Swits

Toprenners, biddend in een kerk. Dat heeft iets aandoenlijks. Maar oogt ook een tikkeltje pijnlijk. Hoewel zo’n coureur zich van zijn zwakste kant laat zien, moet zoiets tóch verboden worden. Want het beeld van een stoere stoemper dan wel gevleugelde klimmer, wordt daarmee aan stukken geslagen. Echte vedetten, hebben  namelijk geen hulp van Hem nodig. Die worden geacht ijzersterk te zijn. Mocht dat laatste aan erosie onder hevig zijn, is daar nog altijd de soigneur met zijn medicijnkast. Laat de stichtelijke hulp, maar over aan de zwakke van geest.

Even ter zijde: wielerkampioenen, de beginselen van Rome aanhangig, waren in hun jeugd dé ultieme misdienaars, wat géén toeval was. Het ‘knechten’, werd op het altaar met de wijwaterkwast en al, er ingestampt. Het is daarom nog steeds een raadsel, dat sommigen wielervedetten aan het seminarium waren ontsnapt.

Ook omgekeerd. Zoals kapelaan Switser, tijdens de jaren vijftig zielenherder in de Sint Nicolaaskerk te Amsterdam. Aan de man was ongetwijfeld een groot wielrenner verloren gegaan. Alles aan Swits, zoals wij de jongens van de geboortegolf hem noemde, was snel.  De broodmagere Switser, de heilige mis zien voordragen, was een adembenemende ervaring. De snelheid waarmee hij door de Roomse riten raasde, ging de verbeelding vér voorbij.  Alleen dáárom al, was Swits bij ons populair. Maar dé absolute heldenstatus kreeg hij, toen wij hem op zijn damesfiets met soepele tred, over de Prins Hendrikkade zagen scheuren. Swits, hoogstwaarschijnlijk onderweg, naar zijn geheime minnares, zoals later bekend werd. De hormonen van Swits, daar kon geen anabolenkuurtje tegenop, laat staan het celibaat.

Enfin, dit stukje gaat over de koers. Om precies te zijn over Jean Brankart, een Waalse renner tijdens de ronde van Frankrijk anno 1956. Brankart, kopman en als enige Franstalige in een landenploeg vol met Vlaamse renners. Dat móest wel misgaan. De taalstrijd was nog lang niet beslecht. Een conflict die Jean een jaar eerder, de eindzege kostte in dezelfde Tour. Jean, op de tweede plaats met uitzicht op het geel kreeg pech. Zonder met de ogen te knipperen, raasde zijn Vlaamse knechten door. Hun kopman verbijsterend achterlatend, die zich later in Parijs terug vond op de tweede plaats op een paar minuten achter winnaar Bobet.

Maar nu was het de Tour 1956, met nieuwe kansen. En of God het zo bedoeld had, de topvorm was weg. Voor de radeloze Jean Brankart restte nog één reddingsboei, de kerk. Waar hij voor een beslissende bergetappe, de Grote Kopman smeekte om een ‘paar goede benen’. Wat niet gebeurde. Jean Brankart eindigde deze Tour, op een kansloze negenendertigste plaats.

Bron: Miroir Sprint, jaargangen 1955 en 1956.

Dansen met de duivel

De beste beslissing uit zijn leven? Dat hij op tweeëntwintig jarige leeftijd stopte met de wielersport. Tiemen Groen hing zijn koersfiets definitief aan de haak. Gelijk had hij. Voor een gemiddelde prof waren  de jaren zestig geen vetpot. De koers met al zijn intriges en combines vroeg niet alleen om een buitengewoon fysiek gestel  maar ook een meegaand, buigend karakter. De Fries Tiemen Groen ontbeerde dat laatste.  De man was rechtlijnig en eerlijk. Zo iemand moest je niet flikken.

Peter Post deed dat wél. Tijdens de ronde van het Bosplan gehouden in het Amsterdam van 1968, zat  Post samen met Groen in een kopgroep. Post, graag winnend in zijn geboortestad vroeg aan Groen of hij het kopwerk wilde doen. Afgesproken was dat Groen, financieel meedeelde in de eindoverwinning. Als je met de duivel danst, krijg je later de rekening. Na de koers kreeg Groen van Post een enveloppe in z’n handen gedrukt. Met daarin een biljet van tien gulden: een schoolvoorbeeld van een renner besodemieteren.

Of dat dé rede was waarom Groen definitief stopte? Ieder geval gaf dat zeker het laatste zetje in zijn beslissing. Over Tiemen Groen’s opkomst is veel gepubliceerd. Dat hij als nieuweling op het circuit van Zandvoort tijdens het nationaal kampioenschap, vijftig kilometer lang voor een voluit jagend peloton uit reed, om met zevenendertig seconden de titel te pakken, behoort tot de algemene wielerkennis. Dat de Friese tempobeul de jaren daarna, vier keer de wereldtitel achtervolging pakte, bezorgde hem de status van legende.

Ook was er teleurstelling. Tijdens de Olympiade van 1964 gehouden in Tokio, was Groen dé gedoodverfde favoriet voor goud. Groen werd uiteindelijk geklopt door de duidelijk geprepareerde Italiaan  Giorgio Ursi, bij wie het schuim op z’n lippen stond. Dat Ursi na afloop niet op doping werd gecontroleerd, is terzijde.

De mysterieuze Tiemen Groen waar niemand vat op kon krijgen, werd na zijn wielercarrière zakenman. De handel in antiek bezorgde de voormalige jachtrijder de status van miljonair. Groen, decennia wonend in Zuid-Afrika, waar hij een terug getrokken leven leidde, overleed eind oktober. Tiemen Groen werd vijfenzeventig jaar.

Bron, onder meer WielerExpress jaargang 2004.

Sjans

De volgorde was: een flesje Perrier, daarna een glas melk. Dat laatste geserveerd door de soigneur van dienst. Per slot van rekening moest de dope geneutraliseerd worden. Melk dus, óf,  zoals het Nederlands Zuivelbureau in de jaren vijftig propageerde, ‘Met Melk meer mans’. (‘en met pik meer sjans’, zoals de jongens van de geboortegolf gevat riepen, maar dat terzijde).

Enfin de Witte Motor, waar een gemiddelde wielersoigneur wel raad mee wist. Want melk was in de fifties, hét wondermiddel om amfetamines uit het lijf te spoelen. Een twijfelachtige theorie.

Probeerde dat laatste maar eens uit te leggen aan Fausto Coppi, een melkdrinker bij uitstek. Vermoedelijk dronk Il Campionissimo, zijn glaasje melk niet voor zo’n  grappige witte snor. Wat preparatie betreft, had de man een zekere status op te houden. En dat gebeurde allemaal tijdens de koers van de jaren vijftig, die van tradities aan elkaar hing. Hoe het begon? Met dat genoemde flesje Perrier, na een Touretappe. Waarvan een beetje renner, deze in één teug achterover klokte.

De koers in de decennia na de oorlog, een tijd inmiddels  ingehaald door weemoed en romantiek. Of dat erg is? Nee. Hoewel de hedendaagse Hollywoodtaferelen, zich afspelend na afloop van een klassieker, je doen snakken naar de no-nonsense huldigingen zoals het ooit was.

Huldigingen, waarbij de winnaar gezoend werd door een lekkere, lokale del, vermomd als rondemiss. En de coureur in kwestie, door morsige kerels op de schouder werd geslagen (Goedverdoeme Pol, da’s waa’n goeie spurt). Bij de Vlaamse kermiskoers begrijpen ze dat wel. Die romantische tijd bestaat niet meer. Inspanningsfysiologen, hartslagmeterspecialisten en marketingrakkers, bij wie de woorden ‘wattages’ in de bek bestorven ligt, namen de koers over. Jammer voor de liefhebber van het ‘oude’, maar een zege voor de renner. Het woeste amfetaminetijdperk, wat óók zijn charmes had, is geweest. Renners met ogen als koplampen, tref je niet meer aan. En de vrijwel onverstaanbare, en woest kijkende West-Vlaamse stoemper, is verworden tot de ideale schoonzoon, die zijn talen beheerst.

Kortom, de koers is gepolijst. En het glas melk? Dát is vervangen door een isotonendrankje! Waarom dat laatste genuttigd wordt, doet het ergste vrezen. Leer mij die soigneurs kennen…

Boom

Duursporters, per definitie onverwoestbare bedtijgers. Bedrijven de liefde tot er stoom uit het matras komt. En de meisjes, niet gek, wéten dat. Daar hoef je echt niet met balsporters,  sprinters, polsstokhoogspringers, laat staan pingpongers, aan te komen. Dat soort sporters kloppen de pijp leeg, voordat de verpakking van het condoom de grond bereikt. In  de eeuwige ranglijst van begeerde duursporters, nam Hugo Koblet een ereplaats in. Hugo had bij de vrouwen een zekere reputatie op te houden. Zeker bij de rondemissen.

Hugo Koblet, wielrenner, lange afgetrainde benen, slanke lenden, én een mooie kop. Een groot wielerkampioen, waar veel over gepubliceerd is. Koblet, afkomstig uit Zürich, als een James Dean op de koersfiets. In 1950 won Hugo de ronde van Italië, en een jaar later die van Frankrijk. Feiten die behoren tot de algemene wielerkennis. Hugo Koblet, man van de kleine versnelling. Een coureur waar de souplesse van afdroop.

Zoals tijdgenoot Gé Peters het in één zin samenvatte: ‘Niemand kon hárder fietsen dan Koblet’. Waarmee Peters de elfde etappe van de Tour 1951 mee bedoelde. Een etappe waarin een kopgroep was ontsnapt, met daarin de Zwitser, tevens favoriet voor de eindzege. Er werd enorm hard gereden om deze groep terug te pakken. Uiteindelijk gebeurde dat; op één renner na, Koblet. Hoewel het peloton een hels tempo ontwikkelde, bleef hij voorop. Met drie minuten kwam de Zwitser over de eindstreep.

Dat was in 1951, toen Hugo, zesentwintig jaar oud, éénenzeventig kilo schoon aan de haak, zijn ereronde reed in het Parc des Princes. Zes jaar later was het verval ingetreden. Koblet, zoon van een banketbakker,  woog drieëntachtig kilo. De flyer, verworden tot een ordinaire hardrijder. Wat aan zijn uitsagen terug te lezen valt.

In 1957 bleef zijn erelijst blank. Koblet koerste niet meer op de weg. Ook mooie jongens, treffen óóit een leeg bed. Getrouwd met famp Sonja Bühl, eindigde zijn huwelijk met een knal. Legendarische lovers als een Koblet, behoren te sterven in drama. Hugo’s vertrek vanaf dit tranendal ging in stijl. Twee november 1964, op een doodstille, kaarsrechte weg, en scheurend in zijn Alfa Romeo, knalde de Zwitser tegen een boom. Hugo Koblet werd nog geen veertig.

Bron: Sport et Vie, jaargang 1957, WielerExpress, jaargang 1991.

Standbeeld

Kleine kapelletjes, uitgestrooid over het vlakke Vlaamse land. Hangplek, waar de heilige Maagd om bescherming wordt gevraagd, en waar een gelovige  mee aan de slag kan. Tussen de vlasakkers staan nogal wat van deze roomse vehikels. Ach wat maakt dat uit, een Mariabeeld meer of minder. Helemaal niet in een streek, waar de koers nooit ver weg is. Per slot van rekening is wielrennen een roomse sport.

Een klimaat waarin een beetje coureur, snel de status van een heilige krijgt. De daden van zo’n renner wordt in de lokale staminee verheerlijkt. Als de drank in de man is, wordt met een pint schuimend bier, op zo’n kerel getoost. ‘Awel, op d’n Jef, opdat hij een standbeeld krijgt’. Goudgele rakkers klotsen tegen elkaar.  Zó moet dat gegaan zijn in de lokale kroeg van Otegem, waar Jef Planckaert z’n domicilie had.

En terecht! Jef Planckaert had niet voor niks, zijn Vlaamse ballen jarenlang geschroeid, op dat smalle harde koerszadeltje. Waarmee hij zijn hondstrouwe supporters, mee in hogere sferen bracht. Jef, wielericoon van de jaren vijftig. Held van de kermiskoers, dokkerend over de kasseien, als een Vlaams symbool van een stoemper. Een archaïsche Vlaamse prof, afkomstig uit West-Vlaanderen. Won koersen als een Omloop van het Volk, Kuurne-Brussel-Kuurne, de Vierdaagse van Duinkerken, werd Belgisch kampioen en niet te vergeten winnaar van Luik, Bastenaken-Luik én Parijs-Nice. Jef won etappes in de Tour de France, de rondes van Luxemburg, Zwitserland en Duitsland. Reed zeven dagen in de gele trui, en werd in de Tour van 1962 tweede achter Anquetil.  

D’n Jef, meer dan elf jaar actief als beroepsrenner. Won zevenenvijftig koersen, en reed voor inmiddels legendarische ploegen als een Wiel’s Flandria en Solo-Superia. In 1965 hing Jef de koersfiets definitief aan de haak. En dan zijn we waar we moeten zijn. Het is 2007, als Jef Planckaert na een slopende ziekte, van dit ondermaanse vertrekt. Twee jaar later werd in het centrum van Otegem een standbeeld van Jef Planckaert onthuld. Vlaanderen heeft zijn helden lief.

Bron: Sport et Vie, jaargang 1958.

Landweggetje

God zegene Tullio Campagnolo, de uitvinder van het versnellingsapparaat.  Waarmee afscheid genomen werd van dat rare, vaste versnellinkje, waar coureurs tot diep in de jaren veertig mee koersten.  Lang leve het ‘buitenblad,’ en laat de ‘dertien’ maar schroeien. Chauvinisme en nationalisme, kun je een Italiaan niet ontzeggen, en gelijk hebben ze. Na de komst van het eerste experimentele ‘apparaat’, – schakelen via de achtervork – koerste daar alleen Italiaanse renners mee.

Ook tijdens de Tour de France 1949. Waar ondanks de innovatie van Tullio Campagnolo,  Fiorenzo Magni, malheur aan  zijn versnelling had: de ketting liep van het voorblad. En nog wel, op zo’n door de wielergoden verlaten, eenzaam landweggetje. Geen hond te ontdekken, laat staan een mecanicien. Fiorenzo mocht zelf depanneren, waarbij ze hem in Toscane hoorde vloeken, want zo zijn die Latijnse coureurs ook wel weer. 

Of  echt niemand getuige was van Magni’s ellende? Ja, die ene fotograaf, én twee kleine jochies. Voor de laatste, een niet te missen kans. Nóóit waren ze zó dicht bij een wielerheld. Ze mochten Magni’s fiets vasthouden, alsof de geluksfee het zo bedoeld had. Voor zo’n jongen een goddelijk moment. Als simpel Frans jochie kun je niet hoger komen.

En schrijver dezes kan dat bevestigen. Want was het niet op die ene woensdagmiddag, ergens halverwege de jaren vijftig? Toen hij in de Amsterdamse Korte Koningsstraat, héél even de koersfiets van Hein van Breenen mocht vasthouden? Hein, z’n banden oppompend, profrenner en deel uit makende van de legendarische Tourploeg onder leiding van de illustere Kees Pellenaars.  

De koersfiets van Hein, een lichtblauw karretje van het merk Nieuwenhoff, gebouwd in een piepklein framebouwerijtje ergens in de Jordaan. Ach waar blijft de tijd. Nieuwenhoff bestaat al lang niet meer, evenals al die andere Amsterdamse  racefietsenateliers, waar je de romantiek van de muren kon schrapen. Hein, en Magni zijn allang niet meer onder ons. En die twee jochies?  Die hadden ongetwijfeld hun leven lang, tot vervelens toe, de kinderen en kleinkinderen lastig gevallen, met dat ene avontuur op dat kleine, door de wielergoden verlaten landweggetje.

‘Ook gij Brutus’

Pervitin, die ouwerwetse boerenjongensdope, die de haarwortels in je kop deden knetteren en de bakkes liet schuimen. Pervitin een methylamfetamine, tijdens de jaren dertig in Duitsland op de markt gebracht. Speciaal ontwikkeld voor de Wehrmacht, die daarmee, ‘onder stoom’, van Berlijn naar Moskou marcheerden. En terug. En aan de huisvrouw was ook gedacht. Speciaal voor mutti was er bij de lokale chocolaterie, een bonbons gevuld met een scheutje Pervitin, verkrijgbaar. Het stofzuigen was nooit zó fijn, als toen. Maar dit stukje gaat over de koers. Speciaal de profkoers van eind jaren veertig. Toen de oorlogsvoorraden Pervitin, zijn weg vond naar het peloton.  Of beter gezegd naar de soigneurs, die daar wel raad mee wisten.

Soigneurs uit de naoorlogse koers, met een reputatie waarbij een middeleeuwse alchemist  begrijpend stond te knikken.  Als handlangers van Merlijn de Tovenaar, wisten deze met hun preparaten van een halve, een hele renner te maken. Vraag niet hoe, maar toch… Dat de Italiaanse renner Fiorenzo Magni dope nodig had, was onwaarschijnlijk. De man had genoeg klasse. ‘Ook Gij Brutus’,  om maar even de juiste Latijnse terminologie te gebruiken. Want ook Magni stond na de koers te schuimbekken, alsof hij een stuk zeep had verorberd.  

Even vertellen over Fiorenzo Magni, een strijder bij uitstek, die als één van de weinige Italiaanse coureurs regelmatig naar Vlaanderen trok, om daar zijn duels uit te vechten. De man, bijgenaamd Il Luppo oftewel ‘de wolf’, won in 1949, en de twee daarop volgende edities, de Ronde van Vlaanderen, mét voorsprong. Tijdens de Tour van 1949 stond de wolf ook op scherp. Zeker in de tiende  etappe San Sebastiaan-Pau, over een paar helse Pyreneeëntoppen, waar Fiorenzo  toesloeg.

Dan volgt de huldiging. Die  Magni, schuimbekkend en hongerig loerend in de decolleté van de rondemiss, over zich heen liet gaan. Waarbij de rondemiss hoogstwaarschijnlijk, Fiorenzo niet goed aangekeken had. Hoe dat meisje Magni had gekust, daar moeten wij maar niet aan denken.

Bron: ‘Drugs in het Derde Rijk’, van Norman Ohler, Momenti Fotografici del Tour 1949, uitgegeven door La Gazzetta dello Sport, jaargang 1949.

Overtreffende trap

Andrea Carrea, een tot slaaf gemaakte Italiaan.  Of, zoals het in het Italiaans zo mooi klinkt, gregario, een  waterdrager voor zijn kopman. Als profrenner had Andrea zijn knokige lijf, volledig in dienst gesteld van Fausto Coppi, die in het Italië van de jaren vijftig een  treetje lager stond dan de Here zelve. Welke gelovigen Italiaan wil die nou niet dienen? Of Andrea daar mee zat?  Waarschijnlijk niet. De man wist niet beter.

Opgegroeid in het feodale Italië van vóór de oorlog, waar de mores werd bepaald door Mussolini én de Roomse Kerk. Doe maar wat je opgedragen wordt jongen, en wijk vooral niet van de geestelijk uitgezette paden af. En als zo’n jongen tóch ontsnapt was aan de aandacht van mijnheer pastoor en de plaatselijke fascistenleider, dan was er nog altijd zijn moeder. Zo’n dominant Italiaans wijf, waar filmmaker Federico Fellini in z’n films, een patent op had.

Geestelijk getormenteerd en geconditioneerd, werd zo’n  jongen  later dé ideale wielerknecht, waarvan Andrea de overtreffende trap van was. De anekdotes over Andrea’s onderdanigheid jegens Coppi, is stuitend maar ook weer wel fascinerend. Dat Andrea tijdens de Tour van 1952, onverwacht de gele trui pakte, en dezelfde avond huilend bij Coppi zijn excuus daarover maakte, behoort tot de klassiekers in de wielerverhalen.   

Andrea Carrera’s onderdanigheid – waarvan de superlatieven over elkaar heen buitelen, – valt samen in die ene prachtige foto, ooit geschoten tijdens de Giro d’Italia.  Fausto Coppi gevallen, met als resultaat een krom voorwiel.  Voor Coppi geen probleem. Z’n hondstrouwe helper Carrea was er als de kippen bij om zijn voorwiel aan Il Campionissimo af te staan.  Met het peloton ijlend uit het zicht, en nagekeken door Andrea Carrea. Bij de laatste spatte de tragiek, wanhoop en eenzaamheid uit diens ogen.

Andrea Carrea, tien jaar profrenner, met vijf gewonnen koersen en één gele trui in z’n kledingkast, trok op achtentachtigjarige leeftijd ter hemel. Waar hij ongetwijfeld blij ontvangen werd, door de Grote Kopman himselve.

Bennie

Het is tegen negen uur in de avond. Als bij de ronde van Leidschendam de bel luidt, voor de laatste ronde. Voor de coureurs hét sein om hun instinkt te volgen. Ideale sprintposities worden  dringend en wringend, ingenomen. De ronde van Leidschendam, gehouden op een lome zomeravond ergens in juli 1971.  Zo’n ordinair straatrondje, waarvan er wekelijks tientallen werden gehouden, en waar uit de speakers, het geneuzel van de microfonist klinkt. Het gespannen publiek wachtend op wat komen gaat, massaal op de trottoirs.

Dán gaat het mis. Tussen het publiek hangt een meisje iets té ver voorover. Renners botsen tegen haar op. Na de chaos van gekreukelde fietsen en gebutste renners, blijft één coureur bewusteloos achter op het asfalt. Om even later afgevoerd te worden naar de Ursulakliniek in Wassenaar. Waar om kwart over tien in de avond, Bennie Jurriaans komt te overlijden. Bennie werd negentien jaar.

Bennie Jurriaans, – op dat moment één van de beste en talentvolle wielrenners van dit land, – geboren en getogen in Amsterdam-Noord. Opgegroeid in het Floradorp, een van oudsher volksbuurt. In het Amsterdamse wielerwereldje, voelde het overlijden van Bennie als een mokerslag. Bennie, lid van wielervereniging GGMC, werd begraven op het Noorderkerkhof,  een boogschot afstand van zijn geliefde buurtje.

Drama’s blijven beklijven. Ook al vond het een halve eeuw geleden plaats. Of tijd alle wonden geneest is twijfelachtig. Ieder geval niet bij Bennie’s familie en vrienden.

Jan Legrand gaf college

Jan Legrand vijlend aan een fietsstuur

‘Mijnheer ik hoorde dat U vroeger veel wielen had gemaakt. Heeft U voor mij nog een goede tip, of kunt U mij vertellen hoe U deze maakte’. In de werkplaats van fietsenzaak Segrijn en Van Wees viel er  een stilte. Het was alsof een zondagsschilder aan Rembrandt vroeg, hoe deze een schilderij maakte. Maarten, de jongste bediende, een fietsenmaker in opleiding had zojuist zijn vraag gesteld aan een oudere man, die aan de werkbank stond te vijlen aan een fietsstuur.

‘Jongen’, antwoordde deze vaderlijk, ‘Je doet een beetje zus, en dan een beetje zo. En vergeet vooral niet’, zo ging de oude, voormalige wielenmaker verder, ‘Om er héél veel liefde er in te steken. Dan komt het helemaal goed’. Maarten bedankte de oude man. Nadat de laatste de zaak had verlaten, vroeg de verbaasde Maarten aan z’n baas, wie die ouwe was. ‘Jan Legrand’, antwoordde Ric van Wees. ‘En als je wil weten wie dat is, moet je even op internet kijken’. Maarten de jongste bediende, had zojuist een kleine college wielenmaken gekregen van Jan Legrand, de mystieke, mecanicien van de legendarische wielerploeg Raleigh.

Legrand, ooit bezeten van z’n vak. Die tijdens zijn Raleightijd, letterlijk dag en nacht daar mee bezig was. Die altijd op zoek was naar innovaties van de koersfiets, en die na het eindigen van de Raleighploeg, rigoureus kapte met alles wat wielrennen was. Legrand bezocht nóóit meer een wielerkoers, wilde met het hele wielerwereldje niets meer te maken hebben. Zelf gaf hij nooit opheldering over het hoe en waarom.  Legrand, wonend aan de Linnausparkweg in Amsterdam, trok zich terug op zijn buitenverblijf in Portugal. Om enkele keren per jaar terug te keren naar zijn thuisbasis in de Watergraafsmeer. Waar ook de fietsenzaak van Segrijn en Van Wees domicilie heeft.

Hoewel Legrand gekapt had met het wielrennen, was hij altijd geïnteresseerd in ‘de fiets’. Bij Segrijn en Van Wees mocht hij graag komen. Even een praatje maken. Of, om zelf even aan zijn eigen vouwfiets te sleutelen, waar hij van Van Wees en Segrijn alle vrijheid voor kreeg. Tijdens één van Legrands sleutelsessies, vertelde hij aan Van Wees dat hij zich geen mecanicien voelde, maar fietsenmaker. Jan Legrand een ras-Amsterdammer, een bescheiden, integer mens, stierf afgelopen week op vijfentachtig jarige leeftijd.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: