In het water

Het moest een eresaluut worden aan Piet Dickentman: één van de grootste sporthelden van  Amsterdam. Vanaf 1900 was Dickentman actief als stayer achter de zware motor.  Voornamelijk koersend in Duitsland, behoorde de man tot de wereldtop.  De Amsterdammer was wereld- én Europees kampioen, brak diverse snelheidsrecords en won alle grote stayerskoersen. Vaak meerdere keren.

Op zondagmiddag 18 september 1910, kroonde Piet zich tot de allerbeste stayer ooit. Op de Steglitzwielerbaan in Berlijn, werd het Ober-Weltmeisterschaft verreden. Een prestigieuze kampioenschap waar de wereldtop aan de start stond. Voor dertigduizend toeschouwers hield Dickentman huis, en reed de concurrentie overhoop. Dickentman mocht  zich de rest van zijn leven Her Ober-Weltmeister noemen: (zie elders op deze blog). In Amsterdam werden de verrichtingen van Dickentman via de kranten en de sportbladen gevolgd. Bij het volk was ouwe Piet, zoals hij werd genoemd, mateloos populair. Wat tot uiting kwam in 1921.

Het blad Rijwiel- en Motororgaan, uitgegeven, en vol geschreven door George Hogenkamp, stond stil bij het vijfentwintig jarig jubileum van Dickentman als wielrenner. Terecht. De Amsterdams stayer, op dat moment al tweeënveertig jaar, behoorde al  meer dan twee decennia tot de wereldtop, en liet de rol van de gangmaakmotor regelmatig roodgloeiend staan.

Piet, regelmatig koersend op de Duitse wielerbanen, liet zich uitbetalen in luxe goederen zoals juwelen, bontjassen en meer, wat te maken had met de grote geldontwaarding  in het Duitsland vlak na de Eerste Wereldoorlog. Dat Dickentman tientallen keren aan het graf van een verongelukte collega stond, is een lugubere bijkomstigheid. In 1921 kreeg hij zijn verdiende huldiging.  George Hogenkamp, nestor van de vaderlandse wielerjournalistiek, organiseerde  voor de stayerende jubilaris, een speciale avond in het Amsterdamse Stadion. Waarvan de opbrengst ten goede kwam aan Dickentman.

Op het programma, stond natuurlijk een stayerskoers, met als aardigheid dat Dickentman achter de toen al stokoude, en curieuze motortandem ging rijden. Als publiciteit voor deze avond,  stond deze motortandem, – een monster van een machine, bediend door twee man, – twee weken lang in de etalage van de firma Palmer Tyre Co, aan de Stadhouderskade, waar het veel publiek trok.

Pech voor Dickentman. Het feest viel letterlijk in het water. Om half acht begon het te regenen. Wat niet meer ophield. Uiteindelijk werd Piets wedstrijd de zondag daarop gehouden. Uit deze echec haalde tekenaar Jan Lutz zijn inspiratie. De cartoon mét bijschrift werd gepubliceerd in Rijwiel- en Motororgaan. Zo was George Hoogenkamp  ook wel weer.

Bron: Rijwiel- en Motororgaan, jaargang 1921.

Kachelen

Piet Dickentman, achter Adolf Thormann. Aan het stuur Gerrit de Regt. Foto gemaakt in 1902.

Zo’n onbenullig berichtje. Weggestopt in een stoffig, vergeeld, en inmiddels vergeten sportmagazine, uitgegeven in 1921. Waarin werd stil gestaan dat ene Adolf Thormann, zijn vijfentwintigjarig jubileum vierde als gangmaker.

Thormann, ‘man van Thor, de Germaanse god van de donder’.  Klopt aardig. Thormann, was dan ook zo’n rakker van vele oorlogsfronten, en ‘trok’ Amsterdammer Dickentman, in 1903 naar zijn enige wereldtitel. Als je Thormann aan je zijde had, zat je snor. De man kende weinig scrupules. Zat nergens mee. Dat Thormann de nacht vóór Dickentman’s titelrace, de gangmaakmotor bewaakte met een getrokken Lüger, is ter kennisgeving.

Eerst even wat uitleggen: Dickentman stayerde achter de zogenaamde motortandem, een met twee man amper in bedwang te houden monster. Stayerskoersen, honderd kilometer lang, waar na  vijftig kilometer, – als de benzinepeil angstig laag was, – de tweede motor in de baan kwam. In volle vaart wipte Dickentman over.  Dat van Dickentman’s gangmakers er binnen korte tijd twee dodelijk verongelukte, behoorde tot de mores van het vak. Hoogstwaarschijnlijk schudde Thormann dergelijke drama’s, van zich af als een natte hond. Geld verdrong ratio.

Thormann, man met ‘n kennersoog. Zag meteen wie aanleg als stayer had:  lees, géén angst. In 1908 benaderde hij Fritz Theille, een begenadigd Berlijnse sprinter. Fritz liet zich overhalen, en nam zijn plekje achter de rug van Thormann in. Thormann was een kenner. Fritz ging winnen, en niet zo’n beetje ook. Tot 4 juni 1911! Op de Zehlendorfbaan in Berlijn, verongelukte Fritz voor de ogen van zijn moeder.  

Houdbaarheidsdata van gangmakers tijdens de belle epoque, duurde niet lang. De mannen hadden hun lijf en leden té lief. In de uitslagenlijsten gepubliceerd door Radwelt, kom je ze dan opeens niet meer tegen. Niet Thormann, die kachelde een kwart eeuw lustig voort. Een prestatie op zich.

Bron: Rijwiel- En Motor-Orgaan, jaargang 1921, Album der Radwelt jaargangen 1908 en 1911.

De fotocamera van Piet Dickentman

Op de facebookpagina, Wielrennen, Anekdotes én Verhalen, kortweg WAF,  gerund door André Jansen, publiceerde Ron Couwenhoven onlangs twee korte stukjes over de Amsterdamse stayerslegende Piet Dickentman. Couwenhoven, gepensioneerd  wielerverslaggever van de Telegraaf, en nog steeds actief met de schrijfpen, beschreef daarin de tournee van Piet Dickentman door Australië. Dickentman bezocht dat continent in 1902, en nam behalve zijn fiets,  gangmaakmotoren ook zijn fotocamera mee. Ruim een eeuw later, in 2008, dook deze bewuste fotocamera op. Wat voor Stuyfssportverhalen het begin werd van een speurtocht door Amsterdam, die uiteindelijk eindigde bij Ebo Dickentman, de kleinzoon van Piet.

Piet Dickentman, tijdens de Belle Epoque één van de sterkste stayers, zo niet de sterkste  ter wereld. In 1903 bevestigde  Dickentman dat, om tegen alle verwachtingen in wereldkampioen te worden. 1903, was ook één van zijn beste seizoenen. De basis hiervoor werd gelegd in Australië, waar Dickentman, samen met concurrent Taddy Robl de winter doorbracht.  Dickentman, vorstelijk gesponsord door  Brennabor, een fiets- en motorengigant afkomstig uit Brandenburg, was voor een serie demonstratiewedstrijden gecontracteerd. Met  Taddy Robl,  manager Rudolf Lehr, de gangmakers en het materiaal werd  ingescheept op het stoomschip Grossen Kurfursten.
Piet Dickentman, man in bonus, had de geniale ingeving om vlak voor z’n vertrek een fotocamera aan te schaffen. Enkele van door Dickentman gemaakte foto’s, verschenen maanden later in het  Duitse gezaghebbende Album der Radwelt. Eén van die foto’s  is de inmiddels bekende groepsfoto van Dickentman,  Robl en de vier gangmakers, en gemaakt bij aankomst in Australië. Terzijde: tussen de Australische koersen door werd Dickentman verliefd op Cilian Brasker, een lokale schoonheid. Bij deze Cilian verwekte Dickentman een dochter Victoria genoemd. De geboorte van deze dochter was tevens het begin van een groot familiegeheim. Enfin, lees,  ‘Flirt met de Dood’, de biografie van Piet Dickentman, geschreven door Stuyfssportverhalen. Latere gevonden feiten én onbekende foto’s van deze stayerslegende, worden regelmatig op deze blog gepubliceerd.
Dan is het maanden na het verschijnen van ‘Flirt met de Dood’, als zich iemand  meldt. Deze persoon,  de biografie van Dickentman gelezen, besefte dat hij iets in bezit had wat persoonlijk eigendom geweest was van Piet Dickentman, namelijk de  fotocamera van Piet.  Het verhaal daarachter was er één van toevalligheid. De man was indertijd  werkzaam als rijwielhersteller bij fietsenzaak Karel Kat op de Amsterdamse Albert Cuijp.

Deze Kat kocht begin jaren zeventig de inboedel op van de fietsenzaak die Dickentman in 1928 had geopend in de Scheldestraat. Na het overlijden van de stayerskampioen in 1950, ging deze zaak over op diens zoon ook Piet genoemd. Na diens  overlijden  werd de inventaris van zaak overgenomen door de eerder genoemde Kat. Bij het uitruimen van de kelder van de fietsenzaak, goed opgeborgen in een doos,  kwam de fotocamera tevoorschijn. Kat schonk deze aan zijn werknemer, die het fototoestel, na bijna veertig in bezit, schonk aan Stuyfssportverhalen.
Bij de fotocamera zat ook een tiencentimeter lange  filmrol,  in originele verpakking. Het begin van een speurtocht. Vrijwel alle  fotolaboratoria werden bezocht met die ene vraag: of dat filmrolletje  te ontwikkelen was. Wat door de grote afmetingen niet kon.  Behalve bij de firma Silver Hands Atelier, een analoog werkend vakatelier op de Herengracht. Eigenaar Wim Dingemans, hoorde het verhaal ‘Dickentman’ aan, en was meteen bereidt om actie te ondernemen. Aangezien het een niet meer gebruikte filmrolmaat was,  moest Dingemans  eerst   een raamwerk maken, waar deze rol inpaste.

De spanning was groot nadat deze in het ontwikkelbad ging. En helaas… het was een nooit gebruikt filmpje.
Blijft over de antieke camera, ooit in het bezit van Piet Dickentman. Waarvan Stuyfssportverhalen vond dat deze terug moest na de erven Dickentman. Inmiddels pronkt het fototoestel in de vitrinekast van Ebo Dickentman, kleinzoon van de stayerslegende. Wat overblijft  voor dit  verhaal zijn deze twee, nooit eerder gepubliceerde foto’s van Dickentman’s trip in Australië, hier geplaatst.

Foto 2: Piet’s gangmakers fungeerde tevens als mecanicien. Thormann, De Regt, Wolf en Schwartzer bezig met een wiel van de gangmaakmotor. Piet Dickentman rechts.

Foto 4: Gangmaakmotoren en de fietsen werden in kratten verscheept richting Australië. Waarschijnlijk in de haven van Sidney zit Piet met zijn equipage voor deze kratten. Zittend van links naar rechts: gangmaker Willy Wolf, Piet Dickentman, en Jozef Schwartzer. Liggend op de kist gangmaker Gerrit de Regt. Hoogstwaarschijnlijk is de foto gemaakt door Adolph Thormann, de vierde gangmaker.

Mit Stern

Altijd voor de zekerheid gaan.  Mocht één van hen  niet meer na kunnen vertellen, dan is er altijd nog dé laatste foto, waar veel geld voor gevraagd kon worden. Fotografen van uitgeverij Martin, gevestigd in Leipzig, kende de mores van het vak.  Voor de aanvang van een belangrijke stayerskoers dienden de renners éérst te poseren. Of dat in het rennerscontract stond is hoogstwaarschijnlijk.
Vastgehouden door helpers, ernstig kijkend, met afgetrainde lijven, en  strak geconcentreerd, op de als ansichtkaart uitgegeven, foto. Dáárachter, de onvermijdelijke,  zich belangrijk voelende kerels, getooid met witte, soldateske  petten: je bent een Pruis of niet.
De ‘Golden Ketten, mit stern’,  een stayerskoers over honderd kilometer. Gehouden zondag 26 mei 1906, op de Steglitz wielerbaan in Berlijn. Eerste prijs, tweeduizend goudmark, aflopend tot duizend voor de laatste . Een kapitaal. Goed, waardevast geld, waar je een huis voor kon kopen. In een tijd dat een ambachtsman amper de honderd goudmark per maand verdiende, waar zo’n stumper zich    zes dagen per week voor kon afbeulen.
Peter Günther, Piet Dickentman, Bruno Demke en Nat Butler, aan dat lot ontsnapt, verdiende het honderdvoudige daar van. Daar stond wel iéts tegenover: het altijd, latent aanwezige dodelijke gevaar. Een stress, die buiten de koers ook geestelijk z’n werd deed. Waar ze nachtenlang wakker van lagen. Om zich op de been te houden met de gedachten, ‘Nog een paar koersen! Nog even  flink wat verdienen, en dan stoppen’. Een enkeling haalden dat. Sommigen niet.  Sommigen? Tientallen van die jongens lieten het leven achter de zware motor.
Peter Günther afkomstig uit Keulen was hét slechte voorbeeld. Die ging namelijk, té lang door als profstayer. Peter, bijna twintig jaar stayer, verongelukte in 1918 dodelijk. Berlijner Bruno Demke, had een kans om zijn kleinkinderen geboren te zien worden. Maar dan had hij géén oorlogspiloot moet worden. Deed hij wel. In 1916 stortte Demke in zijn Fokker-dubbeldekker neer.
De Amerikaan Nat Butler, man met tientallen veldslagen op de Duitse horrorwielerbanen was verstandiger. Nat stopte in 1910, en vertrok als vermogend man terug naar de States waar hij op drieënzeventigjarige leeftijd vredig stierf.
Op wie de Dood géén greep kon krijgen, was Piet Dickentman. De Amsterdammer maakte rond 1900 zijn stayersdebuut op de Duitse banen, en  was daar bijna dertig jaar op hoog niveau actief.  Met als sinister detail, dat hij tientallen collega’s naar hun laatste rustplaats had vergezeld.
Op bijna vijftig jarige leeftijd hing Dickentman zijn stayersfiets  aan de haak, en opende in de Amsterdamse Scheldestraat een rijwielzaak.
Dan was er ook nog de uitslag van de Golden Kette mit stern. Die werd uiteindelijk gewonnen door Dickentman, die de honderd kilometer afraasde in een tijd van 1 uur en 12 minuten.

Graf van Piet Dickentman herontdekt

Eeuwige rust is een beperkt begrip in Nederland. Zeker op de begraafplaatsen. Zit het zogenaamde grafrecht er op, of wordt door nabestaanden daar  niet meer voor betaald, dan wordt zo’n graf geruimd. De botten van de overledenen verdwijnen in de knekelput. Althans daar ging Stuyfssportverhalen altijd van uit. Dat was dus een groot misverstand. Dat is namelijk niet zo. Wat  duidelijk gemaakt werd door Mischa Smeding, staflid van de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam.
Op ‘haar’ dodenakker wordt al tientallen jaren graven niet meer geruimd. Wat wél verdwijnt zijn de grafstenen. Afgelopen vrijdag kreeg Stuyfssportverhalen van Smeding, zie foto, een kleine rondleiding langs de vele monumentale grafmonumenten die de begraafplaats rijk is:  door Smeding en haar collega’s gekoesterd,  en eventueel gerestaureerd. Ook het graf van de in 1914 dodelijk verongelukte stayer Piet van Nek. Waar dit verhaal allemaal mee begon. Komende oktober bestaat ‘het Ooster’ honderdvijfentwintig jaar. Om daar bij stil te staan, maar ook om de monumentale status te benadrukken, worden bij de graven van voorheen bekende stadsgenoten, een tekstbordje geplaatst met uitleg én eventuele foto van de persoon in het graf.
Van Piet van Nek was geen duidelijke foto beschikbaar. Deze blog heeft, via zijn archief, dit hiaat ingevuld. Voor Mischa Smeding aanleiding als kleine tegenprestatie,  een rondleiding te geven over de dodenakker. Tijdens deze wandeling vertelde Smeding bijna achteloos, dat het graf van Piet Dickentman, nog steeds intact is. Sterker, Dickentman, Amsterdams eerste wereldkampioen in welke sport dan ook, rust slechts twee meter achter het graf van Van Nek. Een kleine historische sensatie!
Ook de graven van Chris Orlemans, dodelijk slachtoffer van  een stayerskoers, gehouden op de Amsterdamse wielerbaan van 1922, bestaat nog steeds. Maar ook het graf van Jan van Snoek, een meervoudig Nederlands kampioen en topstayer op de Duitse wielerbanen tijdens het interbellum, is er ook nog.
Stuyfssportverhalen,  bijna vijf jaar gelobbyd om een straat  dan wel een brug te vernoemen naar deze sportheld: wat inmiddels gelukt is. Dat Dickentman ook een tekstbord op diens graf moet krijgen is een logisch vervolg…

Gaat vervolgd worden

Debuut

‘Piet, jongen, dat is iets voor jou’, sprak Piet Dickentman in 1898. Dickentman, als negentienjarig renner,  aanwezig op de wielerbaan van Wenen, maakte voor het eerst kennis met een gangmaakmotor: een lullig ééncilindermotortje, die amper de vijftig  kilometer per uur aantikte. Dickentman, jongen van de Amsterdamse Westerstraat, had een profetische blik. Een  paar dagen later, op een gewone baanfiets, maakte Piet, gegangmaakt door de Berlijnse broers Lehmann, zijn debuut als stayer. Het succes van Dickentman als stayer was navenant aan de snelheden, én de bijbehorende gevaren, van de zware gangmaakmotor.
In 1900 maakte  de loeizware, Brennabormotor zijn debuut op de wielerbanen. Het echte tijdperk van het stayeren had een aanvang genomen: garantie voor spanning en sensatie, vooral op de Duitse wielerbanen.  Dat het hard ging bewees Piet op 18 juni 1905  tijdens de Preis der Stadt Leipzig waar hij de  honderd kilometer afraasde in een tijd van 1 uur en 12 minuten. 
Van Piet Dickentman, de allerbeste stayer uit de geschiedenis, weet deze blog, regelmatig, zeer zeldzame  foto’s, van te scoren. Maar ook feiten en verslagen, gevonden in volkomen onbekende jaargangen van sportbladen, uitgegeven tijdens Dickentmans carrière. Kortom, Stuyfssportverhalen komt daar in  2019 nog op terug.

Koning Eenoog

Revanches werd het genoemd. Wat natuurlijk niet zo was. Het was een strak geregisseerd spel. Ordinaire volksverlakkerij. Doorgestoken kaart.  Met de wereldkampioenen van dienst in de hoofdrol. De jaren vijftig en zestig. Geen of nauwelijks wielrennen op de televisie. De liefhebber werd via radioreportages op de hoogte gehouden. Of anders met opgesmukte verhalen in de krant. Na afloop van  zo’n wereldkampioenschap trok het rondreizend wielercircus langs de Europese wielerbanen. De regenboogtruien werden verzilverd. Dat laatste verpakt als een ‘revanche’. Waar van te voren de winnaar al bekend was.
Een enkele keer was er een onverlaat die schijt had aan de opgelegde rangorde. Zoals  Henny Marinus, – stayer afkomstig uit het van oudst  vrijgevochten en  tikkeltje anarchistische Jordaan, – die tijdens zo’n ‘revanche’ in een vol Olympisch Stadion, dwars door de combine heen reed. Over deze koers is inmiddels al het nodige geschreven.
De Revanches, waar, voor aanvang,  eerst de kampioenen werden gehuldigd. Een ceremonie van een treurige, tenenkrommende, lulligheid. Een bos bloemen, een toespraak én een ereronde voor de kampioenen.
Ook in 1964 in Amsterdam, waar onder meer verse kampioenen als een Jaap Oudkerk,  en Tiemen Groen deze kwelling moesten ondergaan. Oudkerk en Groen ’s werelds beste  amateur-stayer én achtervolger. Tussen Jaap en Tiemen in de Spaanse profstayer Guillermo Timoner: met op zijn erelijst zes wereldtitels achter zware motoren. En sindsdien door het leven ging als de ‘beste stayer ooit’: een hardnékkig misverstand! Dat was en is gewóón niet waar.
Timoner, was een aardige, begenadigde  rolrijder. De beste van zijn generatie. Maar absoluut niét de beste óóit.
De man was Koning Eenoog in het land der blinden, want kende vrijwel geen concurrentie en hoefde maar rekening te houden met een tiental stayers.
Voor de criticasters en andere Timoner-adepten: in de ranglijsten van deze blog staat  de Spanjaard niet eens bij de top-7.Tijdens de Belle Epoque én de tijd tussen de wereldoorlogen in, waren honderden topstayers, onderverdeeld in drie klassen, actief.
Kerels die meerdere keren per week hun kloten achter die pokkemotor, moesten schroeien om de broodnodige contracten te krijgen. Probeer daar maar eens de beste van te zijn.

En wie dat zijn? Op basis van uitslagen, de concurrentie én het aantal verreden koersen waren dat George Parent, Bobby Walthour, Taddy Robl, Piet Dickentman, Paul Guignard en Victor Linart. Op deze ranglijst hobbelt Timoner daar vér achter aan.
Het stayeren, is van het mondiale titeltoernooi verbannen: met dank aan een handvol corrupte, criminele gangmakers. Ook de ‘revanches’ zijn een zachte dood gestorven. En alleen de ouderen onder ons weten zich de wielerbaan, inmiddels gesloopt, van het Stadion te herinneren.

Afgebrand

Wat ze zich vooral herinnerde? De littekens van de brandwonden op zijn benen. Lotti Dickentman, indertijd 93 jaar, zag dat nog scherp voor zich.  Als grietje van zes jaar, maakte dat een diepe en onuitwisbare indruk. Haar vader Piet Dickentman, had dan ook dertig jaar achter zware motoren gekoerst. Pa overleefde vele veldslagen, die plaats vonden  op de beruchte, bloederige Duitse wielerbanen. Vaak letterlijk. Dat de man tientallen keren aan een vers gedolven graf van een verongelukte collega stond is ter kennisgeving.  Piet Dickentman   beoefende namelijk zijn stiel op de stoep van de Hel.  Waar de Amsterdammer, de courage en lef vandaan haalde om telkens van start te gaan? Geld! Waar ongetwijfeld ook een  behoorlijk portie adrenalineverslaving aan te pas kwam.  Geld voor zijn gezin in Amsterdam.  Maar ook voor  een maatschappelijke carrière als hij de stayersfiets definitief aan de haak hing. Dickentman openende in 1928 een succesvolle grote rijwielhandel in de Amsterdamse Scheldestraat.
Dickentman, kende zijn hoogtijdagen in de periode van vóór de Eerste Wereldoorlog.   Om de Amsterdamse stayerslegende toen te verslaan kwam meer voor kijken dan alleen atletische kwaliteiten. Dat laatste kon je wel aan de heren gangmakers overlaten. Die wisten daar wel raad mee. Passeerde ze in een race een tegenstander dan bleef de motor, mét vlammende, gloeiend hete uitlaat, letterlijk  vlak naast zo’n renner ‘hangen’.
Het kenmerkt de ijzeren discipline van Dickentman dat hij niet van de motor af te branden viel. Met littekens van brandwonden op kuiten en dijbenen als blijvende herinnering.  Om honderden keren ‘va-banque’ te spelen met je leven mist zijn uitwerking niet.
Het gezicht is  de spiegel van de ziel. Zie je in het begin van zijn loopbaan, want 1901, nog een onbekommerde jongen in de lens kijken. Na vier jaar was dat wel anders. Zoals bij bijgevoegde foto gemaakt in 1905, vlak na een koers. Een doorploegde kop met dodelijke ernstige oogopslag, kijkt je aan. Een blik zoals je alleen ziet bij soldaten die na een jaar actieve frontdienst op het slachtveld, thuis komen. Je hoeft geen psych te zijn om te weten dat de Amsterdammer nog tjokvol  met adrenaline zat. Hoogstwaarschijnlijk voelde hij de pijn en weeïge schroeilucht van verbrand vlees niet.
Op zijn benen zie je nog steeds de gloeiend hete druipende olie, gelekt door zijn gangmaakmotor.

Alsof de duivel een scheet laat

Copy of groteprijsberlin1905Eind oktober 1906.  Het seizoen was lang, slopend en uitputtend. Lichamelijk, én geestelijk. Vooral de laatste minuten voor een start hakten er genadeloos in. Die gekmakende doodsangst.  Wordt dit mijn laatste koers? Ben ik nu aan de beurt? Binnen twee jaar waren zes collega’s verongelukt. Een veelvoud zwaargewond. Jongens nog, net als hij, barstensvol ambitie en dromen. Er ging heel wat door hem heen als hij met een krans aan het kille graf stond. Alternatief? Terug naar de armoede van de Jordaan, zijn geboorteplek? Nóóit. Geld, letterlijk goud, verdrong angst. Vorstelijke, rijk betaalde  contracten stroomden hem van zelf toe. Iedere Duitse wielerbaan wilde hem, Piet Dickentman, op het programma hebben. 
Ook in Steglitz, waar de Herausforderungsrennen von Steglitz, op punt van beginnen staat. Loeizware motortandems worden aangeduwd. Een gebrul alsof de duivel een scheet laat. Het inferno is niet ver weg.  Het is de laatste koers van het jaar. Uitverkocht stadion. Voelbare,  knetterende spanning op de tribunes. lintpiet
Spanning die ook bij hem, Piet Dickentman, door zijn lijf gieren, maar die verdwijnen als de fotograaf zich meldt met zijn kiekkast. Nog één keer opstellen voor een foto. Bobo’s, strakke boorden, puntsnorren, van alle tijden publiciteitsgeil, verdringen zich achter hem. Ergernis stijgt in zijn lijf. Maar dit is de laatste koers. De winter met zijn rust nadert. Nog één keer ‘vlammen’. Nog één keer waar geven voor het geld.  En ach, wat maakt het ook uit. Want wát een seizoen had hij achter de rug.  Veertien koersen gewonnen, waaronder de grote prijzen van München, Maagdenburg en Steglitz, het Europees kampioenschap en als toetje een wereldrecord over honderd kilometer. Boeren, burgers en buitenlui lagen aan rennersschoenen. Mädels en andere  meiden kregen slappe knieën van erotisch verlangen. Niets prikkelender dan een jongen in duel met de dood.  Doodgaan achter de zware motor. Soms letterlijk. Het grote geld was voor hem. Vijfenveertigduizend harde goudmarken waren dat jaar op zijn bankrekening gestort. De kruimels voor z’n collega’s.
Pietje Dickentman, afkomstig uit de Westerstraat, ijlend achter de zware motor, was geen zweetdief. Iedere wedstrijd vloog hij van kop tot zijn kont erin. Hij, de wereldkampioen van 1903, kwam pas tot leven als de koers over honderd kilometer ging.  Als anderen schreeuwden om hun moeder draaide zijn gangmaker nog even aan de gashendel. Ook op die eenentwintigste oktober op de wielerbaan van Steglitz.
wereldrecord1906Dat Piet Dickentman won, Robl tweede werd en Demke derde,  ach, dat zal wel, aardig voor de statistici.
Dat was dus 1906, zomaar, een jaar uit de dertigjarige carrière van Piet Dickentman.

Foto 1: De Herausforderunsrennen Steglitz,  v.l.n.r. Robl, Huber, Guignard, Demke en Dickentman. Foto 2: Europees kampioen. Foto 3: Dickentman wereldrecordhouder, honderd kilometer. V.l.n.r. Robl, Gunther, Dickentman en Darragon. Zowel Robl (1910), Gunther (1918) als Darragon (1918) verongelukte dodelijk.

Bron: Radwelt jaargang 1906.

Mevrouw Peguy moest nog een jaartje wachten

Copy of natbutlerkleurCharles Peguy wilde nog schreeuwen. Zo’n gil van doodsangst. Maar door ontzetting kwam alleen dof gerochel uit zijn strot. Niet dat het er allemaal veel toe deed. Al had Charles de reclameborden van de baanomheining los gebruld, hij werd evengoed gelanceerd. Charles Peguy, gangmaker uit Parijs. Een getormenteerd mens die het leven donkerbruin inzag. Een jaar eerder was zijn vrouw overleden. En dan was er ook nog Willy Schmitter. Zijn Willy notabene, talentvol stayer waar hij, Charles Peguy, als gangmaker vijftien koersen mee won. Een maand nadat mevrouw Peguy aan de aarde was toevertrouwd, trok ook Willy ter hemel. Viel te pletter, achter Charles’ rug. Hoeveel kan een mens verdragen?  Van Charles was dat niet bekend. Wél dat hij fatalistisch werd. De man hield verdacht vaak en té lang de gashendel van zijn motor open. Zoals gezegd, Charles nam het leven niet meer zó serieus. Het kon hem allemaal geen reet meer schelen. Vermoedelijk ook niet op zondag 15 juli 1906, tijdens de Gouden Bokaal van Keulen. Een stayerskoers over honderd kilometer, met vijfduizend goudmarken in pot. Op de affiches  Yvar Goor, Piet Dickentman en Nat Butler.pequy2
Nat, door de Duitse pers Der Alte genoemd, koerste achter Charles Peguy. De nekharen van Nat hadden eigenlijk als kopspijkers strak moeten staan. Om je te laten gangmaken door een tikkeltje levensmoede man… Door een jarenlang verblijf op de ruige en levensgevaarlijke Duitse wielerbanen herkende Nat Butler de waarschuwingssignalen niet meer. Nat, Amerikaan, een stayer in zijn nadagen, dacht alleen nog maar zijn portemonnee. Wat bijna zijn dood werd.
De Yankee een ouwe frontstrijder, trok na het startschot direct ter aanval, en lapte na een tiental ronden bijna Piet Dickentman. En laat dat nou nét niet doorgaan. Dickentman sloeg de aanval af. Voor Charles het sein om nog maar even aan die fijne gashendel te draaien. 
Copy of piet1924Met ruim negentig kilometer ging het in de bocht mis. Van middelpuntvliedende kracht had Charles namelijk nooit gehoord. De Parijzenaar werd gelanceerd en vloog mét motor én renner de overvolle tribunes in. Tegen de tijd dat de motor was uitgestuiterd was er één dode,  en drie zwaargewonden gevallen, waarvan er twee de ochtend niet haalden; dat laatste  ter kennisgeving.
Tijdens zijn vlucht door de lucht reserveerde mevrouw Peguy onmiddellijk een plekje in de hemel voor haar Charles. De laatste kwam, evenals Butler, met lichte verwondingen er van af. Uiteindelijk moest mevrouw Peguy nog een jaartje geduld hebben. Want op zondag 7 juni 1907 tijdens de ‘300 Kronen von Spandau’ ontplofte de voorband van  Charles’ motor. Peguy werd begraven naast zijn vrouw. Aan het graf stond zijn vierjarige dochtertje.
 

Foto 1: Nat Butler. Foto 2: Charles Peguy. Foto 3: Piet Dickentman.

Bron: De Telegraaf, jaargang 1906, Radwelt jaargang 1907.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: