Belofte ingelost

‘Ach het gaat wel. Ik mag niet klagen, want ben er nog steeds’. Dát was het vaste antwoord als je aan Henny Marinus vroeg, hoe het gesteld was met hem. Inderdaad klagen deed Marinus nóóit. Hoewel de hersentumor, al meer dan tien jaar in zijn hoofd, voortwoekerde en hij wél pijn moest hebben. Waarschijnlijk dáárom, voelde hij zijn einde naderen. Vooral op sombere wintermiddagen liet hij dat wel eens terloops merken. Henny aan de grote tafel, omgeven door zijn herinneringen, want stapels foto’s, van zijn overleden vrouw Annie, dochter Monique maar vooral foto’s van zijn illustere wielercarrière. Aan de thee kwamen dan de verhalen los, vertelt in prachtig, Jordanese tongval. Ik hing aan zijn lippen.
Op zo’n dag, alweer drie jaar geleden nam Henny mij mee naar zijn fietsbox onder zijn woning. Bij binnenkomst viel de mond open. Het was duidelijk dat déze plek, voor Marinus van grote betekenis was. Voor de Kleine Kampioen uit de Jordaan was het een sacrale plek. De muren en plafonds, hélemaal bedekt met de gekleurde, met tekst bedrukte overwinningslinten, door hem gewonnen bij de talloze baan- en wegkoersen. En op een tafeltje lag zijn grootste, door hem gekoesterde relikwie, want zijn inmiddels iconische stayershelm, voorzien van witte band.
Henny Marinus maakte zich zorgen wat dáár, allemaal mee zou gebeuren als hij definitief de ogen sloot. Of ik daar niet voor wilde zorgen. Of zijn schat asjeblieft in goede handen terecht kwam. Ik beloofde dat plechtig. Met zichtbare emotionele pijn nam de voormalige stayerskampioen afscheid van zijn innig geliefde memorabilia. Waarmee voor hem een groots hoofdstuk uit zijn leven werd afgesloten.
Gisteren, acht maanden na zijn overlijden, werd de belofte ingelost. Annemarie de Wildt, conservator van het prachtige Amsterdam Museum, gevestigd in de Kalverstraat nam blij Henny’s helm én linten in ontvangst. Waarbij, door mij ook de toezegging werd gedaan dat Marinus´ stayersfiets ter zijner tijd ook richting Amsterdam Museum gaat.
Annemarie de Wildt, helemaal bijgepraat over Henny Marinus, verzekerde dat deze niet anoniem in het depot verdwijnen. Het museum heeft plannen om een grote expositie aan de vroegere Jordaan te wijden waarbij alle aspecten van deze, ooit volksbuurt worden behandeld. Ook de sportieve, zoals die van Henny Marinus.

Het kán niet anders, dat die ‘ouwe’, zoals ik hem altijd noemde, vanuit de Grote Stayershemel goedkeurend zat te knikken.

En dan het volgende
Mochten er lezers zijn in het bezit van historische sport-, of  wielererfgoed, schenk dat nóóit, maar dan ook nóóit aan een zogenaamd wielermuseum. Die laatste zijn namelijk privéverzamelingen, waar zo’n eigenaar over kan wikken en beschikken. Dat dit soort ‘musea’ commercieel gezien, ten dode zijn opgeschreven, want gaan per definitie failliet, is een sinistere bijkomstigheid. Een treurig voorbeeld is het zogenaamde wielermuseum van Zaankanter Gerrie Hulsing, genaamd ‘Stichting Nationaal Wielermuseum´. Een betrouwbare naam die de lading totáál niet dekt. Er is namelijk géén museum. En dat zal er ook nooit komen. Ondanks dát, weet Hulsing, jarenlang de illusie op te houden dat zijn museum een bestaand fenomeen is. Enfin, Marco Knippen, onderzoeksjournalist van het Noord-Hollands Dagblad maakte van deze hersenspinsel, met een verhaal over twee pagina’s, gehakt van. Ook auteur Jan Zomer, in samenwerking met Hans Middelveld, lieten, op facebook, hun lichten over Hulsings museum schijnen, waarbij het verbaal ruig aan toe ging. Kortom, schenk eventuele wielererfgoed aan een bestaand museum. En als dat niet lukt, verkoop het dan. En doe van de eventuele opbrengst leuke dingen mee. Maar schenk dat nóóit aan een wielermuseum!

Mon Pere

De vroegmis zat er op. Met een prevelende zege ná, werden de gelovigen de kerk uitgejaagd. Snel de kaarsen op het altaar gedoofd. De werkkleding uitgegooid. Want de koers wacht op niemand. Ook niet op een dorpspastoor ergens in Frankrijk. Waar de helse optocht van een etappekoers langs zijn kerkje trok. Gevolgd door motoren én materiaalwagens. Om daarna te  wachten. Wachten, op de ‘stervende medemens’ op de koersfiets.  Gelost, en moederziel alleen op een lege landweg.  Geen ploegmaat meer te bekennen. In de steek gelaten door zijn ploegleider. Zoek het maar uit jongen. De reserveband zit onder je zadel. En in je shirt nog een paar amfetaminetabletjes. Dat gaat helemáál goed komen, was hét laatste dat z’n ploegleider naar hem riep.  
Het grote afzien was begonnen. En dáár wist die ene plattelandzielenherder, staand langs de weg, wel raad mee.   Heb je naaste lief, oreerde hij laatst nog vanaf de preekstoel. En buiten dát, staat  er in de bijbel niet geschreven dat, met het ‘zuiverende lijden,  de dagelijkse zonden mee uit geboet kan worden?’  Met als beloning de hemel. Mijnheer pastoor, bedoelde maar. En wat die beloofde hemel betrof, dat was voor die ene zwoegende stumper, de top van die vuile, stinkcoll.
Pijn leed hij, als de Heer op Golgoltha. Met als extra dimensie, een brandende schroeiende hete zon in z’n nek, waar  dat oenige linnen petje, géén soelaas aan bood. Met in z’n strot een huig als een gemummificeerde muis. Zijn hele lijf schreeuwde om vocht.
En opééns, als in een koortsige droom zag hij hem staan. Als een mystieke, in zwart gehulde  vleermuis, stond de geestelijke langs de kant van de weg. ‘Mon pere’, drinken alsjeblieft, leek zijn diep in de kassen verzonken, ogen te smeken.  Wat hét ultieme moment was voor die ene anonieme pastoor. Met wapperende soutane, de alpino op het achterhoofd werd een volle bidon aangereikt.  
Vader, mijn stichtelijke taak voor vandaag zit er weer op, mompelde de pastoor in een schietgebedje, nadat de renner uit het zicht verdween.  En snelde vervolgens naar de pastorie, waar een glas, koele miswijn, én de zachte, wulpse borsten én de pronte kont van z’n huishoudster op hem wachtte. Voor een eenvoudige dorpspastoor was het leven goed, in het Frankrijk van de jaren zestig.

Traditie

Of het ver gezocht is? Ach, wat maakt dat uit. Inderdaad, de man is een eeuw geleden, dramatisch gestorven. En totaal uit het collectieve geheugen verdwenen. Moet je dan nog jaarlijks op zijn sterfdag daar bij stil staan?  Ja! Dáárom legt Stuyfssportverhalen, jaarlijks op de sterfdag van Piet van Nek een bloemetje op diens graf. Kleine eerbetoon aan een vergeten sportheld. Per slot van rekening ben je pas dood als je vergeten bent.
Piet van Nek dus, stayer tijdens de Belle Epoque. Had een eigen, indertijd beruchte supportersclub, bestaande uit havenarbeiders en scheepswerkers, jongens van de gestampte pot en afkomstig uit de volksbuurten van de Amsterdamse Oostelijke Eilanden. Piet van Nek was één van hen, want was voor zijn stayerscarrière elektricien bij de Amsterdamse Droogdok Maatschappij. Van Neks  supporters, drank in het lijf,  áltijd luidruchtig aanwezig.  Wat een enkele keer flink uit de hand liep. Zoals op de Scheveningse wielerbaan, waar  Van Nek een kunstje geflikt werd. Voor Piets supporters een rede om een flinke knokpartij te beginnen, met onder meer de Haagse politie.
Deze blog had al vaker gepubliceerd over Van Nek.  En voor degene die dat ontgaan waren: Van Nek, stayer achter grote motoren. Een moeilijke jongen, maar talentvol rolrijder. Brak in het seizoen 1913 in Duitsland eindelijk door. Wat beloond werd met een serie goedbetaalde contracten voor koersen op de Duitse wielerbanen. En daar ging het helemaal mis. Tijdens Van Neks eerste grote koers, gehouden op 13 april 1914 op de wielerbaan van Leipzig, kwam Van Nek zwaar ten val. Een dag later stierf hij aan de gevolgen van een schedelbreuk. In Amsterdam kreeg Van Nek een begrafenis, die groots en meeslepend was, bijgewoond  door meer dan tachtigduizend Amsterdammers.
Ook Duitsland, van oudsher dwepend, met gesneuvelden op het slachtveld,  besteedde  aandacht aan de tragische dood van de Amsterdammer. Van Nek werd herdacht door middel van een sinister aandoende ansichtkaart, voorzien van twee doodsengelen en gedrukt in duizelingwekkende oplages: altijd fijn om zoiets te ontvangen op je verjaardag.
De  rauwe en ruwe  supportersclub schonk  Van Nek een koninklijk aandoend praalgraf, op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam. Een graf dat inmiddels een monumentenstatus heeft, en  door Monumentenzorg goed onderhouden wordt. Afgelopen winter werd het graf grondig gerestaureerd, gezandstraald, en voorzien van nieuwe sierkettingen. Voor de komende eeuw ligt Piet er weer mooi bij.

Weduwes, altijd link

Maas van Beek,  een fenomeen,  die op zesenvijftigjarige leeftijd de wielerwereld versteld deed staan door het werelduurrecord achter de derny te verbreken. Sensatie! Van kenners kreeg  hij  erkenning. Niet van de nationale sportpers, die Van Beek collectief in de  ban deed. Hoe klein kun je zijn..?
Misschien is het wél daardoor dat Van Beek, begin februari afreisde naar Bolivia, om een nieuwe aanval op een uurrecord te doen. Wat een fiasco werd, maar wel een prachtig verhaal opleverde.

Nog nét geen hoogteziekte. Voor de rest was zijn trainingskamp één groot drama.  Maas van Beek, twee maanden geleden afgereisd naar Zuid-Amerika. Samen met  twee racefietsen, werd intrek genomen in een louche hotelletje ergens in La Paz, Boliva, zesendertighonderd meter hoog, schurkend tegen de Andes, waar geen straat horizontaal is. Of de weg gaat steil omhoog, dan wel de diepte in. Erger was de vervuilde lucht, veroorzaakt door roet uitblazende schoolbussen en vrachtauto’s.
Eerst even vertellen over ‘het hoe en waarom’. Maas van Beek 63 jaar, in Bolivia neergestreken,  om de nodige rode bloedcelletjes te kweken voor een aanval op een oeroud  werelduurrecord: plaats van handeling de supersnelle wielerbaan van Cochabama. Voor dit verhaal eigenlijk niet zó interessant.
Memorabeler zijn de avonturen dááromheen. Door Van Beek prachtig vertelt, in een mooi, plat Veluws accent.  Zoals  zijn tijd in La Paz, waar  hij er achter kwam wat ze met de kreet ‘Zuid-Amerikaanse toestanden’ bedoelen. En daar, in die vieze, gore Andesstad,  ging het in de eerste week meteen mis. Sneu voor hem, maar wél fijn voor een schrijver van sportverhalen.
Van Beek, op de racefiets dwars door het helse, gif uitbrakende verkeer.  Op weg naar de lokale wielerbaan, gelegen op tweeëndertighonderd meter.  Waar de regen uit de hemel goot en de temperatuur met twintig graden was gedaald. Terug fietsend naar zijn  hotel, smog happend, mét een angstaanjagend hoge hartslag. Maas van Beek, die zich de Monnik laat noemen, hijgend en rochelend in zijn hotel. Waar tijdens  de nacht de koorts langskwam. Moederziel alleen in een hotelkamertje, hyperventilerend, én het gevoel te stikken. De man dacht dat zijn laatste uur was ingegaan. Totále paniek!
Wat een longontsteking bleek te zijn, bestreden met twee antibioticakuren: die niet aansloeg.  Van Beek  kon zijn aanval op dat record meteen vergeten. Als alternatief ging de Monnik op avontuur in La Paz.
 Maas,  tanig, afgetraind, – inderdaad,  uitziend als een uitgeteerde monnik  na veertig dagen vasten in de woestijn, – wekt de stevige indruk om te vallen bij een zacht windje. Dat dacht die ene straatrover ook,  die Maas’ telefoon uit diens hand griste. Een misrekening. De brave huisvader, afkomstig uit Barneveld, ging de dief te lijf. En sloeg hem vervolgens knock out. Wat een grote rel werd, compleet met krijsende vrouwen. Als buitenlander, knokkend met een local, in de stegen van La Paz. Leg dat maar eens uit aan de lokale corrupte politie. Geen risico nemend smeerde Van Beek hem.
Niet alleen in de straten en sloppen van La Paz loerde het gevaar. Ook in zijn hotel. De laatste gerund door een meelevende weduwe. Wantrouw weduwes, per definitie altijd link. Daar kwam Van Beek ook achter toen zijn paspoort verdwenen was. Voor honderd procent zeker had hij deze verstopt onder zijn matras. Weg! Met maar één potentiële dader: de weduwe! Die zo sluw was om behulpzaam mee te zoeken naar het document.
Op het Nederlandse consulaat waar Van Beek een nieuwe aanvroeg werd hem op het hart gedrukt om vóóral geen aangifte te doen bij de politie. Corrupt als deze zijn. En dan waren er ook nog de taxichauffeurs. Notoire oplichters waar Van Beek niet intrapte. Of alle moeite en investeringen weg gegooid waren? Van Beek, een onverwoestbaar optimist, ontkend dat. Getraind werd er evengoed. En wat belangrijker was, al  zijn avonturen die hij de laatste jaren meemaakte zijn door een documentairemaker gefilm. Dat zijn  driehonderd uur film waar een docu van anderhalf uur van wordt gesneden. Die over een paar maanden in première gaat.
En  dat  verdomde record? Die Van Beek, als de Heer dat wil, over twee weken gaat aanvallen. Plaats van handeling het Sportpaleis van Apeldoorn.

Zaanse Illusies

De macht van reclame is de herhaling. Wat dát betreft had hij zijn huiswerk goed gemaakt. Gerrie  Hulsing, zakenman in ruste, heeft een ‘heilig doel’. Volgens hem is dit land rijp voor een  wielermuseum.  Een museum door hém geïnitieerd. Op facebook voert hij, hiervoor, inmiddels zeven jaar, een  campagne waar reclamemakers goedkeurend bij stonden te knikken. Waarbij alles  uit de kast werd getrokken. Zo noemde Hulsing zijn project Stichting  Nationaal Wielersportmuseum.  Resultaat, meer dan honderd koersfietsen,  en talloze historische wielerparafernalia,  geschonken, door argeloze schenkers. Waaronder ook de erven van de vroegere wereldkampioen Henk Faanhof. De laatste gaven, in goed vertrouwen de oorkonde behorende bij de wereldtitel 1947, gewonnen door hun vader. Om het financiële plaatje rond te krijgen schreef Hulsing een ‘grote loterij’ uit, met, volgens hem, fantastische prijzen.
Op facebook hield  de Zaankanter, meer dan een jaar vol, dat voor zijn toekomstige  museum een locatie was gevonden namelijk in de Rijp. Wat onmogelijk was, want daar zat een bestemmingsplan op. Voor de toekomstige museumdirecteur geen bezwaar, om even gemakkelijk, virtueel uit te wijken naar de gemeente Oostzaan.
Afgeblazen
In die Zaanse gemeente kwam volgens hem, de definitieve vestiging van zijn museum. Op facebook, – wéér dat facebook, – liet hij via tekeningen, gemaakt door een architect, zien hoe dat museum er uit kwam te zien. Dat zijn loterij, waarbij maar een fractie van de beoogde loten waren verkocht,  werd afgeblazen was ter kennisgeving.
Na het, door  Hulsing met veel tromgeroffel aangekondigde museum, ‘locatie Oostzaan’, er na anderhalf jaar, nóg stééds niet was, wekte argwaan. Het waren Jan Zomer, publicist van onder meer het jaarlijkse Wielerexpress, en Hans  Middelveld, beheerder van een klein privémuseum,  die aan de bel trokken. Met aantoonbare feiten wist het duo aan te tonen dat van Hulsings verhaal, én zijn plannen niets klopte. Wat het begin werd van een wederzijdse hetze op facebook, waarbij flink met modder werd gesmeten.
Dat trok de aandacht van onderzoeksjournalist Marco Knippen, schrijvend voor het Noordhollands Dagblad, die zich verdiepte in het ‘dossier Hulsing’. Het leverde een onthullend, paginagroot verhaal op, vandaag gepubliceerd in het Noordhollands Dagblad.

Voor wie meer wil weten over het dossier Nationaal Wielersport Museum: ‘Reporter Radio’ het onderzoeksprogramma van de KRO-NCRV, wijdt zondagavond 7 april, (19-20 uur) op Radio 1, in de rubriek ‘ReportersNL’ aandacht aan de laatste ontwikkelingen rondom het Nationaal Wielersport Museum.

Niets is toeval

Sléchts dertien seconden! Dertien tellen, die zijn leven voorgoed zouden veranderen. Hoe een droom, in een paar zuchten veranderde in een nachtmerrie. Waarbij roem en bijbehorende status verdampte. En heel Frankrijk een kater bezorgde. Dat zijn moeder een mentale inzinking kreeg was ter kennisgeving. Laurent Dauthuille liet dat allemaal gebeuren. Na die bewuste dertien seconden veranderde zijn leven voorgoed. De man werd nooit meer de oude. Hoe had hij dat in godsnaam, allemaal weg kunnen geven? Een vraag waarmee hij tot zijn dood worstelde.
Laurent Dauthuille dus, een Franse middengewicht bokser van zesentwintig jaar. Sloeg, achtereenvolgens, toonaangevende boksers als een Jake La Motta, Johnny Greco en Steve Belloise tegen het canvas. De ster van Laurent, begon te rijzen. Promotors in Amerika was dat niet ontgaan. De aas van Frankrijk, kreeg in september 1950, zijn wereldtitelgevecht. Tegenstander Jake La Motta. Plaats van onheil, het Olympia Stadium in Detroit. Jake La Motta, bijgenaamd de Stier van de Bronx, heersend wereldkampioen, met negenendertig partijen achter zijn naam, waarvan vijf verloren.
Dauthille versus La Motta, in een partij over vijftien ronden. Door de Franse staatsomroep live uitgezonden. Frankrijk, door de sportpers al weken opgewarmd, collectief aan de radio gekluisterd.
Laurent, bloednerveus, voor het gevecht. Stapte met één motivatie de ring in: zijn moeder. Ma Dauthuille, een arme weduwe: om het nóg maar even melodramatischer te maken. Ach, dat maakte ook geen reet uit. Niets is toeval. Ook niet de ondergang van Laurent Dauthuille. Hoewel het tijdens het gevecht daar niét naar uitzag.
Wereldkampioen La Motta, geen schijn van zijn reputatie, kreeg veertien ronden lang, er ongenadig van langs. De Stier van de Bronx, regelmatig hangend in de touwen, verworden tot een zielig kalfje.
‘Rustig uitboksen, jongen, de wereldtitel is bijna binnen’, had trainer Barraut zijn poulain bij het begin van de vijftiende en laatste ronde in zijn oor gefluisterd. En dáár ging het prompt mis. Of Laurent Dauthuille overmoedig was geworden? God zal het wel weten. Zelfverzekerd lachend, met een straatlengte puntenvoorsprong, stapte hij de ring in. De klus ging afgemaakt worden. En trok vervolgens weer in de aanval. Tot dertien seconden voor het eind. Want meer had de sluwe La Motta niet nodig om de hoop van Frankrijk met een linkse hoek knock out te slaan. In Frankrijk stopte de klokken. De stem van de radioreporter sloeg over. En moeder Dauthuille huilend voor de buizenradio.
Twee jaar later bokste een mentaal gebroken Dauthuille zijn laatste partij. En zoals het hoort bij dit soort verhalen, stierf Laurent Dauthuille, geheel berooid op zevenenveertig jarige leeftijd.

Bron: Miroir Sprint jaargang 1950.

Ansichtkaart

Collectief in slaap gesukkeld, door het ritmische getrippel van paardenhoeven, met bijbehorend geratel van de koetsen. De negentiende eeuw, stoffige tijd van vertrutting. Om rond negentienhonderd met één klap ruw wakker te worden. De eerste gangmaakmotor had zijn  opwachting gemaakt. In Duitsland ging het hek van de dam. De Mof, altijd tuk op strijd, het liefst waarbij ‘de dood’ nooit ver weg is.
Heinz, Karl, en Fritz  kwamen  aan hun trekken. Tijdens de belle epoque balanceerde stayers, en gangmakers, op het levenskoord, want verongelukte  met een verontrustende regelmaat, waarbij, als  extra dimensie, er regelmatig  een  gangmaakmotor tussen de volgepakte  tribunes vloog. Evengoed  waren de zestig Duitse wielerbanen ieder weekend mudjevol.
Jonge stayers, waren niet levensmoe. Want voor een medaille werd lijf en leden niet op het spel gezet. Een flinke zak goudmarken stond daar tegenover.  Een verlokking voor  eenvoudige jochies, afkomstig uit de stegen van Berlijn of anders uit de Hans en Grietjedorpjes.
De animo om achter zware motoren te koersen, was groot. Zo groot, dat er in Duitsland drie klassen werden ingesteld, de a- en b-klasse, met daarboven de extraklasse.
Alle waar voor z’n geld, zoals die ene  kruidenier dacht, toen die bij het afwegen z’n hand op de weegschaal liet rusten.  Ook in Duitsland. Waar op de 25e augustus 1907,  in Düsseldorf, de Grossen Somerpreis werd gehouden, een stayerskoers over honderd kilometer.
 Overvolle tribunes. Tienduizenden Düsseldorfers op de harde, houten banken. Op het middenterrein, vier rijen dik. Aan de startlijn 
Adolf Schulze,  Arthur Stellbrink, Willy Pongs,  Heini Böhme, én de altijd verbijsterd uit z’n ogen kijkende, Kurt Rösenlocher.
En godzijdank óók, die ene, onbekende  fotograaf. Want zeg nou zelf, wát een práchtige foto schoot de man:  uitgegeven als ansichtkaart. De ontvangers ontwaarden renners, met strakke, angstige koppen. Daartussen, de baandirecteur én  managers, die schaamteloos hun publicitaire graantje meepikte, terwijl de Grosse Sommerpreis maar een b-koers was. Want op die vijfentwintigste augustus van dat goddelijke jaar 1907, werd op de wielerbaan Steglitz,  de Grosse Preis Berlin, verreden met ondermeer Guignard, Robl en Dickentman,  renners uit  de horse categorie.
En ik hoor jullie al denken:  wie van de die  renners op de foto zijn verongelukt. Niemand, wat uitzonderlijk was.  Alhoewel… Adolf Schulze sneuvelde in 1918, aan het Westfront en Fritz Stellbrink werd later, tijdens een training achter de zware motor, zwaar gewond voor de poorten van de hel weggesleept.

Bron: Radwelt jaargang 1907.