‘Pure Klasse’

Een  doelpunt die het hele land deed ontploffen.  Robin van Persie die, tijdens het wereldkampioenschap in Brazilië, vliegend de bal over de Spaanse keeper Casillas, heen kopte. Waarmee de Rotterdammer zijn plekje innam, in het rijtje, ’mooiste doelpunten ooit’.  Hoewel de herfst van zijn voetbalcarrière is aangebroken, en Van Persie bezig is met  z’n  laatste wedstrijden, schreef auteur Harry Walstra dé biografie over Robin van Persie. Walstra, auteur van meerdere voetbalboeken, had daar geen half werk van gemaakt. In ‘De Pure Klasse van Robin van Persie’ gaat Walstra op zoek naar Van Persie in alle vormen.
Van Persie als jochie, die,  voor zijn moeder boodschappen deed en dribbelend met de bal naar de winkel ging. Waar hij tussen de schappen in de bal, op z’n knieën en voeten  omhoog hield, en speelde vervolgens ook nog de bal tussen de benen van iemand die passeerde. De winkelier tot wanhoop drijvend. Walstra neemt de lezer mee via het armoedige stadionnetje van Excesior, waar Robin zich als klein jochie meldde, via  de Kuip,  naar Highbury, thuishaven van Arsenal.
In Londen komt hij in één elftal te spelen met Dennis Bergkamp, zijn grote held. Voor Bergkamp had Van Persie gigantisch veel respect. Bij  de trainingen kwam de jonge Van Persie ogen te kort. Of zoals Walstra hem citeerde: ‘Alle oefeningen deed hij op honderd procent. Ik vond het gewoon kunst. Hij deed alles zo goed en zo gedreven en had zo’n focus. Ik moest een heel grote stap maken om ook op dat niveau te komen. Vanaf dat moment ben ik elke trainingsoefening honderd procent geconcerteerd gaan doen. Ik wilde zoals Bergkamp zijn’.
Dat laatste is gelukt. Van Persie, in de jungle van het profvoetbal, waar je van je af moet bijten om te overleven,  en op eenentwintig jarige leeftijd, al drie rode kaarten verzamelde, speelde 102 interlands voor Oranje. Mag zich met vijftig doelpunten de Oranje topscorer aller tijden noemen. Werd in de Premier Legue, waar hij na Arsenal ook uitkwam voor Manchester United, tweemaal topscorer van het jaar en eenmaal Speler van het Jaar.
In ‘Pure Klasse’,  een aanraaier voor alle voetbalfans, wordt Van Persie’s  doelpunten en geweldige acties uitgebreid beschreven.

‘De Pure Klasse van Robin van Persie’
Uitgever: Just Publishers BV.
ISBN: 97890 8975 8033.
Paperback, 288 pagina’s.
Prijs: 20,00 euro.

Frau Antje en de Giro

Als een vers gebakken pizza, die snél genuttigd moet worden: dát was  de carrière van Ercole Baldini. Kort genot, maar wél lekker. Ercole Baldini, beroepsrenner tijdens de fifties. Koersend op een fietsje, gespoten in een geraffineerde kleurencombinatie,  opgeleukt met verchroomde tussenstukjes. Afgewerkt tot in het détail, en voorzien met het modernste Campagnolomateriaal. Een lust voor het oog. Púre kunst op twee wielen, zonder hoerig noch ordinair te zijn.  Waar alleen Italiaanse framebouwers een patent op hadden.
Het Italië van de jaren vijftig, scheurende Fiatjes-500, keffende Lamborghini-scooters, films van Felini, een Paus die de wapens van de Duitse legers had gezegend, en super gesoigneerde renners. Maar ook het land van  Sofia Loren, Gina Lollobrigida en Claudia Cardinale, godinnen met een boezem die de verbeelding ver voor bij ging.  
En wij? Wij moesten het doen met  Frau Antje. En onze wielrenners met racefietsen waar het calvinisme vanaf droop. Karretjes, waar mijnheer de dominee himselfe zijn goedkeuring aan gaf. Waar zo’n modale Hollandse profrenner, koersend op zo’n bokkenkar, het moraal en zin vandaan haalde, is nog steeds een goed bewaard  geheim. Enfin, daar had Ercole Baldini ieder geval geen last van.
Baldini, Toscaan en hardfietser als levensovertuiging. Kreeg  de goedkeuring van de altijd machtige mama Baldini én de zege van de pastoor van Forli: zijn  geboortedorp. Verbrak, als amateur in 1956,  het onaantastbaar geachte werelduurrecord van Fausto Coppi. Waarmee meteen het lot van Ercole bezegeld was. Baldini,  nat achter de oren, in 1957 meteen voor de leeuwen gegooid, met debuut  in de Giro d’ Italia,  waar hij een etappe won. Aardig te vertellen is ook zijn overwinning in de Trofeo Barrachi, een koppeltijdrit, waarin hij gekoppeld was aan de toen stokoude Coppi.
Baldini wist meteen waar de mosterd gehaald werd, en ging in de ‘verzorging’. Liet bij zich zelf  een liter bloed aftappen, opgeslagen in z’n koelkast. De jaren vijftig,  die heerlijke, onschuldige tijd waarin een renner zich kon verzorgen,  zonder meeloerende journalistieke scherpslijpers, of andere, met het vingertje zwaaiende moraalridders. Met een surplus aan rode bloedlichaampjes  werd  Ercole, in 1958 wereldkampioen op de weg, maar won eerst de Giro d’ Italia.
De Giro, van oudst her een tikkeltje louche, beetje corrupt, daarom onvoorspelbaar. Waar zaken in de schemering van het peloton afspelen. Waarschijnlijk daaróm is de Ronde van Italië, ieder jaar weer, vele malen leuker dan de Tour de France. En Ercole? Na  1959 geen platte prijs meer gewonnen is met zijn zesentachtig jaar nog scherp van lijf en geest.
De man daalt iedere morgen af naar de kelder van z’n huis. Waar zich zijn eigen privémuseumpje bevindt. Een soort bedevaartkapelletje afgeladen met zijn koersfietsen, wielershirts, zijn gouden Olympische medaille gewonnen op de Spelen van 1956, en andere voor hem heilige voorwerpen. Dan knikt hij, en mijmert dat zijn carrière er best mocht zijn.

De strandkoning heersend in de Afrikaanse woestijn

Zolang de stranden niet vol liggen als de Kalverstraat op een zaterdagmiddag kun je er beachbiken, mits je de kracht van Ramses Bekkenk hebt. Voor hem is het Hollandse zand niet eens ruig genoeg.

Géén idee wat hem te wachten stond. Ja, dat de koers door bloedhete woestijnen ging. Dat vijftig procent van de wegen onverhard waren. En de rest over paden met een uitgesleten dubbel spoor. Voor Ramses Bekkenk, 42 jaar was de Munga 2018, één blanke vlek. Maar hoe bereid je je,  als renner, afkomstig uit het Noord-Hollandse  op zo’n monsterklus voor? Over zijn conditie geen zorgen, de man heeft een gietijzer gestel. Om duizend kilometer lang, op de toppen van het duurvermogen te balanceren, onder een roodgloeiend, hete zon, daar komt meer bij kijken. Er werd daarom niet alleen op het duurvermogen getraind,  maar ook het darmstelsel. De Munga,  de allerzwaarste mountainbikerace ter wereld, valt namelijk  niet op wat sportvoeding te volbrengen: grote kans dat je dan regelmatig met de koersbroek op de enkels naast de kant van de weg zit.  
Bekkenk, wekenlang getraind  op vast voedsel,  en afgetraind tot  het merg van de botten  stond begin december, met honderddertig andere vermetele aan het vertrek in Bloemfontein. Argeloos werd  aan een groot avontuur te begonnen, waar, voor de zekerheid toch wat voorzorgsmaatregelen waren genomen. In zijn rugzak bevonden zich drie binnenbanden een paar luchtpatronen, een pompje en wat sportrepen.
Wennen, zo noemt hij de eerste vijfhonderd kilometer, wat natuurlijk een eufemisme is. Urenlang werd afgezien als een ouwe trekhond voor een melkkar. Dan gebeurt er iets wat sportartsen omschrijven als ‘íngereden zijn’. De bloedvaten staan wagenwijd open, de pijn veroorzaakt door het moordende tempo, wordt als minder erg ervaren. Voor Bekkink het sein om meer kolen op het vuur te gooien. De man vertrok in zijn eentje uit het peloton, op weg naar een bar, en eenzaam avontuur.
Een topatleet is geen machine, ook al is die voorzien van longen als blaasbalgen en een hart van een stier. Iedere tweehonderd kilometer was er daarom een rustpost. Rust betekent ook  oponthoud. Voor de Koning van het strand een duivels dilemma. Maar doorrijden is een reguliere zelfmoordpoging. Op de rustplaatsen nam Bekkink zo kort mogelijk wat rust, waarbij  tevens spaghetti en in de schil gekookte aardappelen werd gegeten. Wat snel naar binnen werd geschrokt.
De koers wacht op niemand, om een cliché af te stoffen. Dus opstappen en doorrazen door de Afrikaanse nacht, die twaalf uur duurde, koud, én pikdonker was. Bekkenk, van beroep mecanicien bij een wielerzaak,  én jongen van de polderwegen, had op zijn mountainbike een grote fietslamp gemonteerd. Wie Afrikaanse woestijnen zegt, denkt aan filmbeelden van National Geographic. Wat dat betreft kwam Bekkenk aan zijn trekken. Doodstil, uitgestrekt, stoffig en heet waren de omstandigheden, met naast de weg de onvermijdelijke springbokken en ander wild spul. Vooral de stof zorgde voor een extra zware dimensie. Met droge kelen, en veel hoesten tot gevolg. Sommigen renners hadden stofdoeken voor het gezicht. Bekkenk niet. Die kende ander malheur.  
Om met een afgetrainde kont op een hard koerszadeltje, honderden kilometers, hobbelend, schurend en stotend, over niet als wegen te herkennen paden te rammen,  doet wat met het zitvlak. Met zadelpijn en een kapot gereden kont werd door gereden. Dan, na vijftig uur koers, komt Wellington, mét de finish in zacht, waar  Ramses Bekkenk zijn wiel als eerste over de finishstreep drukte. De Koning van de Hollandse stranden had niet alleen de zwaarste mountainbikerace ter wereld gewonnen maar ook in een recordtijd van vijftig uur waarvan drieenhalf uur rust, en verbrak tevens het snelheidsrecord met vijf uur. Dat nummer twee op ruim twee uur zat was ter kennisgeving.
Dát nooit meer, waren zijn eerste gedachten, nadat hij van zijn fietsje was gestapt.  Een voornemen dat vrijwel meteen verdrongen werd door een gevoel van euforie én verrassing. Het laatste door de massale aandacht van pers, televisieploegen en ander publiciteit. De gehele koers was via internet live te volgen. Vanuit de gehele wereld kreeg de Noord-Hollandse mecanicien reacties. 
Of ze Ramses Bekkenk nog eens aan de start van de Munga zien? Onzeker! Afgelopen november vertrok hij fris en onwetend aan het avontuur. Nú weet hij wat voor verschrikkingen hem te wachten staat. Maar geloof nooit een duursporter op zijn woord. Komende maanden borrelen de mooie Afrikaanse herinneringen bij hem op. Geheid dat ze in Afrika nog lang niet van die Bekkenk af zijn.

André Stuyfersant. (Gepubliceerd in MUG-Magazine, Maart 2019). Foto 1: Rob Duin.

Belofte ingelost

‘Ach het gaat wel. Ik mag niet klagen, want ben er nog steeds’. Dát was het vaste antwoord als je aan Henny Marinus vroeg, hoe het gesteld was met hem. Inderdaad klagen deed Marinus nóóit. Hoewel de hersentumor, al meer dan tien jaar in zijn hoofd, voortwoekerde en hij wél pijn moest hebben. Waarschijnlijk dáárom, voelde hij zijn einde naderen. Vooral op sombere wintermiddagen liet hij dat wel eens terloops merken. Henny aan de grote tafel, omgeven door zijn herinneringen, want stapels foto’s, van zijn overleden vrouw Annie, dochter Monique maar vooral foto’s van zijn illustere wielercarrière. Aan de thee kwamen dan de verhalen los, vertelt in prachtig, Jordanese tongval. Ik hing aan zijn lippen.
Op zo’n dag, alweer drie jaar geleden nam Henny mij mee naar zijn fietsbox onder zijn woning. Bij binnenkomst viel de mond open. Het was duidelijk dat déze plek, voor Marinus van grote betekenis was. Voor de Kleine Kampioen uit de Jordaan was het een sacrale plek. De muren en plafonds, hélemaal bedekt met de gekleurde, met tekst bedrukte overwinningslinten, door hem gewonnen bij de talloze baan- en wegkoersen. En op een tafeltje lag zijn grootste, door hem gekoesterde relikwie, want zijn inmiddels iconische stayershelm, voorzien van witte band.
Henny Marinus maakte zich zorgen wat dáár, allemaal mee zou gebeuren als hij definitief de ogen sloot. Of ik daar niet voor wilde zorgen. Of zijn schat asjeblieft in goede handen terecht kwam. Ik beloofde dat plechtig. Met zichtbare emotionele pijn nam de voormalige stayerskampioen afscheid van zijn innig geliefde memorabilia. Waarmee voor hem een groots hoofdstuk uit zijn leven werd afgesloten.
Gisteren, acht maanden na zijn overlijden, werd de belofte ingelost. Annemarie de Wildt, conservator van het prachtige Amsterdam Museum, gevestigd in de Kalverstraat nam blij Henny’s helm én linten in ontvangst. Waarbij, door mij ook de toezegging werd gedaan dat Marinus´ stayersfiets ter zijner tijd ook richting Amsterdam Museum gaat.
Annemarie de Wildt, helemaal bijgepraat over Henny Marinus, verzekerde dat deze niet anoniem in het depot verdwijnen. Het museum heeft plannen om een grote expositie aan de vroegere Jordaan te wijden waarbij alle aspecten van deze, ooit volksbuurt worden behandeld. Ook de sportieve, zoals die van Henny Marinus.

Het kán niet anders, dat die ‘ouwe’, zoals ik hem altijd noemde, vanuit de Grote Stayershemel goedkeurend zat te knikken.

En dan het volgende
Mochten er lezers zijn in het bezit van historische sport-, of  wielererfgoed, schenk dat nóóit, maar dan ook nóóit aan een zogenaamd wielermuseum. Die laatste zijn namelijk privéverzamelingen, waar zo’n eigenaar over kan wikken en beschikken. Dat dit soort ‘musea’ commercieel gezien, ten dode zijn opgeschreven, want gaan per definitie failliet, is een sinistere bijkomstigheid. Een treurig voorbeeld is het zogenaamde wielermuseum van Zaankanter Gerrie Hulsing, genaamd ‘Stichting Nationaal Wielermuseum´. Een betrouwbare naam die de lading totáál niet dekt. Er is namelijk géén museum. En dat zal er ook nooit komen. Ondanks dát, weet Hulsing, jarenlang de illusie op te houden dat zijn museum een bestaand fenomeen is. Enfin, Marco Knippen, onderzoeksjournalist van het Noord-Hollands Dagblad maakte van deze hersenspinsel, met een verhaal over twee pagina’s, gehakt van. Ook auteur Jan Zomer, in samenwerking met Hans Middelveld, lieten, op facebook, hun lichten over Hulsings museum schijnen, waarbij het verbaal ruig aan toe ging. Kortom, schenk eventuele wielererfgoed aan een bestaand museum. En als dat niet lukt, verkoop het dan. En doe van de eventuele opbrengst leuke dingen mee. 

Mon Pere

De vroegmis zat er op. Met een prevelende zege ná, werden de gelovigen de kerk uitgejaagd. Snel de kaarsen op het altaar gedoofd. De werkkleding uitgegooid. Want de koers wacht op niemand. Ook niet op een dorpspastoor ergens in Frankrijk. Waar de helse optocht van een etappekoers langs zijn kerkje trok. Gevolgd door motoren én materiaalwagens. Om daarna te  wachten. Wachten, op de ‘stervende medemens’ op de koersfiets.  Gelost, en moederziel alleen op een lege landweg.  Geen ploegmaat meer te bekennen. In de steek gelaten door zijn ploegleider. Zoek het maar uit jongen. De reserveband zit onder je zadel. En in je shirt nog een paar amfetaminetabletjes. Dat gaat helemáál goed komen, was hét laatste dat z’n ploegleider naar hem riep.  
Het grote afzien was begonnen. En dáár wist die ene plattelandzielenherder, staand langs de weg, wel raad mee.   Heb je naaste lief, oreerde hij laatst nog vanaf de preekstoel. En buiten dát, staat  er in de bijbel niet geschreven dat, met het ‘zuiverende lijden,  de dagelijkse zonden mee uit geboet kan worden?’  Met als beloning de hemel. Mijnheer pastoor, bedoelde maar. En wat die beloofde hemel betrof, dat was voor die ene zwoegende stumper, de top van die vuile, stinkcoll.
Pijn leed hij, als de Heer op Golgoltha. Met als extra dimensie, een brandende schroeiende hete zon in z’n nek, waar  dat oenige linnen petje, géén soelaas aan bood. Met in z’n strot een huig als een gemummificeerde muis. Zijn hele lijf schreeuwde om vocht.
En opééns, als in een koortsige droom zag hij hem staan. Als een mystieke, in zwart gehulde  vleermuis, stond de geestelijke langs de kant van de weg. ‘Mon pere’, drinken alsjeblieft, leek zijn diep in de kassen verzonken, ogen te smeken.  Wat hét ultieme moment was voor die ene anonieme pastoor. Met wapperende soutane, de alpino op het achterhoofd werd een volle bidon aangereikt.  
Vader, mijn stichtelijke taak voor vandaag zit er weer op, mompelde de pastoor in een schietgebedje, nadat de renner uit het zicht verdween.  En snelde vervolgens naar de pastorie, waar een glas, koele miswijn, én de zachte, wulpse borsten én de pronte kont van z’n huishoudster op hem wachtte. Voor een eenvoudige dorpspastoor was het leven goed, in het Frankrijk van de jaren zestig.

Traditie

Of het ver gezocht is? Ach, wat maakt dat uit. Inderdaad, de man is een eeuw geleden, dramatisch gestorven. En totaal uit het collectieve geheugen verdwenen. Moet je dan nog jaarlijks op zijn sterfdag daar bij stil staan?  Ja! Dáárom legt Stuyfssportverhalen, jaarlijks op de sterfdag van Piet van Nek een bloemetje op diens graf. Kleine eerbetoon aan een vergeten sportheld. Per slot van rekening ben je pas dood als je vergeten bent.
Piet van Nek dus, stayer tijdens de Belle Epoque. Had een eigen, indertijd beruchte supportersclub, bestaande uit havenarbeiders en scheepswerkers, jongens van de gestampte pot en afkomstig uit de volksbuurten van de Amsterdamse Oostelijke Eilanden. Piet van Nek was één van hen, want was voor zijn stayerscarrière elektricien bij de Amsterdamse Droogdok Maatschappij. Van Neks  supporters, drank in het lijf,  áltijd luidruchtig aanwezig.  Wat een enkele keer flink uit de hand liep. Zoals op de Scheveningse wielerbaan, waar  Van Nek een kunstje geflikt werd. Voor Piets supporters een rede om een flinke knokpartij te beginnen, met onder meer de Haagse politie.
Deze blog had al vaker gepubliceerd over Van Nek.  En voor degene die dat ontgaan waren: Van Nek, stayer achter grote motoren. Een moeilijke jongen, maar talentvol rolrijder. Brak in het seizoen 1913 in Duitsland eindelijk door. Wat beloond werd met een serie goedbetaalde contracten voor koersen op de Duitse wielerbanen. En daar ging het helemaal mis. Tijdens Van Neks eerste grote koers, gehouden op 13 april 1914 op de wielerbaan van Leipzig, kwam Van Nek zwaar ten val. Een dag later stierf hij aan de gevolgen van een schedelbreuk. In Amsterdam kreeg Van Nek een begrafenis, die groots en meeslepend was, bijgewoond  door meer dan tachtigduizend Amsterdammers.
Ook Duitsland, van oudsher dwepend, met gesneuvelden op het slachtveld,  besteedde  aandacht aan de tragische dood van de Amsterdammer. Van Nek werd herdacht door middel van een sinister aandoende ansichtkaart, voorzien van twee doodsengelen en gedrukt in duizelingwekkende oplages: altijd fijn om zoiets te ontvangen op je verjaardag.
De  rauwe en ruwe  supportersclub schonk  Van Nek een koninklijk aandoend praalgraf, op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam. Een graf dat inmiddels een monumentenstatus heeft, en  door Monumentenzorg goed onderhouden wordt. Afgelopen winter werd het graf grondig gerestaureerd, gezandstraald, en voorzien van nieuwe sierkettingen. Voor de komende eeuw ligt Piet er weer mooi bij.

Weduwes, altijd link

Maas van Beek,  een fenomeen,  die op zesenvijftigjarige leeftijd de wielerwereld versteld deed staan door het werelduurrecord achter de derny te verbreken. Sensatie! Van kenners kreeg  hij  erkenning. Niet van de nationale sportpers, die Van Beek collectief in de  ban deed. Hoe klein kun je zijn..?
Misschien is het wél daardoor dat Van Beek, begin februari afreisde naar Bolivia, om een nieuwe aanval op een uurrecord te doen. Wat een fiasco werd, maar wel een prachtig verhaal opleverde.

Nog nét geen hoogteziekte. Voor de rest was zijn trainingskamp één groot drama.  Maas van Beek, twee maanden geleden afgereisd naar Zuid-Amerika. Samen met  twee racefietsen, werd intrek genomen in een louche hotelletje ergens in La Paz, Boliva, zesendertighonderd meter hoog, schurkend tegen de Andes, waar geen straat horizontaal is. Of de weg gaat steil omhoog, dan wel de diepte in. Erger was de vervuilde lucht, veroorzaakt door roet uitblazende schoolbussen en vrachtauto’s.
Eerst even vertellen over ‘het hoe en waarom’. Maas van Beek 63 jaar, in Bolivia neergestreken,  om de nodige rode bloedcelletjes te kweken voor een aanval op een oeroud  werelduurrecord: plaats van handeling de supersnelle wielerbaan van Cochabama. Voor dit verhaal eigenlijk niet zó interessant.
Memorabeler zijn de avonturen dááromheen. Door Van Beek prachtig vertelt, in een mooi, plat Veluws accent.  Zoals  zijn tijd in La Paz, waar  hij er achter kwam wat ze met de kreet ‘Zuid-Amerikaanse toestanden’ bedoelen. En daar, in die vieze, gore Andesstad,  ging het in de eerste week meteen mis. Sneu voor hem, maar wél fijn voor een schrijver van sportverhalen.
Van Beek, op de racefiets dwars door het helse, gif uitbrakende verkeer.  Op weg naar de lokale wielerbaan, gelegen op tweeëndertighonderd meter.  Waar de regen uit de hemel goot en de temperatuur met twintig graden was gedaald. Terug fietsend naar zijn  hotel, smog happend, mét een angstaanjagend hoge hartslag. Maas van Beek, die zich de Monnik laat noemen, hijgend en rochelend in zijn hotel. Waar tijdens  de nacht de koorts langskwam. Moederziel alleen in een hotelkamertje, hyperventilerend, én het gevoel te stikken. De man dacht dat zijn laatste uur was ingegaan. Totále paniek!
Wat een longontsteking bleek te zijn, bestreden met twee antibioticakuren: die niet aansloeg.  Van Beek  kon zijn aanval op dat record meteen vergeten. Als alternatief ging de Monnik op avontuur in La Paz.
 Maas,  tanig, afgetraind, – inderdaad,  uitziend als een uitgeteerde monnik  na veertig dagen vasten in de woestijn, – wekt de stevige indruk om te vallen bij een zacht windje. Dat dacht die ene straatrover ook,  die Maas’ telefoon uit diens hand griste. Een misrekening. De brave huisvader, afkomstig uit Barneveld, ging de dief te lijf. En sloeg hem vervolgens knock out. Wat een grote rel werd, compleet met krijsende vrouwen. Als buitenlander, knokkend met een local, in de stegen van La Paz. Leg dat maar eens uit aan de lokale corrupte politie. Geen risico nemend smeerde Van Beek hem.
Niet alleen in de straten en sloppen van La Paz loerde het gevaar. Ook in zijn hotel. De laatste gerund door een meelevende weduwe. Wantrouw weduwes, per definitie altijd link. Daar kwam Van Beek ook achter toen zijn paspoort verdwenen was. Voor honderd procent zeker had hij deze verstopt onder zijn matras. Weg! Met maar één potentiële dader: de weduwe! Die zo sluw was om behulpzaam mee te zoeken naar het document.
Op het Nederlandse consulaat waar Van Beek een nieuwe aanvroeg werd hem op het hart gedrukt om vóóral geen aangifte te doen bij de politie. Corrupt als deze zijn. En dan waren er ook nog de taxichauffeurs. Notoire oplichters waar Van Beek niet intrapte. Of alle moeite en investeringen weg gegooid waren? Van Beek, een onverwoestbaar optimist, ontkend dat. Getraind werd er evengoed. En wat belangrijker was, al  zijn avonturen die hij de laatste jaren meemaakte zijn door een documentairemaker gefilm. Dat zijn  driehonderd uur film waar een docu van anderhalf uur van wordt gesneden. Die over een paar maanden in première gaat.
En  dat  verdomde record? Die Van Beek, als de Heer dat wil, over twee weken gaat aanvallen. Plaats van handeling het Sportpaleis van Apeldoorn.