Momenti

Groots, meeslepend en bombastisch, als een opera van Verdi. Dat is het scenario van een gemiddelde Italiaanse wielerkoers. Met renners als heldentenoren, en onsterfelijk gemaakt door de verhalen in La Gazzetta dello Sport, dé Italiaanse sportkrant met een oplage van meer dan drie miljoen. Dat kon je wel aan het Italiaanse journaille overlaten. Die wisten met een  feilloos gevoel, de snaren van de tifosi ’s te bespelen.

Vooral de Italiaanse koersen in de naoorlogse tijd, waren één grote explosie van euforie in de kolommen van  La Gazetta. Waarbij de ratelende schrijfmachines, als katalysator diende in de tweestrijd tussen Gino Bartali en Fausto Coppi. Bartali, vroom aanhanger van Rome, op handen gedragen door de gelovige bourgeoisie.

Dat Coppi een atheïst, vrijbuiter en vrouwenliefhebber was, en door het linkse deel van de Italianen voor eeuwig in het hart werd gesloten, weten we onderhand wel. Wat voor de krant   redactioneel schipperen werd tussen de twee kampioenen.  

In 1949  gaf dat geen probleem, met Coppi, als de verse winnaar van de Tour de France. Een overwinning door de krant commercieel uitgeperst als een olijf.  Met als resultaat het fotoalbum, Momenti Fotografici del ‘Tour 1949’, – gedrukt in oblongformaat in duizelingwekkende oplages, – met meer dan tweehonderd unieke en inmiddels zeldzame foto’s. Met Il Campionissimo in de hoofdrol.

De boekjes gingen voor  driehonderd lire’s over de toonbank.  In het straatarme naoorlogse Italië een kapitaal. Evengoed waren Coppi-fans bereid, daarvoor een financiële rib uit hun lijf te trekken. Geef het volk brood en spelen en ze klagen niet over maatschappelijke misstanden. Dat hadden de jongens van La Gazetta dello Sport dan ook goed begrepen.

Legendarische knokpartijen

Verhalen met broers in de hoofdrol.  De gebroeders  Grimm wisten daar wel raad mee. De sprookjes van de broertjes Grimm,  garantie op horror,  waar bij het bloed tussen de alinea’s door sijpelt. Verhalen  met onheilspellende titels als De Roetzwarte Broer van de Duivel, of anders het sprookje, De Twaalf Broers.

Dat laatste, verhaald over een  koning en een koningin met twaalf kinderen. Allemaal zoons.  ‘Als het dertiende kind komt en het is een meisje, dan moeten de twaalf jongens sterven’, zo sprak de koning tegen zijn gemalin. Hij liet vervolgens twaalf doodskisten timmeren…’ Dat soort verhalen dus. Altijd leuk om vóór het slapen, aan de kleintjes voor te lezen.

Met wielrennende broers, liggen de verhalen óók voor het oprapen. Verhalen waarbij psychiaters begrijpend staan te knikken. Story’s met ouders,  balancerend op een dun pedagogisch koord. Prijs je de ene zoon iéts meer de hemel in, dan slaat het monster van de jaloezie toe.

Oóit,  héél lang geleden, om maar in de juiste sprookjessfeer te blijven, maakten twee Amsterdamse broers de amateurkoersen onveilig. Alle twee begenadigde renners, die elkaar hielpen in de koers. Won de één niet, dan was het wél z’n broer.  Totdat de  vader die ene kapitale fout maakte. De man stak de oudste zoon telkens een veer in z’n gat, waarbij de jongste zoon werd overgeslagen. Het startsein voor hommeles. Van samenwerking tijdens de koers was geen sprake meer.

De fietsende broertjes zaten, vooral in de Amsterdamse straatrondjes elkaar dwars. Met legendarische, vechtpartijen, en plein public, na afloop, waar de broers elkaar te lijf gingen. Zestig jaar na dato, wordt in Amsterdamse wielerkringen daar nóg over gesproken. Dat de broers, de rest van hun hele lange leven gebrouilleerd  waren, is ter kennisgeving.

Of het met de Franse broers Magné ook zó aan toe ging is twijfelachtig. Ieder geval niet tijdens de Ronde van Frankrijk 1931. Waar tijdens de elfde etappe Perpignan-Montpellier, Antonin Magne, drager van de gele trui, werd verrast werd door zijn toekijkende broer Pierre, ook op de fiets.  De   hartstochtelijke begroeting van de broers Magne was er één uit het boekje ‘Ware Broederliefde’.  Een sprookje waar de jongens van Grimm nooit opgekomen waren.

Bron: Le Miroir des Sports, jaargang 1931.

dokter Faust

Diep in de  finale van Milaan-San Remo, anno 1954. Waarin Fausto Coppi, als de engel Gabriel vér voor het peloton  uit zwevend,  op weg was naar het altaar van de overwinning. Aan de finish  hét sein voor een collectieve hysterie, waar Latijnen een patent op heeft. Gekkigheid  die geblust werd  door ene  Francis Anastasi, een Frans rennertje  van net eenentwintig jaar. Francis, blanco erelijst had  het lef om de heilige Coppi terug te pakken. Waar de sluwe Rik van Steenbergen handig gebruik van maakte door Milaan-San Remo op z’n naam te schrijven.  Anastasi werd tweede.

Een prestatie die niet genoeg geroemd kon worden. Door het Franse sportblad Miroir-Sprint op de juiste waarde ingeschat. Francis, paginagrote foto op de achterpagina van het blad, werd een glorierijke wielertoekomst voorspeld. Dat niet gebeurde.

Wielertalent in de jaren vijftig. Geblinddoekt balancerend, langs de randen van een vijver vol met piranha’s. Want het waren de soigneurs van  dienst die wel raad wisten met zo’n kereltje. Louche kerels, als dokter Faust die een pact met de duivel gesloten hadden,  met als toverstokje een piquer gevuld met Tonedron, Perfetine, Dexedrine, om maar wat dope te noemen, waar zo’n jongen op scherp mee werd gezet. Een wereld waarin alleen de sterksten overleefden.

Francis Anastasi verkeerde na de finish nog in gelukkige onwetendheid. Francis, tsjokvol adrenaline, kolkend van euforie vertelde aan wie het horen wilde zijn heldenepos. Hoe hij, jongen afkomstig uit Marseille toch maar mooi de aanval van de goddelijke Coppi, gepareerd  had.

Francis’ broertje Jean, links naast hem hoorde dát niet eens. Die keek strak in de lens van de fotocamera van de Miroir. Nog onwetend van de grote publicitaire ‘glorie’ die hem vijf jaar later wachtte. Jean, knecht in dienst van de Margnat-Coupry-formatie, koersend in de Tour de France van 1959, maakte tijdens de vierde etappe Roubaix-Rouen, wat Franse zo mooi noemen een chute.

Jean Anastasi met z’n bebloede harses op de cover le Miroir des Sports zorgde er hoogstpersoonlijk voor dat generaties jongens er niet over peinsde om te gaan koersen.  

Francis, en Jean, bij elkaar zo’n eenendertig koersen gewonnen. In tegenstelling tot veel generatiegenoten tuimelden zij niet in de piranhavijver.  De broertjes, inmiddels hoogbejaard zijn nog steeds onder ons.

Bron: Le Miroir-Sprint jaargang 1954, Le Miroir des Sports jaargang 1959,

Waarom ik?

In het zweet des aanschijn zult Gij Uw brood verdienen. Of de man Bijbelvast was, is niet bekend. Wél dat hij af zat te zien in het kwadraat. Het was lijden, mooi van lelijkheid.  In een  decor van slijk, viezigheid, los steenslag, overgoten met regen.
Een modderpad, als een kerf  uitgesneden op de coll d’ Aubisque, die als een puntje in de regenwolken verdwijnt.  De tijden van de sierlijke Colombiaanse klimkoningen, die heupwiegend, trippelend, met zonnebrillen als filmsterren op een hightechfietsje zo’n berg opvlogen, dat kwam in 1932 alleen voor in proefschriften van knotsgekke geleerden. Tijdens de Tour de France 1932, deed André Leducq het noodgedwongen, op een loodzwaar karretje met maar één versnelling.
Leducq, aluminium bidon met koffie, cognac, een paar geklutste eieren en een snuifje coke, oogde als een lijk dat omhoog getakeld werd. Stampend en stumperend over het modderige geitenpad. De blik naar beneden gericht. Omhoog de berg opkijken  gaf suïcidale neigingen. Anders deed het wel het moraal, dat rare wielerbegrip, wegsmelten. De etappe Pau-Luchon met ondermeer de gevreesde Tourmalet én de coll d’ Aubisque,  over 229  kilometer. Waar Leducq,  als niet klimmer urenlang met de Heer zat te praten. ‘Waarom ik Heer’, waar heb ik deze pijn aan verdiend’, flitste het door zijn hoofd? ‘Omdat jij de gele trui moet verdedigen sukkel’,  hoorde Leducq in een trance.
Op het moment dat de Fransman zich afvroeg  of hij écht een antwoord van Hem had gehoord, staat die Antonin Magne, Tourwinnaar van het jaar daarvoor, aan de kant van het pad.  ‘Allé André, je bent bijna boven’, loog Magne al rennend, die al lang blij was dat deze beker dat jaar aan hem voor bij ging.
Enfin, de Heer én de aanmoedigingen van Magne, ten spijt,  André Leducq won evengoed de Tour de France 1932.

Bron: Le Miroir des Sports, jaargang 1932.

Peter R.

Moord, doodslag, bedrog en dope. Dé ingrediënten voor een goed wielerverhaal. Dat Ottavio Bottecchia in 1924 en een jaar later de Tour won is aardig voor de statistieken. Dat de man bovendien ook nog eens dertig gele truien mee nam naar zijn dorp Friuli, Italië, dat was leuk voor hem. Maar dat Ottavio op een gewelddadige en geheimzinnige manier aan zijn einde kwam, dát bezorgde hem pas een plekje in de eeuwige cultgalerij.
Er gaat geen Tourstart voorbij, zonder dat Ottavio’s dood gememoreerd wordt. Wat geheimzinnigheid betreft, mocht die er wél zijn. Tot op de dag van vandaag is zijn dood nooit opgehelderd. En dat is maar goed ook. Stel je voor dat het een zogenaamde cold case gaat worden. Of nog véél erger, dat die Peter R. de Vries zich er mee gaat bemoeien. Je moet er toch niet aan denken. Deze moord mag namelijk nóóit opgelost worden. Want daarmee beroof je niet alleen een prachtige wielerlegende, maar ook Ottavio’s cultstatus.
Hoe de crimesetting van zijn dood was, dát behoort tot de algemene wielerkennis. En voor degene pas lid van de heilige wielerkerk: in juni 1927, tijdens een trainingstochtje kwam Ottavio niet meer thuis. Niet ver van zijn huis werd de voormalige Tourwinnaar in een wijngaard gevonden, met een ingeslagen schedel. Zijn fiets stond keurig tegen een boom geparkeerd.
Waarmee tot de dag van vandaag de vraag gesteld is wie de dader was. Tevens de aftrap voor de toenmalige complotgekkie’s met hun wilde theorieën. Zo werd Ottavio’s schedel ingeslagen door de fascisten van Mussolini. Ottavio, een vurig socialist wat hij ook liet merken. Ook meldde zich die ene ouwe boer, een streekgenoot van Ottavio. De man lag op sterven, voelde zijn einde naderen.
Hét sein om de pastoor te laten komen. En laat die boer, tijdens z’n biecht de pastoor nou toevertrouwen dat hij Ottavio Bottecchia gedood had. De man, eigenaar van het plaats delict want die wijngaard, had Bottecchia betrapt bij het stelen van druiven, en had vervolgens een steen naar zijn hoofd gegooid…
Dan is het 1973, als het stripalbum Heldenepos van de Ronde van Frankrijk verschijnt, getekend door de gereputeerde Yves Duval. De laatste duidelijk geen wielerkenner, gaf aan het ‘verhaal Ottavio’ zijn eigen draai. Duval, duidelijk een man van het betere horrorgenre liet Bottecchia sterven met een hooivork in z’n borst gestoken. Buitengewoon eng is de cartoon van de biecht. Een pastoor met een gulzige, hongerige blik, die vanuit  het donker spookachtig opduikt. In zijn hand een lichtgevend kruis. Dat gun je geen mens, zelfs een moordenaar niet…

Bron: Le Miroir des Sports jaargang 1925, Foto: Botteccia arriveert als eerste op de col de I’Izoard.

Revolver

Het kon niet mis gaan. Aan alles was gedacht.  Het materiaal waarop gekoerst werd, behoorde tot het meest geavanceerde van die tijd, waar de concurrentie alleen maar van kon dromen. Zoals wielen met uitklapnaven. Een wiel wisselen was een kwestie van enkele seconden. Het gesodemieter met vastzittende vleugelmoeren waar zo’n wiel mee in de vork zat, was voorbij.  Een privésoigneur, ene Biagio Cavanna,  stond tot zijn beschikking. Dat Cavanna, een visueel gehandicapte,  daardoor een  mythische status mee verwierf, was voor hem mooi meegenomen. De man had gewoon mazzel  dat hij één van de meest talentvolle wielrenners ooit, op zijn massagetafel had.
Fausto Coppi, moest dan  ook de Tour de France, anno 1952 winnen. Met minder nam Italië geen genoegen. Coppi’s ploeg was op feodale wijze samengesteld. Dat dát vér ging, was een jaar eerder in diezelfde Tour te merken. Coppi’s knecht, Serafino Biagnioni, greep per ongeluk de gele trui. Van de foto’s, gepubliceerd in de toenmalige Franse sportbladen, bezorgen je nog steeds plaatsvervangende schaamte.
Foto’s van Biagnioni, gehuld in zijn gele trui, die huilend om vergeving smeekte bij zijn kopman, die hem minzaam een hand gaf. Over Coppi, inmiddels een cultheld, is genoeg gepubliceerd. Blijft over de bijzondere foto’s, zoals dié ene geschoten tijdens de zesde etappe Metz-Nancy, een tijdrit over zestig kilometer in die bewuste Tour 1952.
Waarin Il Campionissimo een lekke voorband kreeg. Een lekke band in een tijdrit, een horrorscenario voor een klassementrenner. Ook voor die ene mecanicien, die hoogstwaarschijnlijk tot aan zijn dood, niet alleen een trauma, maar ook nachtmerries aan over hield. Tevens het moment van die ene onbekende fotograaf van Miroir de Sport die daarvan een onvergetelijke foto van maakte. Coppi,  alvast zijn voorwiel uit de vork gehaald, kreeg van uit de materiaalauto gesprongen mecanicien hulp. In plaats van een voorwiel had de mecanicien een achterwiel in z’n hand.
Het moment waarop Fausto Coppi zijn emoties rauw liet gaan. Met een, ‘Geef mij een revolver, dan schiet ik die idioot dood’.   Of dat Latijnse emoties waren of echt gemeend was, is nog steeds de vraag. Enfin, de rest is geschiedenis, Coppi won niet alleen die tijdrit maar ook deze Tour. Hoe de carrière van die mecanicien verlopen was, daar moeten we maar niet aan denken…

Bron: Miroir de Sports, jaargang 1952.

Voor het stripalbum, ‘Heldenepos van de Ronde van Frankrijk’, uitgegeven in 1973, was het wielincident belangrijk genoeg voor een cartoon.

Halfgare (2)

Met vijf monumentale wielerklassiekers op je palmares,  dan mag je plaats nemen in het rijtje mythologische helden. Jo de Roo had dan ook zijn plekje in deze heldengalerij ingenomen.  Ook op een ander vlak blijkt De Roo een levende mythe  te zijn.
Jan Zomer, auteur van de Wielerexpress, een jaarlijks door Zomer  volgeschreven boekje met prachtige wielerverhalen, had daar ooit een staaltje van meegemaakt.
Zomer, inmiddels zo’n zestig jaar lang ‘wielerrenner bij overtuiging’, was een paar jaar geleden met z’n  vrouw op Mallorca. Racefiets mee, om iedere dag een stukje te fietsen. Tijdens één van deze ritjes komt  opeens een ploegje renners hem tegemoet. Hoort hij de ene tegen de ander zeggen: ‘Hé, kijk’, wijzend naar de helmloze Zomer, ‘Dat is vast familie van Jo de Roo’.  
Jan Zomer beseft dat fietsen zonder helm niet zo slim is. Ondanks alle opmerkingen en commentaar van de ‘gehelmden’,  gelooft  hij dat wel.  

De helmloze  Jo de Roo op kop. Foto: Mia van Dongen.

Halfgare

De zondagen van april, héilige dagen,  in gepaste devotie voor de televisie door gebracht. Een flesje Hertog Jan onder handbereik. De ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix  en méér staat namelijk op de kalender. Dat was vroeger. Voor dat dat  enge virus toesloeg. Geen klassiekers dit voorjaar. Laat staan de Giro d’ Italia, met afstand  de allermooiste koers.  
Nostalgie naar de Ronde van Vlaanderen, zoals die van  1965. Verreden in helse, Bijbelse weersomstandigheden.  Een koers voor onbarmhartige kerels, met als credo ‘pijn is fijn’. Mannen die opleven  bij dat soort wolvenweer, zoals voormalige kasseienstoemper Dirk de Wolf dat zo mooi kon verwoorden.
Kerels als een Jo de Roo en Ward Sels. Vooral de laatste. En nee, er volgt  geen wedstrijdverslag, noch wordt de  doopceel van Sels en De Roo gelicht. Daar is al zoveel over gepubliceerd. Hier gaat het om de foto. Met Sels en De Roo, op stalen koersfietsen, zoals een koersfiets behoort te zijn.  
Sels en De Roo koersend voor lijf en leden, zónder helm, maar wél met een koerspetje, achterstevoren. Stoere kerels met magere koppen, waarvan je haast zeker weet dat ze bij een valpartij de kasseien kusten, om vervolgens hun fiets op te rapen.
Was  het niet diezelfde Sels, die ooit een week voor een ronde van Vlaanderen, grasmaaiend op de boerderij van zijn vader, met een vlijmscherpe zeis in zijn kuit hakte? Om een week later van start te gaan in Vlaanderens mooiste. Ik bedoel maar. Sels en De Roo, om hun pols het klokje, verkregen bij de eerste plechtige communie, of van een liefde. 
Jo de Roo,  inmiddels tweeëntachtig jaar, maakt op z’n stalen koersfiets nog dagelijks zijn rondje.  Zonder valhelm. Wat dat betreft is de man strak in de leer.
Sportschrijver Frank Heinen denkt daar anders over. Volgens hem behoren renners zonder valhelm tot de categorie ‘halfgare’. Heinen had dat onlangs gepubliceerd in HP/De Tijd.  Jo de Roo, man vele veldslagen gehouden op de kasseiwegen van Vlaanderen en Noord-Frankrijk, en ook nog eens winnaar van – inderdaad boven genoemde – ronde van Vlaanderen, maar ook Bordeaux-Parijs én de ronde van Lombardije, heeft daar natuurlijk geen boodschap aan. Helden laten zich namelijk niet de les lezen.

Grandeur

Geen rangen en vooral geen standen. De Tour de France is voor het volk. Ook  die van 1960, wat tevens een mooi jaar was. In Frankrijk wel te verstaan. De Franse Republiek, aangevoerd door monsieur le president De Gaulle, bij wie enig nationalisme niet vreemd was. ‘Frankrijk kan Frankrijk niet zijn, zonder zijn grandeur’, was één van zijn uitspraken. Dat was wáár.
Want opeens was daar Brigitte Bardot, ontworsteld aan de benauwende jaren vijftig en zojuist de sixties binnen gehuppeld. Bardot,  een frivole, sexy stoeipoes, met als bijnaam BB, waar hele generaties  potente  jongens, ontsnapt aan de aandacht van ouders én mijnheer pastoor, met overdreven ijver haar afbeelding aan de muur van hun jongenskamer prikte. Garantie voor  woeste fantasieën. Wat er vervolgens in die jongensbedden gebeurde moeten we maar niet aan denken.
Frankrijk 1960,  waar de leden  van terreurorganisatie  OAS, voor het eerst het handboek ‘Hoe knutsel ik een plasticbom in elkaar’, ter hand namen:  beoogde doel,  president Charles de Gaulle. De jongens van de OAS, duidelijk aanleg voor het helse, brachten een jaar  later hun geleerde in de praktijk. In september 1961 ontplofte in een wegberm een dertig kilo zware bom, gevuld met vijftien liter napalm. Waaraan De Gaulle, in zijn Citroën wonderlijk en ongedeerd aan ontsnapte.
In dat geharnaste lijf van monsieur le President, een gewezen oorlogsheld, bleek ook maar een gewoon jochie schuil te gaan. Dat hij Brigitte aan de muur van z’n slaapkamer  had hangen is onwaarschijnlijk. Wél  dat hij via de media de Tour volgde. Zaterdag 23 juli 1960, had hij in zijn agenda met rood omcirkeld. Op deze door God aan de president geschonken dag, trok de Tourcaravaan door zijn dorpje Clombey-Les-Deux-Eglises, en langs het huis van Frankrijks eerste burger.
‘De Tour is genadeloos en wacht op niemand’, wat een stoffig, maar waar cliché is.   Laat staan dat er zomaar gestopt wordt. Behalve voor de eerste man van de Vijfde Republiek. De Gaulle tussen het volk, en beschermd door twee gendarmerie nationale, die je onbewust aan films van Inspector Clouseau doen denken, audiëntie verlenend aan de renners. Waarvan sommigen, uit misplaatste eerbied hun koerspetje voor af deden, door De Gaulle duidelijk gewaardeerd. Met een Vive La France  zegende hij vervolgens het koersende volk.
Met enige fantasie is Charles De Gaulle met een geharde Tourrenner te vergelijken. De man overleefde maar liefst eenendertig moordaanslagen. Probeer dát maar eens te evenaren.  De Gaulle stierf uiteindelijk, zittend in zijn lievelingsstoel op tachtig jarige leeftijd. 

Bron: Le Miroir des Sports, jaargang 1960, Biografie Charles de Gaulle.

Gaat ongetwijfeld goed komen

Afgelopen januari tekende Enzo Leijnse  18 jaar, een contract bij de prestigieuze opleidingsploeg van  Sunweb. Een jongensdroom kwam uit. De scouts van Sunweb,  een scherp oog voor talent, zien in hem een ongeslepen diamant. Met dank aan de snoeiharde tijdrit die Leijnse in de benen heeft. Zijn optreden tijdens het Europees- én wereldkampioenschap, vorig jaar, zorgde voor de nodige sensatie. Bij de strijd om de wereldtitel tijdrijden, had hij heel lang zicht op de wereldtitel.  Om met een paar seconden verschil, uiteindelijk met de zilveren medaille naar huis te gaan.
Enzo Leijnse, sinds het vroege voorjaar intern in Limburg, waar hij samen met zijn ploeggenoten wordt voorbereid op het komende wegseizoen. Voor tijdrijder Leijnse is een speciaal trainingsprogramma opgezet met doel de Nederlandse titel tijdrijden.
De uitbraak van de coronacrises gooide alles in de war. Koersen zijn tot eind augustus opgeschort.  Leijnse, evenals al zijn ploeggenoten werden naar huis gestuurd. Waar hij inmiddels in de polders rondom zijn woonplaats iedere dag op zogenaamde wintertrainingsschema’s zijn conditie op peil houd.   Enzo Leijnse houd evengoed zijn moraal op peil.  Al was het alleen maar het fietsmateriaal waar hij nu op rijdt. Reed hij vorig jaar nog op een oude, opgelapte koersfiets, nu staat  de garage van zijn vader vol met hightech materiaal.
Dat het profbestaan hard en onvoorspelbaar is,  weet hij inmiddels ook. Amper was de inkt van z’n contract opgedroogd, of er werd bij huize Leijnse aangebeld. S ’Morgens om zes uur wel te verstaan. Dopingcontroleur op de stoep. Wat een gepensioneerde Limburgse huisarts bleek te zijn, die Leijnse   uitgelegde dat iedere neoprof direct zijn plasje moet inleveren als de zogenaamd ‘nulcontrole’.
Van Enzo Leijnse begeleidt door oud-prof Roy Curver, wordt verwacht dat hij op een positieve manier de naam van zijn sponsor uitdraagt.  Knalde hij vorig jaar tijdens trainen nog wel eens door een rood stoplicht, nu wordt gewacht. Net als iedere wielerliefhebber hoopt Leijnse komende augustus weer aan de start van een koers te staan. Met Leijnse gaat het ongetwijfeld goed komen.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: