Vier plakkertjes

Pioniers waren het. Jongens, zonder énig benul van gevaar of veiligheid.  Voor dat ze dát besefte, waren al tientallen van hen dodelijk verongelukt. Dat stayers tijdens de Belle Epoque regelmatig langs een vers gedolven graf scheerden, laat  bijgevoegde foto van George Leander, onbedoeld  zien.
George Leander, stayer afkomstig uit Chicago, maakte  op 21 augustus 1904 in het Parc des Princes, Parijs,  zijn Europese debuut achter de zware motor. Voor het Franse sportblad La Vie au Grande Air, aanleiding voor een pagina groot achtergrondverhaal over George, compleet met de toenmalige gebruikelijke, statische foto’s. Waarvan  er één duidelijk  opvalt. Die van  George, in profiel op zijn stayersfietsje.
Eerst even vertellen dat  de stayers op de Europese, maar vooral de Duitse wielerbanen tóen al, de negentig kilometer per uur aantikte. George wist dat. Oók  dat vanaf 1900, tot George’s  Europese debuut, inmiddels  dertien renners en gangmakers dodelijk waren verongelukt: het aantal zwaar gewonden was een veelvoud.  Met als sinister detail, dat in dat zelfde jaar 1904, al  negen stayers en gangmakers ter hemel waren getrokken. Gelukkig voor hem besefte  de jonge Jank uit Chicago niet, dat hij de tiende ging worden…
Terug naar die foto. Dat George zonder helm koerste was toen normaal. Dat in die zelfde koers waar George van start ging, de Parijzenaar Eugene Bruni, als eerst renner óóit, met een zelf gemaakt valhelm reed, was ter kennisgeving. De belangrijkste oorzaak van de vele zware ongevallen waren de lekke banden. Een lekke band met die hoge snelheden, dan sloeg deze van de velg, én vervolgens tussen de spaken.  Exit renner.

De foto bestuderend, had George daar al een klein vermoeden van. Georgie had zijn  voorzorgmaatregel genomen. Aandoenlijk te zien dat hij z’n voorband, met vier plakkertjes aan de velg had geplakt. Dat hij zijn achterband oversloeg zijn van die raadsels waar je nooit meer achter komt.
Even ter vergelijking met anno nu: als veiligheidsmaatregel zijn stayersbanden met linnen stroken compleet vastgeplakt aan de velg. Enfin, al hád George Leander dat wél gedaan dan lag even goed zijn lot vast.
Op die 21e augustus, tijdens die bewuste stayerskoers, achter gangmaker Cissac, raakte George Leander, in winnende positie, los van de rol. George  spurtte dat gaatje dicht, en klapte vol op de motor. George Leander, 22 jaar overleed twee dagen later aan de gevolgen van zware hersenletsel.

Puntige beha’s

De storm van mijn jeugd overleeft, en al zestig jaar  in m’n bezit. Een wonder op zicht. De ESSO-voetbalplaten, uitgegeven in 1959 door de gelijknamige oliemaatschappij. Negenenveertig kleurenfoto’s, afgedrukt op groot formaat, van elftallen uit het toenmalige betaalde voetbal:  bij elkaar gehouden in grote enveloppen.  Clubs met obscure namen als Rigtersbleek, NOAD, Stormvogels, Volewijckers en meer. Verenigingen, allang opgelost in de geschiedenis. Kleurige platen, negenentwintig centimeter breed,  geschoten  in knusse stadionnetjes, waarmee duizenden jongenskamers werden behangen.
Foto’s  met elf knoestige kerels, uitgeschoren nekken, in de kousen betonnen scheenbeschermers, die  voor een handvol knaken,  de eer van het dorp of stadswijk verdedigde.  Fanatiek  aangemoedigd door mannen met  alpinopetten en  stompjes sigaren tussen de lippen.  Voetballers getraind door een lokale feldwebel, die zijn jongens in de koude avonduren liet opdraven. Op de houten tribunes geen malligheid zoals van hedendaagse, rellende supporters. De enige die regelmaat over de schreef gingen, waren de keepers van dienst. Kerels met een geduchte reputatie. Die bij hoge voorzetten stompend naar de bal gingen en daarbij ‘per ongeluk’ het hoofd van de gevaarlijkste tegenstander raakte. Goddank kwam de VAR alleen maar voor in koortsige dromen. Of er met een systeem gespeeld werd? Ja, met   een ‘stopperspil’, die, als het hem uitkwam, je rücksichtlos het ziekenhuis in schopte.  Enfin, de avonturen van Kick Wilstra waren nooit ver weg…
Dat was dus 1959,   met radio Luxemburg,  –  de laatste Amerikaanse rock ’n roll-platen- , meiden,  angoratruitjes en puntige beha’s, achterop de brommer. Waarbij je enige zorg was dat je genoeg  brillantine in je haar had. En zondagsmiddags, op de buizenradio  Frits van Turenhout, die met sonore stem, alsof er zojuist een wereldoorlog was uitgebroken,  de voetbaluitslagen voorlas.
Tsja, de fifties, fijne tijden, met  de Esso-voetbalplaten als laatste tastbare icoon.

Foto: Stormvogels uit IJmuiden met zittend, tweede van rechts, Henk Groot, de man met de fluwelen techniek, die als enige van al die honderden spelers, echt doorbrak als voetballer. Eerst bij Ajax en later in Oranje.

Nieuwe kans

De gangmaakmotor van wijlen Noppie Koch. Meer dan zeventig jaar oud. Een relikwie uit vervlogen tijden.  Gebouwd in de Parijse fabriek van Meijer. Een vuurspuwend monster, die gemakkelijk de honderd kilometer per uur aantikte. Stayeren met dergelijke  motoren,  altijd spektakel. Achter de motor van Koch,  werden tien wereldtitels behaald onder meer door Piet de Wit, Matthé Pronk, Leo Proost, Martin Venix, en Theo Verschueren. Het mondiale stayeren is inmiddels exit, met dank aan een handvol corrupte gangmakers. Ook de zware, antieke motoren zijn van de wielerbanen verdwenen, en vervangen door handelsexemplaren. De ‘Meijers’ staan nu in  musea, of bij verzamelaars.
Of dat ook met Koch’s motor gaat gebeuren? Vorig jaar werd deze motor, op veilingsite Catawiki, aangeboden voor een bedrag tussen de 20- en 25.000 euro. Waar vermoedelijk geen kopers voor te vinden waren. Niet geschoten altijd mis, want nu staat de Meijer te koop voor 16.990 euro. Maar dan krijg je wel de helm én het gangmakerspak, de in 2010 overleden Noppie Koch daarbij.(zie video)

Zuinig naar goud

Van al zijn  collega’s kreeg hij felicitaties. Ook van de jongens, vers uit de ronde van Frankrijk gekomen. Tijdens de ronde van Boxmeer, het eerste criterium na de Tour, had Reinier Honig niet te klagen over gebrek aan belangstelling. Twee dagen eerder greep Honig de Europese stayerstitel. Dat zijn wielercollega’s, actief als wegrenner, daarvan op de hoogte waren vond hij verrassend. Waarmee  de sociale media zich weer eens had bewezen. Terwijl de Tour zijn laatste week inging was Honig samen met gangmaker Jos Pronk in het Noord-Italiaanse Pordenone, neer gestreken.
Waar de lokale hobbelige wielerbaan lag te sidderen in een hittegolf. Dat het rijvlak van de baan hobbelig was, was voor Honig, met diens ‘inhoud’, opgedaan in jarenlang wegkoersen,  een voordeel. Tijdens de series hield Honig zich rustig. Gangmaker Pronk loodste zijn renner, zuinig rijdend richting finale. Zo zuinig, dat Honig door de winnaar van zo’n serie op een ronde werd gereden. Voor de finale, gehouden in de avonduren kon Honig zijn borst nat maken. De hitte was slopend. En laat nou dezelfde avond de hemel voor het eerst in weken opgaan. Door de aanhoudende regen werd finale uitgesteld tot zaterdagmorgen. Ook de dag dat Honigs terugvlucht naar Amsterdam stond geboekt. Dat laatste werd snel omgezet.  
In die finale, met acht renners, in een koers over een uur, startte de Noord-Hollander als vijfde. De uittredende Europees kampioen, de Duitser Franz Schiewer als derde, die direct opstoomde naar de kop.
Het zekere voor het onzekere te nemen opende Honig al vroeg de aanval. Volgens hem was het te link om daar mee te wachten tot het laatste kwartier. De aanval verraste Schiewer.Als er in zo’n stayerskoers drie renners van dezelfde nationaliteit rijden, kun je wachten op een combine. Ook tijdens Honigs finale waarin hij moest afrekenen met twee andere Duitse renners. Franz Schiewer, niet bij machten Honig te bedreigen wendde een lekke band voor. Hopend op een wissel, waarbij hij hoogstwaarschijnlijk verder ging op een fiets met een voor hem betere versnelling. Waar de jury niet in trapte. Een diskwalificatie volgde. Wat overbleef werd stayersgeschiedenis. Na drie keer tweede op een Europees kampioenschap te zijn geworden greep Honig, inmiddels 36 jaar, eindelijk zijn wel verdiende titel, plus de kampioenstrui.

Uitslag: 1 Reinier Honig, 2, Daniel Harnisch (Duitsland), gevolgd door landgenoot Christof Schweizer. (foto: Europese Wieler Unie)

Schrapen in een lege kassa

Onderschat je tegenstander nóóit. Vooral als je die niet kent. Hoogstwaarschijnlijk deed die ene bokser dat wél. Want wat dácht die jongen uit Amsterdam eigenlijk wel? Komt die zomaar bij een boksschool in  Las Vegas, binnenlopen. met de vraag of hij  mee mocht trainen.  Giovanni Rijkaard, 24 jaar, uit Amsterdam, profbokser, jong én ambitieus, had met ondersteuning van sponsors, een vliegticket gekocht,  bestemming Las Vegas.  In de gokstad midden in de woestijn,  bevinden zich dé vooraanstaande boksscholen van Amerika. Dé plek waar je als beginnend bokser  je carrière omhoog kunt tillen.  Op de bonnefooi, met de zege van de Heer,  was Rijkaard alle lokale boksgyms  afgeweest.
Ook bij  de fameuze gym van wereldkampioen zwaargewicht, Floyd Mavweather, bijgenaamd ‘money’. Tijdens sparringspartijen mocht Rijkaard zijn kunsten vertonen.  Laat maar zien wat je kunt jongen. Niet geslagen, áltijd mis. Gearriveerde boksers, nóóit te beroerd om dat soort mannetjes, in de ring de les te lezen.
Giovanni Rijkaard, maakte en onuitwisbare indruk,  door die ene tegenstander richting canvas te slaan. Hoewel de Amsterdammer daarna, gesprekken had met de Amerikaanse promotors, kwam het niet tot zaken.
Rijkaard heeft wel veel te bieden, want  jong, explosief, sterk, en bezit veel techniek. En niet heel onbelangrijk, hij doorziet ‘het spelletje’.
Terug in  Nederland,  dat niet overspoeld wordt met bokstoernooien, is het voor een boksprof,   schrapen in een lege kassa. Ook voor Rijkaard, die vorig jaar niet voldoende gevechten had om van te leven. Tegenstanders durven niet. Of meldden zich op het laatste moment af. Zelf wordt de neef van voetballegende Frenk, incidenteel op het laatst opgeroepen voor een gevecht. Zonder specifieke voorbereiding stapt hij dan de ring in. Dapper, maar niet verstandig.
Zoals vorig jaar september, toen hij van uit het niets, een uitnodiging kreeg voor een partij tegen Stephane Tchamba, gehouden in de Carl Benz Halle in Karlsruhe. Een gevecht door  Sky-Sport, live uitgezonden. Tegen Tchamba, een geharde bokser van drieëndertig jaar, liep Rijkaard, in de zesde ronde tegen een technische knock out op.
Zelf hield Rijkaard, halfzwaargewicht,  zijn verlies op het feit dat hij voor zijn klasse iets te zwaar was. Bij de dagelijkse trainingen was het telkens een kwestie om lichaamsgewicht kwijt te raken.  Wat tijdens gevechten opbrak. Op advies van toenmalig  trainer Barry Groenteman, is Rijkaard een gewichtsklasse hoger gegaan. Lichamelijk zwaarder geworden, maar wél sterker, stond hij  afgelopen februari op het programma van The Fight Night, een groot bokstoernooi gehouden in Den Bosch.  Tegenstander Vadims Konstantinous. Dat Rijkaard na dat gevecht moest douchen is onwaarschijnlijk. De Amsterdammer werd na een dikke minuut tot winnaar uitgeroepen.  Met twee harde leverstoten ging letterlijk op de knieën.
Of de winnaar medelijden met zijn tegenstander had? Nee! Die staat er ook maar met één doel: om de oren van Rijkaards z’n  kop af te  rammen. Trouwens, je moet bij Rijkaard niet met dat gezeik aankomen dat boksen ongezond is voor  de hersenen. Volgens hem moet je dan een andere sport gaan beoefenen. Zelf is hij niet bang om een klap in ontvangst te nemen, want dan geeft die er twee terug.

Giovanni Rijkaard, vierentwintig jaar en al vier jaar profvechter,  in een sport waar de dood altijd over je schouder mee loert. Als jongen van amper twintig jaar professional geworden.  Of dat niet te jong was? Volgens hem kun je over die leeftijd altijd discussiëren. En buiten dat, als professional, is het al geen vetpot, maar nog áltijd beter dan je vechtkunsten vertonen bij de amateurs. Bij de laatste categorie was er van bondszijde totaal geen steun. Alle kosten moest de Amsterdamse pugilist uit eigen zak betalen. Dan maar liever prof worden. Met behulp van een aantal sponsors, én zijn prijzengeld kan hij daar nét van leven. 
Giovanni Rijkaard, vijfentachtig kilo aan botten en spieren, traint vijf keer per week, wat volgens hem uitputtende sessies zijn, waar hij diep in zijn ‘krachtenarsenaal’ moet graven.
Voor de Ben Bril Memorial, begin november waar Rijkaard op het aanplakbiljet staat, is de Amsterdammer ongetwijfeld  ‘op scherp.’

Foto 2: Giovanni Rijkaard met Barry Groenteman.

Strychnine

Je bewust laten afkeuren voor militairendienstplicht.   Om maar niet onder de ‘wapenen te komen’ waren wielrenners daar heel creatief in. Militaire dienst, voor een wielrenner de dood in de pot.  Maar niet voor Dante Gianello. Die ontdekte tijdens z’n  dienstijd een verborgen talent.  Dante, in 1932 ingelijfd bij het 81e Infanterie Regiment van Montpellier, had nóóit op een koersfiets gezeten. Sterker, hij kón niet eens fietsen. Maar daar kwamen zijn maten snel genoeg achter. Tijdens oefeningen, gehouden  op een zware dienstfiets,  fladderde de kleine Dante, volle bepakking, tegen de heuvels op.
Maar genoeg sterke dienstverhalen verteld, we gaan verder met de koers. Speciaal de Ronde van Frankrijk anno 1935. Waar Dante 23 jaar, als een begenadigde klimmer zijn opwachting had gemaakt. Dante, eerder dat seizoen al Toulon-Nice-Toulon gewonnen en ook nog eens als tweede in de loodzware ronde van Baskenland, haalde  Parijs als 22e in het eindklassement.
‘Ja, en…?’,  denken jullie. Inderdaad! Voor dat Dante, 1.60 meter klein en zestig  kilootjes, eindelijk de voorpagina’s haalde, moest er nog drie jaar gewacht worden.
In  de  Tour 1938, met de etappe Cannes-Digne, ging  Dante, zoon van Italiaanse ouders, eindelijk los in het gebergte, om met  twee minuten voorsprong te winnen. 
Wat het begin moest zijn, van een grootste carrière, werd uiteindelijk één grote catastrofe. Een dag later, klauterend tegen de col de Vars, stortte de kleine klimmer letterlijk in. Oorzaak? De dokter had hem geprepareerd met drie gram strychnine. Goed om hordes ratten mee te verdelgen, maar iéts teveel voor een renner.
En het gaat nog erger worden. Dante Gianello, redelijk de oorlog door gekomen, belandt  op vijftien augustus  1945, in een kopgroep van de Grand Prix du Debaquement: een koers in de buurt van Marseille. Een Jeep van het Amerikaanse bevrijdingsleger, niet op de hoogte met de Europese koersmores, ramt dwars door Dantes groepje heen. Eén renner blijft op de weg liggen.  Dante, werd met een verbrijzeld linkerbeen,  opgenomen in het lokale hospitaal. Waar een chirurg zijn been amputeerde.
Dante Gianello, de éénbenige, voormalige coureur, stierf in 1992 op tachtig jarige leeftijd.

Bron: onder meer Le Miroir des Sports jaargang 1938.

De Parkiet

Amper 1.58 meter kort, en tweeënvijftig kilootjes aan de haak. Koersend op het allerkleinste fietsje dat de framebouwer had geknutseld. Maar onderschat nóóit kleine mannen. Daar kwam  Sneeuwwitje ook achter na die dampende, uitputtende  nachten met zeven van die kereltjes.  Maar terug naar de koers en wél de Tour de France van 1949, die droog, zwaar  én heet was. Dat was ook de Tour waarin   Jacques Marinelli, zoon van Italiaanse gastarbeiders,  heel Frankrijk aan zich bond.  Jacques Marinelli, uitkomend voor het regionale team Ile-de France,  onbekend en onbemind. Tot de vierde etappe Boulogne-sur-Mer-Rouen over honderdvijfentachtig kilometer.  Een etappe waarin  petit Jacques samen met  Lucien Teisseire er tussen uit piepte. 
Fabrieksarbeiders, kantoorpikken en ander ongeregeld volk,  na het werk in de lokale bistro aan de Pernod, hoorde op de kroegradio dat die Teisseire de etappe won, en dat ene Marinelli de gele trui had veroverd. Jacques Marinelli, koersend in een knalgroen shirt, begon aan zijn triomftocht. Voor het journaille kwam het rennertje  als een geschenk uit de wielerhemel. Die schreven zo’n renner naar mythische proporties. Of het allemaal waar was? Dat viel toch niet te controleren, wat de charmes van de jaren vijftig was. Jacques, klein van stuk, en in dat groene shirt, kreeg ook z’n bijnaam want  de ‘Parkiet’. 
Op de cover van de Miroir Sprint zag  de Parkiet zich zelf verlegen kijkend terug. Rijdend naast de minzaam lachende  Fausto Coppi. De Parkiet vijf dagen  in de gele trui. Totdat hij in de Pyreneeën werd weggeblazen door dezelfde Fausto Coppi. Jacques Marinelli had geen reden tot  klagen. In het Parijse Parc des Princes, eindigde hij zijn Ronde van Frankrijk, als derde in het eindklassement,  naast Coppi en Bartali.
Na de gedenkwaardige Tour 1949, haalde de Parkiet nooit meer dát niveau. In 1954 stapte hij definitief af. Marinelli, immens populair in Frankrijk buitte zijn populariteit  slim uit. Haalde hij als renner nooit de top, wel als geslaagde zakenman.
Anno nu is Jacques Marinelli nog steeds niet vergeten. Helemaal niet in Melun, iets ten zuiden van Parijs, waar jaarlijks een wielercriterium wordt verreden opgedragen aan Jacques. Waarbij  de straten van Melun zijn opgeleukt met levensgrote parkieten. Jacques Marinelli is  nog steeds onder ons.
Bron: Miroir Sprint jaargang 1949.

Koning

De drie kruisjes waren bijna aangetikt. En de biologische klok tikte genadeloos door. Kléber Piot, acht jaar beroepsrenner,  met maar vijf, lullige overwinninkjes. Hóe moet je zo’n armetierige carrière  láter aan je  kleinkinderen uitleggen?  Een fijn vooruitzicht.  En zoveel kansen kreeg hij niet meer. Vóórdat de  anonimiteit  genadeloos over hem heen gleed  besloot Kléber daar iets aan te doen. 
Kléber Piot, perfecte naam uit een detective van Agatha Christie, koos als decor daarvoor de Tour de France anno 1950. Kléber,  neus voor publiciteit, wachtte met zijn putsch tot de etappe Pau-Saint-Gaudens. Wat eigenlijk een gereguleerde zelfmoordpoging was, want een rit over  de lugubere colls als de Aubisque, de Tourmalet en de Aspin. 
Piot, modaal profje, afkomstig uit Parijs, uitkomende voor de regionale ploeg Ille-de France,  piepte er bij het begin tussen uit. Eenzaam dansend tegen de Tourmalet, én de Aspin met ruim tweeënhalve minuut  voorsprong op Bartali, Geminiani en Bobet, –  kerels die de sportpagina’s dagelijks vulden,  – belandde  Piot in zijn eigen Nirwana.
En nét op het moment dat zijn enige Tourzege, in zicht kwam krijgt die doldrieste  Parijzenaar in de afzink van de Aspin, een lekke band.
Een uit een ploegleidersauto springende mecanicien, die een nieuw wiel ‘stak’, was voor Piot een koortsige droom. Piot moest zelf depanneren. Voordat die rottige vleugelmoeren van zijn wiel los waren gedraaid, én een nieuwe band was omgelegd, werd hij voorbij gereden door  Bartali, Bobet, Ockers en Geminiani.
Evengoed had Kleber niks te klagen. De Miroir-Sprint, hét sportblad van Frankrijk, uitgegeven in duizelingwekkende oplages, plaatste Piots heldenepos, in een paginagrote foto,  op de cover van het blad, en riep hem daarbij uit tot Koning van de Pyreneeën.
Ondanks deze vorstelijke bijnaam, stopte de Parijzenaar een jaar later met koersen. En reken maar dat Kléber, die bewuste Miroir  tot vervelens toe onder de neus van zijn kleinkinderen had gestopt.
Kléber Piot, de held van de Pyreneeën, stierf op negenenzestigjarige leeftijd.

Bron: Miroir de Sprint, jaargang 1950.

Kroegbaas

Alle spijkers, obstakels én puntige keien op de weg, waren voor hém bedoeld. De ene lekke band was nog niet gedepanneerd of de andere volgde. Hoeveel pech kun je als renner verdragen? Wat dát betreft stond Florent Mathieu voorin de rij. Florent, knecht in de nationale Belgische Tourploeg van 1948. Fietste de longen uit z’n tanige lijf  voor kopmannen als een Stan Ockers, Briek Schotte en Raymond Impanis. En alsof dat nog niet genoeg was, had de man zijn handen vol aan het verwisselen van lekke banden. Van hem zélf dan!
Ach, voor die Florent maakte dat niets uit. De man was erger malheur gewend. Toen de Wehrmacht in mei, zijn België binnen stormde, stond Florent Mathieu als soldaat in de eerste linies. België bezet door de Teutoonse hordes, waarbij de arme Florent, als krijgsgevangenen overgebracht werd naar Duitsland. Waar hij in 1945 werd bevrijdt. Terug in het vrije België, nam hij zijn ouwe stiel als broodrenner weer op.
De taaie Florent, gepokt en gemazeld door de geschiedenis, zag zich zelf terug in de Tour, als knecht in de nationale ploeg. In 1947 maakte hij zijn debuut en eindigde als 27e in Parijs. Maar dán schrijft hij zijn eigen kleine geschiedenis want de Tour 1948. Het steentijdperk van de koers. Biefstuk als ontbijt. Steenpuisten op het zitvlak, uitgeknepen met een roodgloeiende, hete tang. Reserveband om de schouders. Een paar stimulerende amfetaminerakkers achter de huig. En koersen maar. De man had een onverwoestbare mentaliteit. Getroffen door de ene na de andere lekke band. Zóveel, dat het begon op te vallen. Hét sportblad, Miroir de Sprint, plaatste Florent Mahieu, al pompend op de cover van het blad. Of hij dat erg vond? Vast niet.
Dat hij naast zijn knechtenwerk en ander pech nog drie keer bij de eerst tien eindigde in een etappe, kan daarom niet genoeg geprezen worden
Florent Mathieu, niet veel later de koersfiets aan de haak gehangen, opende na zijn koersavonturen een kroeg. Met de bijpassende naam Au Galibier; hét trefpunt voor iedereen die van sterke verhalen hield. Uiteraard verteld door de man achter de toog, want de ouwe Florent himself.
Florent Mahieu, die ouwe taaie Tourveteraan, stierf op tachtigjarige leeftijd in 1999.

Bron: Miroir de Sprint jaargang 1948.

Filmsterren

Alles klopte, want, perfectie tot in het détail. Shirts die leken ontworpen te zijn in haute couture studio’s. Strakke koersbroeken, tot tien centimeter boven de knie. Spierwitte sokjes, de enkel nét bedekkend. Donkerbruine, afgetrainde benen. Een oogopslag als een vlammenwerper. Rijdend op fietsjes, gespoten in geraffineerde kleurcombinaties, voorzien van verchroomde stukken. Met merknamen op de fietsbuis, die rechtstreeks uit de opera van Milaan leken te komen.
Italiaanse wielrenners, begin jaren zestig, filmsterren op de koersfiets. Hét voorbeeld van hele generaties rennertjes in de Lage Landen. Ook Franco Balmamion. Franco, in 1962, op eenentwintigjarige leeftijd de Giro d ‘ Italia gewonnen. Deed dat kunstje een jaar later nog eens over. Tijdens de Tour van 1963 maakte Franco zijn debuut. Met héél hoge verwachtingen. Want zeg nou zelf, een coureur met twee overwinningen in de Giro, daar kun je als gokker best een klein kapitaaltje opzetten. Ach gossie, die stumpers die dat deden…
Balmamion, kopman van de legendarische Carpanoploeg. Met aan zijn zijde de hondstrouwe knecht, én streekgenoot Germano Barale, een renner van vele oorlogsfronten. Of die Barale zijn kopman op de hoogte had gebracht van de gevaren die loerde op het parkoers van de derde etappe, Namen-Roubaix? Want dáár grijnsde de Hel van het Noorden, met open muil. Bij het betreden van het steneninferno was het dan ook meteen raak. Stront aan de knikker. Bloed aan de paal, of beter gezegd aan het hoofd van Balmamion. De renner, afkomstig uit Piemonte, liet héél even zijn concentratie zakken. Franco Balmamion, de jongen die Fausto Coppi moest doen vergeten, sloeg tegen de kasseien. Met zijn loodsmannetje Barale boven op hem. Het werd het begin van la Commedia Italiana.
Het aanblik van Franco was dan ook angstaanjagend. De Piemontees bewusteloos. Het bloed rijkelijk stromend langs het hoofd. Met een hysterische Barale naast hem. De laatste, heilig overtuigd dat Balmamion naar een betere wereld was vertrokken. Met de inhoud van zijn bidon probeerde Germano zijn meester bij te brengen. Ondertussen, hysterisch schreeuwend, ‘Spreek, Franco, spreek’. En de Tour? Die raasde door. Die hadden geen weet dat Franco Balmamion, door Tourarts Dumas, in de ambulance werd geschoven. Franco Balmamion, later nog vijf keer uitgekomen in een ronde van Frankrijk, waar hij nooit indruk maakte. Wat rest is die prachtige, maar helse foto van de kopman uit Piemonte. Franco Balmamion, met zijn negenenzeventig jaar is nog steeds onder ons. En Barale? Die vertrok in juli 2017, op drieëntachtig jarige leeftijd, uit dit ondermaanse.

error: Content is protected !!