Paula

Op alle van hem bekende foto’s, kijkt een angstige, sombere man schichtig en depressief in de lens. Dat de man veel arbeidsvreugde had, valt dan ook te betwijfelen. Peter Günther, meer dan vijftien jaar profstayer. Won zo’n honderdvijftig koersen, waaronder het wereldkampioenschap in 1911. Günther verdiende met zijn sport een kwart miljoen goudmark. Daar stond wel iets tegenover. De man loerde regelmatig de dood in de ogen. En dat doet wat met de mens.

Dat gedonder begon al bij zijn debuut in op vijf juli 1903, gehouden op de wielerbaan van zijn thuisstad Keulen. In de derde ronde knalden twee motoren tegen elkaar. De aanstormende Peter, achter gangmaker Otto, kon het inferno niet ontwijken. Peter Günther voor dood van de wielerbaan geschraapt, verbleef vier maanden in het Krankenlager. Evengoed ging hij toch iets té lang door met zijn levensgevaarlijke sport. Het waarom? Vraag dat maar aan een psychiater. Enfin, Peter, ontsnapt aan de aandacht van Siegmund Freud de aartsvader van de psychoanalyse, stond op 7 oktober 1918 aan de start van de Grote Hooftprijs van Düsseldorf. Wat een grote macabere finale werd. In de negenenveertigste ronde, krijgt zijn motor pech. Peter Günther, vijfendertig jaar, maakt een fatale val, en sterft een dag later aan een schedelbreuk. Gunther werd begraven op het Sudfriedhof in Keulen. Een begraafplaats bezocht door Stuyfssportverhalen.

Op het Sudfriedhof in Keulen, was de Deutsche Gründlicheit vér te zoeken. De administratie op het kantoor, was van onthutsende eenvoud. Een tiental ordners en geen computer. Goddank was daar ene Claus, doodgraver van dienst. Een zwijgzame kale man in fluorescerend jack. ‘Ah, dem Radfahrer’, riep de delver op de vraag waar Günthers graf was. Vijf minuten later stond Stuyfssportverhalen aan de tombe van Peter Günther.

De herfst hing in de lucht. De geur van de dood is aanwezig.  Op de uitgestorven begraafplaats is alleen het zachte geschraap, van harkende tuinmannen te horen. Onder dennenbomen staat een bemoste, en iets gebutste sarcofaag. Het is de rustplaats van de wereldkampioen. Aan de voorkant een medaillon met de afbeelding van de ongelukkige stayer. Op de sarcofaag, een in steen uitgehakte stayershelm.

En dan is er ook nog gangmaker Werner Kruger (zie grote foto), waar Günther graag achter koerste. Kruger, een dikke struise man, voorzien van een  pronte kont, wat garantie gaf op een goede zuiging. Dikke Werner zoals zijn bijnaam luidde, kwam tijdens de Grote Prijs van Keulen, gehouden  in 1931 ten val. Met gebroken ribben, hersenschudding, én een doorboorde long werd Werner in de ambulance geschoven.  Met de woorden, ‘Nu moet ik sterven’, blies hij enige dagen later in de armen van zijn echtgenote Paula, de laatste adem uit. Werner Krüger, 53 jaar, was het zesenvijftigste dodelijke slachtoffer van de stayerssport.


Bron: Album der Radwelt jaargangen 1903 t/m 1918,  Illustrierter Radrenn-Sport, jaargang 1931.

Meloen

Willy Stinson flikte het toch maar. In het Boston van 1900 raasde Willy (foto), achter een motortandem,  naar vierenzestig kilometer in het uur. Een wereldrecord.  Wat tevens de aftrap was voor een krankzinnige wedloop om dat aan te vallen. Een ratrace die tot op de dag van vandaag duurt.

Willy Stinson met zijn gangmakers  Stafford en Miles roken geld. Het trio ging hun record verzilveren en waren gecontracteerd voor de L.A.W. RaceMeet, een koers gehouden op de wielerbaan van Walham, Massachusetts. De koers was amper aan de gang toen het  meteen vreselijk mis ging.

Bij het uitkomen van de bocht, raakten drie motoren in een slip. Een catastrofe was een feit. De achteropkomende motortandem van Willy Stinson, klapte er vol bovenop. Stuurman Harry Miles en gangmaker William Stafford werden letterlijk gelanceerd.  

Miles, met zijn hoofd tegen een elektriciteitspaal, werd zwaar gewond naar de rennersboxen gesleept en op een stretcher gelegd. Volgens de streekkrant The North Adams Evening Transcript, was Harry’s schedel gebarsten als een overrijpe meloen, waarbij zijn hersens op de stretcher lagen. Binnen enkele minuten blies Harry, 25 jaar, zijn laatste adem uit.

Met gangmaker Stafford liep het ook niet best af. Door de journalist van dienst in zijn meest gruwelijke details beschreven.  Williams laatste momenten op dit ondermaanse, mochten er namelijk zijn. De man z’n schedel was verbrijzeld, en de neus gebroken. Met als extraatje dat door de val, zijn kunstgebit in zijn keel was geschoten. Dat Stafford, 25 jaar, daaraan overleed was ter kennisgeving.

Het aanwezige publiek had vermoedelijk een levenslange trauma opgelopen. De op hol geslagen motortandem vloog over de balustrade, en kwam middenin tussen de toeschouwers terecht. Waarbij geen doden vielen, maar ‘slechts’ gebroken botten.

Bron onder meer La vie au Grand Air jaargang 1903.

Dansen met de duivel

De beste beslissing uit zijn leven? Dat hij op tweeëntwintig jarige leeftijd stopte met de wielersport. Tiemen Groen hing zijn koersfiets definitief aan de haak. Gelijk had hij. Voor een gemiddelde prof waren  de jaren zestig geen vetpot. De koers met al zijn intriges en combines vroeg niet alleen om een buitengewoon fysiek gestel  maar ook een meegaand, buigend karakter. De Fries Tiemen Groen ontbeerde dat laatste.  De man was rechtlijnig en eerlijk. Zo iemand moest je niet flikken.

Peter Post deed dat wél. Tijdens de ronde van het Bosplan gehouden in het Amsterdam van 1968, zat  Post samen met Groen in een kopgroep. Post, graag winnend in zijn geboortestad vroeg aan Groen of hij het kopwerk wilde doen. Afgesproken was dat Groen, financieel meedeelde in de eindoverwinning. Als je met de duivel danst, krijg je later de rekening. Na de koers kreeg Groen van Post een enveloppe in z’n handen gedrukt. Met daarin een biljet van tien gulden: een schoolvoorbeeld van een renner besodemieteren.

Of dat dé rede was waarom Groen definitief stopte? Ieder geval gaf dat zeker het laatste zetje in zijn beslissing. Over Tiemen Groen’s opkomst is veel gepubliceerd. Dat hij als nieuweling op het circuit van Zandvoort tijdens het nationaal kampioenschap, vijftig kilometer lang voor een voluit jagend peloton uit reed, om met zevenendertig seconden de titel te pakken, behoort tot de algemene wielerkennis. Dat de Friese tempobeul de jaren daarna, vier keer de wereldtitel achtervolging pakte, bezorgde hem de status van legende.

Ook was er teleurstelling. Tijdens de Olympiade van 1964 gehouden in Tokio, was Groen dé gedoodverfde favoriet voor goud. Groen werd uiteindelijk geklopt door de duidelijk geprepareerde Italiaan  Giorgio Ursi, bij wie het schuim op z’n lippen stond. Dat Ursi na afloop niet op doping werd gecontroleerd, is terzijde.

De mysterieuze Tiemen Groen waar niemand vat op kon krijgen, werd na zijn wielercarrière zakenman. De handel in antiek bezorgde de voormalige jachtrijder de status van miljonair. Groen, decennia wonend in Zuid-Afrika, waar hij een terug getrokken leven leidde, overleed eind oktober. Tiemen Groen werd vijfenzeventig jaar.

Bron, onder meer WielerExpress jaargang 2004.

Kanonnier

11 November, Wapenstilstandsdag. Het einde van de Eerste Wereldoorlog, in Frankrijk, België én Engeland groots herdacht. Meer dan negen miljoen jongens bliezen op de slachtvelden van Vlaanderen en Noord-Frankrijk hun laatste adem uit. Eén van hen was Marius Thé.

De Duitse pers noemde hem de Koning van de Gangmakers. Een curieuze bijnaam. Fransman, Marius Thé, wekelijks actief als gangmaker op de levensgevaarlijke Duitse wielerbanen, met zijn tientallen al dan niet dodelijke ongelukken. Marius wist daar alles van. In 1902 tijdens de Grote Prijs van Leipzig, een stayerskoers over honderd kilometer hoorde Marius die ene gevreesde, weeë klap. Zijn renner, Tom Linton had zojuist, met z’n voorwiel, de achterkant van de motor geraakt. Met gebroken botten, en ander enge, inwendige kneuzingen verbleef Tom maandenlang in een Duitse krankenläger.

Voor Marius Thé geen rede om te stoppen. Integendeel, want Paul Dangla, een voormalige boekhouder afkomstig van het Franse platte land, naam de plaats van Tom in. Op 18 juni 1904 vonden Marius en Paul, (zie foto), zich zelf terug aan de start van het Golden Rad von Magdenburg. In de zuiging van Marius’ motor, met tachtig kilometer in het uur, kreeg Paul een klapband. Een week later stond Thé aan het vers gedolven graf van zijn vriend Paul. De laatste werd begraven op het cimetiére de Dolmayrac in zijn geboorteplaats l’ Agen. Ter waarschuwing voor adrenalinejunks in spé, werd Paul’s stayersfiets op zijn graf geplaatst. Precies een eeuw later werd deze bruusk gestolen, maar dat terzijde.

Marius Thé dus. Die meer dan vijftien jaar actief was, in zijn bloedlinke stiel. Een wonder dat hij het zonder ongelukken er van af bracht. Evengoed werd Marius niet oud. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, meldde de gangmaker zich als vrijwilliger bij het Franse leger. Brigadier, kanonnier Marius Thé van het 13e Regiment artillerie, sneuvelde tijdens de slag om Arois op 10 september 1915.  Marius Thé, drieënveertig jaar, werd samen met zevenhonderd gevallen makkers, begraven in een zogenaamde kameradengraf.

Bron: Album der Radwelt jaargangen, 1902 tot en met 1915, Memorial website van de Franse Oorlogsbegraafplaatsen.

Vrijen?

De eerste twee dagen van november. Dan gaat om middernacht, de hekken van de hemel wagenwijd open. De geesten van overledenen komen die nacht op aarde, om feest te vieren met hun geliefden. In het schijnsel van flakkerende kaarsen, wordt op het  graf van de beminde de hele nacht gedanst, gezopen, gevreten en gevreeën. Kortom, het dodenfeest Dia Los Muertos, in Mexico groots gevierd.

De Dood dus, in het Velo d’Hiver, nooit ver weg. Velo d’ Hiver hét sportpaleis van Parijs tijdens de belle epoque. Waar de schaduw van Magere Hein in de spelonken geduldig stond te wachten. Op die ene avond, ergens in het november van 1904 hield hij zich gedeisd. Heins zeis was nog niet scherp genoeg. Zeker niet voor dat armzalige kwartet stayers en gangmakers, op dat moment een duel uitvechtend in dat verdoemde sportpaleis. Met Taddy Robl uit München, en lokale favoriet Louis Darragon in de hoofdrol.

Twee wereldkampioenen, ‘getrokken’ door gangmakers Franz Hoffmann, en Henri Cissac. Een viertal waarvan het lot vast lag. Zes jaar later verongelukte Robl. Robl, een cultheld avant la lettre. De man, één van de beste stayers ooit, leefde er op los. Met in zijn entourage, een stoet mooie vrouwen. Taddy, verongelukt in 1910, kreeg een heldenbegrafenis en werd bijgezet op het Alter Süderlicher Friedhof in zijn geliefde München. De begrafenis, én het graf voor de inmiddels berooide voormalige wereldkampioen stayeren, werd betaald door een rijke minnares, wat wel zó romantisch was.

Hein kreeg Louis Darragon ook te grazen. In 1918 in dat zelfde Velo d’ Hiver, verongelukte Louis. Voor Henri Cissac en Franz Hofmann had hij ook een fijn scenario. Ciccac, zijn gangmaakmotor ingeruild voor een bolide, verongelukte dodelijk tijdens een autorace gehouden in het goddeloze jaar 1908. Franz Hofmann, hoe kan het anders, verongelukte op de wielerbaan van Marseille tijdens een stayerskoers.

Dan is het najaar 2013, als Stuyfssportverhalen het Alter Sudelicher Friedhof bezoekt. Een dodenakker waar je voor geen goud wil zijn, als de zon onder gaat. Zo’n kerkhof waar Stephen King, Bram Stoker, Edgar Allen Poe en andere jongens van het horrorgenre hun inspiratie opdeden. Een sombere dodenakker, waar onkruid en scheef gegroeide bomen het gevecht zijn aangegaan met de vervallen zerken.  Na een uur zoeken en struinen door borsthoog onkruid, wordt Taddy’s graf gevonden. In een zee van groene woestenij, is zijn graf een eiland van rust. Het graf is duidelijk als één van de weinige goed onderhouden.

En dan komt die ene vraag. Of deze verhalenverteller op Taddy’s graf vervolgens had gezopen, gevreten, gedanst dan wel gevreeën? Wat dachten jullie zelf..?

Bron: La Vie au Grand Air jaargang 1904, Stuyfssportverhalen,

Sjans

De volgorde was: een flesje Perrier, daarna een glas melk. Dat laatste geserveerd door de soigneur van dienst. Per slot van rekening moest de dope geneutraliseerd worden. Melk dus, óf,  zoals het Nederlands Zuivelbureau in de jaren vijftig propageerde, ‘Met Melk meer mans’. (‘en met pik meer sjans’, zoals de jongens van de geboortegolf gevat riepen, maar dat terzijde).

Enfin de Witte Motor, waar een gemiddelde wielersoigneur wel raad mee wist. Want melk was in de fifties, hét wondermiddel om amfetamines uit het lijf te spoelen. Een twijfelachtige theorie.

Probeerde dat laatste maar eens uit te leggen aan Fausto Coppi, een melkdrinker bij uitstek. Vermoedelijk dronk Il Campionissimo, zijn glaasje melk niet voor zo’n  grappige witte snor. Wat preparatie betreft, had de man een zekere status op te houden. En dat gebeurde allemaal tijdens de koers van de jaren vijftig, die van tradities aan elkaar hing. Hoe het begon? Met dat genoemde flesje Perrier, na een Touretappe. Waarvan een beetje renner, deze in één teug achterover klokte.

De koers in de decennia na de oorlog, een tijd inmiddels  ingehaald door weemoed en romantiek. Of dat erg is? Nee. Hoewel de hedendaagse Hollywoodtaferelen, zich afspelend na afloop van een klassieker, je doen snakken naar de no-nonsense huldigingen zoals het ooit was.

Huldigingen, waarbij de winnaar gezoend werd door een lekkere, lokale del, vermomd als rondemiss. En de coureur in kwestie, door morsige kerels op de schouder werd geslagen (Goedverdoeme Pol, da’s waa’n goeie spurt). Bij de Vlaamse kermiskoers begrijpen ze dat wel. Die romantische tijd bestaat niet meer. Inspanningsfysiologen, hartslagmeterspecialisten en marketingrakkers, bij wie de woorden ‘wattages’ in de bek bestorven ligt, namen de koers over. Jammer voor de liefhebber van het ‘oude’, maar een zege voor de renner. Het woeste amfetaminetijdperk, wat óók zijn charmes had, is geweest. Renners met ogen als koplampen, tref je niet meer aan. En de vrijwel onverstaanbare, en woest kijkende West-Vlaamse stoemper, is verworden tot de ideale schoonzoon, die zijn talen beheerst.

Kortom, de koers is gepolijst. En het glas melk? Dát is vervangen door een isotonendrankje! Waarom dat laatste genuttigd wordt, doet het ergste vrezen. Leer mij die soigneurs kennen…

Werkdag

Bescheiden en vriendelijk. Sterallures is de man volkomen vreemd. Dat siert hem, want  de Keniaan Edwin Kiptoo, behoort tot de wereldtop op de lange afstand. Edwin, als haas gecontracteerd bij de laatste marathon van Amsterdam. Een contract waar de organisatie, maar vooral de latere winnaar Tamirat Tola geen spijt van had. De man volbracht zijn taak met verve.

De eerste dertig kilometer van de marathon, ijlde Kiptoo op kop van een groepje van zo’n twaalf atleten. Wie Kiptoo langs de open, winderige oevers van de Amstel zag rennen, was een bevoorrecht mens. Die snelheid, – wat de grenzen van de verbeelding vér voorbij gaat, – maar vooral zijn prachtige motorriek, lange soepele passen die amper de grond aanraken, was pure schoonheid.

Na dertig kilometer mocht Edwin uitstappen. Dat gebeurde op de stille Rozenburglaan, in de schaduw van Betondorp. Schrijver dezes – vanaf Ouderkerk aan de Amstel, tot aan Betondorp, fietsend achter de kopgroep, – was daar getuige van.  Beetje hulpeloos en aandoenlijk, stond de man van de Afrikaanse hoogvlaktes op die desolate Rozenburglaan, te wachten op het busje, die hem terug bracht richting Olympisch Stadion.

Kiptoo, onder meer twee keer winnaar van de Dam-tot-Damloop, is een man met een lage drempel. Na zich zelf eerst voorgesteld te hebben, werd voor de foto geposeerd. Voor Edwin Kiptoo zat de marathon van Amsterdam er op. Voor hem kwam een werkdag tot een eind.

Maffia

Veertien februari Valentijnsdag, dag  waar de  echte liefhebber van het macabere, begrijpend staan te knikken. Speciaal de maffia uit Chicago. In opdracht van Al Capone werd op Valentijnsdag 1929,  tijdens één actie zeven man tegelijk geliquideerd. Kom daar anno nu eens om. Valentijnsdag, óók de dag dat de goddelijke, kale klimgeit, Marco Pantani aan zijn laatste klim begon: richting hemel. Valentijnsdag, dag vol onheil, ook voor Jake La Motta, die op de dag van de liefde, op het randje van het sterfelijke balanceerde. De scherprechter van dienst? Sugar Ray Robinson!

Veertien februari 1951, het gevecht om de wereldtitel halfzwaargewicht, gehouden in het Chicago Stadium, gevuld met dertienduizend bezoekers. Uitdager Sugar Ray, versus Jake La Motta. De laatste,  vier jaar in bezit van de wereldtitel, en werd twee keer uitgedaagd, door respectievelijk Tiberio Mitri en Laurent Dauthille. Beiden werden met koppijn wakker.

Robinson, die de eerste negen ronden afwachtend bokste, kwam in de tiende op stoom. Jake La Motta, kreeg een lawine aan dodelijke slagen te verwerken. Ieder normaal mens had gaan liggen. Niet La Motta, die bleef overeind. Een bloedbad nam een aanvang. Goddank voor Jake én zijn familie, greep in de dertiende ronde, de scheids in. Een ingreep waarmee hij La Motta’s leven mee redde.

La Motta, een bokser die aan álle vooroordelen, én clichés  voldeed. De man van Italiaanse komaf, kwam niet alleen uit de New Yorkse Bronx, maar had ook connecties met de maffia. Ergens in 1947 was het de onbekende Billy Fox, die La Motta in de vierde ronde neerhaalde. De New Yorkse bokscommissie, ook niet gek, vermoedde fraude en hield niet alleen het prijzengeld van La Motta in, maar schorste hem ook.  Later gaf La Motta toe, dat hij op verzoek van de gokmaffia met opzet had verloren. Ach wat maakt dat ook uit. Met een beetje fantasie behoort dat tot de romantiek van het boksen, waar de dingen nooit zijn, zoals ze zijn.  

Jake La Motta, kerel met een granieten kop en een betonnen gestel, stierf op vijfennegentig jarige leeftijd. En nee, Jake sloot niet zijn ogen op Valentijnsdag. Wat voor dit stukje wel zó jammer is.

Bron: Miroir Sprint jaargang 1951, Boxrec.

Boom

Duursporters, per definitie onverwoestbare bedtijgers. Bedrijven de liefde tot er stoom uit het matras komt. En de meisjes, niet gek, wéten dat. Daar hoef je echt niet met balsporters,  sprinters, polsstokhoogspringers, laat staan pingpongers, aan te komen. Dat soort sporters kloppen de pijp leeg, voordat de verpakking van het condoom de grond bereikt. In  de eeuwige ranglijst van begeerde duursporters, nam Hugo Koblet een ereplaats in. Hugo had bij de vrouwen een zekere reputatie op te houden. Zeker bij de rondemissen.

Hugo Koblet, wielrenner, lange afgetrainde benen, slanke lenden, én een mooie kop. Een groot wielerkampioen, waar veel over gepubliceerd is. Koblet, afkomstig uit Zürich, als een James Dean op de koersfiets. In 1950 won Hugo de ronde van Italië, en een jaar later die van Frankrijk. Feiten die behoren tot de algemene wielerkennis. Hugo Koblet, man van de kleine versnelling. Een coureur waar de souplesse van afdroop.

Zoals tijdgenoot Gé Peters het in één zin samenvatte: ‘Niemand kon hárder fietsen dan Koblet’. Waarmee Peters de elfde etappe van de Tour 1951 mee bedoelde. Een etappe waarin een kopgroep was ontsnapt, met daarin de Zwitser, tevens favoriet voor de eindzege. Er werd enorm hard gereden om deze groep terug te pakken. Uiteindelijk gebeurde dat; op één renner na, Koblet. Hoewel het peloton een hels tempo ontwikkelde, bleef hij voorop. Met drie minuten kwam de Zwitser over de eindstreep.

Dat was in 1951, toen Hugo, zesentwintig jaar oud, éénenzeventig kilo schoon aan de haak, zijn ereronde reed in het Parc des Princes. Zes jaar later was het verval ingetreden. Koblet, zoon van een banketbakker,  woog drieëntachtig kilo. De flyer, verworden tot een ordinaire hardrijder. Wat aan zijn uitsagen terug te lezen valt.

In 1957 bleef zijn erelijst blank. Koblet koerste niet meer op de weg. Ook mooie jongens, treffen óóit een leeg bed. Getrouwd met famp Sonja Bühl, eindigde zijn huwelijk met een knal. Legendarische lovers als een Koblet, behoren te sterven in drama. Hugo’s vertrek vanaf dit tranendal ging in stijl. Twee november 1964, op een doodstille, kaarsrechte weg, en scheurend in zijn Alfa Romeo, knalde de Zwitser tegen een boom. Hugo Koblet werd nog geen veertig.

Bron: Sport et Vie, jaargang 1957, WielerExpress, jaargang 1991.

Oren

Uiteindelijk was het een gevecht teveel. Een partij waar hij in z’n verdere leven met chagrijn op terug keek. Waarom hij met z’n eenendertig jaar zo nodig weer die ring in moest, met het risico, de neuroloog een hand te geven? Had ongetwijfeld met eer en geld te maken: vooral dat láátste. Twaalf lange, slopende jaren waren het, wat staat voor honderdnegen gewonnen partijen, en zestien verloren. Wat dat aan opofferingen, pijn, zweet en bloed vergde, daar moeten wij maar niet aan denken. Een erelijst, waarvoor een gemiddelde profbokser  bereid is, om daar een vinger voor te laten amputeren. Prachtige cijfers om met bokspensioen te gaan. Maar dan staat er weer zo’n louche manager te zwaaien, met een vet contract. Dit keer voor een partij ergens in Montreal, Canada.

‘Jongen, je kan het nog. Die rechtse van jou daar zit nog steeds geen roest op!’ Met dit soort flikflooierijen werd,  Steve Belloise ongetwijfeld de gym ingeluld. Had hij dat maar niet gedaan. Want tegenstander, ene Laurent Dauthuille, een jonge Franse vechtjas stond te trappelen, om die ouwe Steve z’n oren van zijn kop te slaan. Wat ook gebeurde. De eerste ronde was nog geen dertig seconden jong of Steve, afkomstig uit de New Yorkse Bronx, werd met een verwoestende hoek neer gehaald. Dat hij opstond onderstreept ‘s man ijzeren conditie, weliswaar met koppijn, maar tóch.

.

Ach jongen, had toch blijven liggen, dat had je een hoop sores gescheeld. Steve, z’n konterfeitsel afgebeeld op Amerikaanse kauwgomplaatjes, ging door. En kreeg vervolgens een afstraffing, die zeven rondes duurde. Met zijn overwinning dacht  Dauthuille, – een Parijzenaar met de bijnaam de Tarzan van Buzenval, – dat hij een aanstormende locomotief kon tegen houden. Misschien was dat ook zo, maar niet Jake LaMotta. Niet veel later stond de Tarzan van Buzenval, tegen over Jake. Inzet, de wereldtitel bij het middengewicht, gehouden in het Olympia Stadium in Detroit, en live uitgezonden op de Franse staatsradio.

Veertien ronden lang hing LaMotta  in de touwen. De man had geen schijn van kans. Tót de laatste dertien seconden, van de láátste ronde. Waarin de overmoedige Laurent zijn verdediging voor héél even liet zakken. Meer had de sluwe LaMotta niet nodig. In Frankrijk stopte de klokken. In de wijngaarden, vielen spontaan de druiven van de stokken. Met een linkse hoek werd Frankrijks hoop in bange boksdagen, tegen het canvas geslagen. Twee jaar later bokste een mentaal gebroken Dauthuille, zijn laatste partij. Zoals het hoort bij dit soort verhalen, stierf Laurent Dauthuille, geheel berooid op zevenenveertig jarige leeftijd.

En Steve Belloise? De man ging hemelen op zesenzestig jarige leeftijd. Waarbij gezegd, dat hij zijn kist in ging, compleet met beide oren. Dat dan weer wel…

Bron: Miroir des Sprints jaargang 1950, Boxrec.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: