Op de affiches Hein, altijd fijn.

Die éne godvergeten dag in augustus 1926. De dag waarop   Heinrich ter hemel trok. In Hein’s eigen stijl.  Heinrich Wronker, gangmaker én adrenalinerukker, in die volgorde, sinds 1908 actief op de wielerbanen waar hij     een zekere reputatie had opgebouwd.  Heinrich op de affiches? Garantie voor reuring. Ook op de Amsterdamse wielerbaan Zeeburg. Zoals in juni 1915. Stayerstweekamp tussen de Belg Leon Vanderstuyft en lokale favoriet Jan van Gendt. De laatste gaf zijn tegenstander tijdens de race, een muilpeer. Vanderstuyft ´getrokken´ door Heinrich, maakte een doodsmakkerd. Bij  Hein sloegen de stoppen door.  Op zijn zware Brennabormotor werd jacht gemaakt op Van Gendt. Die hij tot twee keer toe van de fiets probeert te rijden. De aanwezige sportverslaggever van de Telegraaf wist daar wel raad mee. Een dag later werd het  incident met veel smaak opgediend. Waarbij volgens de allerbeste Telegraafmores de Vlaming Vanderstuyft de schuld kreeg.
Heinrich Wronker, afkomstig uit Keulen, maakte in 1914 Cor Blekemolen wereldkampioen. Maar was nét niet goed genoeg voor de top. Van de Keulenaar,  voornamelijk actief met renners uit de B-klasse, is maar één foto bekend:  samen met renner Walter Ebert. De laatste een treurige kerel waarvan de tegenslag aan zijn kont was vastgeplakt, koerste meer dan twintig jaar achter de motor. Misschien daarom dat de man het niet zó nauw nam met het begrip ‘veiligheid’. Als  oorlogsveteraan vechtend aan het Russische front, had Ebert wel ergere dingen  meegemaakt. ´Het kan wel´, moet hij daarom gedacht hebben. Nadat Walter in de onderste balhoofdlug van zijn stayersfiets een breuk ontdekte, soldeerde hij dat zelf. Het kon dus niét. Enkele dagen later het Gouden Wiel van Maagdenburg, gehouden op 1 juni 1924. Stayerskoers over drie manches. Waar Walter, tijdens tweede manche, boven het motorgeraas uit een rare ´krakkk´ hoorde. Met een gebroken frame waarvan het soldeer nog warm was, sloeg hij sloeg twee keer over de kop.
Walter 41 jaar, die voor zijn Kaiser drie jaar met zijn poten in het ijswater van de loopgraven stond en de luizen van zijn lijf moest schrapen, stierf twee dagen later. Bij lijkschouwing oogde zijn schedel als een jigsawpuzzel: van die details dus.
In de Grote Stayershemel werd er ongetwijfeld op schouders geklopt.  Want twee jaar later, augustus 1926 op de Keulse wielerbaan. Race tussen gangmakers onderling. Altijd leuk pauzenummer. Heinrich Wronker zorgde voor de broodnodige sensatie.  De Keulse gangmaker kon nog maar nét een gevallen collega ontwijken. En vloog daarbij de tribunes in,  waar hij tussen de houten banken de geest gaf.

Foto 1:  Heinrich Wronker met Walter Eberts. Foto 2: de val van Eberts in de Kleine Herftsprijs van Essen 11 september 1910.

Bron: Radwelt  jaargang 1910, 1914, 1924. Illustrierter Radrenn-Sport jaargang 1926.

Geef ze een hand en je bent je Europese titel kwijt

Al zijn profpartijen weet hij nóg te herinneren. Totaal honderdzevenendertig ronden, die hij in detail kan reconstrueren. Behalve dat ene gevecht. Waarin hij zijn Europese titel verloor. Daar weet hij niets meer van. Duistere zaken waren de oorzaak. Verbitterd is hij niet. Daar heeft Pedro van Raamsdonk, met een profbokscarrière, die bestond uit twintig partijen, waar van vijftien gewonnen, geen rede voor. Wat zijn beste gevecht was? Tegen Europees kampioen Tom Collins. Die zijn titel meteen kwijt was.  Van Raamsdonk,  vers Europees kampioen, en al na tien partijen. Niet één bokser in Europa had dat kunstje geflikt. En niet denken dat die Tom Collins een opgewarmd lijk was. De man stond tweede op de toenmalige wereldranglijst.
Het profboksen! De wereld van managers en promotors, die je liever géén hand geeft. Kans dat je dan een ring mist. Of je titel kwijt raakt. Een omgeving waar louche praktijken nooit ver weg zijn. Als amateurbokser was hij daar jarenlang voor gewaarschuwd. Hij, de enige Hollandse vuistvechter die ooit meedeed aan de Golden Gloves in Amerika, maakte uiteindelijk tóch de overstap naar de beroepsrangen.
Profbokser in Nederland. Sappelen. Leven op het randje van het maatschappelijke bestaan. Wat Van Raamsdonk ook probeerde, geen sponsor was geïnteresseerd in hem. Medische verzorging? Ja, van een toenmalige manager van een professionele wielerploeg. Die Van Raamsdonk zo gek maakte om een keer langs te gaan bij de wielerploegarts. Die meteen met de testosteronspuit klaar stond. Van Raamsdonk weigerde.

Om je Europese topstatus te verdedigen vereist investering. Niet alleen met keiharde trainingen maar vooral met geld. Wat dacht je wat goede sparringpartners kostten? Van Raamsdonk had daar het geld niet voor. Als sparringpartner fungeerde zijn trainer Joop Kruis, toen dik in de veertig. Het leven is als een pijp kaneel. Waar Van Raamsdonk zijn deel rijkelijk van kreeg. Als Europees kampioen gaan ze je gebruiken, word je uitgemolken.
‘Ze’ dat was manager Ruhling, die beginnende aankomende boksers tegen je laat vechten. Dat geeft zo’n jongen status. Ook die ene uitdager die volgens Ruhling, niet veel voorstelde. Toevallig kon Pedro deze vechter nog uit zijn amateurtijd. De man, alles behalve een koekie, was ook ‘toevallig’ afkomstig uit het management van Ruhling. Voor de Amsterdamse champ de eerste signalen om na te denken over beëindigen van zijn sport.

Een proces dat versneld werd door zijn partij tegen uitdager Jan Lefeber in 1988. Een gevecht om de Europese titel gehouden in het Sportpaleis Ahoy. Vooraf aan de partij kreeg Van Raamsdonk een Spaatje-Rood aangeboden. Het voorspel voor een catastrofe.Van Raamsdonk houd nú nog vol dat daar ‘íets’ in zat wat niet hoorde.
Bij het binnenkomen van de boksring zag zijn familie en supporters meteen dat er iets mis was. Van Raamsdonk oogde  behoorlijk verdwaasd. Achteraf een wonder dat hij de hele partij op zijn benen bleef.

Dat de titel verloren werd, lag in het verschiet. Jan Lefeber wordt door Van Raamsdonk niets kwalijk genomen. Wél diens toenmalige equipage. Want had hij, Pedro van Raamsdonk,  vóór het titelgevecht niet meermalen aangedrongen op een dopingcontrole?  De manager van Jan Lefeber, weigerde. En zat in het begeleidingdgsteam van Lefeber niet die ene, indertijd, beruchte wielersoigneur?
Ach het is allemaal verleden tijd. Pedro van Raamsdonk heeft aan Stuyfssportverhalen zijn verhaal verteld. Zittend in een grand-café ergens aan de Amstel, drinkt hij zijn glas thee leeg. Voor hem op tafel liggen wat actiefoto’s van zijn bokscarrière. Een passerende dame ziet dat. Stelt zich direct voor, en vraagt of hij de man op de foto’s is. De gewezen kampioen lacht bescheiden en knikt vriendelijk.
Van Raamsndonk is een tevreden mens, waarmee het  maatschappelijke  best goed afgelopen is. Als brandwacht bij de Amsterdamse brandweer telt hij zijn zegeningen.

Het Zilveren bekertje van tante Bet

De eindstreep van het aardse bestaan is in zicht. De levenskoers is bijna gedaan. Zijn stayersfiets, overwinningslinten én andere tastbare herinneringen aan een mooie wielercarrière zijn weg gegeven. Wat rest is dat ene kleine zilveren bekertje, gewonnen tijdens de Ronde van de Lindegracht, 24 juli 1955. Dat  kleine zilveren kleinood met gegraveerd tekstje, werd zuinig door Henny Marinus bewaard.  De Ronde van de Lindegracht, een koers voor nieuwelingen over vijftig kilometer, op nog steenworp afstand van zijn ouderlijk huis. Marinus weet het nog goed. Zestien jaar jong, en dé grote buurtfavoriet.
Jordanezen hielden  van de koers.  Langs het parkoers stonden duizenden. En Marinus, zoontje van de lokale visboer wilden die niet teleurstellen. Aanvallen. Demarreren. Spurten voor de premies. ‘Daar gaat íe weer’, klonk het dan massaal van de stoepen.  Marinus  smijtend met zijn krachten eindigde als tweede.  Na de koers prijsuitreiking in de Kat in de Wijngaard, dé buurtkroeg.
Uit handen van de toen al legendarische Bet van Beeren kreeg Marinus zijn prijs. Van Van Beeren de schenkster, moest Henny even aan zijn prijs schudden. Wat een rinkelend geluid gaf:  gemaakt door een zilveren  rijksdaalder.
Bet Van Beeren, vanaf de jaren twintig vorige eeuw, uitbaatster van café ’t Mandje op de Amsterdamse Zeedijk, kwam als eerste openlijk uit voor haar seksuele geaardheid. Werd daardoor, samen met haar kroeg een icoon van de homo-emancipatie. En deed tijdens de oorlog het nodige verzetswerk. Voor haar inzet werd afgelopen februari een brug naar haar vernoemd.
Een knaak,  toen  een hoop geld, werd goed door Marinus besteed, want uitgegeven bij de snoepwinkels van Jamin.
Dan is het 2017. Marinus maakt de balans van zijn leven op. Kwam tot de conclusie dat het bekertje, voorzien van de tekst, ‘Geschonken door tante Bet,  niet verloren mag gaan.
Er bleef maar één optie over:  Café ’t Mandje. De kroeg, bijna een eeuw oud en inmiddels uitgebaat door Diana van Laar, het nichtje van Bet van Beeren. Diana,  vond het verhaal klevend aan het zilveren bekertje, prachtig, en nam dat graag van Marinus in ontvangst. Marinus hoeft niet ongerust te zijn. Zijn prijs, symbool aan zijn jeugd, staat midden in de kroeg in een kastje vol aan Bet van Beeren herinnerende memorabilia.

 

Thomas ontsnapt aan glazen bol

Esser! Doodgewoon Thomas Esser, afkomstig uit Keulen. Jong, wild, ambitieus, én wielrenner. Thomas dus, samen met zijn broertje Jean furore makend in de lokale zesdaagse koersen, wat altijd sappelen was. In 1912 trok hij zijn conclusie. Het broertje mocht het zelf uitzoeken. Thomas maakte de overstap naar het lucratievere stayeren: voor dit verhaal een fijne, maar voor Thomas een desolate beslissing.
Thomas Esser, lulletje rozenwater van nog net negentien jaar, koersend achter de zware motor. In een milieu waar je liever je kind niet ziet. Dat zijn ouders dat goed vonden: ónbegrijpelijk.
De alarmbellen hadden bij pa en ma Esser af moeten gaan.
Stadsgenoot Willy Schmitter, ook zo’n stayerende blaag van net twintig jaar, lag pas zeven jaar op het lokale Keulse kerkhof bij te komen. En daar was ook nog die andere Keulenaar, Peter Günther, een stayer op leeftijd met diepe littekens in lijf en ziel, waarvan het een raadsel was dat Peter nog steeds onder de levenden verkeerde. Enfin, dat duurde ook niet lang meer.
Terug naar Thomas Esser, die in 1913 door wist te dringen tot de beste veertig stayers van Duitsland. Thomas, tweede in de Grote Prijs van Europa, won de Grote Pinksterprijs én de Prijs des Handels in Frankfurt, werd ook nog eens tweede in de Grote Prijs van Brussel. Het Keulse jochie verdiende daar niet alleen ruim vijfenhalfduizend goudmark mee, maar ook een uitnodiging voor het wereldkampioenschap in Leipzig: gehouden de drie laatste dagen van augustus.
Het Weltmeisterschaft, met negentien stayers op de deelnemerslijst. Die in de series mochten uitmaken welke vijf renners naar de finale ging. Negentien renners met evenzoveel gangmakers. Kerels die aan de aandacht van waarzegger Nostradamus waren ontsnapt. Als die helderziende charlatan goed in zijn glazen bol had gekeken, zag hij dood en verderf. Want van die negentien renners, verongelukten binnen de kortste keren negen stayers, én vier gangmakers.
Dit zijn niet de prettigste verhalen op deze blog. Tóch even de sinistere details vermelden. Want een maand na het wereldkampioenschap, tijdens een stayerskoers in Keulen verongelukte Richard Scheuermann. Dat hij gangmaker Gussie Lawson, ook deelnemer aan dat wereldkampioenschap, mee de dood in sleepte, is ter kennisgeving. Bruno Demke, Hans Lange, Walter Ebert, Peter Günther, Piet van Nek, maar ook gangmakers Hüttenrauch, Krüger, Hoffmann en Willi Heslich, allemaal in Leipzig aan het vertrek, trokken binnen enkele jaren ook ter hemel. Bruno Demke sneuvelde als oorlogsvlieger, maar toch…
Thomas Esser, uitgeschakeld in de series, mocht nog even wachten. De Keulse jongen, in 1914 nog acht koersen gewonnen, vertrok voor twee jaar naar het Westfront, want de Grote Oorlog ging los. Dan is het juli 1917. Thomas met het geluid van knetterende mitrailleurs, keffende mortieren in de oren, aan de start van de Grote Prijs van Düsseldorf. Een stayerskoers over totaal honderd kilometer, waar Thomas nooit de finish zal halen. In de vijfentwintigste ronde krijgt de Keulse oorlogsveteraan een klapband. Thomas Esser werd drieëntwintig jaar.

Bron: Radwelt jaargangen 1913 tot en met 1917.

Dat had hij nou nóóit gedacht

Een kwart eeuw reisde hij met zijn boksers over de wereld. Bij alle grote toernooien stond hij als trainer met één van zijn jongens aan de ring. En dat is niet ongemerkt gebleven. In het mondiale bokswereldje behoort Hennie Mandemaker tot de absolute top. Ondanks zijn palmares keek de man, afkomstig uit Den Bosch,  toch wel raar op dat hij gevraagd werd om trainer te worden voor het Olympische team van
In zijn meest woeste dromen had hij dat nou nóóit gedacht, dat hij daar ooit zou werken. Drie maanden verbleef de Bosschenaar in de Volksrepubliek. Ondanks dat Mandemaker als trainer gepokt en gemazeld is, keek hij daar zijn ogen uit. Alleen al dát sportcentrum van die universiteit waar hij terecht kwam. Compleet met alle toeters en bellen. Waar iedere pugilistentrainer natte dromen van krijgt. In plaats van een klein bedompt boksschooltje zoals wij die kennen, kwam Mandemaker terecht in een gym waar meer dat tachtig boksers, waaronder twee wereldkampioenen, zich dagelijks in het zweet des aanschijns de schompes werkten. En allemaal betaald en in dienst van de universiteit.
Mandemakers kwam er meteen achter dan China geen bokstraditie kent. Het is immers het land van mystieke vechtsporten als karate en kungfu. Tijd kun je niet inhalen, orakelde Einstein al. Maar die Chinezen doen anders wel hun stinkende best daarvoor. Mandemakers, hoofdtrainer voor ‘de techniek’, zag dat, wat motivatie betreft, hij weinig hoefde te doen. Hij moest eerder zijn fanatieke pupillen tot rust manen.
Hard, vreselijk hard trainen ze volgens hem. Chinese boksers blijken knokkers te zijn. Aanvallers pursang. En daar had de man uit Brabant de nodige eetstokjes voor gestoken.
‘Afwachtende stijl’, meer overzicht krijgen’, en vooral, ‘op techniek’. Dát was zijn oekaze. Succes verzekerd. Voor het kwalificatietoernooi van het allergrootste sporttoernooi van het land, was Mandemakers met zeven van zijn fighters aanwezig. Zeven van zijn jongens haalden de diverse finales.

Mandemakers, intern gehuisvest op een appartementje, is een kenner bij uitstek. Als zijn voorspelling uitkomt, dan staan de westerse boksers nog zware tijden te wachten. Chinese boksers staan, volgens hem, op het punt van doorbreken. Inmiddels is Hennie Mandemakers weer terug in zijn geliefde Brabant. Zijn visum van drie maanden voor China was inmiddels verlopen. Grote kans dat hij weer teruggaat. Hij kijkt daar nu al naar uit.

Met Kneetje in het Logement der Armen

Regelmatig bezoekt hij het graf van Gerrie Knetemann. Staand voor de rustplaats van de diepbetreurde en te vroeg overleden voormalige wereldkampioen, dwalen zijn gedachten weg. Om te stoppen bij begin jaren zeventig.  Knetemann, toen een jong en aanstormend talent. Hij, een amateur-renner wiens beste dagen achter hem lag. Gerrie Knetemann en Fred van Lachterop. Beiden ras-Amsterdammers en alle twee uitkomend voor de roemruchte wielerformatie Amstel-Bier.
Fred van Lachterop inmiddels vijfenzeventig jaar koestert zijn herinneringen. Ze zijn namelijk  té dierbaar en té mooi. Samen met, Kneetje, zoals hij hem liefdevol noemt, naar de Vlaamse koersen.  Dat waren expedities die een week duurde. Iedere dag koersen  waar ze met elkaar in de slag zaten. Een verbond tussen jong en oud. Tussen de leermeester en leerling. Mét vastomlijnde afspraken. Fred, toen een dertiger, stopte af.  Kneet, amper droog achter de oren, maakte het karwei af.
En als ze dan alle twee in de kopgroep zaten wist Van Lachterop dat het in de knip zat. Zat de koersklus er op dan werd er geslapen in het Logement der Armen in Hasselt. Als gereputeerde prof, diste Kneetje dat laatste jarenlang smakelijk op.
Fred van Lachterop, beschikkend over de gave van het vertelde verhaal.  De man zit daar vol mee. Zeventien jaar koersen is dé bron. Dertien jaar maakte hij deel uit van de  Amstelbierformatie. Van Lachterop een man zonder eilie, noemt zich zelf een eenvoudige arbeidsjongen.
Geboren en getogen in de Amsterdamse Jordaan, dat merkwaardige buurtje die zoveel goede wielrenners leverde. Inmiddels belandt in z’n levensavond, met aan de horizon het naderende einde, borrelen de  koersherinneringen regelmatig op. Zoals deelnames aan de loodzware etappekoers Warschau-Berlijn-Praag, ook wel de Vredeskoers genoemd.
Popsterren
Twee keer mocht hij zijn land achter het IJzeren Gordijn vertegenwoordigen. Een eer vindt hij nu. Als popsterren werden hij en zijn ploegmaten behandeld in het Warschau van de jaren zestig. Hij ziet het nog voor zich. Drommen mensen voor het hotel. Wachtend op een handtekening of een foto. Maar daar is ook die lichte gene. Hoe hij en zijn makkers, ploegfoto’s uit het raam gooiden. Om tot hun verbijstering te zien hoe mensen op hun knieën over de stenen kropen om zo’n plaatje te pakken krijgen. Anno nu, krijgt hij nóg last van plaatsvervangende schaamte.
Dan was er ook nog de avonturen in de ronde van Turkije. Waar hij moest knechten voor Joop Zoetemelk en Fedor den Hertog. En ondanks dát toch achtste te worden in het algemeen klassement.
De Jordanees, als wielrenner altijd onderweg. Nooit werken bij een baas. Nu, zittend in zijn tuin, vindt hij dat behoorlijk a-sociaal. Nu, is nu! Wat altijd gemakkelijk praten is. Tóen was het oogkleppen op  en gaan. Hoe hij zich zelf als renner omschrijft? Als een coureur zonder spurt. Maar wel één die meedeed om de hoofdprijzen. Wat gemiddeld drie gewonnen koersen per jaar opleverde. En niet de minste. Zoals de loodzware etappekoers van Zeeuws-Vlaanderen. De Mokummer wars van talent moest er keihard voor trainen. In de winterochtenden, samen met Kneetje, rondje Zandvoort. Om in de middag mee te gaan met de illustere Molenploeg.  De Ster van Zwolle, dé openingskoers van het seizoen, was voor  Knetemann. Op de vierde plek zijn leermeester uit de Jordaan.

Calvinisten
Fred, geestig en relativerend, vertelt ook over de Bedevaartronde, ergens in het Limburg van de jaren zestig. Waar, voor aanvang van de koers, de fietsen gezegend werd  door de bisschop van Limburg: voorzien van alle roomse toeters en bellen. Calvinisten als Van Lachterop en Henk Benjamins, gingen ter plekke met elkaar in de slag. Vanaf het startschot demarreerde Fred met Henk. Benjamins won. Van Lachterop tweede. 
Fred van Lachterop, ook een gemankeerde renner. De man was doodsbang voor valpartijen. Criteriums? Eén grote nachtmerrie! In deze tijd wordt op zo’n coureur  een sportpsycholoog op los gelaten. Toen moest je het zelf maar uitzoeken.

Wielerkluppie GGMC
Wat zijn favoriete wieleronderdeel was? De ploegentijdrit! Daar kon hij helemaal op los gaan. Zes keer maakte hij deel uit van het winnende team die het Zilveren Molentoernooi won: dé ploegentijdrit van het land.
Over de vraag aan welke ploeg hij de beste herinneringen had hoeft hij niet lang na te denken: die van zijn zijn wielerkluppie GGMC. Een team  bemand met Herman van Bruggen, Tim Krabbé, en Van Lachterop. Kerels, met een latent erotische relatie met de chronometer. In zijn boek ‘ 43 wielerverhalen’ schreef Krabbé daar  nog een column over.
 Van Lachterop, nooit prof geworden. Hij keek wel mooi uit. Als amateur in dienst van de Amstel-Bierformatie verdiende hij meer dan een gemiddelde beroepsrenner.
En ach, wat maakt hem dat nu nog uit. Op zijn vijfendertigste stopte hij met koersen. Wat volgde was ongetwijfeld zijn allergrootste prestatie. De inmiddels ex-renner  begon een opleiding aan de sociale academie. Na een succesvolle carrière, eerst als jeugdwerker, daarna als medewerker bij de reclassering ging hij op zijn vijfenzestigste met pensioen.
Ondanks dat zijn lieve vrouw Nel, twee jaar geleden overleed, telt Fred van Lachterop, zijn zegeningen. De man brengt nu zijn dagen door op zijn volkstuin, zijn lust en leven. Maar toch…de koers blijft altijd aan hem beklijven.

Foto 2: Rechtsboven Gerrie Knetemann. Foto 3: De ronde van Turkije met onder meer Joop Zoetemelk en Daan Holst.

.

Aan alles was gedacht…

Aan alles was gedacht. De supersnelle wielerbaan in Moskou was geregeld. Een internationale jury bestelt. Het lijf in perfecte conditie. Kortom, niets stond nog in de weg om het werelduurrecord achter de derny aan te vallen. Tijdens trainingen over het Moskouse hout,  trapte hij dertig rondes weg met een snelheid van boven de vijftig kilometer. Zonder gangmaking dus.
Evengoed zag Maas van Beek, 63 jaar, een belangrijk dingetje over het hoofd. Een gangmaker! En daar zat nou nét de kneep. Maas van Beek dus. Die het woeste plan had om zijn eigen werelduurrecord achter de derny boven de zeventig kilometer te tillen.  En niet raar staan te kijken als die gekke Maas dat ook nog flikte. Maar dan kwam de wet van Murphy om de hoek kijken. Maas’ vaste gangmaker, Wilco van der Hoorn achter wiens rug hij al eerder een wereldrecord verbrak, moest op het laatste moment afzeggen wegens fysieke problemen. Allerijl werd een nieuwe  ‘trekker’ geregeld.
Na een  wanhopige oproep op Facebook   meldde zich een andere:  wat de opmaat werd  van één pot ellende. Terwijl die ouwe Maas in Moskou zich de longen uit het lijf trapte kreeg hij een verontrustend telefoontje. De nieuwe gangmaker,  met derny en al op het vliegveld van Düsseldorf  kreeg problemen met luchtvaartmaatschappij  Aeroflot. Over de fijne details hiervan mag Stuyfssportverhalen om juridische reden niets schrijven…. Enfin, geen gangmaker en ook nog eens,   in een straal straal van vijfhonderd kilometer rond Moskou geen derny te vinden.
Voor Van Beek restte nog maar één ding: de aanval aflaste. Weg voorbereiding. En pleitte het geld dat hij er in gestoken had.
Na twee weken Rusland kwam Van Beek gefrustreerd terug in zijn woonplaats Barneveld. Jongens van de Veluwse zandgronden zijn knokkers. Maas van Beek laat het er dan ook niet bij zitten. In september doet hij een nieuwe poging.

Wordt vervolgd.