Medelijden

Een bokser vol medelijden met z’n tegenstander. Dan is er sprake van misplaatste arrogantie. Zo’n bokser verdient natuurlijk een behoorlijk pak ros. Wat helaas niet gebeurde. Waarschijnlijker miste Jan de Bruin, daarvoor de klasse. Of het geluk. Jan was evengoed ook geen weggooier. Dat De Bruin ergens in oktober 1951, was geëngageerd om tegen Sugar Ray Robinson te vechten gaf  hem status.

Robinson, op dát moment  vijf jaar wereldkampioen, op tournee door Europa. Waarbij Antwerpen niet werd overgeslagen. In het uitverkochte Sportpaleis, stond Jan de Bruin, weltergewicht, afkomstig uit het Rotterdamse Crooswijk tegen de toen al, ‘levende legende’, Sugar Ray Robinson.  

Verslaggever én fotograaf van Bud Club, hét toonaangevende sportblad van België waren ook aanwezig. Volgens de schrijver, ‘dreef Sugar de eerste zeven ronden geen enkele aanval door die tot een knock had kunnen leiden’, pende hij neer op pagina 13 van z’n blad. Volgens de Vlaamse scribent had Sugar medelijden met de Rotterdammer. Of was de échte reden dat de Amerikaanse champ,  het publiek wáár voor z’n dure franken gaf…? Want om Jan in de eerste ronden er uit te slaan, is ook weer zó klantonvriendelijk. Ach we zullen dat nooit meer te weten komen.

Feit is wél, dat de fotograaf van dienst een vakman was. De man, grootmeester in het spelen met licht en donker, leverde een paar prachtige foto’s af, met Jan in een twijfelachtige hoofdrol.  Jan de Bruin, man met een vechtershart, trok in de achtste ronde ten aanval. Wat direct z’n ondergang inluidde.  Door een geweldige uppercut, uitgedeeld door Sugar, gaf Jan zich gewonnen.  

Jan de Bruin met op z’n conduitestaat vierenvijftig gewonnen partijen, én zestien verloren gevechten, overleed twee weken voor zijn zesennegentigste verjaardag.

Bron: Boxrec, Bud Club jaargang1951 en Dagblad 010.

‘Vuile, Ierse rat’

Die boksende rakkers in de oudheid van de sport. Kerels met patent op drama en romantiek.  En vertel nou niet, dat er eind negentiende einde eeuw niets gebeurde. In het calvinistische Holland misschien, maar niet in de halfduistere bokszalen in New York City.  Arena’s,  verlicht  met gaslantaarns, waar het  boksgrauw rijkelijk aan hun adrenalineshot kwamen. Met dank aan die onafgebroken stroom vuistvechters, gerekruteerd in de achterbuurten.

Bekijk de vergeelde foto’s goed, en je ziet vroegoude jongens met harde koppen,  warm gedraaid in de stegen en slumps, en gepolijst in de vele boksschooltjes. Zwetend, stompend en rammend op weg naar glorie en rijkdom: aan de horizon de vage contouren van verval, armoede en ander drama. Met dank aan louche trainers en managers, die hun jongen wel ‘brachten’, en ondertussen de eigen zakken vulden.

Om Terry Mc Govern op de aanplakbiljetten te krijgen was voor zijn manager een eitje.  Terry, negentien jaar  was er opeens. Tijdens zijn eerste partij,  gehouden in het Brooklyn van 1897, ging bij Terry het licht uit. Johnny Snee was de dader. Johnny kon zijn lange leven tegen zijn kinderen en kleinkinderen opscheppen dat hij, Terry Mc Govern knock out had geslagen. Het waren er namelijk niet véél, die dat kunstje flikte. Om precies te zijn drie vuistvechters. Terry  overkwam dat niet meer. Sterker, in zestig partijen werden drieënveertig  tegenstanders op het canvas wakker, met als aardig detail tijdens de eerste drie ronden.

Ook ene George Dixon, wiens botten allang tot stof zijn vergaan, kreeg een pak rammel. George, tien jaar wereldkampioen bij de vedergewichten, verdedigde drieëntwintig keer zijn titel. Tijdens zijn vierentwintigste titelgevecht werd George in de achtste ronde definitief neer gehaald. Tegenstander? Terry Mc Govern. Ach, dat zijn van die stoffige, oeroude verhalen, maar die nog stééds beklijven.   Want ook aan Terry’s schrikbewind kwam een eind. Met dank aan Young Corbett, een man met een zeker psychologisch talent.

‘Kom maar naar buiten, vuile, Ierse rat, dan krijg je hét pak slaag van je leven’, schreeuwde Young Corbett, tijdens het passeren van  Terry’s kleedkamer, enige minuten voor aanvang van het wereldtitelgevecht. Dat een dolgedraaide Mc Govern vervolgens in de elfde  ronde neerging, is aardig voor de geschiedenisboeken.

Terry McGovern, een schim opgegraven in de vergane loopgraven van het boksen, eindigde tragisch, wat het verhaal wél zo mooi maakt. Kort na het beëindigen van z’n bokscarrière in 1908, werd Terry opgenomen in een psychiatrische inrichting, waar hij tien jaar later zijn laatste ademtocht uitstootte. Terry McGovern werd 38 jaar.

Bron: onder meer La Vie au Grand Air, Boxrec.

Melkfles

Zomaar, een foto. Waarbij striptekenaars René Goscinny en Albert Uderzo enthousiast hadden geknikt. Om direct  de teken- én schrijfpen pen te pakken, voor een hilarische verhaal. Het is dan ook een foto waarvan het stripboekgehalte van afdruipt. Alles wat een ‘strip’ geestig maakt, zit in daarin.

De foto,  geschoten vlak na een bokspartij, gehouden in de Pelican Boxing Club in het Parijs van 1908. De Pelican Boxing Club, hangplek van  de liefhebber van een eerlijke ram- en rospartij. Ook op die avond ergens in februari 1908, met hoofdpartij Sam mcVea tegen Harry Shearing.   In het voorprogramma, als opwarmertje ene Bill Chester versus Peter Brown, een onbeduidend gevecht.

Het Parijse grauw kwam voor Sam McVea, die grote, imposante,  oersterke zwarte zwaargewicht, afkomstig uit Texas. In de voorafgaande weken had Sam in de verschillende Parijse bokspaleizen, een spoor van verwoesting achter gelaten. Sam was namelijk in vorm. Sam had er wel zin in. Een maand eerder had Sam op dezelfde locatie, Jack Scales in de tweede ronde knock out geslagen.

Harry Shearing

Maar nu  stond Harry Shearing op zijn menu. Harry, parmantig kereltje, puntige snor, met een lijf, zo wit als een volle melkfles, afkomstig uit Walthamstow, een dorp iets ten noordoosten van Londen. Wat in het hoofd van Harry, uren voorafgaande het gevecht rond ging…?   Van zijn palmares kon Harry ook niet veel moraal aan ontlenen. Van de vier voorafgaande gevechten, had Harry er twee gewonnen en evenveel verloren.

Ongetwijfeld had zijn trainer zich de blaren op z’n tong geluld om Harry te overtuigen, dat hij best een kansje maakte tegen die McVea, wat natuurlijk geneuzel was. Alleen al de áánblik van McVea, die de stevige indruk wekte gráág iemand z’n kop er af te slaan, liet de moed in z’n boksschoenen zakken.  Harry’s lot stond vast.  Het was alleen de vraag welke ronde hij neer zou gaan.

Harry’s neergang vond plaats in de vierde ronde, waarin Harry als een zoutzak neerplofte, na  een verwoestende ‘hoek’ van Sam. Het gevecht zat er op. En dan, dan is hét moment van de fotograaf van dienst, die de ring in stapte. Samen met zijn ‘kiekkast’.  Waarvan het scenario vast stond. Winnaar en verliezer, mét supporters op de gevoelige plaat. Centraal, Harry Shearing, zojuist wakker geworden, met slappe knieën ondersteund, de punten uit z’n snor geslagen en een verbijsterde blik dat hij het sowieso overleefd had.

En de winnaar? Ontspannen, met de armen over elkaar, of zojuist een lekker potje sparren er op zat,  liet deze alles over hem heenkomen. Voor  Sam McVea zat het klusje er op.

bron: La Vie au Grand Air, jaargang 1908.

Aaien

Een klein schriel kereltje, een jochie nog, haast een kind. Maar geen wonderkind. Boksertje Moos Linneman amper zeventien jong, trainend in de legendarische boksschool van Dick Groothuis. De laatste had de handen vol om Linneman’s aanvalslust te beteugelen.

In het blad Sportief, jaargang 1950, geeft Groothuis een aardig kijkje in de  feodale verhoudingen ‘trainer versus pupil’, begin jaren vijftig. Groothuis roemt de inzet van zijn jongen, die volgens hem keihard iedere dag traint. Zodra de eerste gongslag klonk, stoof Moos op zijn tegenstander af, om, zoals Groothuis dat formuleerde ‘te gaan pompen’.  Volgens de journalist ter plekke,  maakte de Amsterdammer zijn tegenstanders duizelig door ze geen seconde rust te gunnen. Steeds maar weer vlogen vuisten naar het hoofd en ribben van Moos’ tegenstanders: om er maar een schepje boven op te gooien.

Linneman, Nederlands kampioen bij de vedergewichten, en weinig partijen verloren mocht zijn land op de Spelen van 1948 vertegenwoordigen. En verloor  de eerste beste partij tegen  de Ier Kevin Martin. Volgens Groothuis kwam dat omdat Moos in een zwaardere klasse moest uitkomen. Linneman had geen ‘punch’ op de Spelen. Zijn stoten kwamen over als ‘aaien’. Waarbij Groothuis haastte te vertellen dat dat kwam doordat hij in een zwaardere klasse uitkwam, en daardoor té geforceerd moest trainen.

Wat dat ‘aaien’ betreft, wél enige nuances op z’n plaats. Voordat Moos de finale van dat kampioenschap bereikte had hij negen achtereenvolgende wedstrijden gewonnen door knock out.  

Linneman, greep in 1950 de nationale titel in het weltergewicht, door de Hagenaar Schoenmaker te verslaan.  In de Warmoesstraat, midden in de Amsterdamse rosse buurt waar de gym van Groothuis zich bevond, werd met gemengde gevoelens op dat kampioenschap gereageerd. Moos’ z’n verdediging was niet goed, volgens Groothuis.  Moos ‘nam’ te veel, meer dan nodig was.  De Amsterdamse vuistvechter, kwam nog één keer uit op de Spelen van Helsinki waar hij sneuvelde in de kwart finales.

Moos Linneman, nog drie jaar actief als profbokser, vocht zestien partijen waarvan er vijftien werd gewonnen, werd na zijn  bokscarrière bloemenkoopman. Op het Amsterdamse Hoofddorpplein baatte hij jarenlang zijn bloemenstal uit.

Linneman, een echo uit een groots Amsterdams boksverleden, overleed afgelopen weekend. Linneman werd negenentachtig jaar.

Bron: ‘Sportief’, jaargang 1950. Cartoon: Bob Uschi.

Jewey

Rochelend, hijgend,  voorzien van een gescheurde oor én mond, bloedend uit zijn neus, werd hij de ring uit gesleept.   Zijn moeder had haar jongen niet meer herkend. Joseph Smith een vierentwintig jarige joodse bokser, afkomstig uit de achterbuurten van Londen had zojuist zijn zesde gevecht achter de rug.

Dat Joseph, bijgenaamd Jewey, door zijn manager rustig,  het profmilieu binnen geloosd werd,  is hoogst twijfelachtig. Tijdens zijn debuutjaar stond Smith negentien keer in de ring, met elf gewonnen partijen. Maar na dat zesde gevecht moet hij zich vertwijfeld afgevraagd hebben, of hij wel de juiste sport gekozen had.  

Joseph Jewey Smith, versus  Sam mc Vea. De laatste een Afro-Amerikaanse zwaargewicht, van vierentwintig jaar, had zijn gesegregeerde vaderland de rug had toegekeerd. Amerika het land van onbegrensde mogelijkheden. Maar niet voor een bokser met een donkere huidskleur. Sam mcVea trok zijn conclusie en pakte in 1907, z’n bokshandschoenen in en nam de boot naar Frankrijk. Waar hij vier jaar verbleef. Sam  vocht  voornamelijk in Parijs, waar hij drieëndertig keer in de ring stond.

Met mcVea – gebeeldhouwd, gespierd  lijf –  op de aanplakbiljetten, altijd garantie voor een uitverkocht huis.  Ook op die ene avond in het Parijs van 1908. Plaats van handeling het Bowling Palace, met plaats  voor drieduizend toeschouwers. ‘Brandpreventie’, was nog onbekend geneuzel. Onder de kreet, ‘schik maar in’, passeerde vierduizend liefhebbers de kassa van het Bowling Palace.   De Parijse boksliefhebbers roken sensatie. Met de  arme Jewey in een dubieuze hoofdrol.

Joseph Jewey Smith

Joseph Smith werd in de eerste ronde meedogenloos door mcVea neergehaald.  Smith mocht dan kanonnenvoer zijn, maar de man beschikte wel over een groot vechtershart. Liefst tien keer zag hij het canvas van zeer dicht bij. Om telkens op te staan. Tot de derde ronde. Waar Jewey, zwaar gehavend, definitief het licht uit zag gaan.

Dat in het zogenaamde verlichte Parijs, ook niet zó fris tegen de zwarte medemens werd aangekeken onderschreef  sportjournalist, Jacques Mortane. Of zoals Mortane in zijn verslag schreef: ‘Wij haten het te zeggen dat de neger met groot gemak als overwinnaar tevoorschijn kwam. Maar hij sloeg wel elf keer Jewey neer’.

Sam mcVea, man met eelt op z’n ziel, verbleef vier jaar in La France. Vocht daarbij drieëndertig partijen en verloor daarvan maar één. En zoals het met dat soort jongens toeging: ook Sam werd door zijn manager besodemieterd. Nog geen veertig jaar oud, stierf Sam mcVea berooid. Zijn graf en begrafenis werd betaald door bokslegende Jack Johnson.

Bron: La Vie au Grand Air jaargang 1908.

Langs het graf

Het gevecht duurde tien ronden. Voor Joe Jeannette zat de klus er dan op. In het uitverkochte Cirque de Paris, in het Parijs van dertig oktober 1909, ramde Jeannette tegenstander Al Kubiak definitief tegen het canvas. Kubiak bleef een minuut bewusteloos liggen. Een minuut die voor Jeannette wel een uur duurde. Jeannette, een angstige blik in de ogen vroeg zich af of het ernstig was met Al Kubiak, een blanke zwaargewicht afkomstig uit Chicago. Voor het Franse sportblad La Vie au Grand Air een rede om Joe op de cover te plaatsen.  
Joe Jeannette, een zwaargewicht afkomstig uit Hoboken, een voorstad van New York was in Parijs hard op weg naar een lokale heldenstatus. Zes maanden eerder in dat zelfde Cirque de Paris danste Joe langs de randen van het graf, tijdens een  gevecht dat de  boksgeschiedenis inging  als de langste bokspartij van de twintigste eeuw. Tegenstander Sam Mc Vea.
De laatste  geboren in het Texas van 1884, beheerste aanvankelijk het gevecht. De eerste achttien ronden waren voor hem. Ronden waarin mcVea zijn tegenstander liefst zevenentwintig keer vol wist te raken. Joe Jeannette, zo’n bokser die beschikte over een hard granieten kop. Want hoe hard de klappen van mcVea aankwamen, Joe bleef gewoon staan. Negenenveertig ronden lang, wat staat voor ruim drieënhalf uur. En na die ronde bleek  Sam mcVea uitgeput te zijn en kwam zijn hoek niet meer uit: Jeannette werd tot winnaar uitgeroepen.
Joe Jeannette, die in zijn vijftienjarige carrière nooit voor een wereldtitel heeft gevochten, stopte op veertigjarige leeftijd, en kon terug kijken op een uiterst geslaagde carrière.
De zoon van een New Yorkse smid had honderdzestig  partijen in zijn vuisten zitten. Honderdzes keer werd hij tot winnaar uitgeroepen waarbij hij, 68 keer, het licht bij  zijn tegenstander uit zag gaan. Cijfers die de grenzen van de verbeelding ver voorbij gaan.
In 1998 werd Joe, postuum, opgenomen  in de International Boxing hall of Fame.
De handen van Jeannette bleken niet alleen van staal te zijn maar er zat ook geen gat in. Na zijn boksloopbaan investeerde hij zijn duur verdiende centjes in een sportschool, een garage, en taxibedrijf. 
Joe, in 1958 overleden, is nog steeds niet vergeten: sinds zijn hemelvaart kent Hoboken, inmiddels Union City genaamd, de Jeannette Street vernoemd naar de prijsvechter die  het langste gevecht ooit, op zijn naam schreef…

Bron: La Vie au Grand Air, jaargang 1909, Boxrec.

Blind met pensioen

Zullen we nou maar eens stoppen om Muhammad Ali de  grootste bokser aller tijden te noemen? Want dat is niet zo. Noch is hij the greatest!  Ali was de beste bokser van zijn periode, en niet méér dan dat. Om Ali maar steeds op dat schild te hijsen, doe je een hele rits, voornamelijk zwarte boksers ernstig te kort.
Onder de kreet ‘Ken Uw klassieken’,  Sam Langford uit de loopgraven van de boksgeschiedenis getrokken. Ali mag en kán niet in de schaduw van Langford staan. Al was het alleen maar om Sam’s  ellenlange erelijst.  De man stond meer dan driehonderd keer in de ring. Won honderdachtenzeventig keer, waarbij honderdzestien tegenstanders op het canvas wakker werden, verloor negenentwintig keer en eindigde een gevecht achtendertig keer onbeslist: wat zijn belangrijkste partijen waren. Ter vergelijking: Ali stond eenenzestig keer in de ring!
En dat in een tijd, dat zwarte boksers in Europa als een curiositeit werden beschouwd. Daar kwamen ze in het Parijs van 1911 snel achter. Met name de redactie van het toonaangevende sportblad La Vie au Grand Air, een sportblad voor het roomwitte Frankrijk, uitgegeven tijdens de belle epoque, met  op de cover  alleen maar Franse sporthelden.
Tot aan 1911. Sam Langford, afkomstig uit Boston kwam naar Europa  waar zijn roem vooruit was gesneld. Met een paginagrote foto van Langford, opende de redactie nummer 49 van  La Vie au Grand Air. Met het curieuze onderschrift dat, ‘De neger Sam Langford vecht op 21 februari tegen de Australische kampioen Billy Lang’.  Hoezo discriminatie?
Het gevecht Langford versus Billy Lang, gehouden in Londen, waarvan de winnaar het mocht opnemen tegen de eveneens donkere Sam Mc Vea, afkomstig uit Texas. Dat laatste gevecht geaccrediteerd in Parijs waarvoor La Vie, in zijn kolommen het bed van de publiciteit flink voor opschudde.
Sam Langford, die Billy Lang een pak op z’n lazerij gaf, mocht begin maart 1911 het opnemen tegen Sam Mc Vea. In het Parijse Cirque de Paris, tot de nok gevuld met in jacquet gehulde ‘boven ons gestelde’, ook de boksverslaggever van La Vie die later in z’n blad flink uitpakte over dat gevecht. De rest is allemaal geschiedenis.
Ook Sam Langford wachtte het lot dat zoveel zwarte bokser ten deel viel. Half blind geslagen en uitgezogen door gehaaide witte managers, vocht de man tot aan zijn drieënveertigste jaar. Hoe Sam Langford het voor elkaar kreeg is een raadsel. Hoogstwaarschijnlijk op zijn ring-instinkt van tientallen jaren, want tijdens z’n laatste partij tegen was Lanfords gezichtsvermogen vrijwel nihil. Niet veel later was de Boston Bonecrusher, zoals zijn bijnaam was, volkomen blind. In 1956 overleed Sam Langford, 72 jaar.

Bron: La Vie au Grand Air, jaargang 1911, Boxrec.

Wie geeft het verlossende antwoord

Voor het gezin blijft het één grote ramp. Een schrijnende, open wond, die pas dicht gaat als er duidelijkheid is. De spoorloze verdwijning van Kenneth Hart heeft bij zijn familie diepe sporen nagelaten. Dagelijks vragen zijn moeder en drie zusjes zich af   wat er moet hun zoon en broer is gebeurd. Kenneth Hart, ooit een talentvolle jonge bokser verdween bijna dertig jaar geleden spoorloos.

Een maand voor de  verdwijning van Kenneth zag Jennifer Hart haar broertje voor het laatst. Jennifer herinnert zich die ontmoeting nog goed. Ook de herinneringen aan zijn bokscarrière zijn niet meer uit haar geheugen te verdrijven.  Jennifer vertelt hoe het hele gezin mee ging als Kenneth een wedstrijd had. Voor Jennifer, Daniella, en Audrey, de zusjes van Kenneth, waren die gevechten nogal saai. De wedstrijden van Kenneth waren dan ook, binnen één ronde afgelopen, verteld ze lachend. Kenneth’s tegenstander lag dan op het canvas zich vertwijfeld af te vragen of hij wel de juiste sport had gekozen.
Voor Kenneth was het boksen zijn leven. Daar deed hij alles voor. Met succes. Als jonge, zeer talentvolle pugilist vertrok hij voor maanden naar Los Angeles, voor een trainingskamp bij een zeer gerespecteerde gym.  Trainen werd afgewisseld met wedstrijden. Tijdens de Golden Gloves van Zuid-Californië maakte Kenneth diepe indruk door deze te winnen. En als de poorten van het  boksparadijs  zich openen,  slaat het noodlot toe. Een oogblessure! Met grote kans op blindheid ten gevolge.  Wat het begin werd van alle ellende. 
Kenneth Hart moet noodgedwongen stoppen met zijn passie. Zijn wereld stortte in. Depressies volgde.  Waarschijnlijk door dat laatste  kon het hem allemaal niet zo  veel meer schelen.  Kenneth, de ooit zo gedreven sportman  dreef naar de zelfkant van het leven, en begon niet veel later als uitsmijter op het Rembrandtsplein.
Volgens Jennifer begon dáár de ellende. Want van het één komt het ander. Het hoe en wat? Dat weet ze niet. Wél dat haar broertje op een dag spoorloos was verdwenen. Dat hij de verkeerde mensen was tegengekomen is nu wel zéker. Zijn verdwijning was voor de familie het begin van een tientallen jaren durende levende hel. Niemand kon uitsluitsel geven wat er gebeurd was.
Kenneth’s oma Paulina, waar de kinderen Hart zijn groot geworden, zijn moeder én  zusjes lieten het er niet bij zitten. Het gezin begon een jarenlange speurtocht naar Kenneth. Overal werd gezocht en vragen  gesteld, vragen wat er met Kenneth is gebeurd. Jennifer omschrijft het verdriet van haar oma  en moeder als immens. Moeder Hart bleef voor haar jongen knokken en schreef tientallen brieven naar de Telegraaf en andere media om de zaak onder hun aandacht te houden.
Op de vraag wat de Amsterdamse politie deed, is Jennifer nogal verbitterd, namelijk helemaal niets! De politie heeft nooit contact met de familie opgenomen. Inmiddels ligt de ‘de zaak Kenneth Hart’ op een plank in het hoofdbureau te verstoffen.
De kelk met ellende was voor het gezin Hart nog lang niet leeg. Er volgde nóg een diepe tragedie. Jaren na Kenneth’s mysterieuze verdwijning wordt zijn broertje Franklyn op straat neergeschoten. Franklyn, ernstig gewond afgevoerd naar het ziekenhuis waar hij niet veel later overleed. Hoe erg ook, dat heeft dat bij de familie Hart inmiddels zijn plaatsje gekregen.
Anders is het met Kenneth waar de familie nog steeds met vragen worstelt. Vragen en onzekerheid die opgelost kan worden als iemand zich meldt met het verlossende antwoord.

Lang gesneden tabak

Steek een sigaar op! Of prop je pijp vol met tabak, maar dan wél van het merk  P. Lorillard Mechanics Delight. Die voor de echte liefhebber ook nog de pruimtabak in de aanbieding had.  Of het rookgerei van tabaksfirma Lorillard, afkomstig uit Louisville, Kentucky,  super was? Niet meer ná te gaan. Maar wél dat  deze tabaksfirma een geniale reclameman in dienst had. Dat laatste was zeker.
Behalve de ‘lang gesneden tabak’, waar de firma, eind negentiende eeuw reclame mee maakte, bevond zich  in het tabakszakje ook een boksplaatje mét bijbehorende uitleg. Een feestje voor de toenmalige verzamelaar. De bijgevoegde foto’s, in een serie van vijftig,  waren van toenmalige champs van de ring. Ongure kerels, die je liever niet in een donkere steeg tegen het lijf liep.
Bokser Jimmy Elliot kreeg ook z’n plaatje. Jimmy Elliot,  zwaargewichtkampioen van de wereld van 1865 tot 1868, bokser in het wildwesttijdperk  van de sport. Waar niet alleen boksers, maar ook het publiek niet zeker waren of ze nou wél of niet  levend de bokszaal uitkwamen. Jimmy, sterk en agressief, man met een groot incasseringsvermogen, en niet vies van oneerlijke tactieken. Waar ene Jim Dunn over mee kon praten.
Het gevecht Dunn-Elliot, gehouden op 13 mei 1863. Waarbij Jimmy’s z’n hele trukendoos wagenwijd open gooide.  Het woord ‘ruig’ moet een eufemisme zijn geweest. Wat Jimmy in de ring uitspookte, moet de toenmalige  grenzen vér voorbij gegaan zijn. En dat pikte Dunn’s supporters nou nét niet.  Die stormde dan ook massaal de ring in en eiste van de scheidsrechter dat Elliot gediskwalificeerd werd. Of dat gebeurde…?
Wél dat Jimmy, door de aanwezige agenten geboeid werd weggevoerd. Direct na dat heugelijke gevecht werd Jimmy Elliot  opgesloten in de Trenton State Prison van New York, waar hij twee jaar later definitief z’n celdeur hoorde dichtslaan.
Drie jaar later werd Elliot weer gearresteerd, nu wegens gewapende overval  en poging tot doodslag. Negen jaar mocht de Ierse vuistvechter nadenken over het ‘hoe en waarom’. Jongens als een Jimmy Elliot zijn niet te redden. Niet door een kolonne Heilsoldaten, laat staan een horde softe welzijnswerkers.
Het was zijn bestemming dat Jimmy op 1 maart 1883,in een saloon in Chicago door een gokker werd doodgeschoten. Jimmy Elliot, 45 jaar geworden, wachtend op de jongste dag  op het Calvary Cemetery, New York,  is inmiddels totáál vergeten.
Behalve door de verzamelaars, waar Jimmy’s konterfeitsel wordt gekoesterd. Jimmy is dan ook een collectorsitem.

Bron onder meer Cyber Boxing Zone.

Met dank aan de onuitputtelijke en wonderbaarlijke database van John Brouwer de Koning, die mij regelmatig  tips geeft over bijzondere boksdata.

Eén groot raadsel

Het grootste talent van West-Europa werd hij genoemd. Bokser Kenneth Hart, nog geen twintig jaar jong, én een verwoestende knock out in zijn vuisten. Dat laatste ook een nadeel. Tegenstanders waren daardoor amper te vinden. Wie wil nou in de ring staan tegen zo’n iemand? Kenneth Hart, als jongen vanuit Suriname naar Amsterdam gekomen. Niet veel later meldde hij zich bij boksschool Albert Cuijp, gerund door de legendarische Ruud van der Linde.
De  boksscene, maar ook het maatschappelijke, was voor Hart een doodlopende weg. Voor Ruud van der Linde hét moment om in te grijpen. Via diens grote netwerk werd geregeld  dat Hart, zeventien jaar,  naar Los Angeles kon vertrekken, waar de jonge Amsterdamse bokser een half jaar trainde bij de gym van Henry Daves.
De glitterwereld van Los Angeles, met Hollywood en z’n talloze boksgyms, voor sommigen hét Nirvana. Niet voor Hart. De ongelofelijke armoede die hij van alle kanten waarnam maakte diepe indruk op de Amsterdammer. Waarschijnlijk was dat dé motivatie om nog harder te trainen. Met succes. Hart won de Golden Gloves voor Zuid-Californië waar hij in de finale de Mexicaan Samuel Hunter knock out sloeg. Ook tijdens de nationale Golden Globes kwam Hart heel ver.
Van de vierhonderd boksers drong hij door tot de laatste acht. In de achtste finale stond Hart tegenover Milton Bowin, op dat moment de nummer twee van Amerika, waar hij met 3-2 nipt van verloor. Talent dat zomaar komt  aanwaaien, kan ook een grote valkuil zijn. De tragiek van dat soort jongens is, dat ze daar niet mee om kunnen gaan. Zo’n jongen komt pas op latere leeftijd er achter dat ze dat talent vergooid hadden.
Na zijn laatste partij, gebokst in het Amsterdamse Concertgebouw waar Hart won van een  Hongaar  op dat moment nummer twee van de wereld, stopte hij. Kenneth Hart, volgens sommigen een gesloten jongen, deed voor de laatste keer zijn bokshandschoenen uit, en stapte vervolgens op het glibberige pad dat eindelijk  leidde naar de Amsterdamse onderwereld. Waar het niet veel later helemaal mis gaat.
Het hoe en waarom…? Nóóit duidelijk geworden. Eén groot raadsel. Wél dat Kenneth Hart, vierentwintig jaar, na een knokpartij in een kroeg, in 1990 spoorloos verdwenen is. Waarmee het grote mysterie, ‘Kenneth Hart’,  een aanvang nam. Dat hij met ‘verkeerde’ mensen omging was duidelijk.  De geruchtenmachine over Harts verdwijning, draaide op volle toeren. Een van de rondzingende theorieën was, dat hij naar Spanje werd gelokt en daar geliquideerd.
Een andere, nóg wildere  versie is, dat Kenneth Hart, in Amsterdam geliquideerd, begraven werd onder de toen gebouwd wordende  Rembrandttoren. Hoe het ook zij, het drama én raadsel ‘Kenneth Hart’ blijft nog steeds bestaan.

Foto: Prins Bernard stelt zich voor aan Kenneth Hart, in het midden Pedro van Raamsdonk.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: