Gehoorschade

Schrijfmachines ratelden als mitrailleurs. Sportredacties kwamen superlatieven tekort, en koppenmakers dachten in  chocoladeletters. Iedere, zich zelf respecterende Amerikaanse krant, opende de voorpagina, met nieuws over het gevecht tussen Jess Willard en uitdager Jack Dempsey. Fight of the Century werd de partij  genoemd. Sensatienieuws. Tijdens de twintigste eeuw volgde nog tientallen van dat soort fights. Evengoed ging de confrontatie tussen Jess Willard en Jack Dempsey de geschiedenis in als één groot bloedbad. Voor de kansen van Dempsey, een kop kleiner dan Willard, gaf niemand een cent. Jess Willard, een voormalig cowboy en de heersend wereldkampioen, had een angstaanjagende, en verwoestende reputatie als bokser.
In 1913  stond de cowboy in de ring tegen Jack Bull Young. Tijdens de negende ronde  raakte Willard de Bull zó hard, dat een stuk kaak afbrak en diens  hersenen terecht kwam.  Jack Bull Young stierf ter plekke. Willard werd na afloop gearresteerd en beschuldigd van moord. Dat de rechter hem later vrijsprak was ter kennisgeving.
In 1915 greep Willard de wereldtitel door Jack Johnson, de eerste zwarte wereldkampioen, te verslaan. De arme Jack, die  niet alleen in de boksring vocht,  maar ook tegen rassenonderdrukking: (zie ook: ‘Jack in brons’, elders op deze blog).
Vier jaar lang was Willard, 38 jaar, de ongeslagen wereldkampioen. Tot de voor hem fatale vierde juli 1919, bijna een eeuw geleden. Plaats van handeling, Toledo, Ohio. Uitdager, de jonge Jack Dempsey. Tegen de pers had cowboy Willard gebluft dat, wat hem betrof, het de gemakkelijkste gevecht uit zijn carrière ging worden.
Na een halve minuut in de eerste ronde, moet Willard zijn uitspraak hebben vervloekt. In die dertigste seconden kreeg hij een linkse op de kaak,  die meteen brak. Een opmaat voor een vreselijk pak slaag.  De man ging nog zeven keer neer, brak daarbij een aantal ribben, een jukbeen, zijn neus, en had voor  de rest van zijn leven last van gehoorschade. Willard,  nog twee ronden volgehouden, hing na dat gevecht definitief zijn bokshandschoenen aan de spijker.Jess Willard, ijzersterk, blies in 1968, op zevenentachtigjarige leeftijd zijn laatste adem uit. Waarmee hij uiteindelijk weer verloor van Jack Dempsey, die de achtentachtig aantikte.

Bron: ondermeer de wonderlijke  database van John Brouwer de Koning, Boxrecord, en de Kansas City Times.

 

Goede genen

Stammend uit een oeroud Amsterdams wielergeslacht. Haar oudooms waren  de legendarische stayer Piet van Nek en diens broer, zesdaagserenner Klaas. Wat genen betreft zit het dus snor. Voor  Melissa van Neck, wielrenster, 28 jaar, mooi meegenomen. Melissa, dochter van een Tsjechische vader en Amsterdamse moeder, heeft twee nationaliteiten. Drie  jaar geleden zocht ze haar heil in het land van haar vader en belandde in Praag. In Tsjechië  waren volgens  haar de mogelijkheden als renster groter.
Vrijwel direct werd ze ingelijfd bij de wielerploeg van Dukla Praag, en koerste  voornamelijk in het Oostblok, wat niet onderschat moet worden. Op het programma stonden onder meer etappekoersen in de Oekraïne, waar de wegen volgens haar net zo slecht waren als op het Vlaamse platteland.
Vrijwel, alles moest ze zelf uitzoeken. Mede daarom heeft zij in Tsjechië, ‘grote stappen’ gemaakt in haar ontwikkeling als renster. Met de aantekening dat zij, in tegenstelling tot haar ploegmaatjes, overdag werkzaam was als lerares Engels. Kilometers werden gemaakt in de vrije tijd. Een hardingsproces tot volwassenheid in het wielermetier. Als ze professionele ploegmaatjes,  de hele dag op de fiets,  hoorde zeuren over futiliteiten,  had ze daar haar eigen gedachten over.
Investeren als renster in het ‘wilde oosten’ van Europa geeft rendement.  Vorige week kreeg ze een contract aangeboden bij het Italiaanse extrasportieve merk BePink, een damesploeg koersend op De Rosafietsen. Van Neck, een weekje in Amsterdam bij haar moeder, rijdt dit weekend als gastrenner de Omloop van de IJsseldelta.

Todessturze

Het scenario was van een ongekende, dramatische  schoonheid.  Fritz Theile, stayer achter zware motoren. Man vele loopgravengevechten. Beleefde als stayer, zijn vuurdoop in 1908. Won dat jaar vijftien zware koersen. Een jaar later raasde Theile, een gewezen leerling opticien, afkomstig uit Berlijn, naar twintig overwinningen. Op zondag 4 juni 1911, stonden totaal zesenvijftig gewonnen koersen op zijn palmares, goed was voor 133.000 goudmark. Genoeg geneuzeld over overwinningen en dat verdomde geld.  Waar het wél om gaat was de moeder van Fritz Theile, die haar  zoon nooit in actie zag. Maar liet  zich door Fritz overhalen om toch een keertje te komen kijken. Moeder  Theile op de tribunes van het Zehlendorfbaan in Berlijn, waar haar zoon op die dramatische  4 juni 1911, op het programma stond voor de Grote Pinkerprijs van Berlijn.
Waar Fritz 27 jaar, in de dertigste ronde, voor haar ogen  een klapband kreeg. Om even later, de  achteropkomende motor van gangmaker Reckzeh in zijn nek te krijgen. Enfin, vier dagen later kreeg Fritz  zijn heldenbegrafenis op het Friedhof zu Wilmersdorf in zijn eigen Berlijn.
Stuyfssportverhalen, eerder  over de sturz van Fritz Theile  gepubliceerd, is er inmiddels achter dat aan Theiles dood flink verdiend werd. Met enige regelmaat duiken op veilingsites ansichtkaarten op, van het drama dat zich op die Zehlendorfbaan had afgespeeld.
Uitgever Frantz Martin, domicilie houdend in de toenmalige Querstrasse 1, Leipzig, moet vóór de Eerste Wereldoorlog, een man zonder scrupules zijn geweest. Als er weer een stayer ter hemel trok, stonden zijn drukpersen roodgloeiend. Kaarten voorzien van  sentimentele afbeeldingen van de verongelukte stakker in kwestie. De dood van Fritz Theile, werd door Frantz Martin, met drie verschillende ansichtkaarten herdacht. En voor de sukkel die het nog niet begreep, diende het bijbehorende onderschriftje maar even te lezen.
Fritz Theile, weg gevaagd uit de collectieve herinnering. Zijn graf werd ergens in de jaren zestig geruimd. Evengoed ben je pas dood als je naam vergeten is. Vandaag 4 juni, Fritz´ sterfdag, vandaar  dit stukje.

Tempel van de Heilige Geest

Zestig jaar geleden. Maar daarom niet vergeten. In 1959 werd in een kolkend Olympisch Stadion, Arie van Houwelingen wereldkampioen bij de amateur-stayers. Een titel weg gehaald  voor de poorten van de hel. Twintig ronden voor het eind. Van Houwelingen op kop, met dé favoriet, Bernard De Coninck, op twee ronden. Krijgt Van Houwelingens gangmaker Frits Wiersma, motorpech. Er gaat een  siddering door de vijfenvijftigduizend toeschouwers. Met de moed der wanhoop reed van Houwelingen, een ronde lang, zonder motor door. Reservegangmaker Beets redde uiteindelijk de inboedel. Tot het moment waarop  Wiersma twaalf ronden voor het eind, op een gerepareerde motor, de regie weer overnam. Arie van Houwelingen wereldkampioen bij de amateurstayers, en werd als extraatje dat jaar uitgeroepen tot Sportman van het Jaar. Twee jaar later stopte de inwoner van Sassenheim met de sport. Er was geen cent te verdienen.
Van Houwelingen denkt nog vaak aan zijn ene wereldtitel. Al was het alleen maar dat zijn regenboogtrui ingelijst hangt in de huiskamer.  Arie, lichamelijk én geestelijk scherp, staat  nog midden in het leven, en volgt het landelijke- én het wereldnieuws nauwgezet. Wat dát betreft heeft Van Houwelingen een uitgesproken mening. Volgens hem zijn alle politici van de pot gerukt, waar geen woord aan gelogen is.
Arie van Houwelingen, vlotte prater, was tijdens zijn arbeidzame leven postbode in zijn woonplaats Sassenheim. Een gemeente die nogal vreemd met zijn sporthelden omgaat. Jaarlijks worden de Sassenheimse sportploegen en andere sporthelden door het gemeentebestuur feestelijk  in het zonnetje gezet. Van Houwelingen, notabene een gewezen wereldkampioen, is daar nooit voor uitgenodigd. Ach, Van Houwelingen maakt zich daarover niet zo druk. Hij heeft andere bezigheden. Zit dagelijks op Facebook, leest alles wat  wielrennen betreft, en vult de rest van zijn tijd in met puzzels oplossen.
Laat Arie praten en het gesprek komt vanzelf over zijn wielercarrière. Jarenlang had hij als stayer getraind op de baan van het Stadion, waar ook Amsterdammer Joop Middeling aanwezig was. Middeling, dé grote man bij de Radium bandenfabriek en ploegleider van het gelijknamige wielerteam. Nooit, maar dan ook nooit werd Van Houwelingen door de almachtige Middeling  benadert om daar deel van uit te maken.
Terwijl Van Houwelingen als amateur-stayer aan de top stond, en als wegrenner een van de zwaarste klassiekers op de weg won. Had volgens de voormalige wereldkampioen te maken met de arrogante houding van Amsterdammers tegen renners uit de provincie. Die werden weg gezet als boertjes.
Dan wordt het  gesprek opeens spannend want de naam ‘Post’ valt.
Post, ooit een poging gedaan om als stayer te slagen, wat jammerlijk mislukte. De man kon er geen hout van. Iets wat volgens de mores van Post werd opgelost met geld. Tijdens de Grote Prijs van Amsterdam bood Post tweehonderd gulden aan Van Houwelingen, om hem tijdens de race niet aan te vallen. Bij het uitbetalen kreeg Van Houwelingen honderdzestig gulden. De resterende veertig gulden ging naar de manager van Post, iets waar Van Houwelingen nu nóg verbaast over is.
Arie van Houwelingen, kind van de Bijbelgordel, vertelde met verpletterende eenvoud waarom hij als renner nooit ‘gebruikte’. Volgens hem is het lichaam de tempel van de Heilige Geest. Om er vilein aan toe te voegen, dat de meeste van zijn toenmalige concurrenten al een tijdje bij ‘Petrus liggen’. De laatste moet nog even op Van Houwelingen wachten, want de man vindt het leven nog veel te leuk.

Blok ijzer

De honden roken bloed. Alle hens aan dek. De Europese eer was bezoedeld. Ene Stinson, een Amerikaanse stayer in de marge, verbrak het werelduurrecord en bracht dat tot ruim tweeënzestig kilometer. Wat in 1902 openingsnieuws was op de Europese, maar vooral de Duitse  voorpagina’s.  Of die Stinson  echt zo goed was? Gezien zijn overige uitslagen niet. Maar wat de man atletische te kort kwam, maakte zijn gangmaakmotor goed. Deze laatste was  sneller en had meer vermogen dan de Europese versies.  Met dank aan de constructeurs van de  Indian Motorcycle Compagnie.
De Indian Motorcycle Compagnie,  in 1901 begonnen met de constructie van hun illustere motoren, bouwde een jaar later een motor waar Amerikaanse stayers, maar vooral die Stinson wel raad mee wisten. Nadat Stinson het werelduurrecord achter motoren had verbroken, brak op  de Europese, maar vooral de Duitse wielerbanen de pleuris uit. De eer was gekrenkt.  Duitse stayers hadden het rare idee dat ze, in de hiërarchie, vlak onder hun Keizer,  maar wél boven  god en alleman, stonden. En als je niet de beschikking hebt over een gelijkwaardige motor dan moet  de trukendoos wagenwijd open. Dat laatste kon je wel aan de ‘heren’ gangmakers overlaten.
Die plaatste het zadel van hun gangmaakmotor een stuk naar achteren:  vér  achter het achterwiel. Of dat reglementair verboden was? In die altijd leuke belle epoque, waren reglementen bedoeld om je kont mee af te vegen. Stayers, zaten opeens een stuk meer in de zuiging van motor en gangmaker. Waarmee de helse kermis werd geopend. De snelheden gingen omhoog. Maar ook de valpartijen. Vér achter de motor te zitten heeft wel een nadeeltje.  Bij hoge snelheden kwam het voorwiel los van de baan en begon te zweven. Gangmaker Otto en zijn renner Peter Günther loste dat probleem inventief op. Otto hing onder zijn stuur, ter hoogte van zijn voorwiel een blok ijzer, ter grote van een flinke stoeptegel. Of dat blok ijzer de oorzaak was is niet bekend. Wél dat gangmaker Otto en Günther in 1903 betrokken waren bij een zwaar ongeval op de Keulse wielerbaan. Günther was maanden uitgeschakeld. En gangmaker Otto kreeg opeens zo zijn bedenkingen tegen zijn bloedlinke hobby. Na dat ongeluk kwam Otto niet meer voor in de uitslagenlijsten van de jaargangen Radwelt. En Peter Günther…? Enfin de man kreeg in 1918 op het Südfriedhof in Keulen een mooi praalgraf.

‘Pure Klasse’

Een  doelpunt die het hele land deed ontploffen.  Robin van Persie die, tijdens het wereldkampioenschap in Brazilië, vliegend de bal over de Spaanse keeper Casillas, heen kopte. Waarmee de Rotterdammer zijn plekje innam, in het rijtje, ’mooiste doelpunten ooit’.  Hoewel de herfst van zijn voetbalcarrière is aangebroken, en Van Persie bezig is met  z’n  laatste wedstrijden, schreef auteur Harry Walstra dé biografie over Robin van Persie. Walstra, auteur van meerdere voetbalboeken, had daar geen half werk van gemaakt. In ‘De Pure Klasse van Robin van Persie’ gaat Walstra op zoek naar Van Persie in alle vormen.
Van Persie als jochie, die,  voor zijn moeder boodschappen deed en dribbelend met de bal naar de winkel ging. Waar hij tussen de schappen in de bal, op z’n knieën en voeten  omhoog hield, en speelde vervolgens ook nog de bal tussen de benen van iemand die passeerde. De winkelier tot wanhoop drijvend. Walstra neemt de lezer mee via het armoedige stadionnetje van Excesior, waar Robin zich als klein jochie meldde, via  de Kuip,  naar Highbury, thuishaven van Arsenal.
In Londen komt hij in één elftal te spelen met Dennis Bergkamp, zijn grote held. Voor Bergkamp had Van Persie gigantisch veel respect. Bij  de trainingen kwam de jonge Van Persie ogen te kort. Of zoals Walstra hem citeerde: ‘Alle oefeningen deed hij op honderd procent. Ik vond het gewoon kunst. Hij deed alles zo goed en zo gedreven en had zo’n focus. Ik moest een heel grote stap maken om ook op dat niveau te komen. Vanaf dat moment ben ik elke trainingsoefening honderd procent geconcerteerd gaan doen. Ik wilde zoals Bergkamp zijn’.
Dat laatste is gelukt. Van Persie, in de jungle van het profvoetbal, waar je van je af moet bijten om te overleven,  en op eenentwintig jarige leeftijd, al drie rode kaarten verzamelde, speelde 102 interlands voor Oranje. Mag zich met vijftig doelpunten de Oranje topscorer aller tijden noemen. Werd in de Premier Legue, waar hij na Arsenal ook uitkwam voor Manchester United, tweemaal topscorer van het jaar en eenmaal Speler van het Jaar.
In ‘Pure Klasse’,  een aanraaier voor alle voetbalfans, wordt Van Persie’s  doelpunten en geweldige acties uitgebreid beschreven.

‘De Pure Klasse van Robin van Persie’
Uitgever: Just Publishers BV.
ISBN: 97890 8975 8033.
Paperback, 288 pagina’s.
Prijs: 20,00 euro.

Frau Antje en de Giro

Als een vers gebakken pizza, die snél genuttigd moet worden: dát was  de carrière van Ercole Baldini. Kort genot, maar wél lekker. Ercole Baldini, beroepsrenner tijdens de fifties. Koersend op een fietsje, gespoten in een geraffineerde kleurencombinatie,  opgeleukt met verchroomde tussenstukjes. Afgewerkt tot in het détail, en voorzien met het modernste Campagnolomateriaal. Een lust voor het oog. Púre kunst op twee wielen, zonder hoerig noch ordinair te zijn.  Waar alleen Italiaanse framebouwers een patent op hadden.
Het Italië van de jaren vijftig, scheurende Fiatjes-500, keffende Lamborghini-scooters, films van Felini, een Paus die de wapens van de Duitse legers had gezegend, en super gesoigneerde renners. Maar ook het land van  Sofia Loren, Gina Lollobrigida en Claudia Cardinale, godinnen met een boezem die de verbeelding ver voor bij ging.  
En wij? Wij moesten het doen met  Frau Antje. En onze wielrenners met racefietsen waar het calvinisme vanaf droop. Karretjes, waar mijnheer de dominee himselfe zijn goedkeuring aan gaf. Waar zo’n modale Hollandse profrenner, koersend op zo’n bokkenkar, het moraal en zin vandaan haalde, is nog steeds een goed bewaard  geheim. Enfin, daar had Ercole Baldini ieder geval geen last van.
Baldini, Toscaan en hardfietser als levensovertuiging. Kreeg  de goedkeuring van de altijd machtige mama Baldini én de zege van de pastoor van Forli: zijn  geboortedorp. Verbrak, als amateur in 1956,  het onaantastbaar geachte werelduurrecord van Fausto Coppi. Waarmee meteen het lot van Ercole bezegeld was. Baldini,  nat achter de oren, in 1957 meteen voor de leeuwen gegooid, met debuut  in de Giro d’ Italia,  waar hij een etappe won. Aardig te vertellen is ook zijn overwinning in de Trofeo Barrachi, een koppeltijdrit, waarin hij gekoppeld was aan de toen stokoude Coppi.
Baldini wist meteen waar de mosterd gehaald werd, en ging in de ‘verzorging’. Liet bij zich zelf  een liter bloed aftappen, opgeslagen in z’n koelkast. De jaren vijftig,  die heerlijke, onschuldige tijd waarin een renner zich kon verzorgen,  zonder meeloerende journalistieke scherpslijpers, of andere, met het vingertje zwaaiende moraalridders. Met een surplus aan rode bloedlichaampjes  werd  Ercole, in 1958 wereldkampioen op de weg, maar won eerst de Giro d’ Italia.
De Giro, van oudst her een tikkeltje louche, beetje corrupt, daarom onvoorspelbaar. Waar zaken in de schemering van het peloton afspelen. Waarschijnlijk daaróm is de Ronde van Italië, ieder jaar weer, vele malen leuker dan de Tour de France. En Ercole? Na  1959 geen platte prijs meer gewonnen is met zijn zesentachtig jaar nog scherp van lijf en geest.
De man daalt iedere morgen af naar de kelder van z’n huis. Waar zich zijn eigen privémuseumpje bevindt. Een soort bedevaartkapelletje afgeladen met zijn koersfietsen, wielershirts, zijn gouden Olympische medaille gewonnen op de Spelen van 1956, en andere voor hem heilige voorwerpen. Dan knikt hij, en mijmert dat zijn carrière er best mocht zijn.

De strandkoning heersend in de Afrikaanse woestijn

Zolang de stranden niet vol liggen als de Kalverstraat op een zaterdagmiddag kun je er beachbiken, mits je de kracht van Ramses Bekkenk hebt. Voor hem is het Hollandse zand niet eens ruig genoeg.

Géén idee wat hem te wachten stond. Ja, dat de koers door bloedhete woestijnen ging. Dat vijftig procent van de wegen onverhard waren. En de rest over paden met een uitgesleten dubbel spoor. Voor Ramses Bekkenk, 42 jaar was de Munga 2018, één blanke vlek. Maar hoe bereid je je,  als renner, afkomstig uit het Noord-Hollandse  op zo’n monsterklus voor? Over zijn conditie geen zorgen, de man heeft een gietijzer gestel. Om duizend kilometer lang, op de toppen van het duurvermogen te balanceren, onder een roodgloeiend, hete zon, daar komt meer bij kijken. Er werd daarom niet alleen op het duurvermogen getraind,  maar ook het darmstelsel. De Munga,  de allerzwaarste mountainbikerace ter wereld, valt namelijk  niet op wat sportvoeding te volbrengen: grote kans dat je dan regelmatig met de koersbroek op de enkels naast de kant van de weg zit.  
Bekkenk, wekenlang getraind  op vast voedsel,  en afgetraind tot  het merg van de botten  stond begin december, met honderddertig andere vermetele aan het vertrek in Bloemfontein. Argeloos werd  aan een groot avontuur te begonnen, waar, voor de zekerheid toch wat voorzorgsmaatregelen waren genomen. In zijn rugzak bevonden zich drie binnenbanden een paar luchtpatronen, een pompje en wat sportrepen.
Wennen, zo noemt hij de eerste vijfhonderd kilometer, wat natuurlijk een eufemisme is. Urenlang werd afgezien als een ouwe trekhond voor een melkkar. Dan gebeurt er iets wat sportartsen omschrijven als ‘íngereden zijn’. De bloedvaten staan wagenwijd open, de pijn veroorzaakt door het moordende tempo, wordt als minder erg ervaren. Voor Bekkink het sein om meer kolen op het vuur te gooien. De man vertrok in zijn eentje uit het peloton, op weg naar een bar, en eenzaam avontuur.
Een topatleet is geen machine, ook al is die voorzien van longen als blaasbalgen en een hart van een stier. Iedere tweehonderd kilometer was er daarom een rustpost. Rust betekent ook  oponthoud. Voor de Koning van het strand een duivels dilemma. Maar doorrijden is een reguliere zelfmoordpoging. Op de rustplaatsen nam Bekkink zo kort mogelijk wat rust, waarbij  tevens spaghetti en in de schil gekookte aardappelen werd gegeten. Wat snel naar binnen werd geschrokt.
De koers wacht op niemand, om een cliché af te stoffen. Dus opstappen en doorrazen door de Afrikaanse nacht, die twaalf uur duurde, koud, én pikdonker was. Bekkenk, van beroep mecanicien bij een wielerzaak,  én jongen van de polderwegen, had op zijn mountainbike een grote fietslamp gemonteerd. Wie Afrikaanse woestijnen zegt, denkt aan filmbeelden van National Geographic. Wat dat betreft kwam Bekkenk aan zijn trekken. Doodstil, uitgestrekt, stoffig en heet waren de omstandigheden, met naast de weg de onvermijdelijke springbokken en ander wild spul. Vooral de stof zorgde voor een extra zware dimensie. Met droge kelen, en veel hoesten tot gevolg. Sommigen renners hadden stofdoeken voor het gezicht. Bekkenk niet. Die kende ander malheur.  
Om met een afgetrainde kont op een hard koerszadeltje, honderden kilometers, hobbelend, schurend en stotend, over niet als wegen te herkennen paden te rammen,  doet wat met het zitvlak. Met zadelpijn en een kapot gereden kont werd door gereden. Dan, na vijftig uur koers, komt Wellington, mét de finish in zacht, waar  Ramses Bekkenk zijn wiel als eerste over de finishstreep drukte. De Koning van de Hollandse stranden had niet alleen de zwaarste mountainbikerace ter wereld gewonnen maar ook in een recordtijd van vijftig uur waarvan drieenhalf uur rust, en verbrak tevens het snelheidsrecord met vijf uur. Dat nummer twee op ruim twee uur zat was ter kennisgeving.
Dát nooit meer, waren zijn eerste gedachten, nadat hij van zijn fietsje was gestapt.  Een voornemen dat vrijwel meteen verdrongen werd door een gevoel van euforie én verrassing. Het laatste door de massale aandacht van pers, televisieploegen en ander publiciteit. De gehele koers was via internet live te volgen. Vanuit de gehele wereld kreeg de Noord-Hollandse mecanicien reacties. 
Of ze Ramses Bekkenk nog eens aan de start van de Munga zien? Onzeker! Afgelopen november vertrok hij fris en onwetend aan het avontuur. Nú weet hij wat voor verschrikkingen hem te wachten staat. Maar geloof nooit een duursporter op zijn woord. Komende maanden borrelen de mooie Afrikaanse herinneringen bij hem op. Geheid dat ze in Afrika nog lang niet van die Bekkenk af zijn.

André Stuyfersant. (Gepubliceerd in MUG-Magazine, Maart 2019). Foto 1: Rob Duin.

Belofte ingelost

‘Ach het gaat wel. Ik mag niet klagen, want ben er nog steeds’. Dát was het vaste antwoord als je aan Henny Marinus vroeg, hoe het gesteld was met hem. Inderdaad klagen deed Marinus nóóit. Hoewel de hersentumor, al meer dan tien jaar in zijn hoofd, voortwoekerde en hij wél pijn moest hebben. Waarschijnlijk dáárom, voelde hij zijn einde naderen. Vooral op sombere wintermiddagen liet hij dat wel eens terloops merken. Henny aan de grote tafel, omgeven door zijn herinneringen, want stapels foto’s, van zijn overleden vrouw Annie, dochter Monique maar vooral foto’s van zijn illustere wielercarrière. Aan de thee kwamen dan de verhalen los, vertelt in prachtig, Jordanese tongval. Ik hing aan zijn lippen.
Op zo’n dag, alweer drie jaar geleden nam Henny mij mee naar zijn fietsbox onder zijn woning. Bij binnenkomst viel de mond open. Het was duidelijk dat déze plek, voor Marinus van grote betekenis was. Voor de Kleine Kampioen uit de Jordaan was het een sacrale plek. De muren en plafonds, hélemaal bedekt met de gekleurde, met tekst bedrukte overwinningslinten, door hem gewonnen bij de talloze baan- en wegkoersen. En op een tafeltje lag zijn grootste, door hem gekoesterde relikwie, want zijn inmiddels iconische stayershelm, voorzien van witte band.
Henny Marinus maakte zich zorgen wat dáár, allemaal mee zou gebeuren als hij definitief de ogen sloot. Of ik daar niet voor wilde zorgen. Of zijn schat asjeblieft in goede handen terecht kwam. Ik beloofde dat plechtig. Met zichtbare emotionele pijn nam de voormalige stayerskampioen afscheid van zijn innig geliefde memorabilia. Waarmee voor hem een groots hoofdstuk uit zijn leven werd afgesloten.
Gisteren, acht maanden na zijn overlijden, werd de belofte ingelost. Annemarie de Wildt, conservator van het prachtige Amsterdam Museum, gevestigd in de Kalverstraat nam blij Henny’s helm én linten in ontvangst. Waarbij, door mij ook de toezegging werd gedaan dat Marinus´ stayersfiets ter zijner tijd ook richting Amsterdam Museum gaat.
Annemarie de Wildt, helemaal bijgepraat over Henny Marinus, verzekerde dat deze niet anoniem in het depot verdwijnen. Het museum heeft plannen om een grote expositie aan de vroegere Jordaan te wijden waarbij alle aspecten van deze, ooit volksbuurt worden behandeld. Ook de sportieve, zoals die van Henny Marinus.

Het kán niet anders, dat die ‘ouwe’, zoals ik hem altijd noemde, vanuit de Grote Stayershemel goedkeurend zat te knikken.

En dan het volgende
Mochten er lezers zijn in het bezit van historische sport-, of  wielererfgoed, schenk dat nóóit, maar dan ook nóóit aan een zogenaamd wielermuseum. Die laatste zijn namelijk privéverzamelingen, waar zo’n eigenaar over kan wikken en beschikken. Dat dit soort ‘musea’ commercieel gezien, ten dode zijn opgeschreven, want gaan per definitie failliet, is een sinistere bijkomstigheid. Een treurig voorbeeld is het zogenaamde wielermuseum van Zaankanter Gerrie Hulsing, genaamd ‘Stichting Nationaal Wielermuseum´. Een betrouwbare naam die de lading totáál niet dekt. Er is namelijk géén museum. En dat zal er ook nooit komen. Ondanks dát, weet Hulsing, jarenlang de illusie op te houden dat zijn museum een bestaand fenomeen is. Enfin, Marco Knippen, onderzoeksjournalist van het Noord-Hollands Dagblad maakte van deze hersenspinsel, met een verhaal over twee pagina’s, gehakt van. Ook auteur Jan Zomer, in samenwerking met Hans Middelveld, lieten, op facebook, hun lichten over Hulsings museum schijnen, waarbij het verbaal ruig aan toe ging. Kortom, schenk eventuele wielererfgoed aan een bestaand museum. En als dat niet lukt, verkoop het dan. En doe van de eventuele opbrengst leuke dingen mee. 

Mon Pere

De vroegmis zat er op. Met een prevelende zege ná, werden de gelovigen de kerk uitgejaagd. Snel de kaarsen op het altaar gedoofd. De werkkleding uitgegooid. Want de koers wacht op niemand. Ook niet op een dorpspastoor ergens in Frankrijk. Waar de helse optocht van een etappekoers langs zijn kerkje trok. Gevolgd door motoren én materiaalwagens. Om daarna te  wachten. Wachten, op de ‘stervende medemens’ op de koersfiets.  Gelost, en moederziel alleen op een lege landweg.  Geen ploegmaat meer te bekennen. In de steek gelaten door zijn ploegleider. Zoek het maar uit jongen. De reserveband zit onder je zadel. En in je shirt nog een paar amfetaminetabletjes. Dat gaat helemáál goed komen, was hét laatste dat z’n ploegleider naar hem riep.  
Het grote afzien was begonnen. En dáár wist die ene plattelandzielenherder, staand langs de weg, wel raad mee.   Heb je naaste lief, oreerde hij laatst nog vanaf de preekstoel. En buiten dát, staat  er in de bijbel niet geschreven dat, met het ‘zuiverende lijden,  de dagelijkse zonden mee uit geboet kan worden?’  Met als beloning de hemel. Mijnheer pastoor, bedoelde maar. En wat die beloofde hemel betrof, dat was voor die ene zwoegende stumper, de top van die vuile, stinkcoll.
Pijn leed hij, als de Heer op Golgoltha. Met als extra dimensie, een brandende schroeiende hete zon in z’n nek, waar  dat oenige linnen petje, géén soelaas aan bood. Met in z’n strot een huig als een gemummificeerde muis. Zijn hele lijf schreeuwde om vocht.
En opééns, als in een koortsige droom zag hij hem staan. Als een mystieke, in zwart gehulde  vleermuis, stond de geestelijke langs de kant van de weg. ‘Mon pere’, drinken alsjeblieft, leek zijn diep in de kassen verzonken, ogen te smeken.  Wat hét ultieme moment was voor die ene anonieme pastoor. Met wapperende soutane, de alpino op het achterhoofd werd een volle bidon aangereikt.  
Vader, mijn stichtelijke taak voor vandaag zit er weer op, mompelde de pastoor in een schietgebedje, nadat de renner uit het zicht verdween.  En snelde vervolgens naar de pastorie, waar een glas, koele miswijn, én de zachte, wulpse borsten én de pronte kont van z’n huishoudster op hem wachtte. Voor een eenvoudige dorpspastoor was het leven goed, in het Frankrijk van de jaren zestig.

error: Content is protected !!