Raadsel in Brussel

Alleen zelf benoemde wielerhistorici valt het op. Want  met de bijgevoegde foto is iets raadselachtig aan de hand. Maar eerst even vertellen over het Brussels Sportpaleis anno 1959, een van de vele Europese winterbanen die na de oorlog wekelijks een vol programma heeft.

Zijn er geen Zesdaagsen dan wel koppel- of dernykoersen of meetings voor amateurs.  Aan deelnemers  geen gebrek, want de fifties  is de tijd dat profrenners hun bankrekening aanvullen op de winterbanen.

Ook voor André Darrigade. De laatste, geen echte baanspecialist  maar wél enkele maanden eerder wereldkampioen op de weg geworden, een kampioenschap gehouden in en om Zandvoort.  Darrigade, bijgenaamd ‘de vliegende Bask’ is commercieel een publiekstrekker.  

De Brusselse baandirectie begrijpt dat goed, en contracteert hem. Om de  onervaren wegrenner André  niet af te laten gaan, wordt hij gekoppeld aan Gerrit Schulte, een doortrapte pistier en op dat moment drieënveertig jaar. Op de conduitestaat van Schulte -bijgenaamd de ‘Bossche Reus’ – staat onder meer honderden gewonnen baankoersen én negentien overwinningen in een zesdaagse. Gerrit is die klus wel toevertrouwd.

Maar waar de kneep in die foto zit, is de fiets van Darrigade. Want wat doet een Franse wielergrootheid, gesponsord door het fietsenmerk Helyett op een RIH-Sport, een fietsje gebouwd in een winkeltje ergens in de Amsterdamse Jordaan..?

Gekregen van Willem Bustraan de framebouwer annex eigenaar, van RIH is onmogelijk. Bustraan een rechtlijnig mens, behandelt al zijn klanten gelijk, of je nou wereldkampioen bent of niet. Bij RIH-Sport ging geen ventieltje of tube gratis de deur uit.

Het is ook niet de reservefiets van Schulte, want daarvoor is de fiets van Darrigade te klein. Het gaat nergens over hoor ik jullie zeggen, maar het zijn wél die kleine, niet meer op te lossen vragen. Of toch wel… André Darrigade nog steeds onder ons en inmiddels 97 jaar, kan misschien nog antwoord geven…

Naschrift: Schrijver dezes en Gerrit Schulte kenden een kleine verwantschap. Beiden zijn lid van de Amsterdamse rennersclub Ulysses.  Eén keer per jaar maakte wij – de fietsende jongens van de geboortegolf – kennis met de illustere Gerrit, wat gebeurde op de jaarvergadering die plaats vond in het prestigieuze Die Port van Cleve, een chic restaurant vlak achter het paleis op de Dam.

Gerrit zittend achter de bestuurstafel, tevreden lurkend aan een bolknak, iets waar ons verstand bij stil stond. Tussen de notulen door, met zijn hoofd gehuld in een wolk sigarenrook vertelt Gerrit zijn wielergeheimen. Wij  hingen aan z’n lippen, ondanks die bolknak. Gerrit’s wielerfilosofie was er één van de eenvoud.

Als wij net zo goed willen worden als hij zo hield hij ons voor, dan diende er getraind te worden en vroeg naar bed, en meer niet.

De uitsmijter van de avond was de hardloopwedstrijd voor de nieuwelingen en aspiranten door Gerrit georganiseerd. Een rondje rennen rondom het paleis. Op de winnaar lag een paar tubes te wachten. Geschonken door Schulte. Zo was de Bossche Reus ook wel weer…

Dutch Windmill en Big Pete

Het interbellum,  gouden tijden voor het journaille, die sporters tot mythische hoogten schrijven.  Of het waarheidsgehalte klopt doet er niet toe, want controle via televisiebeelden is utopie. Op de redacties geldt  maar  één  credo: als de lezer er maar van smult en vooral, als de oplages over de kop gaan.  En waar inspiratie wordt  opgedaan..? Ondermeer bij de koers of anders de boksring...

Het interbellum,  gouden tijden voor het journaille, die sporters tot mythische hoogten schrijven.  Of het waarheidsgehalte klopt doet er niet toe, want controle via televisiebeelden is utopie. Op de redacties geldt  maar  één  credo: als de lezer er maar van smult en vooral, als de oplages over de kop gaan.  En waar inspiratie wordt  opgedaan..? Ondermeer bij de koers of anders de boksring.

 Want boksers en wielrenners – jongens afkomstig uit de toenmalige krochten van de samenleving – staan garant voor een goed verhaal. Zeker tijdens het genoemde interbellum, de periode dat iedere winter tientallen Zesdaagsen floreren, en dat ieder zich zelf respecterend stadje of dorp, zijn eigen boksgala heeft.

Voor toenmalige sporthelden  als bokser Bep van Klaveren (foto rechts) en wielrenner Piet van Kempen (links) komt men superlatieven te kort. Het zijn dan ook dé sportsterren  die de sombere donkere jaren dertig met hun avonturen opfleuren. Dat Van Klaveren tijdens de Spelen van 1928 goud pakt,  dat behoort tot dé algemene sportkennis. 

Piet van Kempen staat iets in de schaduw van de Rotterdamse vuistvechter. In de toenmalige loodzware Zesdaagsen waarin dag en nacht wordt door gejakkerd, wint Van Kempen 32 stuks wat van hem een fortuin oplevert.

Ook in Amerika zijn  Van Klaveren en Van Kempen actief. Van Kempen – in de Amerikaanse sportpers aangeduid als Big Pete – koerst meerdere keren onder meer in de six van New York, San Francisco, Minneapolis en Kansas City.

Tegelijkertijd dat Van Kempen de Amerikaanse sportpaleizen doet vollopen staat Van Klaveren met de bijnaam the dutch windmill op de affiches en  rijgt vervolgens overwinning aan overwinning.

Als je wint heb je veel vrienden, een oeroud gezegde in de bokssport. Ook voor Van Klaveren die  kennis maakt met Hollywoodsterren als Mae West, Spencer Tracy, Bing Crosby en Johnny Weismuller.

Ondanks hun succes kleeft aan Van Klaveren en Van Kempen  iets tragisch, want decennia na hun afscheid als topsporters achten beiden zich nog goed genoeg voor een entree, want verslaafd als ze zijn aan de spotlights met de bijbehorende belangstelling.

Als fighter  op leeftijd kan Van Klaveren zich in de ring nog aardig verweren. Anders is het met Van Kempen die dik vijftig jaar oud, een licentie als professial aanvraagt wat uiteindelijk een opmaat is voor een groot deceptie.

Zeventig jaar en niet vergeten

Stan Okkers, een vage echo uit een rijk Vlaams wielerverleden. Een naam die alleen bij bejaarde liefhebbers de ogen laten glinsteren. Stan al zeventig jaar niet meer onder ons, is niet helemaal vergeten, met dank aan generaties wielerauteurs.

Zijn hemelvaart is dan ook een regelrechte tranentrekker. Smartlapzangers weten daar wel raad mee. Even voor de onwetende: op Stan’s palmares staat onder meer de groene trui in de Ronde van Frankrijk en overwinningen in de Waalse Pijl, Luik-Bastenaken-Luik en de Zesdaagse van Antwerpen, Gent en Brussel.

In 1955 wordt Stan wereldkampioen op de weg. Een jaar later slaat  het noodlot toe. Tijdens een dernykoers  op de wielerbaan in Antwerpen komt hij ten val en overlijdt twee dagen later.

Stan Okkers  hét prototype van een renner uit de fifties, want een uitgemergeld lijf op een stalen koersfietsje, en ogen als koplampen. Bidon in de achterzak. En waarom deze column..?

Omdat Stan Okkers zeventig jaar na zijn overlijden in Vlaanderen nog steeds niet is vergeten.

 In Okkers’ geboorteplaats Borgerhout is een straat naar hem vernoemd. Met als extra, dat vijftig jaar na zijn dood in de Stan Okkersstraat ook een herdenkingsplaat is onthuld.

En meer… op de top van de Cote des Forges dé benenbreker in Luik-Bastenaken-Luik verrees een pompeus monument ter ere van Stan. Vlaanderen heeft zijn helden lief. Moet je in Nederland om komen…

Zie verhaal hieronder…

Land van Cuijk

Zoals bovengenoemd eert Vlaanderen hun  gewezen wielerkampioenen. Zoals het hoort.  Neem maar eens een kijkje  op het Vlaamse platteland, waar je in de dorpen struikelt over het eerbetoon aan hun vroegere wielerhelden, in brons gegoten of gemetseld in een muur met een plaquette.  

Terecht, want renners hebben niet voor niks jarenlang hun ballen geschroeid op dat smalle lederen zadeltje ter vermaak voor volk, vaderland maar vooral voor eigen portemonnee.  

Zoals Briek Schotte meervoudig winnaar van de Ronde van Vlaanderen, die na zijn verschijnen een standbeeld krijgt in zijn dorp Kanegem. Of anders een Jef Planckaert winnaar van onder meer Luik-Bastenaken-Luik. Ook Jef is vereeuwigd in brons in diens dorp Otegem.

In het calvinistische Nederland niet. Of voormalig bergkoning  Gert-Jan Theunisse op zo’n eerbetoon zit te wachten is hoogst onwaarschijnlijk. Maar zeker niet zo’n publieke vernedering, wat hem over komt in  het gemeentehuis van het Land van Cuijk. Enfin in de Telegraaf  deed hij zijn schrijnende relaas.

Hoewel de media en vooral de socials zijn ontploft, doet deze blog  er ook maar een plasje over heen. Zoals onderstaande uitspraak van Gert-Jan Theunisse…

„Daar sta je dan als voormalige ’populairste Nederlander’: weggestuurd als een willekeurige, ongedocumenteerde asielzoeker, wetende dat ik ernstig ziek ben. Ik eiste de burgemeester of een wethouder te spreken om te vragen of het normaal is dat ze op deze manier met hun eigen mensen omgaan, terwijl migranten met alle egards worden behandeld: zelfs de vragenlijsten op het gemeentehuis zijn er in het Arabisch. De stoppen sloegen door. Uiteindelijk ben ik door een interventieteam het gemeentehuis uitgeknikkerd.”

Giullia en Audrey

De overeenkomsten zijn duidelijk.  Beiden zijn van een besproken levensstijl, ruilde de echtelijke sponde in voor een ander, zijn bekend met de amfetamines, én een sterfdatum begin januari. En vóór ze ter hemel trekken, geven ze ook nog een diepe kras in de mondiale geschiedenis.

Hank Williams, de aartsvader van country en rock ’n roll en Fausto Coppi  de renner die voor eeuwig bekend is als Il Campionissimo. Hank Williams een man die weinig met sport te maken heeft, maar de wereld wél blij maakt met onsterfelijke songs. Hank die geheel in stijl – tijdens de nieuwjaarsnacht van 1953  – tsjokvol dope op de achterbank van z’n Cadillac z’n laatste adem uitstoot.

Coppi, met de status van een half god. Of dat laatste waar is..? Laten we het er maar op houden dat Coppi, zowel Williams culthelden zijn, wat ook niet mis is…

Zeker voor schrijver dezes, want die bezocht  zowel de graven van  Hank Williams als  die van Fausto Coppi. Hank Williams  rustend op het Oakwood Cemetery in Montgomery Alabama, waar later z’n ex-vrouw Audrey ook is bijgezet: of Hank dat laatste zó leuk had gevonden…

Het kan erger. Want in het  pompeuze graf van Coppi rust niet zijn minnares en grote liefde Giullia Occhini, maar Coppi’s broer Serge. Het is maar dat U dat even weet…

Opgepoetste jongens

Op 11 november wordt Wapenstilstanddag groots herdacht in Vlaanderen, Frankrijk en vooral Engeland. Op deze dag wordt stil gestaan bij de enorme verliezen die zijn geleden tijdens de Eerste Wereldoorlog. Meer dan negen miljoen  jongens bleven achter op de slachtvelden. Ook Emile Friol behoort tot de velen die niet terugkeerden.

De sprint  op de wielerbaan, de niche van de wielersport waar de heroïek ver weg is. Waar je als toeschouwer pech hebt als de renners zich vergrijpen aan de zogenaamde surplace. Dat laatste een verkapt circusnummer.

Even wat horror uit het verleden opdiepen: 1955 de finale sprint om de wereldtitel met Jan Derksen en Antonio Maspes. Een duo die met een surplace van tweeëndertig minuten in staat waren de toeschouwers de wielerbaan uit te jagen. Hoe saai wil je het hebben..?

Baansprinten heeft niets heroïsch. Sprinters zijn allemaal van die nette, opgepoetste jongens. Ken jij een baansprinter die in staat is op de Vlaamse of Noord-Franse kasseienweggetjes, beslijkt urenlang op het kantje zit te sterven..? Ik bedoel maar. En tóch zijn er uitzonderingen op de regel. Gelukkig wel anders wordt dit helemaal een zure column. En wie daar voor zorgt is Emile Friol.  

Emile Friol tweevoudig wereldkampioen in een tijd van gietijzeren fietsjes,  mannen met strohoeden en vrouwen met ondoordringbare korsetten en directoires. Sprinten tijdens de belle epoque, beoefend door jongens met granieten knevels die zich voor een wedstrijd  verzorgen met een geklutst ei met cognac, én als opkikkertje een dosis cocaïne. Dat laatste vrij  te verkrijgen bij de lokale apotheek. Fijne tijden vóór de Eerste Wereldoorlog.

Emile Friol heeft zijn plekje in de Franse sportgeschiedenis veilig  gesteld. En dan niet zo zeer om z´n sprintuitslagen maar de wijze waarop hij ter hemel trekt. Die is dramatisch en daarom zo mooi. Tijdens de Eerste Wereldoorlog wordt Emile opgeroepen voor militaire dienst, wereldkampioen of niet.

Als motorrijders scheurt de voormalige sprinter tussen loopgraven om zijn berichten over te brengen. Iets dat die ene Duitse kanonnier op 16 november 1916 niet ontgaat. Geraakt door een granaat sneuvelt Emile.

Emile Friol vijfendertig jaar is begraven in een kameradengraf op de Nationale Begraafplaats Saint-Pierre in Amiens.

Walter

‘De sprinters voorop’ is het onderschrift van bijgaande foto. Wat een eufemisme is van heb ik jou daar. Wat de koppenmaker vergeven is want de man schrijft zijn stukje ergens in 1968 het jaar waar bijgaande  foto is gemaakt. Waar en in welke koers staat niet vermeldt.  De fotoredactie van het onvolprezen wielerblad Miroir du Cyclisme is wel vaker betrapt op dergelijke foutjes, wat ze vergeven is want de tientallen wielerfoto’s in de Miroir zijn ieder nummer  van absolute topklasse.

Terug naar de foto. Een kopgroep met acht renners. En wat voor een jachtgroep. Zes van de renners zijn goed voor eenenveertig overwinningen in een klassieker. Toegegeven op het moment dat de fotograaf zijn sluiter indrukte moeten de meesten van deze overwinningen nog komen, maar toch…

En voor de niet kenner: van links naar rechts Jo de Roo met zeven klassiekers waaronder de ronde van Vlaanderen en Parijs-Bordeaux, Jan Janssen met Parijs-Roubaix, dan Bernard Vandekerkhove (schuin achter Janssen), gevolgd door Guido Reybroeck met de Amstel Gold Race, en Ward Sels met de ronde van Vlaanderen. Helemaal rechts Eddy Merckx die  alle klassiekers meerdere keren op zijn naam schrijft.

En dan komen we bij de renner waar dit stukje aan opgedragen is: pontificaal in het midden Walter Godefroot, met twee maal de ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix en Luik-Bastenaken-Luik. Godefroot is afgelopen week op tweeëntachtig jarige leeftijd overleden.

Bron Miroir du Cyclime jaargang 1968.

Emile Georget: Eerste Renner van Col du Galibier

Die ene unieke foto. Gemaakt tijdens de Tour van 1910 en geschoten bij de tijdscontrole in L’Epinal waarin Emile Georget nog even een slok wijn neemt. Heerlijke romantische ongedwongen tijd, en voor eeuwig vastgelegd door die ene onbekende fotograaf die daardoor niet genoeg geprezen kan worden. En dan over Emile.

De man is de eerste renner die de col du Galibier bedwingt. De toenmalige Galibier met z’n kiezel- en geitenpaadjes waar de weg eindeloos de hemel in gaat. Even een héél kleine vergelijking. Schrijver dezes – een krabber in de marge van de wielersport – heeft tijdens de Marmotte een zogenaamde cyclosportif enkele malen deze helse nachtmerrieachtige col beklommen, met in tegenstelling tot 1910 over een mooi wegdek.  Evengoed was het een verschrikkelijke belevenis. Vreselijk…

Emile Georget is nog steeds niet vergeten, met dank aan zijn familie.  Georgets nazaten hebben de verschillende fietsen en andere memorabilia van hun illustere voorvader geschonken aan het Auto Moto Vélo Museum in Chatelleraut. Dat in dezelfde stad ook een straat naar Emile Georget is vernoemd is niet meer dan logisch.

Heraut

Ballen

Vergeet vooral de romantiek want die is ver te zoeken in de Tour van 1906  waarin  René Pottier dé klimmer van dienst is. Pottier op z’n gietijzeren karretje ploeterend,  stumperend en stakkerend  tegen de prehistorische,  gruwelijke Ballon d’ Alsace op. Waarbi je niet in een glazen bol hoeft te kijken om te weten dat hij  tijdens de klim heeft gesproken met God of anders met Jezabel.  

Praten met Hem of met de duivel schijnt garantie te zijn voor ongekende krachten. En als dat niet helpt zijn er nog andere mogelijkheden.  Enfin René  heeft die dag ongetwijfeld z’n ballen vol gegooid met een fiks portie cocaïne, gemengd met cognac en een geklutst ei, en gelijk heeft die.

Over ballen gesproken. Die van Pottier moeten van staal zijn geweest, althans afgaande op bijgaande foto met René in z’n wollen koersbroek waar een zogenaamde zeem ver te zoeken is waarbij we er maar niet aan moeten denken om zo’n broek op de hand te wassen.

Pottier een zwijgende in zich zelf gekeerde man, die korte metten maakte met zijn liefdesverdriet. In 1907 hangt hij zich zelf op in een garage. Pottier is zevenentwintig jaar. Als  aandenken aan die ouwe klimgeit staat op de top van de Ballon d’Alsace een monument herinnerend aan zijn hoogtijdagen.

Maar we gaan nu naar de huidige Tour waarbij we meteen even een open deur intrappen, want de Giro d’Italia is véél leuker. Vooral de laatste editie waar die Sloveen Tadej Pogacar niet aan mee deed.

Pogacar in het hooggebergte is garantie op een solo. Sommigen onder ons spreken dan van pure schoonheid gezeten op een koersfiets wat natuurlijk onzin is. De man is een soort menselijke brommer en oersaai om naar te kijken. Sterker als hij weer eens op hol slaat gaat bij deze blog de televisie meteen uit.

En dan die ene prangende vraag: heeft die Pogacar tijdens zijn explosies ook z’n ‘ballen’ vol hangen? God zal het weten…