Mit Stern

Altijd voor de zekerheid gaan.  Mocht één van hen  niet meer na kunnen vertellen, dan is er altijd nog dé laatste foto, waar veel geld voor gevraagd kon worden. Fotografen van uitgeverij Martin, gevestigd in Leipzig, kende de mores van het vak.  Voor de aanvang van een belangrijke stayerskoers dienden de renners éérst te poseren. Of dat in het rennerscontract stond is hoogstwaarschijnlijk.
Vastgehouden door helpers, ernstig kijkend, met afgetrainde lijven, en  strak geconcentreerd, op de als ansichtkaart uitgegeven, foto. Dáárachter, de onvermijdelijke,  zich belangrijk voelende kerels, getooid met witte, soldateske  petten: je bent een Pruis of niet.
De ‘Golden Ketten, mit stern’,  een stayerskoers over honderd kilometer. Gehouden zondag 26 mei 1906, op de Steglitz wielerbaan in Berlijn. Eerste prijs, tweeduizend goudmark, aflopend tot duizend voor de laatste . Een kapitaal. Goed, waardevast geld, waar je een huis voor kon kopen. In een tijd dat een ambachtsman amper de honderd goudmark per maand verdiende, waar zo’n stumper zich    zes dagen per week voor kon afbeulen.
Peter Günther, Piet Dickentman, Bruno Demke en Nat Butler, aan dat lot ontsnapt, verdiende het honderdvoudige daar van. Daar stond wel iéts tegenover: het altijd, latent aanwezige dodelijke gevaar. Een stress, die buiten de koers ook geestelijk z’n werd deed. Waar ze nachtenlang wakker van lagen. Om zich op de been te houden met de gedachten, ‘Nog een paar koersen! Nog even  flink wat verdienen, en dan stoppen’. Een enkeling haalden dat. Sommigen niet.  Sommigen? Tientallen van die jongens lieten het leven achter de zware motor.
Peter Günther afkomstig uit Keulen was hét slechte voorbeeld. Die ging namelijk, té lang door als profstayer. Peter, bijna twintig jaar stayer, verongelukte in 1918 dodelijk. Berlijner Bruno Demke, had een kans om zijn kleinkinderen geboren te zien worden. Maar dan had hij géén oorlogspiloot moet worden. Deed hij wel. In 1916 stortte Demke in zijn Fokker-dubbeldekker neer.
De Amerikaan Nat Butler, man met tientallen veldslagen op de Duitse horrorwielerbanen was verstandiger. Nat stopte in 1910, en vertrok als vermogend man terug naar de States waar hij op drieënzeventigjarige leeftijd vredig stierf.
Op wie de Dood géén greep kon krijgen, was Piet Dickentman. De Amsterdammer maakte rond 1900 zijn stayersdebuut op de Duitse banen, en  was daar bijna dertig jaar op hoog niveau actief.  Met als sinister detail, dat hij tientallen collega’s naar hun laatste rustplaats had vergezeld.
Op bijna vijftig jarige leeftijd hing Dickentman zijn stayersfiets  aan de haak, en opende in de Amsterdamse Scheldestraat een rijwielzaak.
Dan was er ook nog de uitslag van de Golden Kette mit stern. Die werd uiteindelijk gewonnen door Dickentman, die de honderd kilometer afraasde in een tijd van 1 uur en 12 minuten.

Onvergetelijk leuk

Nee, het  was beslist niet hét gevecht van de eeuw.  Bekijk de boksgeschiedenis en je komt  tientallen van dat soort partijen tegen.  Evengoed nam deze partij wél zijn plekje in, als  één de meest verrassende. Dat Ingemar Johansson, een redelijk onbekende Viking afkomstig uit Zweden, de heersende wereldkampioen zwaargewicht Floyd Patterson knock out sloeg, hakte bij de liefhebber in. Zeker op de internationale sportredacties, waar  koppenmakers zich mochten uitleven,  en de superlatieven rokend uit de schrijfmachines rolden.  Over dat gevecht, speciaal over Patterson en Johansson, zijn talloze publicaties verschenen. Stuyfssportverhalen, beperkt zich daarom  tot de naakte feiten van het jaar 1959.
Een tijd dat  mijnheer de dominee, het in dit land nog voor het zeggen had. Waardoor boksers uiterst verdachte figuren waren. Niet in de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt, daar waren de lokale pugilisten  helden, met wie je liever geen ruzie kreeg. 1959, midden in de Koude Oorlog. In de Amsterdamse warme buurt  stikte het van de Amerikaanse verlofgangers, afkomstig van de luchtmachtbasis Soesterberg: knauwende boerenjongens, met hoog uitgeschoren nekken, maar wél met een pak dollars op zak. De warme buurt met hoeren, lelijk als de nacht, voorzien van mooie bijnamen. Chinese Annie, Magere Josje en Parijse Leen peesden er lekker op los.
Dat de twee eerste vermoord werden in hun peeskamertje gaf de buurt een extra spannende dimensie. 1959, ook de doorbraak van de Selvera’s, een ongelofelijk, oubollig, Limburgs zangduo met de hit ‘Twee Reebruine ogen keken mij aan..’ Afgespeeld op de jukeboxen van de buurtkroegen, dan was  er altijd wel een idioot bereid om de broek te laten zakken. Verbaasde kroegbezoekers keken dan in één bruin oog. Enfin, drank in de man…
1959, Het jaar waarin de geboortegolf, het fenomeen van de Royal bioscoop op de Nieuwendijk, ontdekte. Overvolle zaal, waar vooral de jongens uit de Jordaan, regelmatig complete vendetta’s uit vochten met die van Kattenburg. In de pauze ging organist Bernard Drukker los op het gigantische bioscooporgel. Het programma? Uiteraard knokfilms! Waarbij lege flesjes Cola tegen het witte doek werden gesmeten.  De Royal, waar schrijver dezes voor het eerst verbijsterd  kennis maakte met actrice Jane Mansfield, een tietenmonster van-heb-ik-jou-daar.
Sorry lezers dat ik mij zo liet mee slepen.  We gaan terug naar het New Yorkse Yankee-stadion, anno 26 juni 1959. Het gevecht Johansson versus Patterson. Waarin, tot ontsteltenis van alles dat zich Jank mocht noemen, Patterson in de derde ronde knock out ging, en daarmee zijn wereldtitel verloor aan de Viking. Een jaar later kreeg Patterson zijn revanche en ramde Johansson in de vijfde ronde neer. Dat was dus 1959, het laatste jaar van die onvergetelijke, leuke fifties.

Bobby

‘Wie bang leeft, gaat ook bang dood’. Leg dat spreekwoord maar eens uit aan iemand die vier keer  bungelde aan de randen van een vers gedolven graf. Bobby Walthour kreeg  zijn bedenkingen aan  de levensgevaarlijke Duitse wielerbanen. Van z’n laatste vijf Duitse stayerskoersen was Bobby, – negentig kilometer in het uur, – vier keer gevallen.
Vooral zijn crashes tijdens de Grote Prijs Dresden, en niet veel later op de Berlijnse wielerbaan  ‘Spandau’, hakte er lichamelijk en geestelijk nogal in.  Dat de man het na kon vertellen, valt niet te verklaren.  Walthour, afkomstig uit Atlanta, Verenigde Staten, had Duitsland, eind seizoen 1909,  met z’n ruige wielerbanen, de rug toe gekeerd. Die Bobby toch, tweevoudig wereldkampioen, maakte in 1904 zijn debuut op de bloedlinke Duitse pistes. Waar hij in vijf slopende seizoenen  veertigduizend goudmark op zijn rekening kon schrijven.  
Vier keer een bijna doodsmakkerd maken doet een mens nadenken. Met  gangmaker Franz Hofmann werd daarom uitgeweken  naar Frankrijk: waar het op de lokale wielerbanen, ook niet écht pluis was. Bij  een verslaggever van een Frans sportblad deed Bobby  zijn biecht. Om er mee te beëindigen dat ‘ze’ hem, in Duitsland, nooit meer terug zien.
Walthour, een getormenteerde kerel, met een  kerf op z’n ziel, opgelopen  bij z’n eerste stayerskoers op het Europese continent. Plaats van handeling het Parc des Princes in  het Parijs van 1903, waar tijdens de koers zijn  gabber George Leander 22 jaar,  afkomstig uit Chicago, dodelijk verongelukte.
Bobby, met de moed van een jongen van vijfentwintig jaar, zag geen reden om te stoppen. Sterker, hij  vertrok niet veel later, voor een serie contracten naar de  wildwest wielerbanen van de Oosterburen. Waar de teller van de Dood onrustbarend door tikte. Frankrijk, niet echt het beloofde land voor een profstayer. In La France viel niet zo veel te verdienen.
Geld en goud doet angst verdampen. In 1910 stond Bobby weer op de Duitse affiches. Voor de Amerikaan brak daarmee het grote oogstseizoen  aan. Tot eind 1913 won Bobby achtenveertig stayerskoersen, wat goed was voor 145.000 goudmark.
Bobby Walthour, uiteindelijk de dodelijke Duitse wielerbanen overleeft, stierf op eenenzeventig jarige leeftijd tussen de witte lakens.
Gangmaker Franz Hofmann, had dat geluk niet. Tijdens een stayerskoers in Marseille verongelukte Franz dodelijk.

Bron: Album der Radwelt jaargangen 1903 tot en met 1913. La Vie Grand Air, jaargang 1909.

Hangplek van de Dood

De Treptowwielerbaan. De kleinste wielerpiste van Berlijn. Maar wél de gevaarlijkste. Ter plekke aanwezige schrijvers van horrorverhalen, knikte begrijpend.   Munitie voor gruwelverhalen lag voor het oprapen. Eén blik was al genoeg om te huiveren. Want het perfecte decor van verschraalde, afbladderende,  reclameborden.  Een versleten, betonnen wielerbaan, met  een zwart spoor van gemorste olie en  resten van afschilferende banden. Desolate tribunes, waar tussen de houten banken vandaan,  kale bomen uit groeiden.  Neerdwarrelende  bladeren  op de baan, gaf een onheilspellende meerwaarde.  Alsof de stayerskoersen op Treptow al niet gevaarlijk  genoeg waren. 
De Treptowbaan, dé perfecte plek  voor gruwel. Een hangplek van de Dood. Zeven jonge stayers beleefden daar dan ook hun laatste race. Tevens  de laatste dag op dit ondermaanse. En niet  alleen  de wielerbaan deed huiveren.
Op het middenterrein was het ook niet pluis. Tim Johnson, een wielercoach, had zich ongetwijfeld vervloekt dat uitgesproken hij, op deze fatale plek daar, op 24 april 1908, zijn renner stond te coachen. Een van de  baan gekomen, op hol geslagen zware gangmaakmotor raasde over het middenterrein. Johnson was de enige die dat niet in de gaten had. Tim werd achtenveertig jaar. 
Twee jaar eerder gaf gangmaker Paul Dunkel de aftrap voor de bloedbruiloft op Treptow. Paul, gangmaker van stayer Bruno Demke. Tijdens de Grote Prijs van Berlijn, met nog één ronde te gaan in winnende positie, krijgt zijn motor een klapband. Twee dagen later in het krankenhaus, gaf Paul, 28 jaar, de geest.
Een tikkeltje dramatischer was het definitieve afscheid van stayer Gustav Schadebrodt, op 22 oktober 1908. Gustav, een broodmagere slungel van bijna twee meter, gegangmaakt door z’n broer Otto. Tijdens    een stayerskoers op Treptow, komt Gustav ten val. Enkele minuten later meldde lange Gustav zich bij zijn  lieber Gott. Gustav werd vijfentwintig jaar.
En dan was er ook nog Max Bauer.  Max, gangmaker van zijn zeven jaar jongere broer Fritz. Tijdens de Grote Memento-Prijs, gehouden in augustus 1916, keek Max even achterom of z’n broertje nog goed aan de rol zat. En raakte daarbij de zijkant van de passerende gangmaakmotor van stayer Fritz Stellbrink. Max werd zevenentwintig jaar.
Mooi, mooist, allermooist, was het definitieve afscheid van stayer Erich Baumler. Erich, een jongen, nota bene uit de wijk Trepwtow, had gewaarschuwd moeten zijn. Hij werd evengoed stayer. Zes weken na de hemelgang van Max Bauer  maakte hij zijn debuut achter de zware gangmaakmotor. Op de lugubere tribunes, ongetwijfeld zijn complete familie aanwezig. Die waren getuigen dat hun Erich,  voluit razend, de zijkant van de Brennabormotor raakte. Erich, gevallen, gebarsten schedel, mocht maar  twintig jaar worden.
De Treptowbaan had meer slachtoffers. Als  onbekende soldaten op het slagveld ‘Treptow’, sneuvelden ook   de stayers Max Hansen, en Willy Hamann, die respectievelijk in 1913 én 1914, op Berlijns eigenste horrorwielerbaan, verongelukte.
De  Treptowbaan is er niet meer. Met zijn zeven dodelijke slachtoffers aan gene zijde. Hoewel… Tijdens donkere, stormachtige nachten, dolen  hun geesten nog steeds op de plaats delict. Of slaat de verbeelding van deze schrijver nu op hol…?

Bron: Album der Radwelt, jaargangen 1906 tot en met 1917.

Koerskinderen

Parijs-Roubaix, editie 1950, waar alleen de Vlaamse, Italiaanse én de Franse pers acte de préséance gaven. Vooral Miroir Sprint, thuisbasis Parijs, pakte groots uit. Veertien grote actiefoto’s, vier achtergrond- en koersverslagen, geschreven door evenzoveel journalisten. Opgemaakt over vijf pagina’s: voor wielerliefhebbers het betere werk.
Vers gedrukt in grote oplages, op maandagmorgen te verkrijgen in de lokale kiosken en tabakszaken. Wél een kleine domper voor de redactie én uitgever van het blad. Parijs-Roubaix kende geen Franse winnaar. Noch één van die vele kansrijke, Vlaamse kasseienstoempers. Dat uitgesproken een Italiaan er met de publicitaire buit van door ging, gaf op de redactie het nodige tandengeknars.
Winnaar Fausto Coppi, op de cover van de Miroir, daar kwam men niet onderuit. Coppi, hét archaïsche rennerstype uit de fifties, stijlvol zittend op z’n Bianchifiets, afgemonteerd met Pirellitubes, máár zonder versnellingsapparaat. Fausto, door verzorger Biagio Cavanna, ongetwijfeld op ‘scherp gezet’, solo zwevend over de kasseien van de Hel. Met aan zijn wiel, als een zak aardappelen op z’n fiets,
Maurice Diot, ongetwijfeld ook een greep uit de amfetaminepot gedaan, waarbij geen moreel oordeel over geveld moet worden. Wat dát betreft waren Coppi en Diot, koerskinderen van hun tijd.
Diot, een Parijzenaar, de enige renner die Coppi enigszins bij kon houden. Om kilometers vóór Roubaix, door Il Campionnissimo, als een lastige strontvlieg afgeschud te worden. Voor Miroir Sprint maakte dat niet veel uit. De commerciële meubels werden gered door Diot naar een heldenstatus te schrijven, opgeleukt met een tweekoloms actiefoto.
Diot, werd vervolgens in een zespuntslettertje, weg gestopt in het uitslagenlijstje, waar hij op drie minuten achter Fausto Coppi, als tweede terug was te vinden.
Over Coppi weten we alles. Diot niet. Dat de man zes keer de op de deelnemerslijst van de Ronde van Frankrijk stond, met één etappeoverwinning is ter kennisgeving. Dion, geen fietsende weggooier, werd twee keer tweede in Bordeaux-Parijs. In 1951 won de Parijzenaar, de monsterlijke klassieker Parijs-Brest-Parijs, over twaalfhonderd kilometer, wat niet genoeg geprezen kan worden.
Maurice Dion werd slechts negenenveertig jaar.

Berenkuil

De overeenkomsten zijn er zeker.  Twee mooie charismatische  jongens. Vedettes van de wielersport. En daar hield meteen de vergelijking op. Waar Tom Dumolin, met een knieblessure zich voor maanden ziek meldde, daar ging Thaddy Robl, zwaar gewond,  ijzerenheinig  door. Thaddy,   afkomstig uit München, waar een pot schuimende Franciscanerbier nooit ver weg is, en waar de borsten van de kelnerinnen, als extra verrassing,  zomaar uit hun laag uitgesneden dirndljurk kunnen ontsnappen. Robl, tweevoudig wereldkampioen stayeren achter zware motoren,  – een sport die zich voornamelijk, afspeelde op de Boulevard der Waanzin, –  aan de start van het Gouden Wiel van Maagdenburg: tegenstanders, Emile Bouhours en Alfred Gornemann.
Het Gouden Wiel, een simpele stayerskoers over vijfenzeventig kilometer,  gehouden op eenendertig mei 1903, voor een uitverkochte wielerstadion, waar tijdens de race de magen van de Maagdenburgers ongetwijfeld even bij omdraaiden.  
Robl,  ijlend achter de loodzware motortandem,  met tachtig kilometer per uur, raakte met z’n voorwiel héél even de zijkant van de motor aan. Om een seconde later over het cement van de baan te stuiteren. De man kende zijn verantwoording. Meldde zich niet ziek. Besefte  dat hij als wereldkampioen, dé publiekstrekker was:  met in zijn achterhoofd het vorstelijke startgeld van zo’n duizend goudmark. Alleen dáárom stond Thaddy, elf dagen later, bepleisterd en gezwachteld, aan het vertrek van de Grote Prijs van Mainz, een koers over zestig kilometer. Voor de aanwezige fotograaf van dienst, een man met een latent gevoel voor sensatie, hét moment om z’n onsterfelijke foto te maken. Robl,  uiterlijk, alsof hij zojuist uit een berenkuil, vol grizzly’s, was ontsnapt,  omringt door snorrenmannen,   gestart door z’n manager. Een man die duidelijk het zijne er van denkt.
Met zo’n deplorabel lijf topsport bedrijven is malligheid. Daarom is het juist zó leuk dat hij evengoed de Grote Prijs Mainz won. Tweede werd – daar is ‘ie weer –  Alfred Gornemann, een kruidenierszoon afkomstig uit Berlijn. Ach gossie, die Alfred,  een schlemiel van zesentwintig jaar, die  vier maanden later,  tijdens de Grote Prijs van Dresden, dodelijk verongelukte. 

Bron: Radwelt jaargang 1903.

Prijsstier

Wat te doen  op een lome zondagmiddag anno 1903? Tijdens de belle epoque, die heerlijke tijd,  wisten ze dat wel. Voor spanning en sensatie lonkte de lokale wielerbanen. Voor een paar centimes,  de hele middag koers. Op de tribunes, dames in baaien rokken, naast  kerels met bolhoeden, handen op avontuur in de broekzakken. Daar tussen door militairen met weekend verlof, samen met hun liefje. Met een beetje geluk stond er een stayerskoers op het programma. Hoewel geluk..? Soms  vloog er een  motor tussen het publiek. Of anders zorgde één van de vele bloederige stayersongelukken wél voor een collectief trauma. Ach wat maakte dat ook uit, heimelijk kwam het overgrote gedeelte  voor dergelijke sensatie. En de koersen zelf? Die waren  simpel in eenvoud.  Er waren sprintwedstrijden, tandemkoersen voor twee of drie man, en dat was het
Publiek van 1903, niet verwend, vond dat prachtig, en was nog in zalige onwetendheid wat voor krankzinnig, fietsend pretpark zich op de wielerpistes van een eeuw later aandiende.
Keirinraces? Totáál onbekend. De scratch? Hoe bedoel je? Koppelkoersen voor vrouwen? Die kwamen alleen voor in koortsige dromen van toenmalige feministen. En vertelde je over zo iets als de  elektrische derny, dan wachtte het dolhuis op je. In 1903 waren er ook geen, met anabolen opgekweekte sprinters, met dijbenen van de omvang van een prijsstier.  In 1903 namen renners gewoon een snuif cocaïne, of anders een tabletje strychnine.  Futuristische carbonfietsen, afkomstig uit het brein van  professor Lupardi? De jongens van lichting 1903 koersten op een ijzeren fiets, geknutseld door de plaatselijke smid. En er werd al helemaal niet hysterisch met de nationale vlag gezwaaid als er gewonnen was.  Doe maar gewoon jongen, want met die malle koersbroek aan, ben je al gek genoeg, was het credo.
Zomaar een toekomstbeeld op de pistes van het heerlijke jaar 1903: als een angstaanjagend kwatrijn van Nostrodamus. Die helaas uitkwam…

Hasselblad

De wielerkoers én het boksen, per definitie het meest  fotogeniek. De redactie van het Franse sportblad Miroir de Sport besefte  dat heel goed. Op fotografen werd niet bezuinigd. Miroirs fotografen, absoluut geniaal. Kunstenaars met de lens, met de Miroir als een podium. Foto’s gemaakt,  met oog voor het lijdende, dramatische, detail. Waren ze niet aanwezig bij de koers, dan wel aan de boksring. Met de Hassellblad, of Kodak in de aanslag. Fotografen,  rekkelijk te vergelijken met collega’s aan een oorlogsfront. De Miroir, tijdens de fifties in duizelingwekkende oplages gedrukt, lag wekelijks in iedere Franse kiosk te lonken.
Als sportman op de cover, per definitie, publicitair hoog scorend. Een eer die ook Luc van Dam kreeg: weliswaar een bedenkelijke, maar toch. Bokser Van Dam, volgens overlevering een pure stylist. Had de pech dat zijn glorietijd afspeelde tijdens de oorlogsjaren. Waar weinig te verdienen was. Als bokser mocht je blij zijn dat je niet naar de Duitse oorlogsindustrie werd afgevoerd. Bekende sporters werden geacht het thuisfront rustig te houden. Ook Van Dam, die tijdens de oorlog veertig keer in de boksring stond. Dat de man op 20 januari 1943, notabene in Duitsland, vocht om de Europese titel is in meerder opzichten  opmerkelijk. Tegenstander was ene Jupp Besselmann, die ook won. Dat tien dagen later het Duitse, Achtste Leger, leeg geknokt in Stalingrad, zich overgaf aan de Rus, wat een ommekeer van de oorlog zal worden, was een kleine genoegdoening voor Van Dam.
Vijf jaar na de oorlog, want december 1950, kreeg Van Dam zijn publicitaire herkansing. Van Dam versus Sugar Ray Robinson. De laatste  afkomstig uit Harlem, met de status van een levende legende. Plaats van handeling, het Sportpaleis van Brussel.  Sugar Ray, vanaf 1941 tot december 1950, in tachtig partijen ongeslagen. Van Dam mocht in dat lijstje plaatsnemen als eenentachtigste verliezer. Aan het einde van de derde ronde, op het moment dat de gong ging, liep hij tegen zijn eerste knock down op. Zijn  neergang naar het canvas, –  een kwestie van een seconde – wat voor  die ene fotograaf van de Miroir lang genoeg was om die te vangen met z’n camera. Dat Luc een ronde later definitief knock out ging, was alleen interessant voor de statistieken. Dé foto van dé neergang sierde, paginagroot de omslag van de Miroir de Sport. Kleine troost voor Van Dam. 
Luc van Dam, met zevenennegentig overwinningen op zijn conduitestaat, overleed in 1976 op vijfenvijftig jarige leeftijd.

Paardenopasser

Zondagavond twintig augustus 1922, een prachtige windstille zomeravond.  Zo’n lome avond waar tienduizenden Amsterdammers ontspannen op de tribunes zaten van het  Amsterdam Stadion. De laatste, geopend in 1914, en gelegen  tegenover het huidige Olympisch Stadion. Op de houten, demontabele wielerbaan, met dwarsgelegen latten, een stayerskoers over honderd kilometer.  Aan het vertrek  de oude Piet Dickentman, gegangmaakt door Stan Ceurremans, Cor Blekemolen achter gangmaker Thomas Ullrich, Jan Snoek met  gangmaker Roos, en Koos Storm gegangmaakt door Walter Hesslich.De omstandige waren perfect voor een snelle en spannende race. Die uiteindelijke veranderde in pure horror. De prelude hiervoor gaf de Haagse stayer  Jan Snoek, die in een inhaalduel met Cor Blekemolen was verwikkeld. Blekemolen sloeg de aanval af, waarbij beiden stayers de rol los moesten laten gaan. Voor gangmaker Thomas Ullrich het sein om even om te kijken.
Omkijken op een wielerbaan met een snelheid van tachtig kilometer, altijd link. Ullrich raakte dan ook de schuine onderkant van de baan. Motor en gangmaker stormden, stuurloos,  vol geweld, het middenterrein op.  Waar verzorgers Chris Orlemans en ene De Lange zich bevonden.  Orlemans en De Lange werden vol geraakt. Orlemans werd zo’n vijftien meter werd weg geslingerd,  en brak zijn nek. Verzorger De Lange, bewusteloos,  werd in het Wilhelmina Gasthuis wakker met een verbrijzeld been. Gangmaker Ullrich kwam met een lichte hoofdwond er van af, met dank aan z’n valhelm.
Of baandirecteur  Van den Berg, een ziende blik had is niet zeker,  wél dat de man, vlak  vóór de fatale stayerskoers, het toen drukke middenterrein liet ontruimen, waarmee een regelrechte ramp werd voorkomen.
De begrafenis van Chris Orlemans, op donderdag drieëntwintig augustus, was groots, en een tikkeltje hysterisch. Vanaf zijn ouderlijk huis, gelegen aan het Iepenplein, tot aan de Nieuwe Oosterbegraafplaats, stonden duizenden mensen op de stoepen. Een grote politiemacht was  nodig om deze mensenmenigte in bedwang te houden. De kist werd gedragen door Dickentman, Snoek, Blekemolen en Storm.
Een begrafenis is pas een begrafenis als er aan het graf gesproken wordt. Ook bij  Chris Orlemans, waar onder meer generaal-majoor Tonnet het woord voerde. Chris Orlemans was vijf jaar lang zijn ‘paardenoppasser’ geweest.
Over doden niets dan goed, moet Tonnet gedacht hebben. De generaal-majoor vertelde hoe Chris Orlemans ooit een span op hol geslagen paarden, tot staan kreeg. Ook had de generaal zijn paardenoppasser leren kennen als een man met een hart van goud, al lag deze wel wat té snel op diens tong.
De dood van Sam Orlemans bracht de teller op zevenenveertig dodelijke slachtoffers van de stayerssport. Een record die Sam niet lang vast hield. Twee andere ‘hoofdrolspelers’ in het Amsterdamse drama, gangmakers  Stan Ceurremans en Walter Hesslich trokken ook ter hemel tijdens een stayerskoers.  Met als dramatisch detail dat twee jaar na het verongelukken van Stan Ceurremans, ook diens zoon Frans, beginnend stayer verongelukte op de Rijswijkse wielerbaan.

Bron: Nieuws van den Dag jaargang 1902, Radwelt jaargangen 1900 tot en met 1922. Rijwiel- en Motor-Orgaan  jaargang 1922. Foto 1: Cor Blekemolen met Thomas Ullrich. Foto 2: Orlemans.

Onthulling

De tocht naar het kerkhof werd niet in anonimiteit afgelegd. Doodgevallen stayers kregen een prachtige begrafenis. Zeker in de tijd van voor de Eerste Wereldoorlog. Per definitie werd de lijkkoets, van de ongelukkigen, getrokken door een span van zes met zwarte doeken omfloerste paarden. Tienduizenden fans op de stoepen.  Wanneer het graf was dicht gegooid, verscheen daarop een monumentale grafsteen, geschonken door supporters. En nee,  de jong, dramatisch gestorvenen zal nooit vergeten worden: belooft tijdens de grafredes.  Niets zo vergankelijk als roem. Een eeuw later zijn al die jong verongelukte sportjongens vergeten. Nabestaanden kijken nooit meer om naar het graf. Prachtige, monumentale grafmonumenten verdwenen in de loop der jaren  in de sloopbak. De knekels gingen daar achter aan, zei het in de knekelput.
Maar niet overal. De graven van verongelukte stayers, Peter Günther,  Taddy Robl, en Karel Verbist,  staan nog steeds te gloren en worden gekoesterd.  Ook op het Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam, rustplaats van Piet van Nek.
De begraafplaats, in de volksmond ‘het Ooster’ genoemd, bestaat deze week honderdvijfentwintig jaar. Rede voor een jubileum. Waar de werkgroep Het Stenen Archief zich voor had in gespannen. Onder meer het graf van stayer Piet van Nek,  uitgeroepen tot Rijksmonument, kreeg de afgelopen maanden een grondige schoon- en opknapbeurt. Ook werden bij de  monumentale graven tekstbordjes geplaatst, met uitleg over degene in het graf.
Waar deze blog zijn medewerking aan gaf. Voor het bordje aan het graf  van Piet van Nek, werd een foto uit z’n archief beschikbaar gesteld. Tevens gaf Stuyfssportverhalen,  voor zo’n tweehonderd genodigden een kleine lezing over Van Nek. Aangezien deze plaats vond in de juiste ambiance, want de aula van de begraafplaats, een praatje vol  horror en bloederige details, eigen aan de toenmalige stayersport. De onthulling van het tekstbordje was voor schrijver dezes. Kleine eer, maar toch…

error: Content is protected !!