‘Gooien de eerste pil…’

De jaren vijftig en zestig, met dat ene  grote probleem: waar  moesten wij, de jongens van de geboortegolf onze wielerkennis vandaan halen? De koers live op de televisie? Utopie. De Nederlandse televisie met zijn twee kanalen, lulligheid in het kwadraat. Wat al begon met die in stijfsel gedrenkte  omroepsters. Om laat  op de avond te eindigen, bij een zekere pater Leopold Verhagen, een geharnaste, roomse rakker, die voor de KRO de avondsluiting deed. Mijn god,  dat  geprevel van die man, waar niemand ene ruk van begreep.

Gelukkig was er een reddingsboei, ons iedere maand toegeworpen: de Miroir du Cyclisme, hét Franse wielerblad, barstensvol foto’s van de koers. Van het opgespaarde zakgeld, gekocht bij Van Gelder, dé kranten- en tijdschriftenzaak van Amsterdam.

De Miroir du Cyclisme,  edities uit de fifties en sixties, waarin je struikelt over foto’s van Rik van Looy. Dat de man alle klassiekers won, en twee keer wereldkampioen was, behoort tot de algemene sportontwikkeling. Over de Keizer van Herentals, wat z’n bijnaam is, is genoeg gepubliceerd. Deze blog waagt zich daar dan ook niet aan. Wél over de  onbekende details, regelmatig opduikend in de krochten van de wielerjournalistiek. Zoals dat Van Looy wel eens ‘wat’ gebruikte. Wat behoorde tot de mores van het vak. En buiten dat, staat er in de Wielerbijbel niet geschreven: ‘Hij die zonder dope zijt, gooien de eerste pil’?  Gezien Van Looy’s huidige conditie, de man is achtentachtig, geestelijk en lichamelijk nog perfect, zal dat wel meegevallen zijn.

Dan is het 1968. Van Looy, inmiddels vijfendertig jaar, met een prachtige conduitestaat, waaronder de twee wereldtitels en op één na, alle gewonnen klassiekers. Behalve de Waalse Pijl, die ontbrak nog.  Waar de Keizer zijn laatste kans kreeg. D’n Rik, in een fluwelen stijl, gebeiteld op z’n fietsje,  op weg naar de eindstreep. Stuurcommandeurs in de aanslag. De ketting op ‘de 54’. Paginagroot afgedrukt in de Miroir. Met naast hem de tweeëntwintig jarige Franse prof José Samyn.

Rik van Looy, pakte de Waalse Pijl, én de bloemen. José Samyn tweede,  restte een graftak, waar hij nog een jaar op moest wachten. Tijdens de kermiskoers gehouden in het Vlaamse Zingem, verongelukte José Samyn dodelijk. José werd drieëntwintig jaar.

Bron: Miroir du Cyclisme, jaargang 1968.

Een fenomeen is vertrokken

Gisteren is Herman van Bruggen overleden. Herman was een fenomeen. Een levende legende. Herman had namelijk  een latent erotische relatie met de stopwatch. Voor de man was de tijdrit een vorm van geloof. Alles stond bij hem daar voor in het teken.

Zo’n tien jaar geleden werd hij in Sankt Anton, Oostenrijk, vijfenzeventig jaar oud, wereldkampioen bij de veteranen. Schrijver Tim Krabbé, had zijn  eindtijd ooit uitgerekend, en kwam tot de conclusie dat menig jonge amateur daar niet aan kwam.

Tot zo’n twee jaar geleden raasde Herman, op een strak tijdritschema zijn dagelijkse rondje af. Op een fietsje uitgevonden in een ruimtevaartlaboratorium, en zónder valhelm. Hoofdbescherming is voor mietjes, riep Herman.  Hooguit een koerspetje op. Of een bandana.

In zijn boek ’42 Wielerverhalen’ schreef Krabbé een verhaal over Van Bruggen.  Tim Krabbé noemde hem daarin ‘Kunst’. En dat laatste heeft Van Bruggen pijn gedaan want graag had hij die erkenning gehad. Erkenning die hij later van Tim Krabbé kreeg.  Met, ‘Herman  was Kunst’ sloot Tim Krabbé, ooit een speech af ter gelegenheid van Van Bruggens wereldtitel.

Herman van Bruggen werd 85 jaar.

Broekenschijtend

Wat heeft een renner liever, een erelijst met honderd overwinningen in zogenaamde b-koersen. Of een palmares, met maar vier gewonnen koersen: waar dan wél twee grote klassiekers bij staan. Van die gewetensvragen. Of Leon Devos daar wakker van lag? De man, getrokken uit vette West-Vlaamse klei, had een erelijstje dat op een bierviltje paste. Dat hij daar depressief over was..? Als je Luik-Bastenaken-Luik én de ronde van Vlaanderen wint, kun je daar de rest van je leven in de Vlaamse staminees gratis op teren.

Devos, in 1919 winnaar van L-B-L. Om drie jaar later, de ronde van Vlaanderen te winnen. Dat laatste flikte Devos, – waar in de wielerarchieven heel weinig van terug te vinden is, – op die ene stormachtige zondag in april, van het goddelijke jaar 1922. Waar hij, Leon Devos, in de buurt van Roeselare, met nog honderd kilometer te gaan, én in een bulderende storm, zijn definitieve demarrage plaatste, richting finishplaats Gent. Om  vervolgens zeven minuten te wachten op nummer twee.

In Gent nam Devos zijn plekje in de Vlaamse heldengalerij in. Om daarna meteen in de anonimiteit te verdwijnen. Hoe en waarom? Karel van Wijnendaele, stichter van de ronde van Vlaanderen, én nestor van de Vlaamse wielerjournalistiek, begreep daar ook niets van. In zijn epos ‘Het Rijke Vlaamsche Wielerleven’, vraagt hij zich af, of dat van Devos een kwestie was van gebrek aan lichamelijk te kortkoming, wilskracht, training, of volharding? Karel kwam er niet uit.

Bijna honderd jaar later, maakt dat ook niets meer uit. Leon Devos, had voor eeuwig zijn naam gekrast in de wielergeschiedenis. En als wij het dan tóch over helden hebben, nomineert schrijver dezes, ook die ene, onbekende supporter, pontificaal afgedrukt op de cover van de Geïllustreerde Sportwereld.

Om zo’n beslijkte renner, vlak na een koers op je schouders te nemen, vereist een zekere lef. Of defaitisme. Ga maar na. Zo’n Vlaamse stoemper, zat tijdens een koers nergens mee. Broekenschijtend, pissend dwars door de koersbroek heen, met als extraatje, soms een meurende biefstuk om het zitvlak te beschermen, liet deze zo’n schouderhuldiging, met een zekere voldoening aan zich voltrekken

Bron: Het Rijke Vlaamsche Wielerleven, uitgave 1943, Geïllustreerde Sportwereld, jaargang 1922.

‘Monument?’

Milaan-San Remo, driehonderd lange, en saaie kilometers.  Een koers – zonder uitstraling, waar de heroïek ver weg is, – met een prachtige bijnaam als een La Primavera. Dat het de  openingsklassieker van het voorjaar is, dat zal wel. Maar waarom het als een zogenaamd wielermonument wordt beschouwd, is niet helemaal duidelijk.  

Milaan-San Remo,  kan daarom niet in de schaduw staan van zogenaamde mindere Vlaamse koersen, als een Kuurne-Brussel-Kuurne, Dwars door Vlaanderen en Nokere Koerse, géén ‘monumenten’, maar wél met een hoog kijkersgehalte.  Enfin, als sportblog, toch even aandacht geven aan La Primavera, van ouds her een Italiaans onderonsje.

De Italiaanse renner,  hét voorbeeld van hoe het hoort, vroeger en nu. De verzorging, kleding, het materiaal, alles lijkt ontworpen te zijn door stylisten. Ook tijdens Milaan-San Remo,  editie 1930. Waarin zeven Italiaanse renners op de eindstreep kwamen afstormen. Het mag dan wel negentig jaar geleden zijn, evengoed spat het hoog verzorgde rennersgehalte,  van de foto. Kerels, voorzien van scherpe, bruine koppen, koersend op toentertijd hightech materiaal van  fietsenfabriek Bianchi,  gespoten in de klassieke hemelsblauwe kleur.

1930, Waar de macht van het getal zegevierden. Zeven Italiaanse renners in de kopgroep, waarvan vijf van het Bianchi-team. Dat Bianchirenner Michele Mara won, is daarom leuk voor de statistieken, en meer niet. Komende zaterdag La Primavera, waar schrijver dezes maar niet naar gaat kijken. Zijn tijd komt een week later,  als Gent-Wevelgem de aftrap geeft, gevolgd door Dwars door Vlaanderen, Driedaagse De Panne, de Ronde van Vlaanderen en Parijs-Roubaix. Wat wil een mens nog meer..?

Bron: Jubileumnummer ’50 jaar, Milaan-San Remo’, door Lo Sport Illustrato, uitgeven in 1959.

Knokig

Of er iets te beleven viel op een zondag in 1931? Nee!  Hélemaal niks! De Grote Depressie, mét de bijbehorende armoede, én de hel- en verdoemenispreek van mijnheer de dominee, die een hele dag door je hoofd raasde, gaven daar een patent op.  Probeer daar maar een leuke zondag van te maken.

Moeders trok zich daar geen ene reet van aan. Die zat in haar gebloemde schort aan de grote tafel, verborgen achter een berg sokken die ze nog moest stoppen. De zondagen in het calvinistische Nederland van negentig jaar geleden, één grote, eindeloze saaiheid.  Waren de zondagen dan overal zo? Nee natuurlijk niet. Zeker niet in Vlaanderen en Frankrijk,  waar de koers glorieerde. Iedere zondag wel ergens een kermiskoers.  Gratis toegang. Reuring, met een goudgele, bruisende pint in de hand, je favoriete renner aanmoedigen: ‘Goedverdoeme Jef, rij Uwe kloten eraf’.

Ook de zondagen in Frankrijk. Zoals bij het nationale kampioenschap. Waar ene Armand Blanchonnet het op z’n heupen kreeg. Blanchonnet in actie op de Cote Lapides, waar hij stumperend en stakkerend bezig was, om zijn knokige lijf omhoog te hijsen. Aangemoedigd door de lokale, toffe jongens, mét platte pet.  Armand Blanchonnet, die op zijn eigen manier geschiedenis schreef. Dat hij als jonge renner op de Olympische Spelen van 1924 twee gouden plakken binnen harkte, was aardig voor z’n kinderen en kleinkinderen. En dat hij, in datzelfde jaar wereldkampioen bij de amateurs werd, valt ook niet genoeg te prijzen.

De brave Armand kraste pas écht een kerf in de historie van de wielersport, tijdens de Zesdaagse van  Parijs in 1934. Waar hij van plan was om nog één keer te vlammen. Daarvoor liet Armand zijn ouwe lijf prepareren door Roger Viel, een verzorger met een bedenkelijke reputatie. Meerdere renners door Viel verzorgd, werden niet veel later ernstig ziek.   

Of Blanchonnet dát wist? Vast niet. Met een lijf vol dope kukelde hij de eerste avond, schuimbekkend van z’n karretje. De man lag vervolgens dagen lang in coma, waarbij artsen vochten voor zijn leven, en kwam eindelijk bij kennis met de legendarische kreet, ‘Ze hebben mij vergiftigd’, alsof heel Parijs dat niet wist.

Armand Blanchonnets naam,  inmiddels weg gezakt in de kieren van de wielersport, leeft alleen voort in de stoffige jaargangen van de Franse sportbladen, werd op vierenzestigjarige leeftijd bij zijn Schepper geroepen.

Bron: Le Miroir des Sports, jaargang 1931 en 1934.

Knol

Zomaar, een zondag ergens in 1908, op de Amsterdamse Zeeburgwielerbaan. Een wielerbaantje met een zekere reputatie, waar de politie nooit ver weg was. Het te bekijken programma kende voornamelijk lokale wielerhelden, soms afgewisseld met een verdwaalde Franse, dan wel Duitse stayer. Altijd volle bak. Op de tribunes voornamelijk havenwerkers, en scheepslossers afkomstig van het nabijgelegen Kattenburg, Oostenburg en Wittenburg.

Ruig volk,  die zich vóór de koers, in de omliggende kroegen lieten vollopen. Om in zekere staat de koers van de dag te aanschouwen. Waarbij gehoopt werd op een fijne rel, dan wel een knokpartij. Waar met een zekere regelmaat in werd voorzien.  Matpartijen, in details beschreven in de toenmalige sportbladen, en fijn om te lezen.

Zoals in die ene zomer van 1914 waar een rondtrekkend Amerikaans wildwestshow onder aanvoering van ene Texas Ted, neerstreek in het wielerstadionnetje aan de Zeeburgerdijk. Een rodeoshow die niet voldeed aan de  verwachtingen.  Met bijna fatale gevolgen. Texas Tex en zijn indianen van de prairies, beloofde het publiek op een sensationele wildwestshow.
Tex ging namelijk, op zijn knol,  een race aan tegen een gangmaakmotor. Nadat om vier uur de show nog niet was begonnen brak een ‘ernstig gevecht  los’, zoals de Courant Het Nieuws van den Dag het beschreef.

Nadat Tex,  zittend op z’n paard, eerst  met zijn lasso  de menigte had afgeranseld, trok hij zijn colt. Tex werd vervolgens met stukken hout, afkomstig uit de wielerbaan van zijn paard gerost.  Om daarna bijna te bezwijken onder de trappen en slagen van, zoals de journalist vilein beschrijft, ‘de verwoede wielerliefhebbers’.
IJlings opgetrommelde agenten mét blanke sabels gaven er een extra dimensie aan.

Hoe het op die ene zondag ergens in 1908 aan toe ging…? Aan de foto te zien moet het een sullige bedoeling zijn geweest. Tenminste, niét als het aan de starter had gelegen. Met een broeiende blik loert de man strak in lens van de camera. In zijn hand achteloos z’n revolver, mét gespannen haan, richting publiek, waarvan het te hopen was dat er losse flodders in zaten. Tsja, dat was zomaar een zondag ergens in 1908, die dankzij die ene fotograaf aan de vergetelheid ontrukt.

Bron: Het Nieuws van den Dag jaargang 1914, diverse jaargangen van Revue der Sporten van voor de Eerste Wereldoorlog.

Usance

Jongens met een kaal hoofd. In  het Italië van de jaren vijftig was je daar mooi klaar mee. Volgens oeroude Roomse mores, duidde dat op dwangmatige masturbatie. Vanaf de preekstoel werden de adolescenten, gegeseld met de mantra, dat je van masturberen, óf ruggenmergtering, dan wel een kale schedel van kreeg. Voor jongens met een dunne haartooi,  ‘n garantie op een levenslang trauma. Zeg nou zelf, wie wil in z’n  dorp doorgaan als  een verstokte rukker?  

Dergelijke jongens, zaten tjokvól met bewijskracht om te bewijzen dat dat niét zo was. Resultaat? Of  de dorpsmeiden  waren niet meer veilig. Of een racefiets werd aangeschaft. Zo’n smal zadeltje, én de nodige lichaamsinspanning doet lekkere lust verdwijnen. Voor de latente kaalhoofd wachtte de koers.

Of dat óók opging voor Fiorenzo Magni…? Met zijn kale schedel was hij anders wel uiterst verdacht. Enfin, de man eenmaal prof, kon akelig hard fietsen. Waarbij tevens geleden werd in het kwadraat. Voor een coureur, dé perfecte combinatie voor de ‘helse koers’.  Magni, in 1948 de Giro d’ Italia gewonnen, trok dan ook ter bedevaart.  En waar anders dan in Vlaanderen met z’n kasseienweggetjes, waar  modder en koeienmest nooit ver weg zijn? Tijdens de rondes van Vlaanderen, editie 1949 en het jaar daarop, hield Magnie ‘huis’.  Twee overwinningen, –  in wat nu, met veel hysterie de Vlaamse Hoogmis wordt genoemd, –  altijd goed voor een plekje in de eeuwige ranglijsten.  

Magni, vond dat nóg niet  genoeg. Voor de editie 1951 had de Witte Wolf, zoals z’n bijnaam luidde, zich perfect geprepareerd. Dat de Wolf door z’n soigneur ‘op scherp’ werd gezet, behoorde tot de usance van de koers in de fifties: waar wij niet al te moeilijk over doen.  Terwijl de meeste van z’n Latijnse collega’s liever in het warme zuiden koersten, zat Magni, een week vóór de Ronde in een hotelletje in Gent. De Wolf verkende meerdere malen het laatste stuk van het parkoers. Wielen met houten velgen, gemonteerd met tubes voorzien van een extra grote luchtkamer, vormden de munitie voor de kasseien.  

Niets saaier dan een koersverloop te beschrijven. Laten we het er maar op houden dat Magni, op de Muur vertrok. In een vliegende storm, met regen en hagel ijlde  de Italiaan richting finish in Wetteren. Waar hij ruim vijfenhalve minuut kon wachten op nummer twee, Bernard Gauthier.

Fiorenzo Magni, die taaie, ouwe rakker, vertrok in 2012 op tweeënnegentig jarige leeftijd naar z’n Schepper. Bernard Gauthier, vierennegentig, volgde in 2018.

Bron: Sport Club, jaargang 1951.

Verroeste spijkers

‘Zes dagen zult U arbeiden en al Uw werk doen, maar de zevende dag is de sabbat van de Here. Dan zult U geen werk doen’, werd er van de kansel gepredikt. Opgepikt door het proletariaat, wonend in  Roubaix, die massaal op de lokale wielerbaan waren te vinden. Zondag 11 april 1903, aankomst van  Parijs-Roubaix.

De Belle Epoque, waarin het spook van de tuberculose hele volkswijken decimeerde. Van mondkapjes, lockdown of ‘bubbels’ had geen mens gehoord.  Hooguit werd op advies van de lokale  kwakzalver, een bos verroeste spijkers onder het bed gelegd, hetgeen goed scheen te werken tegen benauwdheid. Of anders een zoute haring achter de oren gehangen als remedie tegen een keelontsteking. En mocht het moeders niet lukken om zwanger te worden dan had mijnheer pastoor daar wel een oplossing voor…  

Barre tijden. Waar, in de vele textielfabrieken van Roubaix, de rode haan zijn eerste revolutionaire kukel kraaide. De Slapende Reus werd onder de tonen van de Internationale langzaam wakker. Maar laat het proletariaat kiezen tussen sociale gerechtigheid of de Koers, geheid dat ze voor het laatste gaan.  

De Koers als opium voor het volk. Over dope gesproken. Het mocht dan wel 1903 zijn, neemt niet weg dat die kerels, stuiterend over de kasseien van de Hel daar wel raad mee wisten. Choppy Wartburton, een louche verzorger was met zijn geheimzinnige, helse elixers, een wegbereider voor hordes soigneurs. Choppy’s  jongens kwamen dan ook regelmatig schuimbekkend over de finish. Ach wat maakt dat eigenlijk uit. Eerlijke boerenjongensdope moet kunnen.

Of Hyppolyte Aucouturier, bijgenaamd De Verschrikkelijke,  ‘vol’ zat? Wat kon dat iemand nou schelen. Voor het volk was Hyppolyte een held. Die voor heel even armoede met de bijbehorende ziektes deed vergeten.  Enfin, volgend jaar maar hopen dat Parijs-Roubaix wél door gaat.

Loodgieter

Peter Post

Een  adres vastgeklonken in het geheugen van iedereen die ooit een racefiets tussen de benen had. De Westerstraat 150,  meer dan tachtig jaar het onderkomen  van het roemruchte fietsmerk RIH-Sport. Dat op een RIH-fiets meer dan zeventig keer een renner wereldkampioen werd is ter kennisgeving.

Tien jaar geleden sloot Wim van der Kaaij, de laatste RIH-framebouwer, definitief de deur. Voor stalen fietsen was en is er geen toekomst, weggevaagd als deze zijn door carbon exemplaren. Inmiddels is het merk ‘RIH’, omgeven door een mythische waas met de bijbehorende  cultstatus.

De voorzet werd jaren eerder gegeven door de framebouwers Bustraan en Van der Kaaij. Die hun klanten altijd het gevoel gaven dat ze speciaal voor jou, koersende sukkel, toch maar een frame hadden gebouwd.  Je wist wat je kocht. Een RIH-koersfiets was een degelijk product. Maar dat waren die andere handgebouwde frames van de toenmalige concurrentie ook.

De retro stalen RIH-koersfietsen, inmiddels zo’n beetje heilig verklaard. Met de bijbehorende anekdotes en  verhalen  die  met het verstrijken van de jaren, steeds mooier worden. Waarbij het begrip ‘relativering’ ver weg is.

Stokoude, beschadigde, en verroeste  karretjes, waarop het woord ‘RIH-Sport’, amper te zien is, worden op de sociale media gepresenteerd als archeologische schatten. Dan zijn er ook nog  liefhebbers, strak in de leer, bij wie een RIH als kunst aan de muur hangt. Tikkeltje overdreven. Iedere loodgieter, met verstand van legeringen én metallurgie, kon een stalen frame lassen.

Tijden veranderen. Ook in de koers, waar  de amfetamines, die ouwerwetse boerenjongensdope is vervangen door enge bloeddoping. En waar een stalenkoersfiets heeft plaats moeten maken voor  een hightech, carbonkarretje.  Terwijl schrijver dezes dit cynisch stukje tikt kijkt hij met een liefdevolle blik naar links. Want daar staat zijn eerste grote liefde. Een meer dan vijftig jaar oude, prachtig gerestaureerde en zwart gespoten RIH…

Huishoudster

In Cinquant anni nessuno meglio di lui. Alsof ik de stem van wijlen kapelaan  Switser hoor. Niemand kon zo mooi het Latijns brabbelen als de oude Switser, kapelaan van dienst in de Sint Nicolaaskerk.  Bovendien was Swits, zoals wij hem noemden niet zó van het celibaat.  

Behalve zijn latent amoureuze relatie met het Latijn, had hij dat ook met z’n huishoudster, een rondborstige moeketype. De man had nóg meer verdiensten. Zo raasde Swits, met onnavolgbare snelheid door ‘het woord van de Heer’, amper bijgehouden door z’n misdienaartjes. Zijn heilige missen,  waren een soort religieuze tijdrit, die hooguit een half uurtje duurde. Voor ons, de Roomse jongens van de geboortegolf was de man  een held.  

Maar we dwalen af. Dit stukje gaat over de koers. Speciaal de Italiaanse.  Cinquant anni nessuno meglio di lui, dus, zoals de kop onder een artikeltje in het  sportblad Lo Sport Illustrato, uitgegeven in 1959, luidde.   

De Italiaanse koers van de jaren vijftig.  Aan kopij geen gebrek. Renners werden  naar een mythische legendestatus geschreven. Verhalen die van vader op zoon gaan. En die met het verstrijken van de jaren steeds mooier worden.  Een Italiaan adoreert zijn helden op een religieuze manier, als kind er ingestampt op het nonnenschooltje. Maak hem midden in de nacht wakker en hij dreunt de uitslagen van zijn favoriete renner op.  

Wie zijn geschiedenis niet kent, leert nooit de toekomst begrijpen, en meer van dat soort geleuter. Dát moet de insteek zijn geweest, tijdens de redactievergadering van Lo Sport Illustrato, voor het maartnummer van 1959. Waarbij  meteen een hele pagina ingeruimd werd met een foto gemaakt tijdens de finale van Milaan-San Remo 1928, met  Giradengo aan de leiding. Cinquant anni nessuno meglio di lui, oftewel ‘In vijftig jaar niemand beter dan hij’, kopte het blad.

Costante Giradengo won dan ook zes keer Milaan-San Remo. En hoe het met kapelaan Switser afliep? Die verruilde definitief  zijn habijt voor z’n appetijtelijke huishoudster. Want zeg nou zelf, met die romige borsten van zijn huishoudster wist ‘íe zeker wat hij in z’n handen had. Dat was nog maar de vraag op de belofte van het eeuwige hemelse leven…

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: