Vuile wind uit de beerput

De combinatie Minneboo en Walrave. Foto: Koen Suyk, Nationaal Archief

Van oudsher werd bij het stayeren altijd wel iéts geregeld. Een kwestie van geven en nemen, maar dan wél bij de kleinere, onbeduidende koersen. Vooral tijdens het interbellum, hielden de internationale gangmakers goed in de gaten dat dat niet uit de hand liep. Eigenbelang, want de sport moet geloofwaardig blijven. Na de oorlog verdween deze erecode heel langzaam, en gleed de stayersport langzaam in de klauwen van een clubje corrupte gangmakers. Bedrog, en verraad, klotste tegen de tribunes van de wielerstadions. Vooral de wereldkampioenschappen waren verworden tot een soort veemarkt, waar het hoogste bod goed was voor de wereldtitel.  Eind jaren zeventig deden onderzoeksjournalisten Frits Barend en Henk van Dorp, daar een gedegen onderzoek na. Waarbij vijfvoudig wereldkampioen Gabby Minneboo, de omerta doorbrak. Wat volgde was een onthullend verhaal,  gepubliceerd in Vrij Nederland.  

Met de opmerking, ‘de beerput opentrekken’, trapt Gabby Minneboo af, als hij het  heeft over het wereldkampioenschap van 1978, gehouden in München. Waar Minneboo, als dé grote favoriet, voor de voor de vierde keer achtereen de regenboog ging pakken.  ‘Ik was de beste tijdens de trainingen en had in de series de snelste tijd. Maar toch werd in München, de Duitser Podlesch wereldkampioen, en werd de ijzersterke Pronk tweede en Rietveld derde’. 

Minneboo: ‘Ik ben daar ongelooflijk belazerd. Door wie? Door mijn eigen gangmaker Bruno Walrave, die tijdens de finale er voor zorgde dat ik steeds in de ‘vuile wind’ reed. Hij had bewust,  een andere, dan de ideale positie op z’n motor ingenomen. Het was de bedoeling dat ik achter de motor vandaan zou waaien. Na een paar rondjes in deze finale, waaide ik inderdaad, bijna van de motor vandaan. Wat vreemd, dacht ik, ik krijg steeds hele stoten vuile wind in mijn gezicht. Na afloop dacht ik eerst nog: hoe kan dat nou gebeuren met zo’n ervaren gangmaker als Bruno Walrave. Maar al vrij snel werd het mij duidelijk,  dat de beste, brave mijnheer Walrave zich helemaal niet had vergist. Hij had dat bewust, expres gedaan. Ik ben ongelofelijk belazerd. Daar kwam ik een paar maanden na dat kampioenschap, stom toevallig achter. Wij reden toen in Berlijn, toen iemand achteloos tegen mij vertelde, dat  Podlesch héél veel geld aan Walrave had betaalt voor die wereldtitel’.

‘Of ik in Berlijn aan Walrave opheldering had gevraagd? Nee, ik weet dat dat stom van mij is geweest. Ik stayerde té graag. Bovendien is  Walrave degene die het hele stayersspel beheerst en regelt. Ruzie met hem maken, betekende het einde van mijn carrière’. Een einde die voor op moment negenendertigjarige Minneboo,  tóch kwam.

In 1983 kreeg Minneboo, op zijn verjaardag notabene een telefoontje. ‘ Walrave vertelde mij dat de verhouding tussen hem en mij was verstoord. Hij ging verder rijden met Jan de Nijs, waarna hij direct de telefoon neerlegde. Ik was perplex, was met stomheid geslagen. Dat was mijn dank na tien jaar van samenwerking met hem’.

BvD confronteerde Minneboo dat hij ook aan dat schimmige spel mee gedaan had.  ‘Ik moet tot mijn schaamte toegeven, dat wij aankomende talentvolle stayers helemaal kapot hadden gereden. Jonge renners als een Eric Geserick, Van Tol en Rietveld’. De bij het interview aanwezige vrouw van Gabby,  dring bij hem aan om openheid van zaken te geven hoe het verloop van de stayerskoersen van te voren werden bepaald. ‘Goed’, begint Minneboo, ‘Geserick was te eerlijk, te netjes, hij deed niet mee met ‘het spel’, daarom hadden wij een hekel aan hem. Dat kwam ook door zijn gangmaker Stakenburg. Overigens, Staak heeft door de verhalen van Walrave een heel slechte naam gekregen van een boef te zijn. Maar voor Staak geldt maar één ding: winnen en voor Walrave geldt alleen maar geld.

Huldiging in het Olympisch Stadion 1972. Rechts wereldkampioen amateurstayers Cees Stam, links de als derde geëindigde Minneboo. foto: Nationaal Archief.

‘Kennen jullie het verhaal van die gangmaker die zijn renner dope verstrekte’, vraag Minneboo aan BvD? ‘Ik wel! In 1981 en 1982  heeft Walrave mij nortestosteron gegeven. Ik moest, zo vertelde Walrave mij, om de drie dagen  een spuit nemen van dat spul, dat Bruno mij gaf. Voor ik het nam, las ik eerst de bijsluiter. Van de bijwerkingen herinner ik mij in elk geval nog impotentie, leveraandoeningen  en prostaatkanker. Ik had meteen die zeven spuiten weg gemieterd’.

Dan het wereldkampioenschap stayeren van 1984, met de latere winnaar Jan de Nijs. Volgens de aanwezige Barend en Van Dorp,  had deze héél weinig  met de feitelijkheden te maken, die de betrokkenen na afloop vertelden. De werkelijkheid was héél anders.

De in de stayerswereld als eerlijk bekend staande Mathé Pronk, had een jaar keihard getraind voor dit kampioenschap. Pronk achtte zich in staat om in Barcelona wereldkampioen te worden. Hij was alleen kansloos tegen de geldbedragen van een landgenoot. Pronk werd daardoor gedwongen, voor de zoveelste keer in de rol gemanoeuvreerd van de zich opofferende Nederlander.

Minneboo: ‘Natuurlijk heeft Walrave de titel voor De Nijs gekocht. Normaal had maar één renner kampioen geworden, en dat was Pronk. Je dacht toch niet dat Walrave dat had goed gevonden dat Pronk wereldkampioen was geworden?  Er is bij mijn weten nooit zoveel geld voor een titel geboden. De sponsor van De Nijs had 40.000 gulden daar voor over. Eerst hebben ze in de herkansing de Italiaan De Lillo 2000 gulden betaald, zodat De Nijs probleemloos naar de finale kon. En in de finale zaten ze in de slag met de Duitsers en Pronk. Het zal inmiddels wel duidelijk zijn: geen wereldkampioenschap zonder ‘vuile wind’.

De onthullingen van Minneboo in Vrij Nederland, luidde de ondergang in voor het internationale stayeren. Niet veel later besloot de UCI dit onderdeel van de internationale kalender te halen.

Bron: Vrij Nederland, september 1984, auteurs Frits Barend en Henk van Dorp.

Kruispunt

Het was zijn eerste autorace, waarbij hij meteen tot dé favoriet werd uitgeroepen. Waarop zijn favorietenrol was gebaseerd, is niet helemaal duidelijk. Waarschijnlijk omdat Henri Cissac ervaring had  met snelheden. Cissac, een gangmaker op de wielerbanen. Op zijn zware gangmaakmotor trok hij in 1903, Tommy Hall naar een toenmalige wereldsnelheidsrecord van ruim tachtig kilometer.

Voor Cissac was het leven op z’n gangmaakmotor  tóch nét niet spannend genoeg. Zijn lijf smachtte naar nóg meer adrenalinekicks. Het feit dat  er inmiddels tientallen zware ongelukken, soms met dodelijke afloop op de wielerbanen plaats vonden, schudde hij, als een natte hond van zich af. Voor jongens als een Henri Cissac, was de komst van  het vliegtuig én de raceauto een niet te missen kans. Collega gangmaker  Bertin, verruilde zijn gangmaakmotor om voor een vliegtuigje. En stortte in 1909, van  zo’n honderd meter hoogte, richting aarde. Bertin kreeg een vorstelijke begrafenis. Maar dat terzijde.

Cissac ging voor de raceauto. De datum zeven juli 1908, stond vast  in z’n agenda rood omcirkelt. Op deze dag beleefde de voormalige gangmaker zijn première als autocoureur. De man ging van start bij de Grand Prix des Voiterettes, een race over ruim vierhonderd kilometer, gehouden over de landweggetjes in de buurt van Rouen.  

Henri Cissac, aan het stuur van z’n bolide. Naast hem zijn mecanicien, ene Schaub. De fotograaf van het Franse sportblad La Vie au Grand Air, was ook ter plekke. Zijn foto’s van deze race, nú bekijkend,  moet het voor toeschouwers en coureurs, een helse aangelegenheid zijn geweest. De meest vreselijke ongelukken, met duidelijk in beeld,  zwaar gewonde mensen,  afgedrukt over de breedte van een pagina.

Henri Cissac stond daar ook bij. Voor Henri was een hele pagina uitgeruimd. Halverwege race, op volle snelheid en in de buurt van het kruispunt Willy-le-Haut, kon Henri het stuur niet meer houden. De bolide van Cissac belandde op z’n kop in een droge sloot. Waarbij mecanicien Schaub, zich direct meldde aan de hemelpoort. Cissac hield het iéts langer vol. ‘Haal me weg, haal me weg’,  stootte de ongelukkige Henri uit, tegen toegesnelde toeschouwers, en verloor het bewustzijn.

Cissac, afgevoerd naar een boerderij in Maisoncelles, waar hij, twintig minuten later, dit ondermaanse verliet. Henri Cissac, eenendertig jaar geworden, werd op zijn verjaardag, vijftien juli, begraven. Dat dan weer wel…

Bron: La Vie au Grand Air jaargang 1908.

Ratten, heel veel ratten

August Fossier, links, gangmaker van zijn broer Honoré Fossier

11 November 1918, de dag dat de ‘Groote Oorlog’ eindigde. Ruim acht miljoen  gesneuvelden. Jongens, weg gerukt uit hun jeugd. Vechtend aan het Westfront. Vier jaar lang overlevend in vochtige loopgraven, de hel, op een paar vierkante kilometer.

Slaapgebrek, kou, regen, honger, dorst, modder en ratten. Héél veel ratten. De stank van ontbindende lijken. Om uiteindelijk de sterven voor Kaiser, und Vaterlant, en andere nationalistische idioten. Op de oorlogskerkhoven in West-Vlaanderen en Noord-Frankrijk liggen die jongens te wachten op de jongste dag. Op hun graf een wit steentje met naam en rangnummer. Eindeloze rijen.

Ook de laatste rustplek voor Auguste Fossier. August, een voormalig wegrenner, ruilde zo rond 1902 zijn fiets om voor een gangmaakmotor. August werd de vaste gangmaker van zijn broertje Honoré.  Succesvol zijn ze niet écht geweest. Zeker niet op de Duitse wielerbanen van vóór de Eerste Wereldoorlog,  de premier league  van het stayeren. In de  lange, pijnlijk nauwkeurig genoteerde, uitslagenlijsten gepubliceerd in de jaargangen van Radwelt, kom je de broertjes Fossier niet tegen.

De jongens Fossier waren gebonden aan de koersen, gehouden in hun vaderland Frankrijk. Ach wat maakt dat ook uit. Dit stukje gaat over gangmaker August Fossier. Die op de allereerste dag van het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, zich kon melden bij het Franse Leger, waar hij toegewezen werd als ‘cyclist’. Het monster van de ziektes, heerser in de loopgraven kreeg uiteindelijk ook August te pakken.

In 1915 werd de voormalige gangmaker getroffen door tyfus. August Fossier zou nooit meer op z’n gangmaakmotor zitten. Ergens in mei 1915 blies  August zijn laatste adem uit. August Fossier, eenenveertig jaar, liet een vrouw en drie kinderen achter.

Negende

Hupsakee! Daar ging er weer één. Even voor dat het weeë geluid van zacht vlees op hard beton klonk, kreeg Eugene Bruni een klapband.  Met tachtig kilometer stuiterde Bruni tegen het beton. Bewusteloos,  op een brancard,  afgevoerd richting het hospitaal. Waar de priester van dienst al klaar stond met de laatste sacramenten. 

Voor Bruni’s leven werd geen centiem gegeven. Maar God was genadig die dag. De Heer had zijn grenzen. In  zijn eigenste hemelse paradijsje,  werd het  opvallend druk met die malle stayerende jongens.  In dat goddeloze jaar 1904, had Hij al acht dood gevallen stayers mogen verwelkomen.  Bruni, twee dagen later wakker geworden met een knallende koppijn, ontsnapte als negende. Als stayer mocht de man  dan wel regelmatig zijn leven op het spel zette, maar helemaal van de pot gerukt was hij ook nou weer niet.

Van een oude cavaleriehelm knutselde hij een valhelm. Een maand later zal hij de Heer op z’n knieën gedankt hebben. Bruni mét helm, én een contract voor een stayerskoers  gehouden op het Parc des Princes. Tegenstanders  Walthour en George Leander, 22 jaar, afkomstig  uit Chicago. De laatste, razend, zonder valhelm achter gangmaker Cissac, kwam ten val en kwam terug in Chicago in een loden doodskist.

Parijzenaar Bruni, zoon van straatarme Italiaanse ouders, werd gelokt door het grote geld  dat op de Duitse wielerbanen te verdienen was. Acht seizoenen was Bruni regelmatig op de levensgevaarlijke banen actief, won vijfentwintig grote koersen, goed voor bijna tachtigduizend goudmark.

Getuigen van de dramatische afgang  van Eugene Bruni, gefotografeerd en afgedrukt in een groot Franse sportmagazine, hadden nooit kunnen vermoedden dat Bruni, pas in 1956 op tweeënzeventig jarige leeftijd zijn laatste adem uitstootte.

Bron: La Vie au Grand Air, jaargang 1904.

Corona

Zestig kilometer in het uur.  De gangmaakmotor had in het jaar 1901 zijn  opwachting gemaakt.  Een prehistorische machine met een onheilspellend grote benzinetank, gesmeed door de plaatselijke smid, waarvan het te hopen was dat de tank niet lekte.

De  komst van de motor was het sein  voor avonturiers met suïcidale trekjes om daar achteraan te koersen.  Nóg wildere, desperate figuren, namen plaats op de motor. Het stayeren was geboren. Wél opvallend dat de stayerssport direct aansloeg in Duitsland. Opvallend? Niet echt. Volgens de toenmalige Pruisische mores, kon alleen roem behaald worden op het randje van leven en dood.

De vele Duitse schermschooltjes, waar met vlijmscherpe sabels lustig op elkaar werd ingehakt, floreerde als nooit te voren. Waar de stille, onuitgesproken wens, een houw in het gezicht was Een litteken op de bakkes, een pré op erkenning in de Keizerlijke Wehrmacht. Ook  op de wielerbaan kon lustig gestoeid worden met Magere Hein. Met de gangmaakmotor als het vehikel richting kerkhof. Binnen enkele jaren sneuvelden meer dan veertig stayers en gangmakers.  

Thaddy Robl, een beginnende stayer afkomstig uit München maakte zich nog geen zorgen. De man behoorde  tot de wereldtop. Robl, gegangmaakt door de gebroeders Lehman, twee geharnaste cowboys afkomstig uit Berlijn, was de grootverdiener in het stayeren.  Thaddy, koerste op het beste materiaal van z’n tijd. Gesponsord door de Continental-fabrieken, leverancier van banden. Zijn  fietsen werden beschikbaar gesteld door de grootste fietsfabriek van München. Dat het  fietsmerk véél later, een sinistere bijklank kreeg zal Robl ongetwijfeld een rotzorg zijn geweest. Voorlopig werd hij wereldkampioen op een karretje van het fietsmerk Corona.

Schurende waanzin

Guignard gegangmaakt door Hoffmann.

Lef, schurend tegen waanzinnigheid aan.  Het was het geld waarmee hij zijn leven in op het spel zette.  Met  ‘eeuwige roem’ als bonus.  Op die ene woensdagmiddag ergens in het september van 1909 raasde  Paul Guignard achter een gangmaakmotor en verbrak de magische grens van de honderd kilometer, afgelegd in een uur. Tientallen aanvallers waren vooraf gegaan. Om vervolgen te  sneuvelen op het veld van eer.

Guignard een klein, somber kijkend kereltje flikte het kunstje wel, en bracht de afstand in één uur naar 102 kilometer en zeshonderddrieëntwintig meter. Een levensgevaarlijke klus.  Op de Europese kerkhoven lagen inmiddels tientallen  doodgevallen stayers.  Guignard achter de derriere van gangmaker Hoffman, die zijn poulain ‘trok’ op een driecilindermotor. Het was dezelfde type motor dat in het vliegtuigje van  Bleriot zat, waarmee hij als eerste mens over Het Kanaal vloog. Honderdtwee kilometer afgelegd op een fietsje, een magisch getal, wat Franse sportbladen vilein deed opmerken dat Guignard sneller was dan de snelste Franse trein.

Paul Guignard, voor de Eerste Wereldoorlog regelmatig  actief op de als levensgevaarlijk bekend staande Duitse wielerbanen, waar de dood nooit ver weg was.  De man mocht daarbij niet klagen over succes, want verdiende meer dan een kwart miljoen Duitse Goudmarken. Geld is maar slijk. Belangrijker was het factor ‘geluk’.  Iets wat zijn gangmakers niet konden zeggen.

Vier van Guignard’s vaste gangmakers  verongelukte dodelijk tijdens het uitoefenen van hun beroep. Beelden van de horrorcrash, tijdens de Grote Prijs van Keulen gehouden in 1913,   gaf  bij Guignard tot op hoge leeftijd een kras op z’n ziel. Hoe hij, wereldkampioen van 1913, aan het vertrek stond van deze Grote Prijs van Keulen. Waar zijn gangmaker Gussie Lawson met zo’n negentig kilometer, een klapband krijgt. Gussie, ten val, en sleurt daarbij stayer Richard Scheuermann gezamenlijk mee de dood in.

Dat Paul Guignard, met die hoge snelheid de kluwen van vallende motoren en stervende mensen wist te ontwijken, valt tot op de dag van vandaag niet uit te leggen. In tegenstelling tot veel van zijn verongelukte collega’s stierf  Paul Guignard op negenentachtigjarige leeftijd tussen de witte lakens.

Bron onder meer: Album der Radwelt jaargangen 1905 tot en met 1914, La Vie au Grand Air jaargang 1909,

De laatste ronde van Brecy


De noodlottige wielrenner stierf afgelopen vrijdag 25 november in het ziekenhuis van Boucicaut, na een vreselijke val tijdens een werelduurrecordpoging, enkele dagen ervoor, gehouden in het Parc des Princes, tijdens een uurrecordtest. Onze foto is genomen vanaf de top van de kleine bocht waar de val plaatsvond, enkele ogenblikken voordat het gebeurde. Brecy reed op dat moment met 91 kilometer per uur achter gangmaker Bertin,  toen de vork van die laatste brak en de twee mannen op de grond werden gegooid. Brecy, een van de meest gewaardeerde Franse stayers, was 32 jaar oud en liet een weduwe en drie kinderen achter, van wie de jongste nog maar acht jaar oud is.

Bovenstaande werd gepubliceerd in La Vie au Grand Air, november 1905.

Otto

Eens, héél lang geleden, zoals ieder horrorsprookje dient te beginnen, leefde ene Otto Luther, een stayer uitkomende in de zogenaamde tweede klasse. Otto, zich suf getraind achter de motor kreeg eindelijk zijn lang verdiende contractje  voor een stayerskoers gehouden op 19 juni 1904, op de wielerbaan van Brunswijk, Duitsland. De tweede klasse dus, waar anoniem de vreselijkste dingen gebeurde, waarvan details onbekend zijn. Tót dat éne berichtje, diep  weggestopt als paginavulling in een Frans sportblad uitgegeven in 1904.
Een onbetekenend stukje tekst waarmee die Otto uit de anonimiteit mee werd gehaald. Definitief, want het werd ook zijn laatste koers. Ik laat jullie niet in spanning, want we gaan verder met de stayerskoers van Brunswijk met aan de start ondermeer de Berlijners Adolph Schultze, Fritz Bauer, Otto Luther afkomstig uit Maagdenburg, en ene Van der Tuyn een Nederlander.
Van der Tuyn, als eerste achter de gangmaakmotor, gevolgd door Luther, Bauer, en Schulze. Zo’n koersje waarin de eerste tien ronde niets opzienbarend gebeurd. Maar dan komt Bauer op stoom, en dreigt Otto Luther op een ronde te zette.  En dan gaat het mis. Luther krijgt een lekke voorband en komt ten val.
De zware motor van Bauer kon de arme Luther niet meer ontwijken. En ploegt, zoals de Franse journalist van dienst met veel gevoel voor detail opschrijft, dwars door de borstkast van Luther.
Otto Luther, twintig jaar, sterft ter plekke. Wat het onzalige jaar1904 betreft, was het voor Magere Hein een vruchtbaar jaar met negen dodelijke stayersongevallen.
Otto Luther mocht als vierde zijn plekje in dat lijstje innemen.

Bron: La Vie au Grand Air, jaargang 1904.

Zwemmen in 1908

De stayer laat de rol los. ‘Zwemmen’ wordt dat genoemd, wat een rare uitdrukking is.  Ongetwijfeld schreeuwend  naar z’n  gangmaker het rustiger te doen. Gevaar ligt dan op de loer. Letterlijk.  
Op de tribune  wordt dat ook gesignaleerd. Iemand grijpt  naar zijn strohoed,  van ontsteltenis.  Anderen houden met witte knokkels het wrakke hekwerkje stevig vast, je bent fijnproever van het betere horror of niet.  Want dat er iets gaat gebeuren is zeker. De renner klapt namelijk tegen de rol van de motor, die vrijwel tegen het achterwiel gemonteerd zit.  
En mocht zo’n jongen deze botsing overleven, wat een wonder op zich is, dan moet ‘ie maar hopen dat z’n voorband niet ontploft. Ziekenhuisopnames, gebarsten schedels, invaliditeit en méér, doemen bij hem op.  Aan de dood werd maar niet gedacht. Wat niet getuigde van realiteitszin.  
Trouwens, zo’n gangmaker had ook een merkwaardige opvatting  van veiligheid. Die was zo  gek om ver achter het achterwiel van zijn motor te zitten. Wél raar dat het voorwiel, bij hoge snelheden begon te zweven. Ach jongen, maak je niet zo druk, werd hem wijsgemaakt, we hangen aan het stuur van je motor een groot blok lood om dat in evenwicht te houden.
En dat allemaal tijdens een stayerskoersje, gehouden in die fijne zomer van 1908.
Een periode waar volgens  historici niets gebeurde. Geloof ze maar niet. Geert Mak en zijn collega’s lullen wel vaker uit hun nek.

Afgehakte vinger

Als je wint heb je vrienden. Een gegeven zo vast als een betonnen bunker.  De mens is een opportunistisch wezen. Zelfs bij je  begrafenis, waar ze elkaar verdringen  om je kist te dragen, en dat onder de kreet ‘kijk mij even deugen’.
Vriendschap, net zo betrekkelijk als de goedkope parfumgeur van een hoogbejaarde temeier. Het verdampt waar je bij staat. Op de Steglitzwielerbaan van het Berlijn van 1908, was het dan ook dringen geblazen om naast de winnaar Fritz Theile plaats te nemen. Om in de publiciteit te komen  zijn bobo’s bereid om daarvoor een vinger bij zich af te laten hakken.
Fritz Theile, zojuist sieger van de Goldener Motorrad von Steglitz, een stayerskoers over honderd kilometer. Op de levensgevaarlijke en onheilspellende  Steglitzbaan, waar zware, soms dodelijke  ongelukken, schering en inslag waren, raasde Fritz, gegangmaakt door een monsterlijke zware gangmaakmotor, over alles en iedereen heen. Fritz kreeg na afloop niet alleen een soort grafkrans mét lint,  maar ook de  Goldener Motorrad, een kitscherig geval waarmee je thuis een hoop uit te leggen had.
Behalve dát mocht Fritz, een Berlijner, ook tweeënhalfduizend goudmark in z’n zak steken: waar het hem om te doen was. Der Fritzl, in zijn tijd één van de beste rolrijders ter wereld. Won vanaf 1907  tot juni 1911 , vierenzestig stayerskoersen gedoteerd met totaal 182.800 goudmark.
Op 4 juni 1911, tijdens de Grote Pinksterprijs van Berlijn en onder de ogen van zijn moeder, maakte Fritz een fatale val. Fritz werd 27 jaar.

Bron: Album der Radwelt jaargangen 1907 tot en met 1911.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: