Cerdan. Twee jaar later op weg naar New York voor een gevecht tegen Jake LaMotta met inzet de wereldtitel, stortte zijn vliegtuig in de Atlantische Oceaan.

Bron: Miroir Sprint, Denbelleman (Onafhankelijk, kritisch Opinieplatform Ronse)

Goor

Wie van de twee knots was? Die vader natuurlijk, en niet z’n zoon! De laatste kon je niets kwalijk nemen.  Jongens van zeventien jaar weten niet beter, die willen zich bewijzen. En voor wie? Ja voor wie eigenlijk… Waarschijnlijk de meiden. Ook Ivar Goor, een  talentvol wegrennertje. Ivar, afkomstig uit Wallonië besloot stayer te worden. Een plan die zijn vader direct had moeten afschieten. De oude Goor bleef in gebreke. Erger, die idioot schafte zich een motor aan, en werd gangmaker van zijn zoon.

Pa en zoon Goor, maakte in 1903 hun opwachting, op de toen al als levensgevaarlijk bekendstaande Duitse stayersbanen. Een debuut waar de Goor’s geen gras over lieten groeien. Via de b- en a-klasse – onderafdelingen van het Duitse stayeren, – waar zich ruige wildwest taferelen afspeelden, promoveerden pa en zoon in 1904, naar de extra-klasse, de premier league van het Duitse wielerbanen, waar het grote geld viel te verdienen.

De Goors fungeerde niet als programmaopvulling, maar waren ook geen hemelbestormers. In de door Radwelt pijnlijk nauwkeurig bijgehouden jaargangen, kom je ze in de uitslagenlijsten regelmatig tegen, maar niet als grootverdieners. In 1904, en het jaar daarop, werden drie koersen gewonnen. Een warmloper voor 1906, het jaar dat het duo hoopte los te gaan. Met zes overwinningen is het dan mei, als de Grosser Preis von Magdenburg, een stayerskoers over honderd kilometer, op de rol staat. Met de Goortjes op de aanplakbiljetten, en verreden op de bloedlinke lokale wielerpiste, waar twee jaar eerder de Franse stayer Dangla, een dodelijke val maakte. Enfin, je kon er op wachten. Halfweg koers trad het horrorscenario in werking, waar moeder Goor nachten van wakker lag. De ouwe Goor maakte een stuurfout, en komt met razende snelheid ten val, waarbij de zoon wonderlijk aan ontsnapt. Stayer Gustaaf Freudenberg 26 jaar, de crash niet ontwijkend, vertrok ter plekke richting hemel.

‘En de ouwe Goor’, hoor ik jullie roepen! Herstellende van diverse botbreuken, werd deze een jaar later weer gesignaleerd op de wielerbanen. Ivar Goor, afgestompt voor het gevaar, won tot 1914 zevenentwintig koersen, waarmee hij ruim negenennegentigduizend goudmark verdiende. Dan gebeurd er iets opmerkelijks. Ivar Goor tijdens de Eerste Wereldoorlog niet actief, maakt in 1918 een carrièredraai. Hij verruilde zijn stayersfiets in voor een racemotor, en schrijft daarmee geschiedenis. Goor, twee keer Europees kampioen op een Benelli 175 cc, won in 1933 de TT van Assen.

Bron: Album der Radwelt jaargangen 1903 tot en met 1914, Sport in Beeld jaargang 1933.

Swits

Toprenners, biddend in een kerk. Dat heeft iets aandoenlijks. Maar oogt ook een tikkeltje pijnlijk. Hoewel zo’n coureur zich van zijn zwakste kant laat zien, moet zoiets tóch verboden worden. Want het beeld van een stoere stoemper dan wel gevleugelde klimmer, wordt daarmee aan stukken geslagen. Echte vedetten, hebben  namelijk geen hulp van Hem nodig. Die worden geacht ijzersterk te zijn. Mocht dat laatste aan erosie onder hevig zijn, is daar nog altijd de soigneur met zijn medicijnkast. Laat de stichtelijke hulp, maar over aan de zwakke van geest.

Even ter zijde: wielerkampioenen, de beginselen van Rome aanhangig, waren in hun jeugd dé ultieme misdienaars, wat géén toeval was. Het ‘knechten’, werd op het altaar met de wijwaterkwast en al, er ingestampt. Het is daarom nog steeds een raadsel, dat sommigen wielervedetten aan het seminarium waren ontsnapt.

Ook omgekeerd. Zoals kapelaan Switser, tijdens de jaren vijftig zielenherder in de Sint Nicolaaskerk te Amsterdam. Aan de man was ongetwijfeld een groot wielrenner verloren gegaan. Alles aan Swits, zoals wij de jongens van de geboortegolf hem noemde, was snel.  De broodmagere Switser, de heilige mis zien voordragen, was een adembenemende ervaring. De snelheid waarmee hij door de Roomse riten raasde, ging de verbeelding vér voorbij.  Alleen dáárom al, was Swits bij ons populair. Maar dé absolute heldenstatus kreeg hij, toen wij hem op zijn damesfiets met soepele tred, over de Prins Hendrikkade zagen scheuren. Swits, hoogstwaarschijnlijk onderweg, naar zijn geheime minnares, zoals later bekend werd. De hormonen van Swits, daar kon geen anabolenkuurtje tegenop, laat staan het celibaat.

Enfin, dit stukje gaat over de koers. Om precies te zijn over Jean Brankart, een Waalse renner tijdens de ronde van Frankrijk anno 1956. Brankart, kopman en als enige Franstalige in een landenploeg vol met Vlaamse renners. Dat móest wel misgaan. De taalstrijd was nog lang niet beslecht. Een conflict die Jean een jaar eerder, de eindzege kostte in dezelfde Tour. Jean, op de tweede plaats met uitzicht op het geel kreeg pech. Zonder met de ogen te knipperen, raasde zijn Vlaamse knechten door. Hun kopman verbijsterend achterlatend, die zich later in Parijs terug vond op de tweede plaats op een paar minuten achter winnaar Bobet.

Maar nu was het de Tour 1956, met nieuwe kansen. En of God het zo bedoeld had, de topvorm was weg. Voor de radeloze Jean Brankart restte nog één reddingsboei, de kerk. Waar hij voor een beslissende bergetappe, de Grote Kopman smeekte om een ‘paar goede benen’. Wat niet gebeurde. Jean Brankart eindigde deze Tour, op een kansloze negenendertigste plaats.

Bron: Miroir Sprint, jaargangen 1955 en 1956.

Paula

Op alle van hem bekende foto’s, kijkt een angstige, sombere man schichtig en depressief in de lens. Dat de man veel arbeidsvreugde had, valt dan ook te betwijfelen. Peter Günther, meer dan vijftien jaar profstayer. Won zo’n honderdvijftig koersen, waaronder het wereldkampioenschap in 1911. Günther verdiende met zijn sport een kwart miljoen goudmark. Daar stond wel iets tegenover. De man loerde regelmatig de dood in de ogen. En dat doet wat met de mens.

Dat gedonder begon al bij zijn debuut in op vijf juli 1903, gehouden op de wielerbaan van zijn thuisstad Keulen. In de derde ronde knalden twee motoren tegen elkaar. De aanstormende Peter, achter gangmaker Otto, kon het inferno niet ontwijken. Peter Günther voor dood van de wielerbaan geschraapt, verbleef vier maanden in het Krankenlager. Evengoed ging hij toch iets té lang door met zijn levensgevaarlijke sport. Het waarom? Vraag dat maar aan een psychiater. Enfin, Peter, ontsnapt aan de aandacht van Siegmund Freud de aartsvader van de psychoanalyse, stond op 7 oktober 1918 aan de start van de Grote Hooftprijs van Düsseldorf. Wat een grote macabere finale werd. In de negenenveertigste ronde, krijgt zijn motor pech. Peter Günther, vijfendertig jaar, maakt een fatale val, en sterft een dag later aan een schedelbreuk. Gunther werd begraven op het Sudfriedhof in Keulen. Een begraafplaats bezocht door Stuyfssportverhalen.

Op het Sudfriedhof in Keulen, was de Deutsche Gründlicheit vér te zoeken. De administratie op het kantoor, was van onthutsende eenvoud. Een tiental ordners en geen computer. Goddank was daar ene Claus, doodgraver van dienst. Een zwijgzame kale man in fluorescerend jack. ‘Ah, dem Radfahrer’, riep de delver op de vraag waar Günthers graf was. Vijf minuten later stond Stuyfssportverhalen aan de tombe van Peter Günther.

De herfst hing in de lucht. De geur van de dood is aanwezig.  Op de uitgestorven begraafplaats is alleen het zachte geschraap, van harkende tuinmannen te horen. Onder dennenbomen staat een bemoste, en iets gebutste sarcofaag. Het is de rustplaats van de wereldkampioen. Aan de voorkant een medaillon met de afbeelding van de ongelukkige stayer. Op de sarcofaag, een in steen uitgehakte stayershelm.

En dan is er ook nog gangmaker Werner Kruger (zie grote foto), waar Günther graag achter koerste. Kruger, een dikke struise man, voorzien van een  pronte kont, wat garantie gaf op een goede zuiging. Dikke Werner zoals zijn bijnaam luidde, kwam tijdens de Grote Prijs van Keulen, gehouden  in 1931 ten val. Met gebroken ribben, hersenschudding, én een doorboorde long werd Werner in de ambulance geschoven.  Met de woorden, ‘Nu moet ik sterven’, blies hij enige dagen later in de armen van zijn echtgenote Paula, de laatste adem uit. Werner Krüger, 53 jaar, was het zesenvijftigste dodelijke slachtoffer van de stayerssport.


Bron: Album der Radwelt jaargangen 1903 t/m 1918,  Illustrierter Radrenn-Sport, jaargang 1931.

Meloen

Willy Stinson flikte het toch maar. In het Boston van 1900 raasde Willy (foto), achter een motortandem,  naar vierenzestig kilometer in het uur. Een wereldrecord.  Wat tevens de aftrap was voor een krankzinnige wedloop om dat aan te vallen. Een ratrace die tot op de dag van vandaag duurt.

Willy Stinson met zijn gangmakers  Stafford en Miles roken geld. Het trio ging hun record verzilveren en waren gecontracteerd voor de L.A.W. RaceMeet, een koers gehouden op de wielerbaan van Walham, Massachusetts. De koers was amper aan de gang toen het  meteen vreselijk mis ging.

Bij het uitkomen van de bocht, raakten drie motoren in een slip. Een catastrofe was een feit. De achteropkomende motortandem van Willy Stinson, klapte er vol bovenop. Stuurman Harry Miles en gangmaker William Stafford werden letterlijk gelanceerd.  

Miles, met zijn hoofd tegen een elektriciteitspaal, werd zwaar gewond naar de rennersboxen gesleept en op een stretcher gelegd. Volgens de streekkrant The North Adams Evening Transcript, was Harry’s schedel gebarsten als een overrijpe meloen, waarbij zijn hersens op de stretcher lagen. Binnen enkele minuten blies Harry, 25 jaar, zijn laatste adem uit.

Met gangmaker Stafford liep het ook niet best af. Door de journalist van dienst in zijn meest gruwelijke details beschreven.  Williams laatste momenten op dit ondermaanse, mochten er namelijk zijn. De man z’n schedel was verbrijzeld, en de neus gebroken. Met als extraatje dat door de val, zijn kunstgebit in zijn keel was geschoten. Dat Stafford, 25 jaar, daaraan overleed was ter kennisgeving.

Het aanwezige publiek had vermoedelijk een levenslange trauma opgelopen. De op hol geslagen motortandem vloog over de balustrade, en kwam middenin tussen de toeschouwers terecht. Waarbij geen doden vielen, maar ‘slechts’ gebroken botten.

Bron onder meer La vie au Grand Air jaargang 1903.

Dansen met de duivel

De beste beslissing uit zijn leven? Dat hij op tweeëntwintig jarige leeftijd stopte met de wielersport. Tiemen Groen hing zijn koersfiets definitief aan de haak. Gelijk had hij. Voor een gemiddelde prof waren  de jaren zestig geen vetpot. De koers met al zijn intriges en combines vroeg niet alleen om een buitengewoon fysiek gestel  maar ook een meegaand, buigend karakter. De Fries Tiemen Groen ontbeerde dat laatste.  De man was rechtlijnig en eerlijk. Zo iemand moest je niet flikken.

Peter Post deed dat wél. Tijdens de ronde van het Bosplan gehouden in het Amsterdam van 1968, zat  Post samen met Groen in een kopgroep. Post, graag winnend in zijn geboortestad vroeg aan Groen of hij het kopwerk wilde doen. Afgesproken was dat Groen, financieel meedeelde in de eindoverwinning. Als je met de duivel danst, krijg je later de rekening. Na de koers kreeg Groen van Post een enveloppe in z’n handen gedrukt. Met daarin een biljet van tien gulden: een schoolvoorbeeld van een renner besodemieteren.

Of dat dé rede was waarom Groen definitief stopte? Ieder geval gaf dat zeker het laatste zetje in zijn beslissing. Over Tiemen Groen’s opkomst is veel gepubliceerd. Dat hij als nieuweling op het circuit van Zandvoort tijdens het nationaal kampioenschap, vijftig kilometer lang voor een voluit jagend peloton uit reed, om met zevenendertig seconden de titel te pakken, behoort tot de algemene wielerkennis. Dat de Friese tempobeul de jaren daarna, vier keer de wereldtitel achtervolging pakte, bezorgde hem de status van legende.

Ook was er teleurstelling. Tijdens de Olympiade van 1964 gehouden in Tokio, was Groen dé gedoodverfde favoriet voor goud. Groen werd uiteindelijk geklopt door de duidelijk geprepareerde Italiaan  Giorgio Ursi, bij wie het schuim op z’n lippen stond. Dat Ursi na afloop niet op doping werd gecontroleerd, is terzijde.

De mysterieuze Tiemen Groen waar niemand vat op kon krijgen, werd na zijn wielercarrière zakenman. De handel in antiek bezorgde de voormalige jachtrijder de status van miljonair. Groen, decennia wonend in Zuid-Afrika, waar hij een terug getrokken leven leidde, overleed eind oktober. Tiemen Groen werd vijfenzeventig jaar.

Bron, onder meer WielerExpress jaargang 2004.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: