Blind met pensioen

Zullen we nou maar eens stoppen om Muhammad Ali de  grootste bokser aller tijden te noemen? Want dat is niet zo. Noch is hij the greatest!  Ali was de beste bokser van zijn periode, en niet méér dan dat. Om Ali maar steeds op dat schild te hijsen, doe je een hele rits, voornamelijk zwarte boksers ernstig te kort.
Onder de kreet ‘Ken Uw klassieken’,  Sam Langford uit de loopgraven van de boksgeschiedenis getrokken. Ali mag en kán niet in de schaduw van Langford staan. Al was het alleen maar om Sam’s  ellenlange erelijst.  De man stond meer dan driehonderd keer in de ring. Won honderdachtenzeventig keer, waarbij honderdzestien tegenstanders op het canvas wakker werden, verloor negenentwintig keer en eindigde een gevecht achtendertig keer onbeslist: wat zijn belangrijkste partijen waren. Ter vergelijking: Ali stond eenenzestig keer in de ring!
En dat in een tijd, dat zwarte boksers in Europa als een curiositeit werden beschouwd. Daar kwamen ze in het Parijs van 1911 snel achter. Met name de redactie van het toonaangevende sportblad La Vie au Grand Air, een sportblad voor het roomwitte Frankrijk, uitgegeven tijdens de belle epoque, met  op de cover  alleen maar Franse sporthelden.
Tot aan 1911. Sam Langford, afkomstig uit Boston kwam naar Europa  waar zijn roem vooruit was gesneld. Met een paginagrote foto van Langford, opende de redactie nummer 49 van  La Vie au Grand Air. Met het curieuze onderschrift dat, ‘De neger Sam Langford vecht op 21 februari tegen de Australische kampioen Billy Lang’.  Hoezo discriminatie?
Het gevecht Langford versus Billy Lang, gehouden in Londen, waarvan de winnaar het mocht opnemen tegen de eveneens donkere Sam Mc Vea, afkomstig uit Texas. Dat laatste gevecht geaccrediteerd in Parijs waarvoor La Vie, in zijn kolommen het bed van de publiciteit flink voor opschudde.
Sam Langford, die Billy Lang een pak op z’n lazerij gaf, mocht begin maart 1911 het opnemen tegen Sam Mc Vea. In het Parijse Cirque de Paris, tot de nok gevuld met in jacquet gehulde ‘boven ons gestelde’, ook de boksverslaggever van La Vie die later in z’n blad flink uitpakte over dat gevecht. De rest is allemaal geschiedenis.
Ook Sam Langford wachtte het lot dat zoveel zwarte bokser ten deel viel. Half blind geslagen en uitgezogen door gehaaide witte managers, vocht de man tot aan zijn drieënveertigste jaar. Hoe Sam Langford het voor elkaar kreeg is een raadsel. Hoogstwaarschijnlijk op zijn ring-instinkt van tientallen jaren, want tijdens z’n laatste partij tegen was Lanfords gezichtsvermogen vrijwel nihil. Niet veel later was de Boston Bonecrusher, zoals zijn bijnaam was, volkomen blind. In 1956 overleed Sam Langford, 72 jaar.

Bron: La Vie au Grand Air, jaargang 1911, Boxrec.

Wie geeft het verlossende antwoord

Voor het gezin blijft het één grote ramp. Een schrijnende, open wond, die pas dicht gaat als er duidelijkheid is. De spoorloze verdwijning van Kenneth Hart heeft bij zijn familie diepe sporen nagelaten. Dagelijks vragen zijn moeder en drie zusjes zich af   wat er moet hun zoon en broer is gebeurd. Kenneth Hart, ooit een talentvolle jonge bokser verdween bijna dertig jaar geleden spoorloos.

Een maand voor de  verdwijning van Kenneth zag Jennifer Hart haar broertje voor het laatst. Jennifer herinnert zich die ontmoeting nog goed. Ook de herinneringen aan zijn bokscarrière zijn niet meer uit haar geheugen te verdrijven.  Jennifer vertelt hoe het hele gezin mee ging als Kenneth een wedstrijd had. Voor Jennifer, Daniella, en Audrey, de zusjes van Kenneth, waren die gevechten nogal saai. De wedstrijden van Kenneth waren dan ook, binnen één ronde afgelopen, verteld ze lachend. Kenneth’s tegenstander lag dan op het canvas zich vertwijfeld af te vragen of hij wel de juiste sport had gekozen.
Voor Kenneth was het boksen zijn leven. Daar deed hij alles voor. Met succes. Als jonge, zeer talentvolle pugilist vertrok hij voor maanden naar Los Angeles, voor een trainingskamp bij een zeer gerespecteerde gym.  Trainen werd afgewisseld met wedstrijden. Tijdens de Golden Gloves van Zuid-Californië maakte Kenneth diepe indruk door deze te winnen. En als de poorten van het  boksparadijs  zich openen,  slaat het noodlot toe. Een oogblessure! Met grote kans op blindheid ten gevolge.  Wat het begin werd van alle ellende. 
Kenneth Hart moet noodgedwongen stoppen met zijn passie. Zijn wereld stortte in. Depressies volgde.  Waarschijnlijk door dat laatste  kon het hem allemaal niet zo  veel meer schelen.  Kenneth, de ooit zo gedreven sportman  dreef naar de zelfkant van het leven, en begon niet veel later als uitsmijter op het Rembrandtsplein.
Volgens Jennifer begon dáár de ellende. Want van het één komt het ander. Het hoe en wat? Dat weet ze niet. Wél dat haar broertje op een dag spoorloos was verdwenen. Dat hij de verkeerde mensen was tegengekomen is nu wel zéker. Zijn verdwijning was voor de familie het begin van een tientallen jaren durende levende hel. Niemand kon uitsluitsel geven wat er gebeurd was.
Kenneth’s oma Paulina, waar de kinderen Hart zijn groot geworden, zijn moeder én  zusjes lieten het er niet bij zitten. Het gezin begon een jarenlange speurtocht naar Kenneth. Overal werd gezocht en vragen  gesteld, vragen wat er met Kenneth is gebeurd. Jennifer omschrijft het verdriet van haar oma  en moeder als immens. Moeder Hart bleef voor haar jongen knokken en schreef tientallen brieven naar de Telegraaf en andere media om de zaak onder hun aandacht te houden.
Op de vraag wat de Amsterdamse politie deed, is Jennifer nogal verbitterd, namelijk helemaal niets! De politie heeft nooit contact met de familie opgenomen. Inmiddels ligt de ‘de zaak Kenneth Hart’ op een plank in het hoofdbureau te verstoffen.
De kelk met ellende was voor het gezin Hart nog lang niet leeg. Er volgde nóg een diepe tragedie. Jaren na Kenneth’s mysterieuze verdwijning wordt zijn broertje Franklyn op straat neergeschoten. Franklyn, ernstig gewond afgevoerd naar het ziekenhuis waar hij niet veel later overleed. Hoe erg ook, dat heeft dat bij de familie Hart inmiddels zijn plaatsje gekregen.
Anders is het met Kenneth waar de familie nog steeds met vragen worstelt. Vragen en onzekerheid die opgelost kan worden als iemand zich meldt met het verlossende antwoord.

Lang gesneden tabak

Steek een sigaar op! Of prop je pijp vol met tabak, maar dan wél van het merk  P. Lorillard Mechanics Delight. Die voor de echte liefhebber ook nog de pruimtabak in de aanbieding had.  Of het rookgerei van tabaksfirma Lorillard, afkomstig uit Louisville, Kentucky,  super was? Niet meer ná te gaan. Maar wél dat  deze tabaksfirma een geniale reclameman in dienst had. Dat laatste was zeker.
Behalve de ‘lang gesneden tabak’, waar de firma, eind negentiende eeuw reclame mee maakte, bevond zich  in het tabakszakje ook een boksplaatje mét bijbehorende uitleg. Een feestje voor de toenmalige verzamelaar. De bijgevoegde foto’s, in een serie van vijftig,  waren van toenmalige champs van de ring. Ongure kerels, die je liever niet in een donkere steeg tegen het lijf liep.
Bokser Jimmy Elliot kreeg ook z’n plaatje. Jimmy Elliot,  zwaargewichtkampioen van de wereld van 1865 tot 1868, bokser in het wildwesttijdperk  van de sport. Waar niet alleen boksers, maar ook het publiek niet zeker waren of ze nou wél of niet  levend de bokszaal uitkwamen. Jimmy, sterk en agressief, man met een groot incasseringsvermogen, en niet vies van oneerlijke tactieken. Waar ene Jim Dunn over mee kon praten.
Het gevecht Dunn-Elliot, gehouden op 13 mei 1863. Waarbij Jimmy’s z’n hele trukendoos wagenwijd open gooide.  Het woord ‘ruig’ moet een eufemisme zijn geweest. Wat Jimmy in de ring uitspookte, moet de toenmalige  grenzen vér voorbij gegaan zijn. En dat pikte Dunn’s supporters nou nét niet.  Die stormde dan ook massaal de ring in en eiste van de scheidsrechter dat Elliot gediskwalificeerd werd. Of dat gebeurde…?
Wél dat Jimmy, door de aanwezige agenten geboeid werd weggevoerd. Direct na dat heugelijke gevecht werd Jimmy Elliot  opgesloten in de Trenton State Prison van New York, waar hij twee jaar later definitief z’n celdeur hoorde dichtslaan.
Drie jaar later werd Elliot weer gearresteerd, nu wegens gewapende overval  en poging tot doodslag. Negen jaar mocht de Ierse vuistvechter nadenken over het ‘hoe en waarom’. Jongens als een Jimmy Elliot zijn niet te redden. Niet door een kolonne Heilsoldaten, laat staan een horde softe welzijnswerkers.
Het was zijn bestemming dat Jimmy op 1 maart 1883,in een saloon in Chicago door een gokker werd doodgeschoten. Jimmy Elliot, 45 jaar geworden, wachtend op de jongste dag  op het Calvary Cemetery, New York,  is inmiddels totáál vergeten.
Behalve door de verzamelaars, waar Jimmy’s konterfeitsel wordt gekoesterd. Jimmy is dan ook een collectorsitem.

Bron onder meer Cyber Boxing Zone.

Met dank aan de onuitputtelijke en wonderbaarlijke database van John Brouwer de Koning, die mij regelmatig  tips geeft over bijzondere boksdata.

Eén groot raadsel

Het grootste talent van West-Europa werd hij genoemd. Bokser Kenneth Hart, nog geen twintig jaar jong, én een verwoestende knock out in zijn vuisten. Dat laatste ook een nadeel. Tegenstanders waren daardoor amper te vinden. Wie wil nou in de ring staan tegen zo’n iemand? Kenneth Hart, als jongen vanuit Suriname naar Amsterdam gekomen. Niet veel later meldde hij zich bij boksschool Albert Cuijp, gerund door de legendarische Ruud van der Linde.
De  boksscene, maar ook het maatschappelijke, was voor Hart een doodlopende weg. Voor Ruud van der Linde hét moment om in te grijpen. Via diens grote netwerk werd geregeld  dat Hart, zeventien jaar,  naar Los Angeles kon vertrekken, waar de jonge Amsterdamse bokser een half jaar trainde bij de gym van Henry Daves.
De glitterwereld van Los Angeles, met Hollywood en z’n talloze boksgyms, voor sommigen hét Nirvana. Niet voor Hart. De ongelofelijke armoede die hij van alle kanten waarnam maakte diepe indruk op de Amsterdammer. Waarschijnlijk was dat dé motivatie om nog harder te trainen. Met succes. Hart won de Golden Gloves voor Zuid-Californië waar hij in de finale de Mexicaan Samuel Hunter knock out sloeg. Ook tijdens de nationale Golden Globes kwam Hart heel ver.
Van de vierhonderd boksers drong hij door tot de laatste acht. In de achtste finale stond Hart tegenover Milton Bowin, op dat moment de nummer twee van Amerika, waar hij met 3-2 nipt van verloor. Talent dat zomaar komt  aanwaaien, kan ook een grote valkuil zijn. De tragiek van dat soort jongens is, dat ze daar niet mee om kunnen gaan. Zo’n jongen komt pas op latere leeftijd er achter dat ze dat talent vergooid hadden.
Na zijn laatste partij, gebokst in het Amsterdamse Concertgebouw waar Hart won van een  Hongaar  op dat moment nummer twee van de wereld, stopte hij. Kenneth Hart, volgens sommigen een gesloten jongen, deed voor de laatste keer zijn bokshandschoenen uit, en stapte vervolgens op het glibberige pad dat eindelijk  leidde naar de Amsterdamse onderwereld. Waar het niet veel later helemaal mis gaat.
Het hoe en waarom…? Nóóit duidelijk geworden. Eén groot raadsel. Wél dat Kenneth Hart, vierentwintig jaar, na een knokpartij in een kroeg, in 1990 spoorloos verdwenen is. Waarmee het grote mysterie, ‘Kenneth Hart’,  een aanvang nam. Dat hij met ‘verkeerde’ mensen omging was duidelijk.  De geruchtenmachine over Harts verdwijning, draaide op volle toeren. Een van de rondzingende theorieën was, dat hij naar Spanje werd gelokt en daar geliquideerd.
Een andere, nóg wildere  versie is, dat Kenneth Hart, in Amsterdam geliquideerd, begraven werd onder de toen gebouwd wordende  Rembrandttoren. Hoe het ook zij, het drama én raadsel ‘Kenneth Hart’ blijft nog steeds bestaan.

Foto: Prins Bernard stelt zich voor aan Kenneth Hart, in het midden Pedro van Raamsdonk.

Laatste gevecht

Leon Spinks, uitdager van heersend wereldkampioen Muhammad Ali, met inzet de wereldtitel bij de zwaargewichten. Plaats van handeling het Las Vegas van 15 februari 1978. Vóór het gevecht,  eerst de gebruikelijke persconferentie.  Waar Ali in grootste vorm verkeerde. Het voorzetje hiervoor, werd door hem met gemak ingekopt. Uitdager Leon Spinks, miste vier tanden in z’n bovengebit.  De man zat daar duidelijk niet mee en  grijnsde onbekommerd in de lenzen van de internationale pers.
‘Ik hoop niet dat die engerd in mijn nek gaat bijten’, was het geestige antwoord van Ali op de vraag waar hij  voor het komende  gevecht het meest bang voor was. Een dag later. In een epische gevecht over vijftien ronden, die de geschiedenis inging als the Legendary Night, waarin Ali, 36 jaar,  zijn laatste danspassen vertoonde, verloor The Greatest  z’n  titel aan de twaalf jaar  jongere underdog, Leon Spinks. Voor de laatste wachtte  een glorieuze toekomst in de ring.
Leon Spinks, inmiddels zesenzestig jaar, bestormde als jongen de bokswereld. Won ondermeer een gouden medaille op de Spelen van 1976. Schokte de sportwereld met zijn onverwachte wereldtitel. De herinneringen aan  deze Leon Spinks is niets meer van over. Het ooit gespierde, ijzersterke torso is verworden tot een mager karkas. Leon Spinks, 36 kilo afgevallen,  lijdt niet alleen aan een beginnende vorm van Alzheimer, maar wordt ook geteisterd door prostaatkanker, uitgezaaid naar de  botten.  Uitgemergeld vecht Spinks nu zijn laatste partij. Met als inzet z’n leven. Een gevecht die hij gaat verliezen.
Het ‘verhaal Spinks’ is zoals met veel voormalige boksers: de man bezit niks meer. Zit aan de grond. Om zijn peperdure medicijnen te betalen – een pot met honderdtwintig pillen,  kost achtduizend dollar, – geeft de voormalige champ betaalde handtekeningensessies. Spinks, een carrière van zesenveertig partijen waarbij maar zeventien keer werd verloren,  woont iets ten zuiden van Las Vegas.
In zijn vrijstaande huis, vol met foto’s van z’n bokscarrière, verplaatst de voormalige kampioen zich in een rolstoel. Liefdevol verzorgd door zijn derde vrouw Brenda. Om de ondragelijke pijn te verzachten rookt Spinks regelmatig een jointje, gekocht bij de lokale apotheek, want inmiddels legaal in Nevada. Ruim veertig jaar geleden werd die zelfde Spinks beschuldigd van een misdrijf. De man werd gearresteerd op het bezit van wat marihuana. Nu verlicht deze ‘drugs’ zijn bestaan. Hoe hypocriet kan het leven in Amerika zijn?

Bron:  USA Today.

Onvergetelijke beelden…

Gaskamer voor Lonnie

Ze hebben een hoog incasseringsvermogen. Ook geestelijk. Maar als een bokser eenmaal  over de rode streep wordt getrokken, berg je dan maar. De geestelijke luiken gaan van het dek. Emotionele remmen komen los.  Mister Jekyll neemt de plaats van Hyde in. Dat had mevrouw Virginia Cook moeten weten. Virginia,  de ex van Lonnie Craft. De laatste een gepensioneerd zwaargewicht afkomstig uit Phoenix, Arizona.
Lonnie, tijdens zijn bokshoogtijdagen  opgezadeld met de bijnaam Battling Blackjack, stond zestien jaar in de loopgraven van het boksen, vocht  daarbij drieënveertig partijen, waarvan 27 gewonnen door knock out.  Zijn laatste gevecht vond plaats ergens in maart 1954. Vijf jaar later stierf Lonnie in de gaskamer van de State Prison van Arizona. Lonnie moest boeten voor de moord op z’n ex Virginia, waar de man vermoedelijk een moeizame relatie mee had.
Dertien maanden duurde het geluk tussen Virginia en de ex-bokser. Geluk, kapot gemaakt door het gestook van de vader van Virginia. Althans als je de versie van Lonnie moet geloven, opgetekend in het rechtbankverslag. Dat liefde een geestelijke sluipmoordenaar is bewees Lonnie. Hij kon z’n Virginia niet los laten.  6 maart 1957 wás de datum voor Lonnie’s  lijmpoging. Op deze dag des Heres ging vertrok hij naar Dispatsch Laundry, een lokale wasserij waar Virginia werkte, en nodigde haar uit voor een lunch in Sublett’s Café. In z’n  broekzak een zojuist gekochte revolver.
In het café, zittend aan de balie werd de lunch besteld. Waarbij Lonnie die ene brandende vraag stelde: of Virginia bij hem terug wilde keren. En daar had ze nou nét geen trek in. Wat haar het leven kostte. Lonnie, de revolver in z’n hand, schoot Virginia twee keer in haar rug. Zonder zijn Virginia stelde het leven weinig voor, besefte hij. En schoot vervolgens twee keer in z’n eigen borst. Lonnie Craft, een ijzersterk gestel, opgebouwd door  zestien jaar van harde trainingen, blee
f met twee kogels in z’n eigen borstkast,  rechtop staan. Als extra dramatisch effect viel Lonnie vervolgens op z’n knieën, laadde z’n revolver en schoot nog een keer op zich zelf. Wat hij ook overleefde.
Lonnie Craft, eenmaal opgelapt en staand voor Judge Lorna R. Lockwood werd op 20 september 1957 tot de doodstraf veroordeeld. Op 7 maart 1959, in de gaskamer van de State Prisson, Arizona vertrok Lonnie Craft, 41 jaar, uit dit ondermaanse.


Bron: Het rechtbankverslag van de Arizona Supreme Court, BoxingRec.
Met dank aan de wonderbaarlijke database van John Brouwer de Koning.

Moord in Londen

Klein, afgetraind, gespierd én tanig. Even hard blazen en hij lazerde om. Kleine mannen… onderschat ze nooit.  Deze zitten tjokvol compensatiedrift.  In de bokslokalen van Chicago en omgeving waren ze daar van doordrongen. Jimmy Barry, vlieggewicht, en watervlug in de ring. Met een dodelijk knock out. Letterlijk.
Jimmy, bijgenaamd de Kleine Tijger, met op z’n conduitestaat eenenzeventig  gevechten. Waarvan hij er negenendertig op knock out won. Jimmy’s carrière speelde zich af eind negentiende eeuw, de wildwesttijd van het boksen. Waar argeloos over de  gezondheid van een pugilist werd beschikt. Als er maar spektakel kwam. Garantie voor volle bokszalen, én de portemonnee van de organisators. Zeker met  De Kleine Tijger op het programma. Zoals het gevecht Barry tegen een zekere Jimmy Shea, gehouden in  juli 1893.
Hoe Shea na de partij er uit zag, daar moeten wij maar niet aan denken. De man werd door Barry in de vierde ronde vier keer tegen het canvas geramd. En dat was er ook nog Casper Leon die zijn leven te danken had aan de aanwezigheid van de politie. Casper tegen Jimmy Barry. Een partij met als decor het New York van 1895.  Om de agressie van het publiek binnen de perken te houden waren bij het gevecht een aantal agenten aanwezig. Tot groot geluk van Casper. Want die kreeg van Jimmy Barry, tijdens de tweede ronde een vreselijke afstraffing.
De Chicago Tribune had het over een mishandeling. Dat was ook de overtuiging van de aanwezige politie. Die stapten vervolgens in de ring om het gevecht te stoppen.
Dat was nog niets vergeleken wat Walther Croot, kampioen van Engeland, te wachten stond. Walther Croot,  bokser uit Londen daagde Barry uit. Een partij, gehouden in het Londense Covent Garden. Croot,  23 jaar, tijdens zijn detiende gevecht, werd hard door Barry geraakt, viel  achterover en werd bewusteloos uit de ring weg gedragen. Niet veel later stierf Walther  aan hersenletsel. Een incident dat bij  de Kleine Tijger diepe indruk maakte. Na dat gevecht durfde Barry niet meer tot het gaatje te gaan, en sloeg nooit meer een tegenstander  knock out. Jimmy Barry, die als één van de weinige nooit  één gevecht verloor, meldde zich op drieënzeventig jarige leeftijd bij zijn Schepper.

Met dank aan de wonderbaarlijke database van John Brouwer de Koning.
Bron: onder meer BoxRec, en het digitale archief van de Chicago Tribune.

Bep van Klaveren draait zich om in z’n graf

Alsof de Nederlandse Boksbond een bom had gegooid. Met de mededeling  dat Badr Hari als  kandidaat  voor de Olympische Spelen was genomineerd, ontplofte de sociale media. Vooral op de bokssites waar  de zogenaamde kenners flink stoom afbliezen. Maar de beste  meningen waren die van  de jongens ‘uit het veld’, zoals die van trainer én  ‘kampioenenmaker’, Henny Mandemaker.

‘In één woord; schandalig!’, fulmineert Hennie Mandemaker, over de kandidaatstelling van Badr Hari. ‘Een klap in het gezicht van al die bokstrainers die dag in dag uit, jonge boksers trainen. Om zo’n jongen op te leiden voor de Spelen, daar ben ik minstens acht jaar mee bezig. En dan komt de boksbond van uit het niets met die Badr Hari, een vechter van vijfendertig jaar,  op de proppen. Nogmaals een grof schandaal, alsof er geen jonge talenten zijn’.
Hennie Mandemaker 68 jaar, gelouterd bokstrainer bij Respect Gym, die diverse latere kampioen opleidde, waaronder drie met een wereldtitel. Een trainer met een gietijzeren status in de internationale bokswereld. Wat zich  rond zong.  Drie jaar geleden kreeg  Mandemaker de uitnodiging om de Olympische boksselectie van China onder z’n hoede te nemen, wat hij drie maanden deed. Maar terug naar ‘Badr’.
‘Een belachelijk besluit’, foetert Mandemaker verder, ‘Kickboksen is totáál anders dan het klassieke boksen’. Iets wat Zacky Derouich als geen ander kan bevestigen. Derouich,  sterk en talentvol bokser, afkomstig uit de stal van Mandemaker, maakte zo’n drie jaar geleden, louter uit financiële overwegingen, de overstap naar het kickboksen. Derouich had minstens een jaar van harde trainingen nodig, om de technieken van het kickboksen eigen te maken. Op de sociale media liet  Derouich, bijgenaamd Hitman,  dat ook weten. ‘Hij kan beter blijven kickboksen, maar blijkbaar wil hij een pak slaag krijgen’, aldus Hitmans boodschap richting Badr Hari.
Ook voormalig Europees kampioen Pedro van Raamsdonk liet van zich horen. ‘De jeugd heeft schijnbaar  geen toekomst bij onze boksbond’. Om te besluiten dat de boksbond ‘Totaal geen verstand heeft van de edele bokskunst’.
Terwijl de digitale discussie ‘Badr’, verder raast, is één ding zeker: Bep van Klaveren, de laatste Nederlandse Olympische kampioen, draait zich om in z’n graf. Met dank aan de Nederlandse Boksbond.

‘De dapperste bokser ooit’

‘Little Chocolate’,  als  bijnaam. Je zal  daar als zwarte bokser, vóór aanvang van een partij, maar mee aangekondigd worden. Daar was je mooi klaar mee. Hoe George Dixon zich daarbij voelde laat zich raaien. De man had centimeters eelt op z’n ziel, wat niet anders kan.  Meer dan honderdveertig keer onderging hij zo’n vernedering, want zoveel gevechten stond op George’s palmares. Little Chocolate Dixon,  vedergewicht afkomstig uit Halifax, Nova Scotia, en eind negentiende eeuw actief als vuistvechter. Trouwens, Little Chocolate, lustte van zijn tegenstanders ook wel  chocola.
De man, lang, dunne benen, ijzeren conditie en snel ‘van hand’, versloeg op negentienjarige leeftijd, notabene in het roomwitte Engeland, Nunc Wallace in een gevecht over achttien ronden. George schreef geschiedenis. Met deze overwinning werd hij de eerste zwarte wereldkampioen in het bantamgewicht.  Dixon,  zes jaar achtereen wereldkampioen, verloor op elf november 1897 zijn titel aan ene Solly Smith. Een jaar later pakte George zijn titel terug, ten koste van Dave Sullivan.
George Dixon, wegbereider van een onafzienbare stoet zwarte Amerikaanse bokskampioenen, trok in 1906 definitief zijn bokshandschoenen uit. De man kon terug kijken op drieënzestig gewonnen partijen, verloor er negenentwintig en achtenveertig waren onbeslist.
Of George rijk werd van zijn sport? Nee, natuurlijk niet. Daar zorgde onder meer louche managers wel voor. Voor George was dat Tom O’ Rourke. Twee jaar na zijn afscheid van de ring, en op een ijskoude januaridag in het New York van 1908,  stierf George Dixon, 38 jaar, én compleet berooid.
De kleine champ werd begraven op Mount Hope Cemetery in Boston. Zijn manager Tom O ‘Rourke zorgde voor Georges  grafsteen, waarop hij de tekst liet uitbeitelen, dat hier ‘George Dixon rust, de dapperste bokser die ooit geleefd had.’

Ter herinnering aan George ‘Little Chocolate’ Dixon, waarvan komende zondag 6 januari, zijn sterfdag is.

Met dank aan de wonderlijke database van John Brouwer Koning.

Bron: Black Past, African American History, Find a Grave.

Onvergetelijk leuk

Nee, het  was beslist niet hét gevecht van de eeuw.  Bekijk de boksgeschiedenis en je komt  tientallen van dat soort partijen tegen.  Evengoed nam deze partij wél zijn plekje in, als  één de meest verrassende. Dat Ingemar Johansson, een redelijk onbekende Viking afkomstig uit Zweden, de heersende wereldkampioen zwaargewicht Floyd Patterson knock out sloeg, hakte bij de liefhebber in. Zeker op de internationale sportredacties, waar  koppenmakers zich mochten uitleven,  en de superlatieven rokend uit de schrijfmachines rolden.  Over dat gevecht, speciaal over Patterson en Johansson, zijn talloze publicaties verschenen. Stuyfssportverhalen, beperkt zich daarom  tot de naakte feiten van het jaar 1959.
Een tijd dat  mijnheer de dominee, het in dit land nog voor het zeggen had. Waardoor boksers uiterst verdachte figuren waren. Niet in de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt, daar waren de lokale pugilisten  helden, met wie je liever geen ruzie kreeg. 1959, midden in de Koude Oorlog. In de Amsterdamse warme buurt  stikte het van de Amerikaanse verlofgangers, afkomstig van de luchtmachtbasis Soesterberg: knauwende boerenjongens, met hoog uitgeschoren nekken, maar wél met een pak dollars op zak. De warme buurt met hoeren, lelijk als de nacht, voorzien van mooie bijnamen. Chinese Annie, Magere Josje en Parijse Leen peesden er lekker op los.
Dat de twee eerste vermoord werden in hun peeskamertje gaf de buurt een extra spannende dimensie. 1959, ook de doorbraak van de Selvera’s, een ongelofelijk, oubollig, Limburgs zangduo met de hit ‘Twee Reebruine ogen keken mij aan..’ Afgespeeld op de jukeboxen van de buurtkroegen, dan was  er altijd wel een idioot bereid om de broek te laten zakken. Verbaasde kroegbezoekers keken dan in één bruin oog. Enfin, drank in de man…
1959, Het jaar waarin de geboortegolf, het fenomeen van de Royal bioscoop op de Nieuwendijk, ontdekte. Overvolle zaal, waar vooral de jongens uit de Jordaan, regelmatig complete vendetta’s uit vochten met die van Kattenburg. In de pauze ging organist Bernard Drukker los op het gigantische bioscooporgel. Het programma? Uiteraard knokfilms! Waarbij lege flesjes Cola tegen het witte doek werden gesmeten.  De Royal, waar schrijver dezes voor het eerst verbijsterd  kennis maakte met actrice Jane Mansfield, een tietenmonster van-heb-ik-jou-daar.
Sorry lezers dat ik mij zo liet mee slepen.  We gaan terug naar het New Yorkse Yankee-stadion, anno 26 juni 1959. Het gevecht Johansson versus Patterson. Waarin, tot ontsteltenis van alles dat zich Jank mocht noemen, Patterson in de derde ronde knock out ging, en daarmee zijn wereldtitel verloor aan de Viking. Een jaar later kreeg Patterson zijn revanche en ramde Johansson in de vijfde ronde neer. Dat was dus 1959, het laatste jaar van die onvergetelijke, leuke fifties.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: