Kachelen

Piet Dickentman, achter Adolf Thormann. Aan het stuur Gerrit de Regt. Foto gemaakt in 1902.

Zo’n onbenullig berichtje. Weggestopt in een stoffig, vergeeld, en inmiddels vergeten sportmagazine, uitgegeven in 1921. Waarin werd stil gestaan dat ene Adolf Thormann, zijn vijfentwintigjarig jubileum vierde als gangmaker.

Thormann, ‘man van Thor, de Germaanse god van de donder’.  Klopt aardig. Thormann, was dan ook zo’n rakker van vele oorlogsfronten, en ‘trok’ Amsterdammer Dickentman, in 1903 naar zijn enige wereldtitel. Als je Thormann aan je zijde had, zat je snor. De man kende weinig scrupules. Zat nergens mee. Dat Thormann de nacht vóór Dickentman’s titelrace, de gangmaakmotor bewaakte met een getrokken Lüger, is ter kennisgeving.

Eerst even wat uitleggen: Dickentman stayerde achter de zogenaamde motortandem, een met twee man amper in bedwang te houden monster. Stayerskoersen, honderd kilometer lang, waar na  vijftig kilometer, – als de benzinepeil angstig laag was, – de tweede motor in de baan kwam. In volle vaart wipte Dickentman over.  Dat van Dickentman’s gangmakers er binnen korte tijd twee dodelijk verongelukte, behoorde tot de mores van het vak. Hoogstwaarschijnlijk schudde Thormann dergelijke drama’s, van zich af als een natte hond. Geld verdrong ratio.

Thormann, man met ‘n kennersoog. Zag meteen wie aanleg als stayer had:  lees, géén angst. In 1908 benaderde hij Fritz Theille, een begenadigd Berlijnse sprinter. Fritz liet zich overhalen, en nam zijn plekje achter de rug van Thormann in. Thormann was een kenner. Fritz ging winnen, en niet zo’n beetje ook. Tot 4 juni 1911! Op de Zehlendorfbaan in Berlijn, verongelukte Fritz voor de ogen van zijn moeder.  

Houdbaarheidsdata van gangmakers tijdens de belle epoque, duurde niet lang. De mannen hadden hun lijf en leden té lief. In de uitslagenlijsten gepubliceerd door Radwelt, kom je ze dan opeens niet meer tegen. Niet Thormann, die kachelde een kwart eeuw lustig voort. Een prestatie op zich.

Bron: Rijwiel- En Motor-Orgaan, jaargang 1921, Album der Radwelt jaargangen 1908 en 1911.

Kroeg

De man was een stayer van nét niet. Stayers als een Jan van Gent, daar zaten ze in het Duitsland van voor de Eerste Wereldoorlog niet op te wachten. Een enkele keer mocht Jan bij de oosterburen zijn opwachting maken. Zonder noemenswaardig succes. Jammer voor Jan, want in Duitsland viel het gróte geld te verdienen.

Het karige beleg op zijn boterham, schraapte Jan bij elkaar op de kleine Nederlandse, Vlaamse en Franse wielerbanen, waar het ruig aan toe ging. Ook op de Antwerpse Zurenborgwielerbaan, ergens in 1915, waar zijn gangmaker Käser, tijdens de race ten val kwam. Jan van Gent, met tachtig kilometer, vliegt  over Käser heen. Waarbij de gangmaakmotor, als een losgeslagen projectiel over de houten wielerbaan stuitert. Om brullend tot stilstand te komen tussen het publiek.   

Van Gendt, Käser en drie toeschouwers worden zwaargewond, en bewusteloos afgevoerd richting hospitaal. Dat Jan van Gent in 1915 Nederlands stayerskampioen werd, was een kwestie van geluk. Grote kanshebbers als een Piet Dickenman, koersten die dag, ergens op een Duitse wielerbaan: uiteraard  voor een volle zak goudmarken.

En toch… Toch struikel in je in het archief van deze blog regelmatig over Jan’s naam.  Of Van Gent, daar blij om had moeten zijn?  De man beschikte namelijk over losse handjes. Met name op de Amsterdamse Zeeburgbaan had Jan een bedenkelijke naam op te houden. Razend achter de zware gangmaakmotor gaf Jan ooit, tijdens het passeren een tegenstander een muilpeer. Met die snelheid een prestatie op zich.

Ach, die Jan van Gent. De man had evengoed zijn verborgen kwaliteiten. Ondanks zijn bescheiden verdiensten, kon hij hoogstwaarschijnlijk goed met geld omgaan. Na zijn stayerscarrière opende Jan, in de Amsterdamse Ferdinand Bolstraat, een café.  Heineken Bier op tap, én twee elektrisch verwarmde Wilhelmina billards.  Jan van Gent, pedant poserend voor zijn kroeg. Bedenkelijk kijkend, op z’n hoede, alsof  hij ieder moment door een brullende gangmaakmotor te grazen wordt genomen.

Bioscoopbroekzak

Een man zonder broekzakken, is een ontheemde stumper. De broekzak, per definitie dé veilige plek waar  handen altijd een warm asiel vinden, waarbij we vooral niet moeten denken aan het begrip ‘bioscoopbroekzak’.  Vlak vóór de start van een stayerskoers, heeft een stayer  nou eenmaal geen pantalon aan. Als dan ook een fotograaf op de proppen komt, heeft hij ’n probleem. De armen gaan dan maar onwennig over elkaar. Of worden geparkeerd op de heup.  Vermoedelijk kon ze dat geen moer schelen, hoe ze op die foto gingen.  Aan de lichaamstaal te zien hadden ze  helemaal geen trek om te poseren. Dat ze dat wél deden, was natuurlijk door de strot gedrukt door  de directie van de wielerbaan.   

Een vergeelde foto, gemaakt vlak voor de start van Het Gouden Wiel van de Rijn. Een stayerskoers over een uur,  gehouden op de lokale wielerbaan van Keulen, tijdens het goddelijke jaar 1912,  waar in het Duitsland van vóór de Eerste Wereldoorlog er honderden van waren.  Enfin, Fritz Ryser, Richard Scheuermann, Thuur Vanderstuyft, Peter Günther en Klaus Zeisler, waren gecontracteerd voor een  koers over een uur. De lokale favoriet, Keulenaar Peter Gunther, werd winnaar, wat niet zó verrassend was.  Dat Günther met zijn overwinning, zeventienhonderd goudmarken opstreek is voor de statistieken. Véél aardiger is te weten wat er later gebeurde. Aardig…?  Dertien maanden later, op diezelfde wielerbaan, tijdens de Grote Herfstprijs verongelukte Richard Scheuermann, een voormalig kleermaker. 

Zes jaar later in 1918, kondigde zich ook het definitieve einde van Peter Günther aan. Peter, wereldkampioen stayeren in 1911, verongelukte dodelijk tijdens de Grote Herfstprijs van Düsseldorf. En dan is er ook nog Fritz Ryser, ook een voormalige wereldkampioen. Ryser, tijdens zijn stayercarrière betrokken bij diverse bloedbaden op de Duitse wielerbanen, zoals de catastrofe op de wielerbaan van de Botanische Garden in 1909, waar zijn  gangmaakmotor in volle vaart  tussen de volgepakte tribunes terecht kwam: negen doden. Fritz, ontsnapt aan deze hel, stierf in 1916 in zijn Berlijnse woning, waarbij het niet uitgesloten was dat de man vrijwillig uit het leven was gestapt.

Scheuermann, Günter en Ryser, mannen in bonus, want rijk geworden met hun sport.  Waar ze weinig plezier aan hadden, Want een doodshemd heeft geen zakken. Laat staan broekzakken…

Bron: Album der Radwelt jaargang 1912.   

Vuile wind uit de beerput

De combinatie Minneboo en Walrave. Foto: Koen Suyk, Nationaal Archief

Van oudsher werd bij het stayeren altijd wel iéts geregeld. Een kwestie van geven en nemen, maar dan wél bij de kleinere, onbeduidende koersen. Vooral tijdens het interbellum, hielden de internationale gangmakers goed in de gaten dat dat niet uit de hand liep. Eigenbelang, want de sport moet geloofwaardig blijven. Na de oorlog verdween deze erecode heel langzaam, en gleed de stayersport langzaam in de klauwen van een clubje corrupte gangmakers. Bedrog, en verraad, klotste tegen de tribunes van de wielerstadions. Vooral de wereldkampioenschappen waren verworden tot een soort veemarkt, waar het hoogste bod goed was voor de wereldtitel.  Eind jaren zeventig deden onderzoeksjournalisten Frits Barend en Henk van Dorp, daar een gedegen onderzoek na. Waarbij vijfvoudig wereldkampioen Gabby Minneboo, de omerta doorbrak. Wat volgde was een onthullend verhaal,  gepubliceerd in Vrij Nederland.  

Met de opmerking, ‘de beerput opentrekken’, trapt Gabby Minneboo af, als hij het  heeft over het wereldkampioenschap van 1978, gehouden in München. Waar Minneboo, als dé grote favoriet, voor de voor de vierde keer achtereen de regenboog ging pakken.  ‘Ik was de beste tijdens de trainingen en had in de series de snelste tijd. Maar toch werd in München, de Duitser Podlesch wereldkampioen, en werd de ijzersterke Pronk tweede en Rietveld derde’. 

Minneboo: ‘Ik ben daar ongelooflijk belazerd. Door wie? Door mijn eigen gangmaker Bruno Walrave, die tijdens de finale er voor zorgde dat ik steeds in de ‘vuile wind’ reed. Hij had bewust,  een andere, dan de ideale positie op z’n motor ingenomen. Het was de bedoeling dat ik achter de motor vandaan zou waaien. Na een paar rondjes in deze finale, waaide ik inderdaad, bijna van de motor vandaan. Wat vreemd, dacht ik, ik krijg steeds hele stoten vuile wind in mijn gezicht. Na afloop dacht ik eerst nog: hoe kan dat nou gebeuren met zo’n ervaren gangmaker als Bruno Walrave. Maar al vrij snel werd het mij duidelijk,  dat de beste, brave mijnheer Walrave zich helemaal niet had vergist. Hij had dat bewust, expres gedaan. Ik ben ongelofelijk belazerd. Daar kwam ik een paar maanden na dat kampioenschap, stom toevallig achter. Wij reden toen in Berlijn, toen iemand achteloos tegen mij vertelde, dat  Podlesch héél veel geld aan Walrave had betaalt voor die wereldtitel’.

‘Of ik in Berlijn aan Walrave opheldering had gevraagd? Nee, ik weet dat dat stom van mij is geweest. Ik stayerde té graag. Bovendien is  Walrave degene die het hele stayersspel beheerst en regelt. Ruzie met hem maken, betekende het einde van mijn carrière’. Een einde die voor op moment negenendertigjarige Minneboo,  tóch kwam.

In 1983 kreeg Minneboo, op zijn verjaardag notabene een telefoontje. ‘ Walrave vertelde mij dat de verhouding tussen hem en mij was verstoord. Hij ging verder rijden met Jan de Nijs, waarna hij direct de telefoon neerlegde. Ik was perplex, was met stomheid geslagen. Dat was mijn dank na tien jaar van samenwerking met hem’.

BvD confronteerde Minneboo dat hij ook aan dat schimmige spel mee gedaan had.  ‘Ik moet tot mijn schaamte toegeven, dat wij aankomende talentvolle stayers helemaal kapot hadden gereden. Jonge renners als een Eric Geserick, Van Tol en Rietveld’. De bij het interview aanwezige vrouw van Gabby,  dring bij hem aan om openheid van zaken te geven hoe het verloop van de stayerskoersen van te voren werden bepaald. ‘Goed’, begint Minneboo, ‘Geserick was te eerlijk, te netjes, hij deed niet mee met ‘het spel’, daarom hadden wij een hekel aan hem. Dat kwam ook door zijn gangmaker Stakenburg. Overigens, Staak heeft door de verhalen van Walrave een heel slechte naam gekregen van een boef te zijn. Maar voor Staak geldt maar één ding: winnen en voor Walrave geldt alleen maar geld.

Huldiging in het Olympisch Stadion 1972. Rechts wereldkampioen amateurstayers Cees Stam, links de als derde geëindigde Minneboo. foto: Nationaal Archief.

‘Kennen jullie het verhaal van die gangmaker die zijn renner dope verstrekte’, vraag Minneboo aan BvD? ‘Ik wel! In 1981 en 1982  heeft Walrave mij nortestosteron gegeven. Ik moest, zo vertelde Walrave mij, om de drie dagen  een spuit nemen van dat spul, dat Bruno mij gaf. Voor ik het nam, las ik eerst de bijsluiter. Van de bijwerkingen herinner ik mij in elk geval nog impotentie, leveraandoeningen  en prostaatkanker. Ik had meteen die zeven spuiten weg gemieterd’.

Dan het wereldkampioenschap stayeren van 1984, met de latere winnaar Jan de Nijs. Volgens de aanwezige Barend en Van Dorp,  had deze héél weinig  met de feitelijkheden te maken, die de betrokkenen na afloop vertelden. De werkelijkheid was héél anders.

De in de stayerswereld als eerlijk bekend staande Mathé Pronk, had een jaar keihard getraind voor dit kampioenschap. Pronk achtte zich in staat om in Barcelona wereldkampioen te worden. Hij was alleen kansloos tegen de geldbedragen van een landgenoot. Pronk werd daardoor gedwongen, voor de zoveelste keer in de rol gemanoeuvreerd van de zich opofferende Nederlander.

Minneboo: ‘Natuurlijk heeft Walrave de titel voor De Nijs gekocht. Normaal had maar één renner kampioen geworden, en dat was Pronk. Je dacht toch niet dat Walrave dat had goed gevonden dat Pronk wereldkampioen was geworden?  Er is bij mijn weten nooit zoveel geld voor een titel geboden. De sponsor van De Nijs had 40.000 gulden daar voor over. Eerst hebben ze in de herkansing de Italiaan De Lillo 2000 gulden betaald, zodat De Nijs probleemloos naar de finale kon. En in de finale zaten ze in de slag met de Duitsers en Pronk. Het zal inmiddels wel duidelijk zijn: geen wereldkampioenschap zonder ‘vuile wind’.

De onthullingen van Minneboo in Vrij Nederland, luidde de ondergang in voor het internationale stayeren. Niet veel later besloot de UCI dit onderdeel van de internationale kalender te halen.

Bron: Vrij Nederland, september 1984, auteurs Frits Barend en Henk van Dorp.

Kruispunt

Het was zijn eerste autorace, waarbij hij meteen tot dé favoriet werd uitgeroepen. Waarop zijn favorietenrol was gebaseerd, is niet helemaal duidelijk. Waarschijnlijk omdat Henri Cissac ervaring had  met snelheden. Cissac, een gangmaker op de wielerbanen. Op zijn zware gangmaakmotor trok hij in 1903, Tommy Hall naar een toenmalige wereldsnelheidsrecord van ruim tachtig kilometer.

Voor Cissac was het leven op z’n gangmaakmotor  tóch nét niet spannend genoeg. Zijn lijf smachtte naar nóg meer adrenalinekicks. Het feit dat  er inmiddels tientallen zware ongelukken, soms met dodelijke afloop op de wielerbanen plaats vonden, schudde hij, als een natte hond van zich af. Voor jongens als een Henri Cissac, was de komst van  het vliegtuig én de raceauto een niet te missen kans. Collega gangmaker  Bertin, verruilde zijn gangmaakmotor om voor een vliegtuigje. En stortte in 1909, van  zo’n honderd meter hoogte, richting aarde. Bertin kreeg een vorstelijke begrafenis. Maar dat terzijde.

Cissac ging voor de raceauto. De datum zeven juli 1908, stond vast  in z’n agenda rood omcirkelt. Op deze dag beleefde de voormalige gangmaker zijn première als autocoureur. De man ging van start bij de Grand Prix des Voiterettes, een race over ruim vierhonderd kilometer, gehouden over de landweggetjes in de buurt van Rouen.  

Henri Cissac, aan het stuur van z’n bolide. Naast hem zijn mecanicien, ene Schaub. De fotograaf van het Franse sportblad La Vie au Grand Air, was ook ter plekke. Zijn foto’s van deze race, nú bekijkend,  moet het voor toeschouwers en coureurs, een helse aangelegenheid zijn geweest. De meest vreselijke ongelukken, met duidelijk in beeld,  zwaar gewonde mensen,  afgedrukt over de breedte van een pagina.

Henri Cissac stond daar ook bij. Voor Henri was een hele pagina uitgeruimd. Halverwege race, op volle snelheid en in de buurt van het kruispunt Willy-le-Haut, kon Henri het stuur niet meer houden. De bolide van Cissac belandde op z’n kop in een droge sloot. Waarbij mecanicien Schaub, zich direct meldde aan de hemelpoort. Cissac hield het iéts langer vol. ‘Haal me weg, haal me weg’,  stootte de ongelukkige Henri uit, tegen toegesnelde toeschouwers, en verloor het bewustzijn.

Cissac, afgevoerd naar een boerderij in Maisoncelles, waar hij, twintig minuten later, dit ondermaanse verliet. Henri Cissac, eenendertig jaar geworden, werd op zijn verjaardag, vijftien juli, begraven. Dat dan weer wel…

Bron: La Vie au Grand Air jaargang 1908.

Ratten, heel veel ratten

August Fossier, links, gangmaker van zijn broer Honoré Fossier

11 November 1918, de dag dat de ‘Groote Oorlog’ eindigde. Ruim acht miljoen  gesneuvelden. Jongens, weg gerukt uit hun jeugd. Vechtend aan het Westfront. Vier jaar lang overlevend in vochtige loopgraven, de hel, op een paar vierkante kilometer.

Slaapgebrek, kou, regen, honger, dorst, modder en ratten. Héél veel ratten. De stank van ontbindende lijken. Om uiteindelijk de sterven voor Kaiser, und Vaterlant, en andere nationalistische idioten. Op de oorlogskerkhoven in West-Vlaanderen en Noord-Frankrijk liggen die jongens te wachten op de jongste dag. Op hun graf een wit steentje met naam en rangnummer. Eindeloze rijen.

Ook de laatste rustplek voor Auguste Fossier. August, een voormalig wegrenner, ruilde zo rond 1902 zijn fiets om voor een gangmaakmotor. August werd de vaste gangmaker van zijn broertje Honoré.  Succesvol zijn ze niet écht geweest. Zeker niet op de Duitse wielerbanen van vóór de Eerste Wereldoorlog,  de premier league  van het stayeren. In de  lange, pijnlijk nauwkeurig genoteerde, uitslagenlijsten gepubliceerd in de jaargangen van Radwelt, kom je de broertjes Fossier niet tegen.

De jongens Fossier waren gebonden aan de koersen, gehouden in hun vaderland Frankrijk. Ach wat maakt dat ook uit. Dit stukje gaat over gangmaker August Fossier. Die op de allereerste dag van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, zich kon melden bij het Franse Leger, waar hij toegewezen werd als ‘cyclist’. Het monster van de ziektes, heerser in de loopgraven kreeg uiteindelijk ook August te pakken.

In 1915 werd de voormalige gangmaker getroffen door tyfus. August Fossier zou nooit meer op z’n gangmaakmotor zitten. Ergens in mei 1915 blies  August zijn laatste adem uit. August Fossier, eenenveertig jaar, liet een vrouw en drie kinderen achter.

Negende

Hupsakee! Daar ging er weer één. Even voor dat het weeë geluid van zacht vlees op hard beton klonk, kreeg Eugene Bruni een klapband.  Met tachtig kilometer stuiterde Bruni tegen het beton. Bewusteloos,  op een brancard,  afgevoerd richting het hospitaal. Waar de priester van dienst al klaar stond met de laatste sacramenten. 

Voor Bruni’s leven werd geen centiem gegeven. Maar God was genadig die dag. De Heer had zijn grenzen. In  zijn eigenste hemelse paradijsje,  werd het  opvallend druk met die malle stayerende jongens.  In dat goddeloze jaar 1904, had Hij al acht dood gevallen stayers mogen verwelkomen.  Bruni, twee dagen later wakker geworden met een knallende koppijn, ontsnapte als negende. Als stayer mocht de man  dan wel regelmatig zijn leven op het spel zette, maar helemaal van de pot gerukt was hij ook nou weer niet.

Van een oude cavaleriehelm knutselde hij een valhelm. Een maand later zal hij de Heer op z’n knieën gedankt hebben. Bruni mét helm, én een contract voor een stayerskoers  gehouden op het Parc des Princes. Tegenstanders  Walthour en George Leander, 22 jaar, afkomstig  uit Chicago. De laatste, razend, zonder valhelm achter gangmaker Cissac, kwam ten val en kwam terug in Chicago in een loden doodskist.

Parijzenaar Bruni, zoon van straatarme Italiaanse ouders, werd gelokt door het grote geld  dat op de Duitse wielerbanen te verdienen was. Acht seizoenen was Bruni regelmatig op de levensgevaarlijke banen actief, won vijfentwintig grote koersen, goed voor bijna tachtigduizend goudmark.

Getuigen van de dramatische afgang  van Eugene Bruni, gefotografeerd en afgedrukt in een groot Franse sportmagazine, hadden nooit kunnen vermoedden dat Bruni, pas in 1956 op tweeënzeventig jarige leeftijd zijn laatste adem uitstootte.

Bron: La Vie au Grand Air, jaargang 1904.

Corona

Zestig kilometer in het uur.  De gangmaakmotor had in het jaar 1901 zijn  opwachting gemaakt.  Een prehistorische machine met een onheilspellend grote benzinetank, gesmeed door de plaatselijke smid, waarvan het te hopen was dat de tank niet lekte.

De  komst van de motor was het sein  voor avonturiers met suïcidale trekjes om daar achteraan te koersen.  Nóg wildere, desperate figuren, namen plaats op de motor. Het stayeren was geboren. Wél opvallend dat de stayerssport direct aansloeg in Duitsland. Opvallend? Niet echt. Volgens de toenmalige Pruisische mores, kon alleen roem behaald worden op het randje van leven en dood.

De vele Duitse schermschooltjes, waar met vlijmscherpe sabels lustig op elkaar werd ingehakt, floreerde als nooit te voren. Waar de stille, onuitgesproken wens, een houw in het gezicht was Een litteken op de bakkes, een pré op erkenning in de Keizerlijke Wehrmacht. Ook  op de wielerbaan kon lustig gestoeid worden met Magere Hein. Met de gangmaakmotor als het vehikel richting kerkhof. Binnen enkele jaren sneuvelden meer dan veertig stayers en gangmakers.  

Thaddy Robl, een beginnende stayer afkomstig uit München maakte zich nog geen zorgen. De man behoorde  tot de wereldtop. Robl, gegangmaakt door de gebroeders Lehman, twee geharnaste cowboys afkomstig uit Berlijn, was de grootverdiener in het stayeren.  Thaddy, koerste op het beste materiaal van z’n tijd. Gesponsord door de Continental-fabrieken, leverancier van banden. Zijn  fietsen werden beschikbaar gesteld door de grootste fietsfabriek van München. Dat het  fietsmerk véél later, een sinistere bijklank kreeg zal Robl ongetwijfeld een rotzorg zijn geweest. Voorlopig werd hij wereldkampioen op een karretje van het fietsmerk Corona.

Schurende waanzin

Guignard gegangmaakt door Hoffmann.

Lef, schurend tegen waanzinnigheid aan.  Het was het geld waarmee hij zijn leven in op het spel zette.  Met  ‘eeuwige roem’ als bonus.  Op die ene woensdagmiddag ergens in het september van 1909 raasde  Paul Guignard achter een gangmaakmotor en verbrak de magische grens van de honderd kilometer, afgelegd in een uur. Tientallen aanvallers waren vooraf gegaan. Om vervolgen te  sneuvelen op het veld van eer.

Guignard een klein, somber kijkend kereltje flikte het kunstje wel, en bracht de afstand in één uur naar 102 kilometer en zeshonderddrieëntwintig meter. Een levensgevaarlijke klus.  Op de Europese kerkhoven lagen inmiddels tientallen  doodgevallen stayers.  Guignard achter de derriere van gangmaker Hoffman, die zijn poulain ‘trok’ op een driecilindermotor. Het was dezelfde type motor dat in het vliegtuigje van  Bleriot zat, waarmee hij als eerste mens over Het Kanaal vloog. Honderdtwee kilometer afgelegd op een fietsje, een magisch getal, wat Franse sportbladen vilein deed opmerken dat Guignard sneller was dan de snelste Franse trein.

Paul Guignard, voor de Eerste Wereldoorlog regelmatig  actief op de als levensgevaarlijk bekend staande Duitse wielerbanen, waar de dood nooit ver weg was.  De man mocht daarbij niet klagen over succes, want verdiende meer dan een kwart miljoen Duitse Goudmarken. Geld is maar slijk. Belangrijker was het factor ‘geluk’.  Iets wat zijn gangmakers niet konden zeggen.

Vier van Guignard’s vaste gangmakers  verongelukte dodelijk tijdens het uitoefenen van hun beroep. Beelden van de horrorcrash, tijdens de Grote Prijs van Keulen gehouden in 1913,   gaf  bij Guignard tot op hoge leeftijd een kras op z’n ziel. Hoe hij, wereldkampioen van 1913, aan het vertrek stond van deze Grote Prijs van Keulen. Waar zijn gangmaker Gussie Lawson met zo’n negentig kilometer, een klapband krijgt. Gussie, ten val, en sleurt daarbij stayer Richard Scheuermann gezamenlijk mee de dood in.

Dat Paul Guignard, met die hoge snelheid de kluwen van vallende motoren en stervende mensen wist te ontwijken, valt tot op de dag van vandaag niet uit te leggen. In tegenstelling tot veel van zijn verongelukte collega’s stierf  Paul Guignard op negenentachtigjarige leeftijd tussen de witte lakens.

Bron onder meer: Album der Radwelt jaargangen 1905 tot en met 1914, La Vie au Grand Air jaargang 1909,

De laatste ronde van Brecy


De noodlottige wielrenner stierf afgelopen vrijdag 25 november in het ziekenhuis van Boucicaut, na een vreselijke val tijdens een werelduurrecordpoging, enkele dagen ervoor, gehouden in het Parc des Princes, tijdens een uurrecordtest. Onze foto is genomen vanaf de top van de kleine bocht waar de val plaatsvond, enkele ogenblikken voordat het gebeurde. Brecy reed op dat moment met 91 kilometer per uur achter gangmaker Bertin,  toen de vork van die laatste brak en de twee mannen op de grond werden gegooid. Brecy, een van de meest gewaardeerde Franse stayers, was 32 jaar oud en liet een weduwe en drie kinderen achter, van wie de jongste nog maar acht jaar oud is.

Bovenstaande werd gepubliceerd in La Vie au Grand Air, november 1905.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: