Leeuwenhart

Joop Kasteel is een legende in de vecht- en krachtsportwereld. Van mollig, gepest jongetje ontwikkelt hij zich tot vice-wereldkampioen armworstelen en uiteindelijk wereldkampioen in het keiharde freefight. Vervolgens bouwt hij een succesvolle loopbaan op, zowel in de sport als in security management.

Dan slaat het noodlot toe. Na een tijd lang kwakkelen met zijn gezondheid krijgt Joop een heftige diagnose: MDS. Een kwaadaardige bloedziekte die, in zijn geval, onontkoombaar leidt tot acute leukemie. Maar in plaats van af te wachten zet hij de knop om en gaat zich fysiek en psychisch voorbereiden op wat misschien zijn laatste gevecht zal worden. Als de levensbedreigende ziekte na tweeënhalf jaar aanvalt, zal Joop Kasteel ‘in de ring van het AMC’ dieper moeten gaan dan hij voor mogelijk had gehouden. En maakt hij, in een gevecht op leven en dood tegen ‘Het Monster’ acute leukemie, zijn bijnaam meer dan ooit waar.

Leeuwenhart is een ontroerend en inspirerend relaas over onmetelijke liefde, een rotsvast geloof en omgaan met ziekte en verlies.’ Door zijn vermogen pijn weg te bijten en tegenslagen te incasseren ‘verdient’ Joop Kasteel tijdens zijn freefightcarrière de bijnaam Leeuwenhart. Als hij aan de zwaarst mogelijke chemo moet en een stamceltransplantatie ondergaat om de levensbedreigende acute leukemie te bestrijden, belandt hij in een emotionele en fysieke rollercoaster.

Over die emoties, en de gebeurtenissen in deze periode, houdt hij een dagboek bij.  Maar Leeuwenhart vertelt ook uitermate boeiend, van binnenuit, over de ogenschijnlijk genadeloos harde vechtsport. Over omgaan met angst en pijn, over gepest worden en het verwerken van minderwaardigheidsgevoelens, ‘werken aan de deur’ en als persoonsbeveiliger.

Omvang : ca. 288 blz. Formaat : 15 x 23 cm, paperback met twee fotokaternen ISBN : 97890 8975 813 2 Prijs : € 22,50.

Kruispunt

Het was zijn eerste autorace, waarbij hij meteen tot dé favoriet werd uitgeroepen. Waarop zijn favorietenrol was gebaseerd, is niet helemaal duidelijk. Waarschijnlijk omdat Henri Cissac ervaring had  met snelheden. Cissac, een gangmaker op de wielerbanen. Op zijn zware gangmaakmotor trok hij in 1903, Tommy Hall naar een toenmalige wereldsnelheidsrecord van ruim tachtig kilometer.

Voor Cissac was het leven op z’n gangmaakmotor  tóch nét niet spannend genoeg. Zijn lijf smachtte naar nóg meer adrenalinekicks. Het feit dat  er inmiddels tientallen zware ongelukken, soms met dodelijke afloop op de wielerbanen plaats vonden, schudde hij, als een natte hond van zich af. Voor jongens als een Henri Cissac, was de komst van  het vliegtuig én de raceauto een niet te missen kans. Collega gangmaker  Bertin, verruilde zijn gangmaakmotor om voor een vliegtuigje. En stortte in 1909, van  zo’n honderd meter hoogte, richting aarde. Bertin kreeg een vorstelijke begrafenis. Maar dat terzijde.

Cissac ging voor de raceauto. De datum zeven juli 1908, stond vast  in z’n agenda rood omcirkelt. Op deze dag beleefde de voormalige gangmaker zijn première als autocoureur. De man ging van start bij de Grand Prix des Voiterettes, een race over ruim vierhonderd kilometer, gehouden over de landweggetjes in de buurt van Rouen.  

Henri Cissac, aan het stuur van z’n bolide. Naast hem zijn mecanicien, ene Schaub. De fotograaf van het Franse sportblad La Vie au Grand Air, was ook ter plekke. Zijn foto’s van deze race, nú bekijkend,  moet het voor toeschouwers en coureurs, een helse aangelegenheid zijn geweest. De meest vreselijke ongelukken, met duidelijk in beeld,  zwaar gewonde mensen,  afgedrukt over de breedte van een pagina.

Henri Cissac stond daar ook bij. Voor Henri was een hele pagina uitgeruimd. Halverwege race, op volle snelheid en in de buurt van het kruispunt Willy-le-Haut, kon Henri het stuur niet meer houden. De bolide van Cissac belandde op z’n kop in een droge sloot. Waarbij mecanicien Schaub, zich direct meldde aan de hemelpoort. Cissac hield het iéts langer vol. ‘Haal me weg, haal me weg’,  stootte de ongelukkige Henri uit, tegen toegesnelde toeschouwers, en verloor het bewustzijn.

Cissac, afgevoerd naar een boerderij in Maisoncelles, waar hij, twintig minuten later, dit ondermaanse verliet. Henri Cissac, eenendertig jaar geworden, werd op zijn verjaardag, vijftien juli, begraven. Dat dan weer wel…

Bron: La Vie au Grand Air jaargang 1908.

Ratten, heel veel ratten

August Fossier, links, gangmaker van zijn broer Honoré Fossier

11 November 1918, de dag dat de ‘Groote Oorlog’ eindigde. Ruim acht miljoen  gesneuvelden. Jongens, weg gerukt uit hun jeugd. Vechtend aan het Westfront. Vier jaar lang overlevend in vochtige loopgraven, de hel, op een paar vierkante kilometer.

Slaapgebrek, kou, regen, honger, dorst, modder en ratten. Héél veel ratten. De stank van ontbindende lijken. Om uiteindelijk de sterven voor Kaiser, und Vaterlant, en andere nationalistische idioten. Op de oorlogskerkhoven in West-Vlaanderen en Noord-Frankrijk liggen die jongens te wachten op de jongste dag. Op hun graf een wit steentje met naam en rangnummer. Eindeloze rijen.

Ook de laatste rustplek voor Auguste Fossier. August, een voormalig wegrenner, ruilde zo rond 1902 zijn fiets om voor een gangmaakmotor. August werd de vaste gangmaker van zijn broertje Honoré.  Succesvol zijn ze niet écht geweest. Zeker niet op de Duitse wielerbanen van vóór de Eerste Wereldoorlog,  de premier league  van het stayeren. In de  lange, pijnlijk nauwkeurig genoteerde, uitslagenlijsten gepubliceerd in de jaargangen van Radwelt, kom je de broertjes Fossier niet tegen.

De jongens Fossier waren gebonden aan de koersen, gehouden in hun vaderland Frankrijk. Ach wat maakt dat ook uit. Dit stukje gaat over gangmaker August Fossier. Die op de allereerste dag van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, zich kon melden bij het Franse Leger, waar hij toegewezen werd als ‘cyclist’. Het monster van de ziektes, heerser in de loopgraven kreeg uiteindelijk ook August te pakken.

In 1915 werd de voormalige gangmaker getroffen door tyfus. August Fossier zou nooit meer op z’n gangmaakmotor zitten. Ergens in mei 1915 blies  August zijn laatste adem uit. August Fossier, eenenveertig jaar, liet een vrouw en drie kinderen achter.

Negende

Hupsakee! Daar ging er weer één. Even voor dat het weeë geluid van zacht vlees op hard beton klonk, kreeg Eugene Bruni een klapband.  Met tachtig kilometer stuiterde Bruni tegen het beton. Bewusteloos,  op een brancard,  afgevoerd richting het hospitaal. Waar de priester van dienst al klaar stond met de laatste sacramenten. 

Voor Bruni’s leven werd geen centiem gegeven. Maar God was genadig die dag. De Heer had zijn grenzen. In  zijn eigenste hemelse paradijsje,  werd het  opvallend druk met die malle stayerende jongens.  In dat goddeloze jaar 1904, had Hij al acht dood gevallen stayers mogen verwelkomen.  Bruni, twee dagen later wakker geworden met een knallende koppijn, ontsnapte als negende. Als stayer mocht de man  dan wel regelmatig zijn leven op het spel zette, maar helemaal van de pot gerukt was hij ook nou weer niet.

Van een oude cavaleriehelm knutselde hij een valhelm. Een maand later zal hij de Heer op z’n knieën gedankt hebben. Bruni mét helm, én een contract voor een stayerskoers  gehouden op het Parc des Princes. Tegenstanders  Walthour en George Leander, 22 jaar, afkomstig  uit Chicago. De laatste, razend, zonder valhelm achter gangmaker Cissac, kwam ten val en kwam terug in Chicago in een loden doodskist.

Parijzenaar Bruni, zoon van straatarme Italiaanse ouders, werd gelokt door het grote geld  dat op de Duitse wielerbanen te verdienen was. Acht seizoenen was Bruni regelmatig op de levensgevaarlijke banen actief, won vijfentwintig grote koersen, goed voor bijna tachtigduizend goudmark.

Getuigen van de dramatische afgang  van Eugene Bruni, gefotografeerd en afgedrukt in een groot Franse sportmagazine, hadden nooit kunnen vermoedden dat Bruni, pas in 1956 op tweeënzeventig jarige leeftijd zijn laatste adem uitstootte.

Bron: La Vie au Grand Air, jaargang 1904.

Aaien

Een klein schriel kereltje, een jochie nog, haast een kind. Maar geen wonderkind. Boksertje Moos Linneman amper zeventien jong, trainend in de legendarische boksschool van Dick Groothuis. De laatste had de handen vol om Linneman’s aanvalslust te beteugelen.

In het blad Sportief, jaargang 1950, geeft Groothuis een aardig kijkje in de  feodale verhoudingen ‘trainer versus pupil’, begin jaren vijftig. Groothuis roemt de inzet van zijn jongen, die volgens hem keihard iedere dag traint. Zodra de eerste gongslag klonk, stoof Moos op zijn tegenstander af, om, zoals Groothuis dat formuleerde ‘te gaan pompen’.  Volgens de journalist ter plekke,  maakte de Amsterdammer zijn tegenstanders duizelig door ze geen seconde rust te gunnen. Steeds maar weer vlogen vuisten naar het hoofd en ribben van Moos’ tegenstanders: om er maar een schepje boven op te gooien.

Linneman, Nederlands kampioen bij de vedergewichten, en weinig partijen verloren mocht zijn land op de Spelen van 1948 vertegenwoordigen. En verloor  de eerste beste partij tegen  de Ier Kevin Martin. Volgens Groothuis kwam dat omdat Moos in een zwaardere klasse moest uitkomen. Linneman had geen ‘punch’ op de Spelen. Zijn stoten kwamen over als ‘aaien’. Waarbij Groothuis haastte te vertellen dat dat kwam doordat hij in een zwaardere klasse uitkwam, en daardoor té geforceerd moest trainen.

Wat dat ‘aaien’ betreft, wél enige nuances op z’n plaats. Voordat Moos de finale van dat kampioenschap bereikte had hij negen achtereenvolgende wedstrijden gewonnen door knock out.  

Linneman, greep in 1950 de nationale titel in het weltergewicht, door de Hagenaar Schoenmaker te verslaan.  In de Warmoesstraat, midden in de Amsterdamse rosse buurt waar de gym van Groothuis zich bevond, werd met gemengde gevoelens op dat kampioenschap gereageerd. Moos’ z’n verdediging was niet goed, volgens Groothuis.  Moos ‘nam’ te veel, meer dan nodig was.  De Amsterdamse vuistvechter, kwam nog één keer uit op de Spelen van Helsinki waar hij sneuvelde in de kwart finales.

Moos Linneman, nog drie jaar actief als profbokser, vocht zestien partijen waarvan er vijftien werd gewonnen, werd na zijn  bokscarrière bloemenkoopman. Op het Amsterdamse Hoofddorpplein baatte hij jarenlang zijn bloemenstal uit.

Linneman, een echo uit een groots Amsterdams boksverleden, overleed afgelopen weekend. Linneman werd negenentachtig jaar.

Bron: ‘Sportief’, jaargang 1950. Cartoon: Bob Uschi.

Jewey

Rochelend, hijgend,  voorzien van een gescheurde oor én mond, bloedend uit zijn neus, werd hij de ring uit gesleept.   Zijn moeder had haar jongen niet meer herkend. Joseph Smith een vierentwintig jarige joodse bokser, afkomstig uit de achterbuurten van Londen had zojuist zijn zesde gevecht achter de rug.

Dat Joseph, bijgenaamd Jewey, door zijn manager rustig,  het profmilieu binnen geloosd werd,  is hoogst twijfelachtig. Tijdens zijn debuutjaar stond Smith negentien keer in de ring, met elf gewonnen partijen. Maar na dat zesde gevecht moet hij zich vertwijfeld afgevraagd hebben, of hij wel de juiste sport gekozen had.  

Joseph Jewey Smith, versus  Sam mc Vea. De laatste een Afro-Amerikaanse zwaargewicht, van vierentwintig jaar, had zijn gesegregeerde vaderland de rug had toegekeerd. Amerika het land van onbegrensde mogelijkheden. Maar niet voor een bokser met een donkere huidskleur. Sam mcVea trok zijn conclusie en pakte in 1907, z’n bokshandschoenen in en nam de boot naar Frankrijk. Waar hij vier jaar verbleef. Sam  vocht  voornamelijk in Parijs, waar hij drieëndertig keer in de ring stond.

Met mcVea – gebeeldhouwd, gespierd  lijf –  op de aanplakbiljetten, altijd garantie voor een uitverkocht huis.  Ook op die ene avond in het Parijs van 1908. Plaats van handeling het Bowling Palace, met plaats  voor drieduizend toeschouwers. ‘Brandpreventie’, was nog onbekend geneuzel. Onder de kreet, ‘schik maar in’, passeerde vierduizend liefhebbers de kassa van het Bowling Palace.   De Parijse boksliefhebbers roken sensatie. Met de  arme Jewey in een dubieuze hoofdrol.

Joseph Jewey Smith

Joseph Smith werd in de eerste ronde meedogenloos door mcVea neergehaald.  Smith mocht dan kanonnenvoer zijn, maar de man beschikte wel over een groot vechtershart. Liefst tien keer zag hij het canvas van zeer dicht bij. Om telkens op te staan. Tot de derde ronde. Waar Jewey, zwaar gehavend, definitief het licht uit zag gaan.

Dat in het zogenaamde verlichte Parijs, ook niet zó fris tegen de zwarte medemens werd aangekeken onderschreef  sportjournalist, Jacques Mortane. Of zoals Mortane in zijn verslag schreef: ‘Wij haten het te zeggen dat de neger met groot gemak als overwinnaar tevoorschijn kwam. Maar hij sloeg wel elf keer Jewey neer’.

Sam mcVea, man met eelt op z’n ziel, verbleef vier jaar in La France. Vocht daarbij drieëndertig partijen en verloor daarvan maar één. En zoals het met dat soort jongens toeging: ook Sam werd door zijn manager besodemieterd. Nog geen veertig jaar oud, stierf Sam mcVea berooid. Zijn graf en begrafenis werd betaald door bokslegende Jack Johnson.

Bron: La Vie au Grand Air jaargang 1908.

Verroeste spijkers

‘Zes dagen zult U arbeiden en al Uw werk doen, maar de zevende dag is de sabbat van de Here. Dan zult U geen werk doen’, werd er van de kansel gepredikt. Opgepikt door het proletariaat, wonend in  Roubaix, die massaal op de lokale wielerbaan waren te vinden. Zondag 11 april 1903, aankomst van  Parijs-Roubaix.

De Belle Epoque, waarin het spook van de tuberculose hele volkswijken decimeerde. Van mondkapjes, lockdown of ‘bubbels’ had geen mens gehoord.  Hooguit werd op advies van de lokale  kwakzalver, een bos verroeste spijkers onder het bed gelegd, hetgeen goed scheen te werken tegen benauwdheid. Of anders een zoute haring achter de oren gehangen als remedie tegen een keelontsteking. En mocht het moeders niet lukken om zwanger te worden dan had mijnheer pastoor daar wel een oplossing voor…  

Barre tijden. Waar, in de vele textielfabrieken van Roubaix, de rode haan zijn eerste revolutionaire kukel kraaide. De Slapende Reus werd onder de tonen van de Internationale langzaam wakker. Maar laat het proletariaat kiezen tussen sociale gerechtigheid of de Koers, geheid dat ze voor het laatste gaan.  

De Koers als opium voor het volk. Over dope gesproken. Het mocht dan wel 1903 zijn, neemt niet weg dat die kerels, stuiterend over de kasseien van de Hel daar wel raad mee wisten. Choppy Wartburton, een louche verzorger was met zijn geheimzinnige, helse elixers, een wegbereider voor hordes soigneurs. Choppy’s  jongens kwamen dan ook regelmatig schuimbekkend over de finish. Ach wat maakt dat eigenlijk uit. Eerlijke boerenjongensdope moet kunnen.

Of Hyppolyte Aucouturier, bijgenaamd De Verschrikkelijke,  ‘vol’ zat? Wat kon dat iemand nou schelen. Voor het volk was Hyppolyte een held. Die voor heel even armoede met de bijbehorende ziektes deed vergeten.  Enfin, volgend jaar maar hopen dat Parijs-Roubaix wél door gaat.

Loodgieter

Peter Post

Een  adres vastgeklonken in het geheugen van iedereen die ooit een racefiets tussen de benen had. De Westerstraat 150,  meer dan tachtig jaar het onderkomen  van het roemruchte fietsmerk RIH-Sport. Dat op een RIH-fiets meer dan zeventig keer een renner wereldkampioen werd is ter kennisgeving.

Tien jaar geleden sloot Wim van der Kaaij, de laatste RIH-framebouwer, definitief de deur. Voor stalen fietsen was en is er geen toekomst, weggevaagd als deze zijn door carbon exemplaren. Inmiddels is het merk ‘RIH’, omgeven door een mythische waas met de bijbehorende  cultstatus.

De voorzet werd jaren eerder gegeven door de framebouwers Bustraan en Van der Kaaij. Die hun klanten altijd het gevoel gaven dat ze speciaal voor jou, koersende sukkel, toch maar een frame hadden gebouwd.  Je wist wat je kocht. Een RIH-koersfiets was een degelijk product. Maar dat waren die andere handgebouwde frames van de toenmalige concurrentie ook.

De retro stalen RIH-koersfietsen, inmiddels zo’n beetje heilig verklaard. Met de bijbehorende anekdotes en  verhalen  die  met het verstrijken van de jaren, steeds mooier worden. Waarbij het begrip ‘relativering’ ver weg is.

Stokoude, beschadigde, en verroeste  karretjes, waarop het woord ‘RIH-Sport’, amper te zien is, worden op de sociale media gepresenteerd als archeologische schatten. Dan zijn er ook nog  liefhebbers, strak in de leer, bij wie een RIH als kunst aan de muur hangt. Tikkeltje overdreven. Iedere loodgieter, met verstand van legeringen én metallurgie, kon een stalen frame lassen.

Tijden veranderen. Ook in de koers, waar  de amfetamines, die ouwerwetse boerenjongensdope is vervangen door enge bloeddoping. En waar een stalenkoersfiets heeft plaats moeten maken voor  een hightech, carbonkarretje.  Terwijl schrijver dezes dit cynisch stukje tikt kijkt hij met een liefdevolle blik naar links. Want daar staat zijn eerste grote liefde. Een meer dan vijftig jaar oude, prachtig gerestaureerde en zwart gespoten RIH…

Huishoudster

In Cinquant anni nessuno meglio di lui. Alsof ik de stem van wijlen kapelaan  Switser hoor. Niemand kon zo mooi het Latijns brabbelen als de oude Switser, kapelaan van dienst in de Sint Nicolaaskerk.  Bovendien was Swits, zoals wij hem noemden niet zó van het celibaat.  

Behalve zijn latent amoureuze relatie met het Latijn, had hij dat ook met z’n huishoudster, een rondborstige moeketype. De man had nóg meer verdiensten. Zo raasde Swits, met onnavolgbare snelheid door ‘het woord van de Heer’, amper bijgehouden door z’n misdienaartjes. Zijn heilige missen,  waren een soort religieuze tijdrit, die hooguit een half uurtje duurde. Voor ons, de Roomse jongens van de geboortegolf was de man  een held.  

Maar we dwalen af. Dit stukje gaat over de koers. Speciaal de Italiaanse.  Cinquant anni nessuno meglio di lui, dus, zoals de kop onder een artikeltje in het  sportblad Lo Sport Illustrato, uitgegeven in 1959, luidde.   

De Italiaanse koers van de jaren vijftig.  Aan kopij geen gebrek. Renners werden  naar een mythische legendestatus geschreven. Verhalen die van vader op zoon gaan. En die met het verstrijken van de jaren steeds mooier worden.  Een Italiaan adoreert zijn helden op een religieuze manier, als kind er ingestampt op het nonnenschooltje. Maak hem midden in de nacht wakker en hij dreunt de uitslagen van zijn favoriete renner op.  

Wie zijn geschiedenis niet kent, leert nooit de toekomst begrijpen, en meer van dat soort geleuter. Dát moet de insteek zijn geweest, tijdens de redactievergadering van Lo Sport Illustrato, voor het maartnummer van 1959. Waarbij  meteen een hele pagina ingeruimd werd met een foto gemaakt tijdens de finale van Milaan-San Remo 1928, met  Giradengo aan de leiding. Cinquant anni nessuno meglio di lui, oftewel ‘In vijftig jaar niemand beter dan hij’, kopte het blad.

Costante Giradengo won dan ook zes keer Milaan-San Remo. En hoe het met kapelaan Switser afliep? Die verruilde definitief  zijn habijt voor z’n appetijtelijke huishoudster. Want zeg nou zelf, met die romige borsten van zijn huishoudster wist ‘íe zeker wat hij in z’n handen had. Dat was nog maar de vraag op de belofte van het eeuwige hemelse leven…

Momenti

Groots, meeslepend en bombastisch, als een opera van Verdi. Dat is het scenario van een gemiddelde Italiaanse wielerkoers. Met renners als heldentenoren, en onsterfelijk gemaakt door de verhalen in La Gazzetta dello Sport, dé Italiaanse sportkrant met een oplage van meer dan drie miljoen. Dat kon je wel aan het Italiaanse journaille overlaten. Die wisten met een  feilloos gevoel, de snaren van de tifosi ’s te bespelen.

Vooral de Italiaanse koersen in de naoorlogse tijd, waren één grote explosie van euforie in de kolommen van  La Gazetta. Waarbij de ratelende schrijfmachines, als katalysator diende in de tweestrijd tussen Gino Bartali en Fausto Coppi. Bartali, vroom aanhanger van Rome, op handen gedragen door de gelovige bourgeoisie.

Dat Coppi een atheïst, vrijbuiter en vrouwenliefhebber was, en door het linkse deel van de Italianen voor eeuwig in het hart werd gesloten, weten we onderhand wel. Wat voor de krant   redactioneel schipperen werd tussen de twee kampioenen.  

In 1949  gaf dat geen probleem, met Coppi, als de verse winnaar van de Tour de France. Een overwinning door de krant commercieel uitgeperst als een olijf.  Met als resultaat het fotoalbum, Momenti Fotografici del ‘Tour 1949’, – gedrukt in oblongformaat in duizelingwekkende oplages, – met meer dan tweehonderd unieke en inmiddels zeldzame foto’s. Met Il Campionissimo in de hoofdrol.

De boekjes gingen voor  driehonderd lire’s over de toonbank.  In het straatarme naoorlogse Italië een kapitaal. Evengoed waren Coppi-fans bereid, daarvoor een financiële rib uit hun lijf te trekken. Geef het volk brood en spelen en ze klagen niet over maatschappelijke misstanden. Dat hadden de jongens van La Gazetta dello Sport dan ook goed begrepen.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: