Overlever

Dan was er ook nog Willy Hesslich, man van vele veldslagen.  Een veteraan, die tijdens de Eerste Wereldoorlog als Feldwebel, vocht voor zijn kaiser und vaterland. Willy, voor hij zijn plekje in de loopgraven innam, eerst gehard als gangmaker op de Duitse wielerbanen, waar de dood nooit ver weg was. Tientallen stayers  en gangmakers waren óf verongelukt, dan wel voor het leven getormenteerd.
Hesslich, overleefde de bloedlinke wielerbanen maar kwam ook ongeschonden van de slagvelden van de Eerste Wereldoorlog. Willy, sinds 1905 gangmaker, leidde twee jaar nadien  Kurt Rosenlöcher naar drieëndertig overwinningen. Een getal dat niet genoeg geroemd kan worden.  Hesslich, afkomstig uit Dresden, maakte van een ‘halve stayer’ een hele. Albert Schipke, een stayer van nét niet, zal zijn gangmaker altijd dankbaar zijn.  Willy voerde Albert in 1911 naar het Meisterschaft von Preusen.
Die ouwe Duitse gangmaker  kon je niets meer wijs maken. De man had zó vaak de dood recht in diens muil geloerd. Ook op de Rijswijkse wielerbaan van 27e mei 1923. Stayerskoers  over twee manches, waar Hesslich  samen met z’n renner Rosellen waren gecontracteerd.
Of Willy voor de start bang was? Hooguit maakte hij zich zorgen om de kwaliteit van z’n motor. De economie van Duitsland lag op z’n kont. Geldontwaarding. De Republiek van Weimar. Straatgevechten tussen communisten en ‘Freikorpsen.’
Niets meer te verkrijgen. Laat staan nieuwe banden voor z’n gangmaakmotor. En dat laatste kostte Willy letterlijk z’n kop. Bijna.
Willy Hesslich, man met een engel op z’n Teutoonse schouders. Tijdens de tweede manche  op volle snelheid sprong de achterband van z’n motor stuk. Willy, gevallen met zijn renner, en liggend onder de zware motor, stortte omlaag. Met een zware schedelbreuk werd Willy Hesslich afgevoerd richting ziekenhuis.
Waar hij niet de eerste gangmaker was die in dat gasthuis werd verwelkomt. Tijdens de eerste manche ontplofte ook de achterband van collega-gangmaker Claus Nachtmann. Claus, samen met renner  Thomas, stuiterden over het hout van de wielerbaan. Waar Nachtmann en Thomas, bloedend uit vele wonden, vanaf werden geschraapt.
Dat was zomaar een fijn dagje stayeren op de Rijswijkse Wielerbaan. En voor ik het vergeet: Willy Hesslich overleefde z’n zware val. Je bent een overlever of niet.

Bron: Sport-Album der Rad-Welt jaargang 1922, De Tribune, krant van Sociaal-Democratische Partij.

Von Werlhof

De geografie van zo’n foto lag vast, want vier stayers naast elkaar opgesteld. Strak in de lens kijkend, omringd door onbestemde kerels. Op de volle tribunes het grauw. Vergeelde foto’s, meer dan een eeuw oud,  die nog steeds beklijven. Een tijdsbeeld. Verstild en gevangen op een gevoelige plaat. Wat dergelijke foto’s zo fascinerend maakt is het lugubere aspect. Anno nu weet je de geschiedenis van die afgebeelde jongens.
Twee van de vier, nog in zalige onwetendheid, verongelukte niet veel later. Guignard, Piet Dickentman, Bruno Demke en Robl, van links naar rechts, klaar voor de Goldenen Rad von Steglitz, verreden op de gelijknamige baan in Berlijn.
Een stayerskoers zoals in het Duitsland van voor de Eerste Wereldoorlog  er honderden waren. Waarvan alleen de uitslagen nog terug te vinden zijn in  de  jaarboeken van het Sport-Album der Radwelt,  indertijd uitgegeven door Fredy Budzinsky en gedrukt bij Buchdruckerei Strauss in de Berlijnse Lindenstrasse 16.
Pagina’s vol uitslagen, staatjes met de verdiensten van de renners, het aantal verreden koersen, maar ook welke ausländische renners actief waren op de Duitse banen,  en ga maar door. Met Pruisische mores, pijnlijk nauwkeurig door ene Max von Werlhof opgeschreven. Een feestje voor de   statisticiliefhebber. Maar een nachtmerrie voor die ene Berlijnse letterzetter…
Volgens Von Werlhof was er tijdens de Goldenen Rad, 6800 goudmark te verdelen voor de renners. Ook dat  de honderd kilometer werd afgeraasd in een tijd van 1 uur en twaalf minuten. Winnaar werd  Guignard,  die  tweeduizend goudmark én een gouden medaille mocht afhalen.
Wat Von Werlhof nou niét wist was, dat Robl tijdens een vliegtochtje gehouden  in 1910 hoog boven Berlijn neerstortte. Bruno Demke, tijdens de Eerste Wereldoorlog piloot bij de Kaserliche Luftwaffe   en in augustus 1916, zittend in z’n Fokker hoog boven Berlijn, hoorde plotseling de motor van z’n jachtvliegtuig stoppen. Bruno werd 36 jaar.

Bron: Sport-Album der Radwelt jaargang 1907.

Kiezelsteentje

Het werelduurrecord achter de zware motor. Wat meer een kwestie van  lef dan atletisch vermogen was. Dat laatste ging niet hélemaal op voor  Leon Vanderstuyft. De man werd in 1922 wereldkampioen bij de profstayers.   
Vanderstuyft,  tijdens de Eerste Wereldoorlog asielzoeker  in ons land, waar hij niet zijn hand ophield.  Als beroepsstayer verdiende Leon zijn guldens. Ook op de Amsterdamse wielerbaan Zeeburg. Tijdens de  zomer van 1915 was hij het middelpunt  van een rel. Vanderstuyft, gecontracteerd voor een koers met twee renners, en  gehouden over drie manches. Tegenstander Jan van Gendt, die bonje kreeg met de Vlaming. Tijdens het passeren, op volle snelheid sneed Van Gendt Leon, wat een potentiële moordaanslag was.
Vanderstuyft valt, en schuift meters over het Zeeburgse hout. Wat bij Leon’s  gangmaker  de stoppen deed doorslaan.  Op zijn zware Brennabormotor gaat hij achter Van Gendt aan, en probeert deze tot twee keer toe aan te rijden. Terwijl het publiek nog fijn zat na te sidderen, agenten en juryleden de dolgedraaide gangmaker  in bedwang hielden, zat de aanwezige journalist van De Telegraaf ijverig te noteren.
Volgens de allerbeste Telegraafmores, gaf de krant een dag later de buitenlander de schuld. ‘De Belgische sinjeur, die blijkbaar de gastvrijheid, welke hij hier geniet, niet naar waarde weet te schatten. Om van het publiek maar niet te spreken.’
Dertien jaar later, in 1928 zal Vanderstuyft dat incident vast vergeten zijn. De man, opdat moment de vier kruisjes bijna aantikkend, was niet van plan zijn carrière geruisloos af te sluiten. En dat kon maar op één manier: het werelduurrecord achter de gangmaakmotor. Een dubieus record waarvoor in 1902 Tom Linton de aftrap gaf. Tom, gegangmaakt door Marius Thé, liet na een uur de kilometerteller op 68.410 meter staan. Een jaar later verbroken door Paul Dangla, die de afstand van 71.660 meter achter zijn naam mocht noteren. Waarmee de bloedhonden uit hun kennels los braken.
De snelheidsobsessie  nam een aanvang. Tussen 1903 en 1928 werd het record meer dan vijfentwintig keer verbroken. Tot die ene opmerkelijke dag op 29 september 1928. Een dag waarop Leon vanderstuyft orde op zaken ging stellen.
Op het Autodrome van Montihéry gelegen bij Parijs, achter de kont van gangmaker Lehmann,  raasde Leon naar het duizelingwekkende snelheid van 122.771 meter. Een snelheid waarbij  de nodige lef aan te pas kwam. Op een monsterachtig zware versnelling, op luttele centimeters achter een motor die nou niet bekend stond om z’n veiligheid, én met dergelijke snelheden. Slecht een lullig scherp kiezelsteentje was nodig… Enfin, wil je eeuwige roem behalen moet je iets over hebben. Leon Vanderstuyft had dat. Zijn record staat nog steeds in de boeken.

Bron: Illustrierter Radrenn-Sport, jaargang 1928, Revue der Sporten jaargang 1915.

‘Plof’

‘De beroemdste renners rijden op Continental-Pneumatic’, aldus een reclamekaart uit 1909 en uitgegeven in grote oplages. De reclameman van de Continental-bandenfabriek zat nergens mee. Zonder enige kennis kletste de man er maar wat op los. De tubes van  de gelijknamige bandenfabriek, – trouwens van al die andere toenmalige fabrikanten –  deugde niet. Deze waren levensgevaarlijk. Die  banden  vertoonde namelijk een grove fabricagefout.
Op de Continental-Pneumatics, waren de stayers tijdens  de belle epoque hun leven  niet zeker. Met de komst van de zware gangmaakmotor, zo rond 1900 tot 1914 verongelukte tweeënveertig stayers, waarvan meer dan de helft door een ontploffende voorband. Ook de stiel van gangmaker was bloedlink. Gangmakers als een Jozef Schwarzer, Charles Peque, Hendrik Haeck en Gussie Lawson verongelukte tijdens een stayerskoers. Oorzaak? Een klapband.
Vooral het ongeluk van Gussie Lawson, tijdens de Grote Prijs van Keulen, gehouden op 7 september  1913, mocht er zijn. De voorband van  Gussie, met negentig per uur, krijgt een klapband. De zware  Durkoppmotor slaat om, en  verpletterd daarbij, de aanstormende stayer Richard Scheuermann. Richard en Gussie vertrokken gezamelijk naar de Grote Stayershemel.
De Amsterdamse stayer Piet Dickentman zette dat aan het denken. Dickentman deed een onderzoek en concludeerde dat die tubes  waren voorzien van een verticale canvaslaag. Ook de samenstelling van het rubber was niet goed. De banden versleten te snel.
Zo rond 1910 kwam Dickentman er achter dat de tubes voorzien moesten zijn van zogenaamd diagonaalcanvas, wat spontane ontploffingen minimaliseerde. De banden van  de gangmaakmotoren waren ook niet helemaal koosjer.  Tijdens de koers moesten de stayers regelmatig van motor wisselen. Door de bochten waren de banden aan één kant versleten.
Dan kwam de tweede motor naast de renner rijden die dan vervolgens, in volle snelheid overwipte naar de verse motor. Vervolgens werden de banden van de eerste motor op het middenterrein omgedraaid…!
Of de jongens op de reclamefolder, onder contract staande bij de Continentalfabriek, de Pneumatics hadden overleeft? Stayers als een Bobby Walthour, Henry Contenet, Fritz Ryser, Thuur Vandenstuyft, Bruno Demke en Piet Dickentman wél. Met de aantekening dat ze meermalen, op raadselachtige wijze  een klapband hadden overleeft.
Fritz Theile, foto links, kende die mazzel niet. Tijdens de Grote Pinksterprijs van Berlijn, gehouden op 4juni 1911 hoorde Fritz, boven het geraas van zijn gangmaakmotor uit, vanuit z’n voorband  die onheilspellende ‘plof’. Fritz Theile werd 27 jaar.  

Bron onder meer ‘Flirt met de Dood’, geschreven en uitgegeven door Stuyfssportverhalen, Sportalbum Der Radwelt jaargangen 1902 tot en met 1914.

Nooit vergeten…

Tot midden jaren tachtig raasde de sloopwoede  over de begraafplaats. Grafmonumenten, waarvan de rechten waren verlopen,  vaak meer dan een eeuw oud verdwenen liefdeloos in sloopcontainers. Die tijd is geweest. Op het Amsterdamse Nieuwe Oosterbegraafplaats zijn ze  inmiddels bewust van de monumentale status van dat soort graven. Onder de bezielende leiding van Mischa Smeding, staflid van de begraafplaats, kregen de meest bijzondere  graven de status van  monument. Ook het graf van stayer Piet van Nek, dodelijk verongelukt tijdens een stayerskoers in het Leipzig van 1914.

Inmiddels behoort Van Nek’s graf tot één van de mooiste van de begraafplaats. Alleen om dat feit zingt de naam van Piet van Nek nog een enkele keer rond.
Het  monumentale graf,  eind vorig jaar prachtig gerestaureerd en voorzien van een tekstbordje met uitleg over Piet van Nek zijn stayerscarrière, waaraan deze blog de foto en tekst  had aangeleverd.
Vandaag 14 april, de sterfdag van Piet van Nek, en zoals ieder jaar een  bloemetje op zijn  graf   gelegd.

Meer verhalen over het leven én sterven van Piet van Nek, zijn op deze blog te vinden.

Bloeddorstige kraaien

De doodsoorzaak? Het materiaal. Stayersbanden die bij hoge snelheden ontplofte. Voorvorken die spontaan braken. En vooral het  stuur, ook een belangrijke hemelbezorger. En het kon nog enger. De loodzware gangmaakmotor, die met twee man amper in bedwang te houden waren. Ging de snelheid boven de tachtig kilometer dan was het op de wielerbanen code rood. Waren de bochten té steil dan wel te vlak, dan werd het echt link. Dan  kwam het begrip ‘middelpunt vliedende kracht’ in werking. Motoren vlogen zomaar tussen het publiek, zoals op de wielerbaan van de Botanische Garden in het Berlijn van 1909, waar negen Berlijners nooit meer thuis kwamen. Sla de archieven open en de schrik slaat om het hart.
Tientallen ongelukken van stayersmotoren die in het publiek terecht kwamen, worden in éénkolommertjes vermeld. En als zo’n monster  de bocht niet uitvloog, dan raasde die wel als een ongeleid projectiel het middenterrein op. Stayeren tijdens de belle epoque was pure horror. Voor renner en publiek.  Zoals bij de Grote Prijs van Brunswijk op zondag 7 mei 1905. Waar motorsturen tijdens het passeren elkaar even raakte.  
In een kluwen van ontploffende en vallende motoren werd Hubert Sevenich, bezig met zijn zesde stayerskoers, verpletterd tegen de balustrade. Richard Schröter had ietsje meer geluk. Door de val waren zijn benen ernstig gewond. Nadat Richard op het middenterrein was gesleept, knikte de aanwezige baanarts goedkeurend. Pruisische artsen weten daar wel raad mee. Ter plekke werd Richard met behulp van een amputeerzaag van zijn onderstel verlost.  Dat lot werd bespaard voor de arme Hubert Sevenich, 26 jaar jong. Die werd tenminste  compleet mét benen en al begraven op het dorpskerkhof van zijn geliefde Stolberg.
Henri Contenet, een Frans topstayer had meer geluk. Tijdens een stayerskoers gehouden in het Velo d’Hiver in Parijs koerste Contenet achter gangmaker Marius Thé. Hoe het kwam? Niet meer na te gaan. Feit was, dat tijdens de race de motor én Contenet ten val kwamen. Op wat schaafwonden na mankeerde Henry niets. De gangmaakmotor wel.
De benzinetank, gemaakt van dun koper, vertoond duidelijk een gebutste indruk. Waar niemand iets van aantrok. De show moest door gaan. Voor het front van de tribune, gevuld met publiek als loerende, bloeddorstige kraaien werd met een paar grote bacosleutels  de motor opgelapt, op de handen gekeken door  Contenet in badjas.
In tegenstelling tot die tientallen verongelukte stayers had  Contenet meer geluk. Henry,  honderden stayerskoersen gereden over een periode van zeventien jaar, stierf in 1962 op zevenentachtig jarige leeftijd vredig tussen de witte lakens.

George in olieverf gevangen

‘Le Vainqueur’ is de naam van het schilderij. Geschilderd tijdens het interbellum door Theo Bennes, een Nederlandse kunstschilder, wonend in het Parijs van de jaren dertig. Dat de afgebeelde figuren te linken zijn aan de wielersport is zeker. Aan de man in het leren pak te zien, betreft het een stayer met zijn gangmaker.  En daar zit nou nét de kneep. Wie zijn die twee? Dat was de vraag van Raymond Hensgens gesteld  aan deze blog. Voor Raymond Hensgens,  – eigenaar van Galerie Nieuw Schoten gevestigd in Haarlem, en recentelijk in bezit van Le Vaiqueur, – belangrijk om de geschiedenis van het doek te weten.
Stuyfssportverhalen had het antwoord. De afgebeelde renner is George Paillard, met gangmaker Guerin. En zó moeilijk was de oplossing ook niet. In het archief van deze blog zit een foto van deze twee, nog wel in  dezelfde setting als op het schilderij.
In de Les Sports Illustrés van 6 september 1932 staan Paillard en Guerin, zojuist wereldkampioen geworden op de piste van Rome, omringd door Italiaanse supporters, te glimmen. Dat de betreffende foto in Les Sports Illustrés voor Theo Bennes dé inspiratiebron voor z’n schilderij was, is zeker.

Dan George Paillard, dé hoofdrolspeler van deze column, en wereldkampioen profstayer in 1929 en 1932. George behoorde tot de top van het internationale stayeren.
Ondanks zijn status zaten ze op de Duitse wielerbanen, hét werkterrein van topstayers, niet op de Fransman George Paillard te wachten. Wat te maken had met het Duitse chagrijn van de Eerste Wereldoorlog. Dat George daarmee zat is twijfelachtig. Als dé best betaalde renner op de Franse wielerbanen vulde Paillard  jarenlang, rijkelijk z’n bankrekening.

George Paillard, taai als een stuk Frans hondenleer. In de herfst van zijn carrière,  streed de inmiddels vijfendertigjarige Paillard mee in de voorste loopgraven van Bordeaux-Parijs, die monsterlijke koers achter derny’s over zeshonderd kilometer.  Waar George voor een dramatische finale zorgde.
Op de wielerbaan van het Parc des Princes in Parijs en  honderd meter voor de finish raakte hij, oververmoeid, even het spatbord van z’n gangmaker. Met een schedelbreuk werd George afgevoerd.  George Paillard, gestorven in 1998 op drieënnegentigjarige leeftijd,  blijft nog steeds voortleven. Weliswaar in olieverf maar toch.

De kunstliefhebber die interesse in George heeft, kan terecht bij, Galerie Nieuw Schoten, art consultancy, Frans Halsstraat 17, 2021 EG Haarlem.

De HAV-Bank

Het stayerskampioenschap van  Nederland, anno 1928. Gehouden op de houten wielerbaan van Rijswijk, die uitermate geschikt was voor  stayerskoersen. Aan het vertrek de oude Piet Dickentman, Jan Snoek, Koos Storm, ene Asberg en Leo Leene.  De zondagen van eind jaren twintig, overvolle kerken, donderpreken vanaf de kansel, en vooral dodelijke saaiheid. Dan is een stayerskampioenschap garantie voor een volle bak. Ook op de ‘Rijswijk’. Waar behalve de hoofdrolspelers achter de zware motor, ook  de ongevallenverzekering van de HAV-Bank  prominent aanwezig was. Weliswaar op een groot reclamebord, maar toch.  Hoe cynisch wil je het hebben? Een ongevallenverzekering aanbieden bij een sport, waar op dat moment de teller van verongelukte stayers en gangmakers op drieënzestig stond.
De pr-man van de HAV-Bank zat daar duidelijk niet mee. ‘Rijden jullie je maar letterlijk te pletter jongens’, moet die gedacht hebben, nadat hij  z’n tekst aan de reclameschilder door gaf. Jan Snoek was dé favoriet voor de titel. Streekfavoriet Leo Leene, gegangmaakt door Stan Ceurremans junior, mocht knokken voor de resterende medailleskruimels. Leo Leene dus, een stayer van nét niet. Te licht bevonden voor de Duitse wielerbanen, maar goed genoeg voor de vaderlandse pistes.
Leo, duidelijk niet beschikkend over de gave van het Derde Oog. Anders was hij direct gestopt met dat malle koersen achter zo’n motor. En de opbeurende  boodschap van de HAG-Bank was hem ook ontgaan. Twee jaar na dat genoemde kampioenschap, want 1930. Leo  Leene gecontracteerd voor een stayerskoers op de Groningse Wielerbaan. Waar hij tijdens de koers ten val komt en niet veel later sterft. Leo Leene, dertig jaar, werd begraven op de Haagse begraafplaats Nieuw Eik. En dan was er ook nog Leo’s gangmaker Stan Ceurremans, die weliswaar niet stierf in het harnas. Maar wél zijn vader, ook Stan genoemd. Ook het  broertje van Stan junior, Frans genaamd, vertrok op jonge leeftijd naar de Grote Stayershemel.
Even vertellen over Stan senior. Als gangmaker een overlever van het grote bloedbad die plaats vond op de Duitse banen tijdens  de Belle Epoque. Bij de Grote Prijs van Elberfeld, gehouden in mei 1931 was het geluk van ouwe Ceurremans op, want  Stan Ceurremans senior, verongelukte   dodelijk.   Twee jaar later, want 1933 verongelukte ook z’n zoon Frans. Die trainend achter z’n broer Stan junior op die zelfde Rijswijkse wielerbaan, een klapband krijgt.  Vader en zoon rusten in één graf op de Algemene Begraafplaats in Den Haag. Wat dit dramatische verhaal wel weer mooi maakt.

Bron: Illustrierter Radrenn-Sport, Stuyfssportverhalen.

Aan vingertoppen boven de afgrond

Voor gokkers viel er geen cent te verdienen. Een kampioenschap zonder outsiders. En maar één favoriet. Kortom, een uitgemaakte zaak.  Het nationale stayerskampioenschap, gisteravond gehouden in het Alkmaars Sportpaleis,  was wat bezetting betreft een tikkeltje gedevalueerd. Dat Reinier Honig zijn achtste nationale titel ging ophalen was  zeker. Wat restte waren de tweede en derde plek, die  enige spanning opleverde. Stayersliefhebbers maakte dat evengoed niets uit. Blij dat ze waren met een  koers achter zware motoren.
Wat dat betreft kan het Alkmaars Sportpaleis, én de groep enthousiaste gangmakers niet genoeg geprezen worden. In tegenstelling tot  het Apeldoornse Omnisport, dé wielerbaan van Nederland. Als er één baan geschikt voor het stayeren is dan wel die van Apeldoorn. Maar dat gebeurd niet. Verboden door de leiding. Met als enige rede dat men bang is dat er een druppeltje motorolie op hun mooie  baan terecht komt.
Terug naar het stayerskampioenschap, een koers over tweehonderd ronden. Waar Reinier Honig precies halfkoers op stoom kwam. Interessanter waren de jonge nieuwkomers onder de stayers. Jongens als een Robin Rol, en Tom Wijfje (foto). Vooral de laatste. Tom Wijfje, broer van schaatster Melissa Wijfje, en  pas eenentwintig jaar. Wijfje, gegoten aan de rol, maar wél op  iets te lichte versnelling, mist nog  de inhoud, wat goed gemaakt werd met doorzettingsvermogen. Rondenlang zat Wijfje ‘op breken’, en hing aan  z’n vingertoppen boven de afgrond. Volgens z’n  gangmaker Hans van Klaveren, zat z’n renner op het laatst te schreeuwen van ellende. Als er dan toch spanning én verrassing  was, gebeurde dat letterlijk in  de laatste meter van de koers. Ocko Geserick, met de tweede plaats als zekerheid, liet zich de laatste dertig meter van de koers uitbollen. Zowel Geserick als z’n gangmaker Willem Fack letten daarbij niet goed op. Waar Steven Steneke, gegangmaakt door Richard Konijn,  handig gebruik van maakte.

Uitslag nationaal stayerskampioenschap: 1: Reinier Honig, 2: Steven Steneke, 3: Ocko Geserick, 4: Tom Wijfje.

Tourvedetten sponsoren stayerskampioen

Van dat pokkenweer, waarin je geen hond buiten laat. Regen, gemengd met een kille, harde wind. Je moet wel bezeten van de sport zijn, als je daarin uren gaat trainen. Reinier Honig, inmiddels 36 jaar zit daar niet mee. Drijfnat thuis gekomen, klinkt de hij positief zoals altijd.  Waarom iemand van die leeftijd  daar nog trek in heeft?  Simpel, hij vindt het leuk. De man heeft nog steeds courage, en geniet iedere dag weer van zijn sport.   En wie zijn wij dan wel om daar iets over te zeggen..?
Honig vorige maand nog actief in het Midden-Amerikaanse  Costa Rica waar hij op de deelnemerslijst stond van de ronde van Costa Rica.  Een etappekoers over tien dagen met beklimmingen tot drieduizend meter. Volgens Honig, professional met dertien dienstjaren, was het de leukste koers waar hij ooit van start ging. Met winst in de tweede etappe en vierde in het eindklassement was de Noord-Hollander geen meerijder. Reinier Honig bekijkt het ieder jaar, en zolang zijn lijf goed blijft, plakt hij weer een seizoen aan vast. Goed gaat het nog steeds. Vooral met stayeren, zijn belangrijkste stiel.

Koersen achter de motor is en blijft zijn hoofddoel. Honig behoort tot de stayerstop. Afgelopen zomer werd hij Europees stayerskampioen. De verse kampioen is  geen veelvraat, en is met weinig te tevreden. Met minimale sponsorondersteuning wist hij het ieder seizoen uit te zingen. Met zijn   Europese titel diende ook spontaan, een schaar sponsors zich aan.
Vooral uit z’n vriendenkring, zoals  Laurens ten Dam, Niki Terpstra en Woutje Poels, die hem financieel ondersteunen. Zoals het bij een kampioenschap hoort zijn daar ook de contracten. Met het Europese kampioenshirt aan, reed de Noord-Hollander meer dan twintig stayerskoersen vooral in Duitsland.
Samen met gangmaker René Kos richting Duitse wielerbanen. Waar Honig, zestig kilometer voor de plaats van bestemming, uit de auto stapt, om vervolgens op  z’n wegfiets richting stadion, zich warm te rijden.

Dan is het komende dinsdag 21 januari, het nationale stayerskampioenschap. Gehouden in het Alkmaars Sportpaleis, en inmiddels een vaste traditie. Een kampioenschap waar Reinier Honig dé favoriet is. Of het voor de Europese kampioen een kwestie is van even een nieuwe kampioenstrui ophalen? Dat valt nog te bezien. Voor het publiek te hopen dat het komende kampioenschap het zelfde scenario krijgt als in 2017, De laatste was van begin tot eind bloedspannend. Zie filmpje..

Nationaal stayerskampioenschap. Dinsdag 21 januari, aanvang voorprogramma 19.30 uur. Toegang 3 euro.  Locatie Sportpaleis van Alkmaar.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: