Waarom ik?

In het zweet des aanschijn zult Gij Uw brood verdienen. Of de man Bijbelvast was, is niet bekend. Wél dat hij af zat te zien in het kwadraat. Het was lijden, mooi van lelijkheid.  In een  decor van slijk, viezigheid, los steenslag, overgoten met regen.
Een modderpad, als een kerf  uitgesneden op de coll d’ Aubisque, die als een puntje in de regenwolken verdwijnt.  De tijden van de sierlijke Colombiaanse klimkoningen, die heupwiegend, trippelend, met zonnebrillen als filmsterren op een hightechfietsje zo’n berg opvlogen, dat kwam in 1932 alleen voor in proefschriften van knotsgekke geleerden. Tijdens de Tour de France 1932, deed André Leducq het noodgedwongen, op een loodzwaar karretje met maar één versnelling.
Leducq, aluminium bidon met koffie, cognac, een paar geklutste eieren en een snuifje coke, oogde als een lijk dat omhoog getakeld werd. Stampend en stumperend over het modderige geitenpad. De blik naar beneden gericht. Omhoog de berg opkijken  gaf suïcidale neigingen. Anders deed het wel het moraal, dat rare wielerbegrip, wegsmelten. De etappe Pau-Luchon met ondermeer de gevreesde Tourmalet én de coll d’ Aubisque,  over 229  kilometer. Waar Leducq,  als niet klimmer urenlang met de Heer zat te praten. ‘Waarom ik Heer’, waar heb ik deze pijn aan verdiend’, flitste het door zijn hoofd? ‘Omdat jij de gele trui moet verdedigen sukkel’,  hoorde Leducq in een trance.
Op het moment dat de Fransman zich afvroeg  of hij écht een antwoord van Hem had gehoord, staat die Antonin Magne, Tourwinnaar van het jaar daarvoor, aan de kant van het pad.  ‘Allé André, je bent bijna boven’, loog Magne al rennend, die al lang blij was dat deze beker dat jaar aan hem voor bij ging.
Enfin, de Heer én de aanmoedigingen van Magne, ten spijt,  André Leducq won evengoed de Tour de France 1932.

Bron: Le Miroir des Sports, jaargang 1932.

Peter R.

Moord, doodslag, bedrog en dope. Dé ingrediënten voor een goed wielerverhaal. Dat Ottavio Bottecchia in 1924 en een jaar later de Tour won is aardig voor de statistieken. Dat de man bovendien ook nog eens dertig gele truien mee nam naar zijn dorp Friuli, Italië, dat was leuk voor hem. Maar dat Ottavio op een gewelddadige en geheimzinnige manier aan zijn einde kwam, dát bezorgde hem pas een plekje in de eeuwige cultgalerij.
Er gaat geen Tourstart voorbij, zonder dat Ottavio’s dood gememoreerd wordt. Wat geheimzinnigheid betreft, mocht die er wél zijn. Tot op de dag van vandaag is zijn dood nooit opgehelderd. En dat is maar goed ook. Stel je voor dat het een zogenaamde cold case gaat worden. Of nog véél erger, dat die Peter R. de Vries zich er mee gaat bemoeien. Je moet er toch niet aan denken. Deze moord mag namelijk nóóit opgelost worden. Want daarmee beroof je niet alleen een prachtige wielerlegende, maar ook Ottavio’s cultstatus.
Hoe de crimesetting van zijn dood was, dát behoort tot de algemene wielerkennis. En voor degene pas lid van de heilige wielerkerk: in juni 1927, tijdens een trainingstochtje kwam Ottavio niet meer thuis. Niet ver van zijn huis werd de voormalige Tourwinnaar in een wijngaard gevonden, met een ingeslagen schedel. Zijn fiets stond keurig tegen een boom geparkeerd.
Waarmee tot de dag van vandaag de vraag gesteld is wie de dader was. Tevens de aftrap voor de toenmalige complotgekkie’s met hun wilde theorieën. Zo werd Ottavio’s schedel ingeslagen door de fascisten van Mussolini. Ottavio, een vurig socialist wat hij ook liet merken. Ook meldde zich die ene ouwe boer, een streekgenoot van Ottavio. De man lag op sterven, voelde zijn einde naderen.
Hét sein om de pastoor te laten komen. En laat die boer, tijdens z’n biecht de pastoor nou toevertrouwen dat hij Ottavio Bottecchia gedood had. De man, eigenaar van het plaats delict want die wijngaard, had Bottecchia betrapt bij het stelen van druiven, en had vervolgens een steen naar zijn hoofd gegooid…
Dan is het 1973, als het stripalbum Heldenepos van de Ronde van Frankrijk verschijnt, getekend door de gereputeerde Yves Duval. De laatste duidelijk geen wielerkenner, gaf aan het ‘verhaal Ottavio’ zijn eigen draai. Duval, duidelijk een man van het betere horrorgenre liet Bottecchia sterven met een hooivork in z’n borst gestoken. Buitengewoon eng is de cartoon van de biecht. Een pastoor met een gulzige, hongerige blik, die vanuit  het donker spookachtig opduikt. In zijn hand een lichtgevend kruis. Dat gun je geen mens, zelfs een moordenaar niet…

Bron: Le Miroir des Sports jaargang 1925, Foto: Botteccia arriveert als eerste op de col de I’Izoard.

Revolver

Het kon niet mis gaan. Aan alles was gedacht.  Het materiaal waarop gekoerst werd, behoorde tot het meest geavanceerde van die tijd, waar de concurrentie alleen maar van kon dromen. Zoals wielen met uitklapnaven. Een wiel wisselen was een kwestie van enkele seconden. Het gesodemieter met vastzittende vleugelmoeren waar zo’n wiel mee in de vork zat, was voorbij.  Een privésoigneur, ene Biagio Cavanna,  stond tot zijn beschikking. Dat Cavanna, een visueel gehandicapte,  daardoor een  mythische status mee verwierf, was voor hem mooi meegenomen. De man had gewoon mazzel  dat hij één van de meest talentvolle wielrenners ooit, op zijn massagetafel had.
Fausto Coppi, moest dan  ook de Tour de France, anno 1952 winnen. Met minder nam Italië geen genoegen. Coppi’s ploeg was op feodale wijze samengesteld. Dat dát vér ging, was een jaar eerder in diezelfde Tour te merken. Coppi’s knecht, Serafino Biagnioni, greep per ongeluk de gele trui. Van de foto’s, gepubliceerd in de toenmalige Franse sportbladen, bezorgen je nog steeds plaatsvervangende schaamte.
Foto’s van Biagnioni, gehuld in zijn gele trui, die huilend om vergeving smeekte bij zijn kopman, die hem minzaam een hand gaf. Over Coppi, inmiddels een cultheld, is genoeg gepubliceerd. Blijft over de bijzondere foto’s, zoals dié ene geschoten tijdens de zesde etappe Metz-Nancy, een tijdrit over zestig kilometer in die bewuste Tour 1952.
Waarin Il Campionissimo een lekke voorband kreeg. Een lekke band in een tijdrit, een horrorscenario voor een klassementrenner. Ook voor die ene mecanicien, die hoogstwaarschijnlijk tot aan zijn dood, niet alleen een trauma, maar ook nachtmerries aan over hield. Tevens het moment van die ene onbekende fotograaf van Miroir de Sport die daarvan een onvergetelijke foto van maakte. Coppi,  alvast zijn voorwiel uit de vork gehaald, kreeg van uit de materiaalauto gesprongen mecanicien hulp. In plaats van een voorwiel had de mecanicien een achterwiel in z’n hand.
Het moment waarop Fausto Coppi zijn emoties rauw liet gaan. Met een, ‘Geef mij een revolver, dan schiet ik die idioot dood’.   Of dat Latijnse emoties waren of echt gemeend was, is nog steeds de vraag. Enfin, de rest is geschiedenis, Coppi won niet alleen die tijdrit maar ook deze Tour. Hoe de carrière van die mecanicien verlopen was, daar moeten we maar niet aan denken…

Bron: Miroir de Sports, jaargang 1952.

Voor het stripalbum, ‘Heldenepos van de Ronde van Frankrijk’, uitgegeven in 1973, was het wielincident belangrijk genoeg voor een cartoon.

Halfgare (2)

Met vijf monumentale wielerklassiekers op je palmares,  dan mag je plaats nemen in het rijtje mythologische helden. Jo de Roo had dan ook zijn plekje in deze heldengalerij ingenomen.  Ook op een ander vlak blijkt De Roo een levende mythe  te zijn.
Jan Zomer, auteur van de Wielerexpress, een jaarlijks door Zomer  volgeschreven boekje met prachtige wielerverhalen, had daar ooit een staaltje van meegemaakt.
Zomer, inmiddels zo’n zestig jaar lang ‘wielerrenner bij overtuiging’, was een paar jaar geleden met z’n  vrouw op Mallorca. Racefiets mee, om iedere dag een stukje te fietsen. Tijdens één van deze ritjes komt  opeens een ploegje renners hem tegemoet. Hoort hij de ene tegen de ander zeggen: ‘Hé, kijk’, wijzend naar de helmloze Zomer, ‘Dat is vast familie van Jo de Roo’.  
Jan Zomer beseft dat fietsen zonder helm niet zo slim is. Ondanks alle opmerkingen en commentaar van de ‘gehelmden’,  gelooft  hij dat wel.  

De helmloze  Jo de Roo op kop. Foto: Mia van Dongen.

Halfgare

De zondagen van april, héilige dagen,  in gepaste devotie voor de televisie door gebracht. Een flesje Hertog Jan onder handbereik. De ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix  en méér staat namelijk op de kalender. Dat was vroeger. Voor dat dat  enge virus toesloeg. Geen klassiekers dit voorjaar. Laat staan de Giro d’ Italia, met afstand  de allermooiste koers.  
Nostalgie naar de Ronde van Vlaanderen, zoals die van  1965. Verreden in helse, Bijbelse weersomstandigheden.  Een koers voor onbarmhartige kerels, met als credo ‘pijn is fijn’. Mannen die opleven  bij dat soort wolvenweer, zoals voormalige kasseienstoemper Dirk de Wolf dat zo mooi kon verwoorden.
Kerels als een Jo de Roo en Ward Sels. Vooral de laatste. En nee, er volgt  geen wedstrijdverslag, noch wordt de  doopceel van Sels en De Roo gelicht. Daar is al zoveel over gepubliceerd. Hier gaat het om de foto. Met Sels en De Roo, op stalen koersfietsen, zoals een koersfiets behoort te zijn.  
Sels en De Roo koersend voor lijf en leden, zónder helm, maar wél met een koerspetje, achterstevoren. Stoere kerels met magere koppen, waarvan je haast zeker weet dat ze bij een valpartij de kasseien kusten, om vervolgens hun fiets op te rapen.
Was  het niet diezelfde Sels, die ooit een week voor een ronde van Vlaanderen, grasmaaiend op de boerderij van zijn vader, met een vlijmscherpe zeis in zijn kuit hakte? Om een week later van start te gaan in Vlaanderens mooiste. Ik bedoel maar. Sels en De Roo, om hun pols het klokje, verkregen bij de eerste plechtige communie, of van een liefde. 
Jo de Roo,  inmiddels tweeëntachtig jaar, maakt op z’n stalen koersfiets nog dagelijks zijn rondje.  Zonder valhelm. Wat dat betreft is de man strak in de leer.
Sportschrijver Frank Heinen denkt daar anders over. Volgens hem behoren renners zonder valhelm tot de categorie ‘halfgare’. Heinen had dat onlangs gepubliceerd in HP/De Tijd.  Jo de Roo, man vele veldslagen gehouden op de kasseiwegen van Vlaanderen en Noord-Frankrijk, en ook nog eens winnaar van – inderdaad boven genoemde – ronde van Vlaanderen, maar ook Bordeaux-Parijs én de ronde van Lombardije, heeft daar natuurlijk geen boodschap aan. Helden laten zich namelijk niet de les lezen.

Grandeur

Geen rangen en vooral geen standen. De Tour de France is voor het volk. Ook  die van 1960, wat tevens een mooi jaar was. In Frankrijk wel te verstaan. De Franse Republiek, aangevoerd door monsieur le president De Gaulle, bij wie enig nationalisme niet vreemd was. ‘Frankrijk kan Frankrijk niet zijn, zonder zijn grandeur’, was één van zijn uitspraken. Dat was wáár.
Want opeens was daar Brigitte Bardot, ontworsteld aan de benauwende jaren vijftig en zojuist de sixties binnen gehuppeld. Bardot,  een frivole, sexy stoeipoes, met als bijnaam BB, waar hele generaties  potente  jongens, ontsnapt aan de aandacht van ouders én mijnheer pastoor, met overdreven ijver haar afbeelding aan de muur van hun jongenskamer prikte. Garantie voor  woeste fantasieën. Wat er vervolgens in die jongensbedden gebeurde moeten we maar niet aan denken.
Frankrijk 1960,  waar de leden  van terreurorganisatie  OAS, voor het eerst het handboek ‘Hoe knutsel ik een plasticbom in elkaar’, ter hand namen:  beoogde doel,  president Charles de Gaulle. De jongens van de OAS, duidelijk aanleg voor het helse, brachten een jaar  later hun geleerde in de praktijk. In september 1961 ontplofte in een wegberm een dertig kilo zware bom, gevuld met vijftien liter napalm. Waaraan De Gaulle, in zijn Citroën wonderlijk en ongedeerd aan ontsnapte.
In dat geharnaste lijf van monsieur le President, een gewezen oorlogsheld, bleek ook maar een gewoon jochie schuil te gaan. Dat hij Brigitte aan de muur van z’n slaapkamer  had hangen is onwaarschijnlijk. Wél  dat hij via de media de Tour volgde. Zaterdag 23 juli 1960, had hij in zijn agenda met rood omcirkeld. Op deze door God aan de president geschonken dag, trok de Tourcaravaan door zijn dorpje Clombey-Les-Deux-Eglises, en langs het huis van Frankrijks eerste burger.
‘De Tour is genadeloos en wacht op niemand’, wat een stoffig, maar waar cliché is.   Laat staan dat er zomaar gestopt wordt. Behalve voor de eerste man van de Vijfde Republiek. De Gaulle tussen het volk, en beschermd door twee gendarmerie nationale, die je onbewust aan films van Inspector Clouseau doen denken, audiëntie verlenend aan de renners. Waarvan sommigen, uit misplaatste eerbied hun koerspetje voor af deden, door De Gaulle duidelijk gewaardeerd. Met een Vive La France  zegende hij vervolgens het koersende volk.
Met enige fantasie is Charles De Gaulle met een geharde Tourrenner te vergelijken. De man overleefde maar liefst eenendertig moordaanslagen. Probeer dát maar eens te evenaren.  De Gaulle stierf uiteindelijk, zittend in zijn lievelingsstoel op tachtig jarige leeftijd. 

Bron: Le Miroir des Sports, jaargang 1960, Biografie Charles de Gaulle.

Gaat ongetwijfeld goed komen

Afgelopen januari tekende Enzo Leijnse  18 jaar, een contract bij de prestigieuze opleidingsploeg van  Sunweb. Een jongensdroom kwam uit. De scouts van Sunweb,  een scherp oog voor talent, zien in hem een ongeslepen diamant. Met dank aan de snoeiharde tijdrit die Leijnse in de benen heeft. Zijn optreden tijdens het Europees- én wereldkampioenschap, vorig jaar, zorgde voor de nodige sensatie. Bij de strijd om de wereldtitel tijdrijden, had hij heel lang zicht op de wereldtitel.  Om met een paar seconden verschil, uiteindelijk met de zilveren medaille naar huis te gaan.
Enzo Leijnse, sinds het vroege voorjaar intern in Limburg, waar hij samen met zijn ploeggenoten wordt voorbereid op het komende wegseizoen. Voor tijdrijder Leijnse is een speciaal trainingsprogramma opgezet met doel de Nederlandse titel tijdrijden.
De uitbraak van de coronacrises gooide alles in de war. Koersen zijn tot eind augustus opgeschort.  Leijnse, evenals al zijn ploeggenoten werden naar huis gestuurd. Waar hij inmiddels in de polders rondom zijn woonplaats iedere dag op zogenaamde wintertrainingsschema’s zijn conditie op peil houd.   Enzo Leijnse houd evengoed zijn moraal op peil.  Al was het alleen maar het fietsmateriaal waar hij nu op rijdt. Reed hij vorig jaar nog op een oude, opgelapte koersfiets, nu staat  de garage van zijn vader vol met hightech materiaal.
Dat het profbestaan hard en onvoorspelbaar is,  weet hij inmiddels ook. Amper was de inkt van z’n contract opgedroogd, of er werd bij huize Leijnse aangebeld. S ’Morgens om zes uur wel te verstaan. Dopingcontroleur op de stoep. Wat een gepensioneerde Limburgse huisarts bleek te zijn, die Leijnse   uitgelegde dat iedere neoprof direct zijn plasje moet inleveren als de zogenaamd ‘nulcontrole’.
Van Enzo Leijnse begeleidt door oud-prof Roy Curver, wordt verwacht dat hij op een positieve manier de naam van zijn sponsor uitdraagt.  Knalde hij vorig jaar tijdens trainen nog wel eens door een rood stoplicht, nu wordt gewacht. Net als iedere wielerliefhebber hoopt Leijnse komende augustus weer aan de start van een koers te staan. Met Leijnse gaat het ongetwijfeld goed komen.

Boulevard der Verdriet

Piepende remmen. Lucht van verschroeid rubber. Krakende koersfietsen. Het zachte, weemakende geluid van schedels op hard steen.  Dan stilte! Onderbroken door gekreun. Geen ploegleider te ontdekken. En het peloton ijlt in de verte door.
Op de Boulevard der Verdriet krijgt ieder zijn deel, en wordt er géén onderscheid gemaakt. Maar wél toevallig dat het altijd de schlemielige knechten betreft.  Giuseppe Fallarini en Maurice Lavigne, broeders in het leed. Fallarini, een  bloedende hoofdwond,  door mannen met alpinopet van het asfalt geschraapt. Giuseppe vierentwintig jaar, afkomstig uit Piëmont, Italië.  Maakte als renner ondermeer reclame voor inmiddels legendarische ploegen als een Molteni, Bottecchia en Ignis-Frejus: voor de originele shirts, zijn hedendaagse verzamelaars bereid  om daar  een nier voor af te staan.
Een wetenschap die  Giuseppe op dat moment gestolen kon worden. Tijdens de zevende etappe van de Tour, anno 1958 had de man andere zorgen. Duizelig en wankelend zocht hij de restanten van zijn Frejusfiets. Het moet een deerniswekkend gezicht zijn geweest om Giuseppe Fallarini, zwaaiend op z’n karretje weg te zien rijden.
Dan was er ook nog Maurice Lavigne, een modale knecht, uitkomend voor een regionale Franse ploeg. Ach gossie, die Maurice, als Lord Wanhoop gesneuveld op boerenlandweggetje.  Dat moet die ene anonieme vrouw ook gedacht hebben. Zo’n moedertype overlopend van empathie, die al het leed van de wereld op haar schouders neemt. Madam Anonyme, met zo’n  typische jaren-50 haarkapje deed wat ze kon doen.
’Ach jongen toch, heb je zoveel pijn…’?, lispelde ze ongetwijfeld haar troostende woordjes. Waarbij ze natuurlijk aan de moeder van Maurice moest denken.
Maurice Lavigne en Giuseppe Fallarini , twee onbekende knechten wiens namen voortleven in de  bijschriften van twee wondermooie foto’s gepubliceerd in de Miroir de Sprint 1958. Jongens die evengoed hun kleine deel uit de wielerkoek wisten te peuzelen.
Giuseppe acht jaar prof, won acht koersen. Maurice Lavigne had het na drie jaar met zes gewonnen koersen wel bekeken. Dat de Engelsman Brian Robinson de etappe won is ter kennisgeving. Aardiger is dat Maurice Lavigne drie jaar geleden, op zevenentachtig jarige leeftijd zijn laatste adem uitstootte.
Iets waar Giuseppe Fallarini nog niet aan toe is. De man is met zijn zesentachtig jaar nog steeds onder ons.

Bijbelse Tijden

De iconische jaren zestig, waarin de haan van de revolutie zich schor kraaide. Een decennia van  opstand, vrije seks , drugs, babyboomers die zich warm liepen, en woeste meiden die baas in eigen buik wenste te zijn.  Neil Armstrong maakte zijn eerste sprongetje op de maan, Martin Luther King mobiliseerde zwart Amerika,  en de jongens en meisjes van Provo hielden hun  happenings op het Amsterdamse Spui.
En natuurlijk  de muziek. De Rolling Stones,  Pretty Things en nog een rits obscure Engelse bandjes schokte de bourgeoisie, met hun ruige uiterlijk en dito muziek.  Dat laatste,   schaamteloos gejat van onder meer Chuck Berry, Bo Diddley, Muddy Waters en andere godfathers  van de rock ’n roll en blues. De Sixties, een wilde romantische tijd waarin de heilige huisjes flink omver geschopt werden. Alle heilige huisjes? Natuurlijk niet.
Het echte, ruige, woeste leven vond plaats op de Vlaamse en Noord-Franse kasseien. Waar de koers nog steeds de koers was, waarbij  drugs, intriges, en verraad hand in hand gingen. Zoals  Parijs-Roubaix editie  1967,  nog gevrijwaard van de hedendaagse massahysterie, waarin live televisie-uitzendingen een utopie was. De Hollandse wielerliefhebber was aangewezen op de rechtstreekse radio-uitzendingen verzorgd door de BRT.
De BRT met verslaggevers als een Piet Theys en Marc Uytterhoeven, die vooral oog hadden voor de Vlaamse renners, wat logisch was. De Nederlandse media, met een lullig verslagje op Sport in Beeld,  zondagavond uitgezonden, hobbelde daar uren later  achter aan.
Goddank was er de Miroir des Cyclisme, gedrukt in fullcolour, door schrijver dezes maandelijks gekocht bij de boekhandel op het Damrak, voor het astronomische bedrag van acht gulden. Maar dan kréég je ook wat. Paginagrote foto’s van genoemde  Parijs-Roubaix. Waarin de namen van de helden, gehoord op de buizenradio, een gezicht, in paginagrote foto’s kregen. Wát een verschil met  die enkele grofgerasterde foto in de Volkskrant dan wel De Telegraaf.
De foto’s van Parijs-Roubaix, gepubliceerd  in de Miroir, waar het modder en zweet van de pagina’s af ketsten. ‘Platen’met kerels, gehuld in wollen shirts, koersend op stalen karretjes, balancerend op de rug van de Hel. Ongeneerd gevolgd door een rits motoren. Mannen als een Ward Sels, Gianni Motta, Thuur Decabooter, Willy Planckaert en Rudi Altig, en natuurlijk de latere winnaar Jan Janssen.  
De Miroir bestaat  niet meer. En alsof het een verhaal uit het Oude Testament  betreft, heeft de horror van het coronavirus  Parijs-Roubaix in z’n wurggreep. Voorlopig geen koers meer. Het zijn Bijbelse Tijden…  

Tegenpolen

De pioniers van het fietsen, want jong, wild en avontuurlijk. Jongens lid van de Adrenaline Sekte. Op de wielerbanen zochten ze  de grenzen van het bestaan op. Het moest snel, sneller, allersnelst. In 1898 viel de tandem nog in de categorie ‘snel’.   Zeker op de wielerbaan van München. Waar Taddy Robl met Gustaf Freudenberg een combinatie vormden op de tweezitter. Voor Robl, links op de foto ging de tandem nog niet snel genoeg. Nadat twee jaar later de eerste gangmaakmotor op de wielerbanen zijn opwachting maakte, maakte Taddy de overstap. Met succes. De man werd twee keer wereldkampioen bij de profstayers. Robl tot  rond 1909, één van de sterkste stayers ter wereld, en verdiende daarmee letterlijk goudgeld. Wat hij ook weer even snel er door heen jaagde.
Wat dát betreft was Freudenberg zijn tegenpool. Die had zo zijn bedenkingen tegen het gejakker achter die motor. Waar ongetwijfeld het aantal dodelijke stayersongelukken bij gedragen hadden. Terwijl maatje Robl van het ene succes naar het ander ijlde, ontwikkelde Gustaf zich tot redelijk sprinter,  wat wel zo veilig was. Veilig? Dat het lot van Robl uiteindelijk  bezegeld was, daar  was geen ontkomen aan. Maar dat van Freudenberg…
Dan is het 29 april 1906, als op de wielerbaan van Maagdenburg een groot sprinttoernooi gehouden wordt. Tijdens één van de manches, in volle sprint met kop onder het stuur, klapt der Gustaf tegen een aan de balustrade geparkeerde gangmaakmotor. Met slagaderlijke bloeding in zijn linkerbeen werd Gustaf, 30 jaar, naar het krankenhaus vervoerd. Waar hij enkele uren later de geest gaf. Het woord wrang, is een gotspe, want dát uitgerekend Gustaf, bang voor alles wat met stayeren te maken had, sterft door een verkeerd geparkeerde gangmaakmotor.
Voor maatje Robl, aanwezig bij de begrafenis van z’n vroegere maat Freudenberg, was het stayeren nog niet link genoeg. De man knutselde in 1910 van linnen, houten latten en bijeengehouden door pianosnaren een vliegtuigje in elkaar. Waar hij op 18 juni, hoog vliegend boven Stettin, opeens zijn motor hoorde stoppen. Taddy werd 33 jaar.
Gustaf Freudenberg en Taddy Robl, echo’s uit een vér verleden. Behalve bijgevoegde zeldzame fotootje, zijn die jongens zijn allang vergeten.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: