Onkel Adolf

De Steglitzwielerbaan, gesitueerd in het Berlijn van voor de Eerste Wereldoorlog. Met directeur en eigenaar Adolf Knorr, een man die niet onderschat werd. Als manager stonden zo’n beetje alle topstayers bij Knorr onder contract. Met goed betaalde wedstrijdcontracten, zorgde onkel Adolf goed voor zijn jongens, waarbij natuurlijk ook aan z’n eigen portemonnee werd gedacht.

Het stayerscircus van Knorr stond garant voor vertier en sensatie: een succesformule om de meer dan zestig Duitse wielerbanen wekelijks vol te doen stromen. Knorr was ook een man die over weinig scrupules  beschikte, want de wielerbanen waarop zijn stayers hun duels uitvochten, waren niet bepaald veilig.  De pistes waren óf te klein, dan wel té smal. Zoals de Treptowwielerbaan in Berlijn, waar in korte tijd zeven stayers dodelijk verongelukten. Waarschijnlijk dáárom, maar vooral uit zakelijk oogpunt opende Knorr in 1905 de Steglitzbaan in Berlijn.

‘Steglitz’, een piste van vijfhonderd meter lang, twaalf meter breed én hoge bochten, met garantie op razendsnelle, maar daarom bloedlinke stayerskoersen. Vrijwel ieder weekend wisten vijftienduizend toeschouwers dat te waarderen. De kroegen in de omgeving van de baan, waren ook blij met Knorr’s razendsnelle gekkenhuis, want vóór de koers viel het bier niet aan te slepen.  

Ook op zondag 20 mei 1906, hadden de kasteleins weinig te klagen.  In ‘Steglitz’ stond de ‘Goldene Kette mit Stern’, een stayerskoers over honderd kilometer op het programma. Aan het vertrek  de Amerikaan Nat Butler, Peter Gunther uit Keulen, de lokale favoriet Bruno Demke en de Amsterdammer Piet Dickentman. Winnaar werd Dickentman, die de honderd kilometer afraasde in een tijd van een uur en twaalf minuten. Met zijn overwinning verdiende Piet niet alleen de gouden ketting, maar ook tweeduizend goudmark. Dat Dickentman in 1906 een topjaar had, maakte zijn uitslagen- en verdienstelijst wel duidelijk. De Amsterdammer won in Duitsland veertien grote koersen waarbij hij 45.300 goudmark op z’n rekening kon schrijven. (verhaal gaat onder foto verder)

Door een conflict tussen de UCI en  de machtige Duitse manager Knorr, gaf de  laatste een startverbod aan stayers bij hem onder contract, voor het  wereldkampioenschap gehouden in 1910. Knorr organiseerde zijn eigen titelstrijd: het Ober-Weltmeisterschaft, wat andere koek was dan zo’n ordinair wereldkampioenschap. Na de bekendmaking van dit kampioenschap, was de Steglitzwielerbaan  binnen enkele uren uitverkocht. Het werd de meest memorabele stayerskoers ooit. De enige koers zonder onderlinge combines, daarvoor stond er té veel eer op het spel. De honderd kilometer werd ‘rechtuit gereden’. Aan de finish lag namelijk eeuwige roem: hoe betrekkelijk dat ook is.

Dickentman als enige achter de motortandem, een loodzwaar monster bediend door stuurman Steger,en gangmaker Brettschneider.

Na afloop voelden niemand zich bekocht. Daar zorgden acht stayers wel voor, want de absolute top. Vlak voor de start. Terwijl de renners staan opgesteld, omringd door bobo’s, verzorgers en ander wielergepeupel, staan aan de andere kant van de baan de gangmakers, onder meer Werner Krüger, Franz Hofmann, Bauer en Gussy Lawson. Een kwartet dat binnen enkele jaren op de slachtvelden van de stayersbanen, het leven liet. Het was Piet Dickentman die er met de buit van door ging. De Amsterdamse stayer won met voorsprong. Volgens Piet, – die door de Duitse pers zijn hele leven lang als Herr Ober-Weltmeister werd genoemd, – was dat zijn mooiste overwinning uit zijn indrukwekkende loopbaan als stayer, die vijfentwintig jaar duurde.

Bron: Sport-Album der Radwelt jaargang 1906 en 1910.

Baptisten

De Amsterdamse Wielerbaan, begin september 1901. Op het programma de tweestrijd Emile Bouhours versus Piet Dickentman. Een race achter motortandems. Motoren werden aangeduwd. Harde plofgeluiden over de baan. Rillingen in onderbuiken. Natte plekken op houten banken. Voor we verder gaan, eerst even vertellen over die Emile Bouhours, een stayer afkomstig uit Normandië die ongetwijfeld voor een vet contract naar het obscure houten Amsterdamse wielerbaantje was gelokt.

Bouhours, met de trein aangekomen op het Centraal Station. Koffertje in de hand, alsof hij op weg was naar een bijeenkomst van de Zondag Baptisten. De man, voornamelijk actief op de Parijse wielerbanen, maakte in 1903 furore, op de door zo stayers gevreesde en bloedlinke Duitse wielerbanen. In 1903 won de Normandier zeventien grote koersen, wat hem zesentwintigduizend goudmark opleverde.   

Maar dat was twee jaar eerder, want in 1901 was het volk, op komen draven voor Dickentman en die Bouhours. Op de tribunes kreeg men waar voor hun stuivers. Want spektakel in de zesde ronde. De ketting van Bouhours motor vloog er vanaf, en kwam terecht in  het achterwiel. Nadat de stuurman van de wielerbaan was geschraapt, werd er over gestart. Bouhours achter de reservemotor, de geest gekregen, jakkerde ver voor Dickentman uit. Op het moment dat Piet gedubbeld werd, vloog de voorband van z’n motor van de velg.  Dickentman, én zijn gangmakers Adolf Thormann en Jozef Schwarzer, gietijzeren cowboys uit Berlijn, werden gelanceerd.

De catastrofe  was nog niet compleet. In een flits stuurde de stuurman van Bouhours zijn motor omhoog. Ontzetting op de tribune. Ga er maar even aan staan. Alsof een rijdende bom op je afstormt. Stuurman én balustrade werden verpletterd. Piet Dickentman en zijn jongens krimpend van de pijn, werden volgens het Nieuws van den Dag, ‘deerlijk gewond met bloedende wonden aan hoofden, armen, borst en beenen’, afgevoerd richting Wilhelmina Gasthuis. 

Bron: Het Nieuws van den Dag jaargang 1901, Album der Radwelt jaargang 1903.

Bouhours’ laatste ademstoot

17 Mei 1903, de Grossen Goldener Rad, gehouden op de wielerbaan van Friendenau. Een stayerskoers over honderd kilometer. Aan het vertrek van links naar rechts, Taddy Robl, Emile Bouhours, Fritz Ryser, Jimmy Michaels en Alfred Gornemann.  Dat Taddy Robl won, en daarmee tweeduizend goudmark mee opstreek is leuk voor de cijfertjesfreaks onder ons.

Aardig’ is, dat een paar jaar nadat de fotograaf afdrukte, Robl, Michaels, én Gornemann dodelijk verongelukten. Dan is er ook nog Fritz Ryser, die als stayer diverse keren wonderbaarlijk ontsnapte aan gruwelijke ongelukken, waaronder de catastrofe op de wielerbaan van de Botanische Garden in Berlijn waarbij negen toeschouwers nooit meer levend thuis kwamen. De daardoor zwaarmoedige en depressieve Fritz, besloot in 1916 vrijwillig uit het leven te stappen. Emile Bouhours, blies zijn laatste adem uit op drieëntachtig jarige leeftijd…

Spijkeren

Links Albert Kaser, Heinrich Wronker en Piet de Roos.

De elite en de bourgeoisie, zag je daar niet. Wél volk dat bestond uit scheeps- en havenarbeidersarbeiders, afkomstig uit het nabijgelegen volksbuurten Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg. Ruw en rauw volk met losse handjes. Dat er op de Amsterdamse Zeeburgwielerbaan  regelmatig knokpartijen en ander ernstige rellen voorkwamen, daar struikel je over in het archief van deze blog. Oproer en vechtpartijen, vastgelegd door de aanwezige fotograaf van dienst. Foto’s die beklijven. Waar je naar blijft kijken, die anno nu een diepere  betekenis krijgen.

Ook die ene foto van een trio gangmakers, geschoten op een zomerse en zonnige zondag, ergens in de zomer van 1914,  waarop iedereen die de kans kreeg, schaamteloos voor poseerden. De Zeeburgwielerbaan, met z’n dwarslatjes aan elkaar hangende piste. Waar regelmatig de koers  werd stilgelegd, om de timmerman de kans te geven om de losgetrilde latten vast te spijkeren. Dat de baan kapot werd gereden, door de zware gangmaakmotoren, daar trokken gangmakers Albert Käser, Heinrich Wronker en Amsterdammer Piet de Roos zich niets van aan. De Duitse gangmakers Käser en Wronker, die op eigen manier hun kleine krasjes in de wielergeschiedenis kerfden. 

Wronker, in 1915 betrokken bij een levensgevaarlijke actie op die zelfde Zeeburgwielerbaan, waar stayer Jan van Gendt als detonator fungeerde. Tijdens de koers met tachtig in het uur, verkocht Van Gendt tijdens het passeren de Vlaamse stayer Vanderstuyft een muilpeer.  Wat al een kunst op zich was. Bij Vanderstuyft’s gangmaker Wronker afkomstig uit Keulen, slaan dan de stoppen door. Op zijn zware Brennabormotor gaat hij achter Van Gendt aan, en probeert hem tot twee keer toe aan te rijden. Terwijl het publiek fijn zat na te sidderen, agenten en juryleden de dolgedraaide Wronker in bedwang hielden, zat de aanwezige journalist van De Telegraaf ijverig te noteren.
‘Het is een schande’, opent hij maandagmorgen met dampende morele verontwaardiging zijn artikel.

Ach die Heinrich Wronker, die nogal schlemielig aan z’n eind kwam. In augustus 1926, op zijn eigenste wielerbaan in Keulen, was hij betrokken bij een valpartij. Een crash waar Wronker nét langs kon glippen. Om vervolgens met motor en al uit de wielerbaan te vliegen. Tussen de houten banken gaf Hein de geest.

Bron: Revue der Sporten jaargang 1915 en 1915, Illustrierter Radren-Sport, jaargang 1926.

Flo

Gus Lawson.

Florence Nightingale dus, de vrouw die de gewonde soldaten verpleegde tijdens de Krimoorlog. Florence, ook wel de ‘dame met de lamp’ genoemd, want doolde ’s nachts door de pikdonkere ziekenbarrakken met een olielamp, waarmee ze ongetwijfeld ijlende soldaten de stuipen mee op het lijf jaagde, die Flo aanzagen voor de doodsengel. Evengoed gleed Florence de geschiedenis in, als hét symbool van de ziekenverpleging.

Dat er op de wielerbanen van vóór de Eerste Wereldoorlog een Florence Nightingalesyndroom heerste, is hoogstwaarschijnlijk. Renners die ten val kwamen, werden zwaar gewond van de baan geschraapt, en naar het middenterrein gesleurd. Hoe de behandeling van de aanwezige baanarts was, daar moeten we maar niet aan denken. Daar word je als renner hard van, zal wel de mores zijn geweest. Gelijk hadden de verzorgers en soigneurs van de belle epoque. Wat dát betreft, zal Gus Lawson zich zelf wel eens vertwijfeld afgevraagd hebben, waarom hij niet koos voor een carrière aan de biljarttafel, of een andere ongevaarlijke sport. Waarom moest hij uitgerekend op die dag, in het parc des Princes van het Parijs van 1904, op een gangmaakmotor zijn rondjes rijden. Gus een Amerikaan, wist dat eigenlijk ook niet. Maakt ook niks uit. Met renner Walthour achter zijn rug, crashte Gussie met zo’n tachtig kilometer op de teller.

Tommy Hal.

Ook voor Gus werd geen uitzondering gemaakt, en onderging de sleepbehandeling al lijdend. De  wielerbaan van het Parc des Princes waar het niet écht pluis was. Een jaar eerder verongelukte de Amerikaanse stayer George Leander daar dodelijk. En een maand na Gus, sloeg Tommy Hal bijna te pletter. Tommy, stayer afkomstig uit Londen kreeg tijdens de race een klapband. Met wat later bleek, zware inwendige kneuzingen werd Tommy weggedragen. Negen jaar later, tijdens de Grote Prijs van Keulen verongelukte Gus Lawson uiteindelijk dodelijk.

Bron: La Vie au Grand Air jaargang 1904,

Vette worst

Het Europees kampioenschap stayeren, anno nu een onderonsje, gehouden op een afgelegen wielerbaantje. Was ooit een grootste koers, met garantie op een uitverkocht huis. Ook in 1903, met  decor de wielerbaan van Leipzig, waar veertigduizend toeschouwers de weg naar toe hadden gevonden. Het Meisterschaft von Europa over honderd kilometer, zoals dat op de aanplakbiljetten stond, en waarmee de kroegen van Leipzig mee vol hingen.

Aan de start de vier beste stayers van het moment. Een kwartet dat ging uitmaken wie de titel kreeg. De vette worst was natuurlijk, de drieduizend goudmark aan de titel verbonden. Waarvoor Amsterdammer Piet Dickentman, de Duitser Taddy Robl en de Fransen Paul Dangla en Henry Content als hongerige honden op afkwamen. Van het wedstrijdverloop is niet veel bekend. Wél dat Robl de honderd kilometer afraasde, in een tijd van 1 uur en 24 minuten.

Voor Robl was 1903 een gezegend jaar. De man won in het buitenland zesentwintig stayerskoersen. Tel daar nog eens zestien koersen bij op, gewonnen in z’n heimat. Robl, met ruim zesentwintigduizend goudmark was daarmee de best verdienende renner van z’n land. Even voor de statistici onder ons: Paul Dangla werd tweede, Dickentman drie en Contenet sloot het rijtje. Zeven jaar later stopte Robl met de stayerij. Hoogstwaarschijnlijk werd het hem te gezapig, ondanks de liters bloed die wekelijks over de Duitser wielerbanen vloeide.

De voormalige Europees kampioen stapte over naar de vliegerij. Om niet veel later van honderden meters hoogte in z’n tweedekkertje dodelijk neer te storten. Aardig detail: Piet Dickentman was voor dat genoemde vliegtochtje uitgenodigd. Die fatale ochtend, had Piet zich verslapen… Na Robl’s dodelijke stort was de briefkaartenfirma Franz Martin ook uit Leipzig, er als gieren bij om daar van een alleraardigst ansichtkaartje te maken. Altijd leuk om zoiets op je verjaardag in de brievenbus te vinden.

Bron: Album der Radwelt jaargang 1903.

Amputatiezaag

De Grote Prijs van Brunswijk, zondag 7 mei 1905. Mooi weer, én een spetterend programma. Aan de start van de stayerskoers Hubert Sevenich afkomstig uit Stolberg, Rijnland, Richard Schröter uit Dresden, en de Amerikaan Woody Hedspath. De laatste een Afro-Amerikaan, in het kielzog van sprintlegende Major Taylor meegekomen naar Europa.

Woody, in het roomblanke Duitsland, waar een zwarte stayer net zo onbekend was als een ijsbeer in de Sahara, was allesbehalve een kermisattractie daarvoor fietste hij iets te hard. De Amerikaan, afkomstig uit Indianapolis, won dan ook in zijn eentje de beruchte Zesdaagse van Dayton.

Hedspath, ook actief op onze vaderlandse wielerbanen waar hij op de affiches aangekondigd werd met ‘den neeger’, had ongetwijfeld een flinke laag eelt op de  ziel. Waarschijnlijk dáárom, maar zeker voor het geld, bewees hij dat niet alleen witte rakkers hard konden fietsen. In Brunswijk vloog Woody er direct vol in. 

Met achter aan zich aan de jakkerende Schröter én  Sevenich. De laatste bezig Schröter te passeren, maar deed dat iéts te strak. Motorsturen raakte elkaar. In een kluwen van ontploffende en vallende motoren werd Hubert Sevenich, bezig met zijn zesde stayerskoers, verpletterd tegen de balustrade.

Richard Schröter had ietsje meer geluk. Zei het, dat voor de man uit Dresden aan de horizon flauw de contouren van een invalidekarretje opdoemden. Door de val waren zijn benen ernstig gewond. Nadat Richard naar het middenterrein was gesleept, knikte de aanwezige baanarts goedkeurend. Pruisische artsen weten daar wel raad mee. Diep weggestoken in zijn lederen doktersvaliesje, tussen de flesjes jodium, pleisters, verbandrollen, en andere voor dokters handige spullen, diepte hij zijn amputatiezaag op.

Indachtig de kreet dat zachte dokters stinkende wonden maken, werd met de zaag Richard Schröter van zijn onderstel verlost. Dat lot werd bespaard voor de arme Hubert Sevenich, 26 jaar jong. Die werd compleet mét benen, begraven op het dorpskerkhof van zijn geliefde Stolberg.

Bron: Radwelt jaargang 1905, Nieuws van den Dag jaargang 1905.

Steenpuist

Rioolaansluitingen waren er niet. Erger, het toilet, wat bestond uit een emmer stond in de keuken, waarbij één keer per week de strontkar door de buurt kwam, om deze te legen. Stegen met piepkleine krotwoninkjes, waar je de armoede van de muren kon schrapen. Schurft en luizen, gingen hand in hand.  En heet water om kleding mee te wassen, werd gekocht bij een zogenaamd ‘water en vuur winkeltje’. Over lichaamshygiëne zullen we het maar niet hebben. Welkom in de vooroorlogse Jordaan, die Amsterdamse volksbuurt, die anno nu, omgeven is met valse romantiek.

Dat Johnny Schlebaum dat allemaal meegemaakt had, is zeker. Johnny geboren en getogen in die zelfde Jordaan, als zoon van een kolenhandelaar. Loste voor zijn vader regelmatig, en in zijn eentje een schuit vol kolen. Waarschijnlijk dáárdoor kon de wereld van de antraciet en cokes hem gestolen worden. Johnny Schlebaum werd stayer. Beschouwde dat als een heus vak. En een beroep moet je leren. Volgens hem kon je dat maar in één land: Duitsland.

Johnny als nobody noodgedwongen, actief op de kleine Duitse wielerbaantjes. Een ruig circuit, waar kansloze om een plekje knokte. Een harde leerschool, waarbij de kloten regelmatig eraf werden gedraaid. Na drie jaar was de opleiding voltooid. De kolensjouwer uit de Jordaan was stayer, en koerste ook regelmatig voor eigen volk. Wat een lokale journalist, zich aan Johnny’s voormalige kolenloopbaan deed herinneren. De scribent zadelde Johnny in z’n krant op, met de bijnaam ‘roetmop’, en verzon a passant er bij, dat z’n vader schoorsteenveger was.

Johnny, uit de Lindenstraat, werd een cultheld. Als Johnny, voor de zoveelste keer woest ten aanval trok, loeide het hele stadion de oeroude schoorsteenvegerskreet ‘hoeiii’. Johnny Schlebaum behoorde tot de wereldtop, maar ondanks dát, ging het regelmatig mis. Het waarom..? Op de beslissende momenten, kreeg Johnny last van steenpuisten op z’n zitvlak. Wat natuurlijk met die genoemde hygiëne te maken had. Bekijk de foto’s van hem, en je ziet een mooie, maar morsige, onverzorgde jongen.

Johnny Schlebaum met gangmaker Slesker.

Dat hij dagenlang in dezelfde koersbroek actief was, behoort tot de zekerheden. Koersbroeken waren duur, de beloning laag en de inflatie gierde door Europa. Dat brak ook Johnny op. Tijdens één van zijn laatste wereldkampioenschappen gehouden in 1932, was Johnny dé grote favoriet.  In de series was hij ongenaakbaar, en de regenboogtrui lag voor het oprapen. Helaas voor de voormalige kolensjouwer, want vlak voor de finale, voelde Johnny in zijn onderbroek een lastige, pijnlijke bobbel. Een opkomende steenpuist, groot als een stuiter weerhield Johnny er van om z’n plekje in de mondiale sportgeschiedenis in te nemen.    

Familiegraf

Joe Nelson met gangmaker Stinson.

Johnny en Joe Nelson, broertjes afkomstig uit de slumps van Chicago. Desperado’s op de stayersfiets. Ere wie ere toekomt, want het was Johnny die als eerste Nelson de wielerbanen aan de Amerikaanse Oostkust onveilig maakte. Niet veel later maakte ook Parijs kennis met de oudste Nelsonbrother. In juni 1901, stond Johnny Nelson op het programma voor een stayerskoers gehouden op de supersnelle baan van het Parc des Princes. Waarbij Johnny zijn achterwiel liet zien aan Amsterdammer Piet Dickentman en Paul Dangla.

Dat was het voorspel voor de avond van vier september 1901, met als locatie het Madison Square Garden in New York. Waar een stayerskoers over vijftien mijl op de rol stond.  Een duel voor twee renners, Johnny Nelson versus Jimmy Michael. De laatste, een drankzuchtige dwerg die ondanks de drank, van die dagen had dat hij vloog. Madison Square Garden, waar Johnny, halverwege de koers, boven het gebrul van de motoren en publiek, dat ene vreemde geluid van een brekende voorvork hoorde. Johnny, gevallen, mankeerde ogenschijnlijk niets, maar maakte die ene kapitale fout. Hij vergat zijn voet terug te trekken. En die laatste verdween  tussen het voorwiel van de aanstormende motor van Michaels.
Johnny drieëntwintig jaar, opgenomen in het Bellevue Hospital  waar zijn onderbeen geamputeerd werd. Twee dagen later stierf hij aan de gevolgen van gangreen. Aan het graf zijn door verdriet bevangen moeder, die troost vond bij haar jongste zoon Joe, het broertje van Johnny.

En bij Joe stapelt het drama zich op. Want ondanks de dodelijke smakkerd van z’n oudere broer Johnny, vond Joe ook z’n bestemming als stayer. Ook Joe was actief op de Europese wielerbanen. En net als z’n oudere broer, kon Joe, ergens in 1904 de verlokking van het de als levensgevaarlijk bekend staande wielerbaan, van het Madison Square Garden niet weerstaan.

In het aangezicht van een paar duizend Newyorkers, en lekker op snelheid, raakte  het voorwiel van Joe héél even de motor van gangmaker Stinson aan. Joe Nelson,  eenentwintig jaar, werd begraven in het graf naast zijn broer Johnny.

Bron: het digitale archief van de New York Times jaargang 1901 en 1904, La Vie au Grand Air jaargangen 1901 en 1904.

Goor

Wie van de twee knots was? Die vader natuurlijk, en niet z’n zoon! De laatste kon je niets kwalijk nemen.  Jongens van zeventien jaar weten niet beter, die willen zich bewijzen. En voor wie? Ja voor wie eigenlijk… Waarschijnlijk de meiden. Ook Ivar Goor, een  talentvol wegrennertje. Ivar, afkomstig uit Wallonië besloot stayer te worden. Een plan die zijn vader direct had moeten afschieten. De oude Goor bleef in gebreke. Erger, die idioot schafte zich een motor aan, en werd gangmaker van zijn zoon.

Pa en zoon Goor, maakte in 1903 hun opwachting, op de toen al als levensgevaarlijk bekendstaande Duitse stayersbanen. Een debuut waar de Goor’s geen gras over lieten groeien. Via de b- en a-klasse – onderafdelingen van het Duitse stayeren, – waar zich ruige wildwest taferelen afspeelden, promoveerden pa en zoon in 1904, naar de extra-klasse, de premier league van het Duitse wielerbanen, waar het grote geld viel te verdienen.

De Goors fungeerde niet als programmaopvulling, maar waren ook geen hemelbestormers. In de door Radwelt pijnlijk nauwkeurig bijgehouden jaargangen, kom je ze in de uitslagenlijsten regelmatig tegen, maar niet als grootverdieners. In 1904, en het jaar daarop, werden drie koersen gewonnen. Een warmloper voor 1906, het jaar dat het duo hoopte los te gaan. Met zes overwinningen is het dan mei, als de Grosser Preis von Magdenburg, een stayerskoers over honderd kilometer, op de rol staat. Met de Goortjes op de aanplakbiljetten, en verreden op de bloedlinke lokale wielerpiste, waar twee jaar eerder de Franse stayer Dangla, een dodelijke val maakte. Enfin, je kon er op wachten. Halfweg koers trad het horrorscenario in werking, waar moeder Goor nachten van wakker lag. De ouwe Goor maakte een stuurfout, en komt met razende snelheid ten val, waarbij de zoon wonderlijk aan ontsnapt. Stayer Gustaaf Freudenberg 26 jaar, de crash niet ontwijkend, vertrok ter plekke richting hemel.

‘En de ouwe Goor’, hoor ik jullie roepen! Herstellende van diverse botbreuken, werd deze een jaar later weer gesignaleerd op de wielerbanen. Ivar Goor, afgestompt voor het gevaar, won tot 1914 zevenentwintig koersen, waarmee hij ruim negenennegentigduizend goudmark verdiende. Dan gebeurd er iets opmerkelijks. Ivar Goor tijdens de Eerste Wereldoorlog niet actief, maakt in 1918 een carrièredraai. Hij verruilde zijn stayersfiets in voor een racemotor, en schrijft daarmee geschiedenis. Goor, twee keer Europees kampioen op een Benelli 175 cc, won in 1933 de TT van Assen.

Bron: Album der Radwelt jaargangen 1903 tot en met 1914, Sport in Beeld jaargang 1933.

Paula

Op alle van hem bekende foto’s, kijkt een angstige, sombere man schichtig en depressief in de lens. Dat de man veel arbeidsvreugde had, valt dan ook te betwijfelen. Peter Günther, meer dan vijftien jaar profstayer. Won zo’n honderdvijftig koersen, waaronder het wereldkampioenschap in 1911. Günther verdiende met zijn sport een kwart miljoen goudmark. Daar stond wel iets tegenover. De man loerde regelmatig de dood in de ogen. En dat doet wat met de mens.

Dat gedonder begon al bij zijn debuut in op vijf juli 1903, gehouden op de wielerbaan van zijn thuisstad Keulen. In de derde ronde knalden twee motoren tegen elkaar. De aanstormende Peter, achter gangmaker Otto, kon het inferno niet ontwijken. Peter Günther voor dood van de wielerbaan geschraapt, verbleef vier maanden in het Krankenlager. Evengoed ging hij toch iets té lang door met zijn levensgevaarlijke sport. Het waarom? Vraag dat maar aan een psychiater. Enfin, Peter, ontsnapt aan de aandacht van Siegmund Freud de aartsvader van de psychoanalyse, stond op 7 oktober 1918 aan de start van de Grote Hooftprijs van Düsseldorf. Wat een grote macabere finale werd. In de negenenveertigste ronde, krijgt zijn motor pech. Peter Günther, vijfendertig jaar, maakt een fatale val, en sterft een dag later aan een schedelbreuk. Gunther werd begraven op het Sudfriedhof in Keulen. Een begraafplaats bezocht door Stuyfssportverhalen.

Op het Sudfriedhof in Keulen, was de Deutsche Gründlicheit vér te zoeken. De administratie op het kantoor, was van onthutsende eenvoud. Een tiental ordners en geen computer. Goddank was daar ene Claus, doodgraver van dienst. Een zwijgzame kale man in fluorescerend jack. ‘Ah, dem Radfahrer’, riep de delver op de vraag waar Günthers graf was. Vijf minuten later stond Stuyfssportverhalen aan de tombe van Peter Günther.

De herfst hing in de lucht. De geur van de dood is aanwezig.  Op de uitgestorven begraafplaats is alleen het zachte geschraap, van harkende tuinmannen te horen. Onder dennenbomen staat een bemoste, en iets gebutste sarcofaag. Het is de rustplaats van de wereldkampioen. Aan de voorkant een medaillon met de afbeelding van de ongelukkige stayer. Op de sarcofaag, een in steen uitgehakte stayershelm.

En dan is er ook nog gangmaker Werner Kruger (zie grote foto), waar Günther graag achter koerste. Kruger, een dikke struise man, voorzien van een  pronte kont, wat garantie gaf op een goede zuiging. Dikke Werner zoals zijn bijnaam luidde, kwam tijdens de Grote Prijs van Keulen, gehouden  in 1931 ten val. Met gebroken ribben, hersenschudding, én een doorboorde long werd Werner in de ambulance geschoven.  Met de woorden, ‘Nu moet ik sterven’, blies hij enige dagen later in de armen van zijn echtgenote Paula, de laatste adem uit. Werner Krüger, 53 jaar, was het zesenvijftigste dodelijke slachtoffer van de stayerssport.


Bron: Album der Radwelt jaargangen 1903 t/m 1918,  Illustrierter Radrenn-Sport, jaargang 1931.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: