Dodenmars

Tunis 1934, Young Perez rechts, tegen Panama Al Brown.

De dagen dat Frankie Genare zijn zegeningen telde als wereldkampioen bij de vlieggewichten, waren op de vingers van één hand te tellen. Want niet veel later, stond in het Parijse Palais des Sports z’n uitdager Victor Young Perez op scherp. Young Perez een joodse bokser afkomstig uit Tunis, sloopte met jeugdige overmoed, de eenendertigjarige Amerikaanse titelhouder, die in de tweede ronde knock out ging.

Waarmee Perez, amper twintig jaar, de jongste wereldkampioen uit de boksgeschiedenis werd. Maar dan is het drie jaar én zesenveertig gevechten verder. Niets is zo betrekkelijk als een bokstitel. Ook voor Young Perez die inmiddels van zijn bokstroon was gevallen. De koning is dood, leve de nieuwe heerser. En dat werd Al Brown, een vechter uit Panama, die voor een flinke zak geld bereid was  zijn titel op het spel te zetten. Uitdager Victor Young Perez, rook zijn kans, want had vóór de titelstrijd al een voordeel. De partij vond namelijk plaats in Parc du Belvedere gelegen in het centrum van Tunis, waar Perez’ massaal opgekomen supporters getuigen waren hoe Al Brown de sportieve regels aan z’n boksbroek lapte.

Palais des Sports 1931, met Young Perez als de verse wereldkampioen vlieggewicht.

Met vuile trucjes, werd de lokale favoriet in de tiende ronde knock out geslagen. Verrassend was dat niet. Panama Al had als bokser een bedenkelijke reputatie. Zeven maanden eerder, tijdens een gevecht tegen ene Gustave Humery, werd Brown drie keer door de scheidsrechter gewaarschuwd, voor ongeoorloofde tactieken. De vierde keer dat Al over de schreef ging, liep het uit de klauw. Een woeste en woedende menigte bestormde de ring, en sloegen vervolgens Al Brown bewusteloos,  waarbij de Panamees god mocht danken, dat de politie ingreep. Dat het dol geworden publiek ook de hele locatie verwoeste was ter kennisgeving.  

Voor Victor Young Perez ging het boksleven door. Een dag na de beruchte Kristalnacht stond Perez op het programma voor een partij in de Deutschlandhalle in Berlijn… Wat het voorspel werd, op wat hem enkele jaren later te wachten stond. Young Perez, inmiddels wonend in Frankrijk, werd in 1943 door de Gestapo opgepakt en naar Auschwitz afgevoerd. Waar de voormalige wereldkampioen vlieggewicht, gedwongen als vermaak voor de SS, aan bokswedstrijden mee deed. In anderhalf jaar tijd stond de vroegere champ honderdveertig keer in de ring waarbij hij slechts één partij verloor.

Vlak voordat Russische troepen het vernietigingskamp bevrijdden werd Victor, met de berucht geworden ‘dodenmars’ afgevoerd. Onderweg werd hij dood geschoten. Victor Young Perez werd vierendertig jaar.

Bron: Miroir des Sports jaargang 1934, Les Sports Illustres jaargang 1931, Boxrec.

‘Door hebben’

Wat het verschil is tussen Jack Johnson en Johan Cruijff? Dat is een standbeeld! Wie Cruijff is, dat weten we onderhand wel. Jack Johnson, minder bekend, was een zwarte bokser rond 1900. De man knokte niet alleen in de ring, maar ook tegen het alledaagse racisme. Dat Jack als Afro-Amerikaan in 1908 om de wereldtitel mocht vechten, was een heuse primeur. Tegenstander  wereldkampioen Stanley Ketchel, een gewezen cowboy uit Montana. De partij Jack Johnson, versus wereldkampioen Stanley Ketchel, werd een beroemd  gevecht. Het massaal opgekomen blanke publiek, als één man achter hun jongen, zag tot grote afgrijzen hoe Johnson in de twaalfde ronde, Stanley Ketchel met een mokerslag knock-out sloeg. 

Ketschel, minuten lang in een andere wereld, werd wakker met drie tanden minder. Stanley’s ivoortjes, kon Johnson later uit zijn handschoenen pulken. Met z’n zege werd Jack Johnson, geboren en getogen in Galveston Texas, de eerste zwarte wereldkampioen bij het zwaargewicht: wat een kras gaf op de ziel van blank Amerika. Jack Johnson, vier jaar in bezit van deze titel, werd in 1913 door een volledig witte jury veroordeelt tot een jaar gevangenis. Wat tevens het einde van zijn bokscarrière was. Zijn misdaad? Hij was getrouwd met een blanke vrouw.

Jack Johnson, inmiddels postuum gerehabiliteerd door voormalige president Trump, is in de zwarte gemeenschap van Galveston nog steeds een held. Als blijk van erkenning werd een aantal jaar geleden in zijn geboortebuurtje, een groot standbeeld van Jack onthuld. Deze werd, vier jaar geleden door Stuyfssportverhalen bezocht, wat gepaard ging met een zoektocht door Galveston. Uiteindelijk werd de weg gevraagd aan een stel zwarte gemeentewerkers gehuld in fluorescerende jasjes. ‘Jack’? klonk het achterdochtig, ‘Jack Johnson, the boxer?’ Gereedschappen werden ter plekke neergelegd. Een grijns verscheen. ‘Sure’, klonk het collectief. Om er op te volgen dat Jack nog steeds hun grote held is. ‘Ik breng je wel, volg me maar’, riep een fluorescerend jasje.

Rijdend achter een pickuptruck van de gemeente Galveston, werd Stuyfssportverhalen afgeleverd in een zwart buurtje vol monumentale, goed onderhouden houten huizen. En daar, op de hoek van de 26e Street en Avenue M, bevindt zich een parkje ter grote van een postzegel. Onder palmbomen, met het geluid van ritselende eekhoorns en kwetterende gaaien, gloort Jack, gevangen in brons, staand in zijn karakteristieke bokshouding.

Ook Cruijffs geboortebuurtje Betondorp, besloot om één van z’n grootste helden te gedenken. En daar stopt meteen de vergelijking met Jack Johnson. Want staat Jack voor eeuwig in brons op de hoek van zijn geboortestraatje, daar moet Johan het doen met een ondefinieerbaar stapel stenen,  waarbij direct Johans uitspraak, ‘Je gaat het pas zien als je het door hebt’, een diepere betekenis krijgt.

Postbode

Honderdzesentwintig seconden. Meer had Marcel Cerdan niet nodig om Leon Fouquet neer te halen. Die arme Leon, afkomstig uit het Vlaamse Ronse, het dorp dat synoniem is met de Vlaamse wielerkoers. Leon koos niet voor de koersfiets, maar werd bokser. Niet eens zo onverdienstelijk. Leon Fouquet Belgisch kampioen, en beschikkend over moordende linkse, waar Luc van Dam pijnlijk achter kwam. Eind december 1945, in een uitverkocht Concertgebouw werd Van Dam, door Fouquet in de vijfde ronde knock out geslagen.

Maar dan is het februari 1947, als Leon in het Parc des Exposions in Parijs, mocht opdraven voor een gevecht tegen Europees kampioen Marcel Cerdan. Eerst even vertellen dat voor een Vlaamse sportman mét succes, er meteen een supportersclub klaar staat, die hun held in alles ondersteunen. Ook met geld.  Dat laatste kan zo’n sporter mentaal opbreken. Er wordt namelijk wel iets van je verwacht. Of Leon over een ijzeren mentaliteit beschikte, is onduidelijk. Wat wél zeker is, dat Leon niet in zijn eentje richting Parijs vertrok. Honderden supporters gingen mee om Ronse’s eigenste vechter, verbaal te ondersteunen. Als lokale sportheld moet je dan sterk in je boksschoenen staan. Hoe stevig dat voor Leon was..?

Nadat de eerste gong had geklonken, en het publiek amper had plaats genomen, was het gevecht al over. Honderdzesentwintig secondes had Cerdan nodig, om alle aspiraties uit Fouquet te rammen.  Al in de eerste minuut kreeg Leon een linkse te verwerken, die hem in de touwen deed belandde. Om vervolgens met twee ‘hoeken’ het karwei af te maken.

Ongetwijfeld had Leon de dagen na z’n Parijse echec, zijn supporters wat uit te leggen, want je bent als bokser net zo goed, als je laatste gevecht. Alsof Fouquet geen krediet had. De man zat tijdens de Tweede Wereldoorlog niet alleen in het lokale verzet, maar vocht als eenentachtig partijen waarvan hij er vijftig won. Leon Fouquet moet een bescheiden mens zijn geweest, die met weinig tevreden was. Na zijn bokscarrière werd Leon in zijn geliefde Ronse postbode.

En dan is er ook nog Marcel Cerdan. Twee jaar later op weg naar New York voor een gevecht tegen Jake LaMotta met inzet de wereldtitel, stortte zijn vliegtuig in de Atlantische Oceaan.

Bron: Miroir Sprint, Denbelleman (Onafhankelijk, kritisch Opinieplatform Ronse)

Maffia

Veertien februari Valentijnsdag, dag  waar de  echte liefhebber van het macabere, begrijpend staan te knikken. Speciaal de maffia uit Chicago. In opdracht van Al Capone werd op Valentijnsdag 1929,  tijdens één actie zeven man tegelijk geliquideerd. Kom daar anno nu eens om. Valentijnsdag, óók de dag dat de goddelijke, kale klimgeit, Marco Pantani aan zijn laatste klim begon: richting hemel. Valentijnsdag, dag vol onheil, ook voor Jake La Motta, die op de dag van de liefde, op het randje van het sterfelijke balanceerde. De scherprechter van dienst? Sugar Ray Robinson!

Veertien februari 1951, het gevecht om de wereldtitel halfzwaargewicht, gehouden in het Chicago Stadium, gevuld met dertienduizend bezoekers. Uitdager Sugar Ray, versus Jake La Motta. De laatste,  vier jaar in bezit van de wereldtitel, en werd twee keer uitgedaagd, door respectievelijk Tiberio Mitri en Laurent Dauthille. Beiden werden met koppijn wakker.

Robinson, die de eerste negen ronden afwachtend bokste, kwam in de tiende op stoom. Jake La Motta, kreeg een lawine aan dodelijke slagen te verwerken. Ieder normaal mens had gaan liggen. Niet La Motta, die bleef overeind. Een bloedbad nam een aanvang. Goddank voor Jake én zijn familie, greep in de dertiende ronde, de scheids in. Een ingreep waarmee hij La Motta’s leven mee redde.

La Motta, een bokser die aan álle vooroordelen, én clichés  voldeed. De man van Italiaanse komaf, kwam niet alleen uit de New Yorkse Bronx, maar had ook connecties met de maffia. Ergens in 1947 was het de onbekende Billy Fox, die La Motta in de vierde ronde neerhaalde. De New Yorkse bokscommissie, ook niet gek, vermoedde fraude en hield niet alleen het prijzengeld van La Motta in, maar schorste hem ook.  Later gaf La Motta toe, dat hij op verzoek van de gokmaffia met opzet had verloren. Ach wat maakt dat ook uit. Met een beetje fantasie behoort dat tot de romantiek van het boksen, waar de dingen nooit zijn, zoals ze zijn.  

Jake La Motta, kerel met een granieten kop en een betonnen gestel, stierf op vijfennegentig jarige leeftijd. En nee, Jake sloot niet zijn ogen op Valentijnsdag. Wat voor dit stukje wel zó jammer is.

Bron: Miroir Sprint jaargang 1951, Boxrec.

Oren

Uiteindelijk was het een gevecht teveel. Een partij waar hij in z’n verdere leven met chagrijn op terug keek. Waarom hij met z’n eenendertig jaar zo nodig weer die ring in moest, met het risico, de neuroloog een hand te geven? Had ongetwijfeld met eer en geld te maken: vooral dat láátste. Twaalf lange, slopende jaren waren het, wat staat voor honderdnegen gewonnen partijen, en zestien verloren. Wat dat aan opofferingen, pijn, zweet en bloed vergde, daar moeten wij maar niet aan denken. Een erelijst, waarvoor een gemiddelde profbokser  bereid is, om daar een vinger voor te laten amputeren. Prachtige cijfers om met bokspensioen te gaan. Maar dan staat er weer zo’n louche manager te zwaaien, met een vet contract. Dit keer voor een partij ergens in Montreal, Canada.

‘Jongen, je kan het nog. Die rechtse van jou daar zit nog steeds geen roest op!’ Met dit soort flikflooierijen werd,  Steve Belloise ongetwijfeld de gym ingeluld. Had hij dat maar niet gedaan. Want tegenstander, ene Laurent Dauthuille, een jonge Franse vechtjas stond te trappelen, om die ouwe Steve z’n oren van zijn kop te slaan. Wat ook gebeurde. De eerste ronde was nog geen dertig seconden jong of Steve, afkomstig uit de New Yorkse Bronx, werd met een verwoestende hoek neer gehaald. Dat hij opstond onderstreept ‘s man ijzeren conditie, weliswaar met koppijn, maar tóch.

.

Ach jongen, had toch blijven liggen, dat had je een hoop sores gescheeld. Steve, z’n konterfeitsel afgebeeld op Amerikaanse kauwgomplaatjes, ging door. En kreeg vervolgens een afstraffing, die zeven rondes duurde. Met zijn overwinning dacht  Dauthuille, – een Parijzenaar met de bijnaam de Tarzan van Buzenval, – dat hij een aanstormende locomotief kon tegen houden. Misschien was dat ook zo, maar niet Jake LaMotta. Niet veel later stond de Tarzan van Buzenval, tegen over Jake. Inzet, de wereldtitel bij het middengewicht, gehouden in het Olympia Stadium in Detroit, en live uitgezonden op de Franse staatsradio.

Veertien ronden lang hing LaMotta  in de touwen. De man had geen schijn van kans. Tót de laatste dertien seconden, van de láátste ronde. Waarin de overmoedige Laurent zijn verdediging voor héél even liet zakken. Meer had de sluwe LaMotta niet nodig. In Frankrijk stopte de klokken. In de wijngaarden, vielen spontaan de druiven van de stokken. Met een linkse hoek werd Frankrijks hoop in bange boksdagen, tegen het canvas geslagen. Twee jaar later bokste een mentaal gebroken Dauthuille, zijn laatste partij. Zoals het hoort bij dit soort verhalen, stierf Laurent Dauthuille, geheel berooid op zevenenveertig jarige leeftijd.

En Steve Belloise? De man ging hemelen op zesenzestig jarige leeftijd. Waarbij gezegd, dat hij zijn kist in ging, compleet met beide oren. Dat dan weer wel…

Bron: Miroir des Sprints jaargang 1950, Boxrec.

Kruishoogte

Dát waren pas tijden! Een dwerg als mascotte bij een bokswedstrijd: kom daar nu  eens om.  En het wordt nóg gekker. Had je na een slopend gevecht de Europerse titel gewonnen, wordt je door één of andere smeris, aan je arm weg gevoerd.  Alsof je zojuist een oud vrouwtje had neergerost. Wat die politieman daar nou eigenlijk deed? God zal het weten.

Enfin de jaren vijftig,  Fijne tijden voor een Europees titelgevecht. Het volk, nog naar adem happend van de oorlog, kon je met alles tevreden houden. Ook in het Parijse  Palais des Sports, in januari 1957 waar Cherif Hamia om de vacante Europese titel in het vedergewicht vocht. Tegenstander, de Vlaamse vechtjas Jean Sneyers, die de eer van Vlaanderen hoog hield. Het publiek kreeg waar voor hun zuur verdiende franken. Vijftien ronden lang duurde het gevecht, waarbij de inmiddels door Sneyers zwaar  gehavende Hamia, nipt op punten won.

Na de gebruikelijke hysterische toestanden in de ring, staat er iets opmerkelijks te gebeuren. Hamia wordt het sportpaleis uitgeleid door ondermeer een gendarme, –  uiterlijk: een look a like van inspector Clouseau. Het oogt als het circus van Jeroen Bosch. Vóór de verse Europese kampioen uitlopend, trippelt die dwerg, ene Jimmie Karaoubi. En die laatste moeten we vooral niet onderschatten. Een paar jaar later stond Jimmie op een filmset als acteur, in de film Pierrot le Fou. Tegenspeelster Anna Karina. Jimmie, op kruishoogte van die bloedmooie Anna Karina, ónvergetelijke beelden. Waarbij we vooral niet moeten denken aan de kreet, ‘kleine mannen, hebben grote jannen’.

We dwalen af. Want amper zes maanden later stond Cherif Hamia, in dat zelfde Palais des Sports, in de ring voor een gevecht om de wereldtitel bij de vedergewichten. Tegenstander de Nigeriaan Hogan Bassey, die in de tweede ronde neerging. Bassey, taai als een hondenvel, bleef de rest van de partij staan. Sterker, in de tiende ronde sloeg hij Hamias knock out. En dat allemaal in 1957, het jaar van Hamia, Jimmie Karaoubi, en Hogan Bassey, namen weg gezakt in de loopgraven van de bokssport.

Bron: Sport et Vie jaargang 1957.

Dnjepr

Werner Spannagel, na zijn winst op de Argentijn Tvillo, tijdens de Spelen van 1932.

Sportroem, is net zo vluchtig als de geur van goedkope parfum. Gok daarom nóóit, op de gedoodverfde favoriet. Breng dan liever je geld naar de kroeg. Of besteedt het aan een leuke meid. Dan heb je ten miste iéts. De gokkers die hun geld tijdens de Olympische Spelen van 1932, op Werner Spannagel hadden gezet, vloekte de pannen van het dak: daarover straks meer.

Werner Spannagel, een onbekende Duitse bokser. Versloeg een maand vóór de Spelen in Chicago,  de onverslaanbare geachte Johnny Baltser, die een jaar later de prestigieuze Golden Gloves won. De  lokale gokmaffia moet met Werner niet  blij zijn geweest. Werner Spannagel, vlieggewichtkampioen van Duitsland, werd meteen dé favoriet voor het goud van de Spelen, gehouden in Los Angeles. Een scenario dat niet uit kwam.

Het Duitse vlieggewichtje werd in het Olympisch toernooi  tijdens de kwartfinales, verrassend er uit geslagen door de latere bronzenmedaillewinnaar Lou Salica. Dat de laatste in 1940 wereldkampioen werd in het bantamgewicht, is ter kennisgeving.

Werner Spannagel, – waarvan na zijn Olympisch debacle weinig over terug te vinden valt – beantwoordde totaal niet aan hét geschetste beeld van de superieure, boomlange Germaanse strijder, ontsproten uit de rassenwaanzinnige koker, van zijn Führer. Ondanks Spannagels kleine gestalte, werd hij tóch goed genoeg bevonden voor de Wehrmacht.

In het najaar van 1943, tijdens de Slag om de Dnjepr, sneuvelde de voormalige vlieggewicht. Werner Spannagel tweeëndertig jaar, werd begraven in een ‘kameradengraf’. Dan is er ook nog zijn vroegere tegenstander Lou Salica. Die had meer geluk. Lou sloot op negentigjarige leeftijd, definitief zijn ogen.

Bron onder meer: Olympia 1932, uitgegeven door de ‘cigarettenfabrik Reemtsma’ in 1932. Het gemeentearchief van Barmen-Wupperthal, en de Duitse Oorlogsgravenstichting.

Billy

Billy Papke
Stanley Ketschel

Billy vermoorde zijn vrouw. En stapte vervolgens zelf uit dit leven. Bij Billy waren de stoppen doorgeslagen. Het waarom? Edna zijn vrouw,  had een eind aan de relatie met haar Billy gemaakt. En dat was voor Billy nou nét het druppeltje die zijn geestelijke emmer deed overlopen. Billy Papke, bokser in ruste,  greep in september 1908 de wereldtitel in het halfzwaargewicht. Om deze twee maanden later weer af te staan.

Eerst even vertellen over Billy’s slagkracht, want in 1907  versloeg Billy ene Tony Caponi. Een gevecht gehouden in de Peoria Club in Illionois. Tony Caponi, – een perfecte naam voor een pizzabakker, – ging in de eerste ronde met een gebroken kaak naar het canvas. Om niet meer op te staan. Toni Carponi was klein bier, vergeleken bij Stanley Ketschel. De laatste een gewezen cowboy afkomstig uit Montana die als beginnend bokser had warmgelopen in de saloons, waar hij als betaalde vuistvechter actief was. Tussen de hoeren, pokerspelende kerels en klapperende saloondeurtjes, haalde Ketschel tweehonderdvijftig tegenstanders neer.

Enkele jaren later werd Ketschel wereldkampioen in het middengewicht. En door Billy Papke  in september 1908 uitgedaagd. En laat Billy tijdens deze gevechten, nou zijn kras in de boksgeschiedenis kerven. Dat begon al bij het eerste gevecht. Billy, niet van de pot gerukt gooide meteen een truc in de strijd. Bij het handenschudden haalde Billy uit. Met een ‘hoek’ wel te verstaan. Waarmee meteen de aardappelen op het gas ging. De gewezen cowboy, had waarschijnlijk het idee dat hij tegen een ongetemde bronco stond. Ketchel ging tijdens de eerste ronde drie keer neer. Om tijdens de twaalfde ronde definitief door z’n hoeven te zakken.

Billy  Papke wereldkampioen, waar hij niet lang van kon genieten. Twee maanden later volgde de revanche. Waarin Ketschel les ging lezen. Billy kreeg ongelofelijk op z’n lazer. Na dat gevecht herkende Billy’s eigen vrouw hem niet meer. Billy Papke en Stanley Ketschel jongens van de gestampte bokssport, beiden op een dramatische manier uit dit ondermaanse vertrokken.

Ketschels’s hemelgang gebeurde geheel in stijl. De cowboy, in oktober 1910, zittend in een saloon werd bij een ruzie in z’n rug geschoten. Magere Hein naast je sterfbed, dan laten mensen zich van hun kwetsbare kant zien. En valt toch geen status meer op te houden.  

Stanley Ketchel, de man met de harde kop,  en koude ogen was weer dat jochie uit Montana.  ‘Ik ben zo moe, ik wil naar huis. Breng mij asjeblieft naar mijn moeder’,  waren zijn laatste woorden.

Moeder Ketchel zal haar jongen nooit meer zien. Op vierentwintigjarige leeftijd stierf  Ketchel. En Billy? Die stapte éven na zijn vrouw, ergens in 1936 uit dit aardse tranendal.

Bron: La Vie au Grand Air, jaargang 1908.

Medelijden

Een bokser vol medelijden met z’n tegenstander. Dan is er sprake van misplaatste arrogantie. Zo’n bokser verdient natuurlijk een behoorlijk pak ros. Wat helaas niet gebeurde. Waarschijnlijker miste Jan de Bruin, daarvoor de klasse. Of het geluk. Jan was evengoed ook geen weggooier. Dat De Bruin ergens in oktober 1951, was geëngageerd om tegen Sugar Ray Robinson te vechten gaf  hem status.

Robinson, op dát moment  vijf jaar wereldkampioen, op tournee door Europa. Waarbij Antwerpen niet werd overgeslagen. In het uitverkochte Sportpaleis, stond Jan de Bruin, weltergewicht, afkomstig uit het Rotterdamse Crooswijk tegen de toen al, ‘levende legende’, Sugar Ray Robinson.  

Verslaggever én fotograaf van Bud Club, hét toonaangevende sportblad van België waren ook aanwezig. Volgens de schrijver, ‘dreef Sugar de eerste zeven ronden geen enkele aanval door die tot een knock had kunnen leiden’, pende hij neer op pagina 13 van z’n blad. Volgens de Vlaamse scribent had Sugar medelijden met de Rotterdammer. Of was de échte reden dat de Amerikaanse champ,  het publiek wáár voor z’n dure franken gaf…? Want om Jan in de eerste ronden er uit te slaan, is ook weer zó klantonvriendelijk. Ach we zullen dat nooit meer te weten komen.

Feit is wél, dat de fotograaf van dienst een vakman was. De man, grootmeester in het spelen met licht en donker, leverde een paar prachtige foto’s af, met Jan in een twijfelachtige hoofdrol.  Jan de Bruin, man met een vechtershart, trok in de achtste ronde ten aanval. Wat direct z’n ondergang inluidde.  Door een geweldige uppercut, uitgedeeld door Sugar, gaf Jan zich gewonnen.  

Jan de Bruin met op z’n conduitestaat vierenvijftig gewonnen partijen, én zestien verloren gevechten, overleed twee weken voor zijn zesennegentigste verjaardag.

Bron: Boxrec, Bud Club jaargang1951 en Dagblad 010.

‘Vuile, Ierse rat’

Die boksende rakkers in de oudheid van de sport. Kerels met patent op drama en romantiek.  En vertel nou niet, dat er eind negentiende einde eeuw niets gebeurde. In het calvinistische Holland misschien, maar niet in de halfduistere bokszalen in New York City.  Arena’s,  verlicht  met gaslantaarns, waar het  boksgrauw rijkelijk aan hun adrenalineshot kwamen. Met dank aan die onafgebroken stroom vuistvechters, gerekruteerd in de achterbuurten.

Bekijk de vergeelde foto’s goed, en je ziet vroegoude jongens met harde koppen,  warm gedraaid in de stegen en slumps, en gepolijst in de vele boksschooltjes. Zwetend, stompend en rammend op weg naar glorie en rijkdom: aan de horizon de vage contouren van verval, armoede en ander drama. Met dank aan louche trainers en managers, die hun jongen wel ‘brachten’, en ondertussen de eigen zakken vulden.

Om Terry Mc Govern op de aanplakbiljetten te krijgen was voor zijn manager een eitje.  Terry, negentien jaar  was er opeens. Tijdens zijn eerste partij,  gehouden in het Brooklyn van 1897, ging bij Terry het licht uit. Johnny Snee was de dader. Johnny kon zijn lange leven tegen zijn kinderen en kleinkinderen opscheppen dat hij, Terry Mc Govern knock out had geslagen. Het waren er namelijk niet véél, die dat kunstje flikte. Om precies te zijn drie vuistvechters. Terry  overkwam dat niet meer. Sterker, in zestig partijen werden drieënveertig  tegenstanders op het canvas wakker, met als aardig detail tijdens de eerste drie ronden.

Ook ene George Dixon, wiens botten allang tot stof zijn vergaan, kreeg een pak rammel. George, tien jaar wereldkampioen bij de vedergewichten, verdedigde drieëntwintig keer zijn titel. Tijdens zijn vierentwintigste titelgevecht werd George in de achtste ronde definitief neer gehaald. Tegenstander? Terry Mc Govern. Ach, dat zijn van die stoffige, oeroude verhalen, maar die nog stééds beklijven.   Want ook aan Terry’s schrikbewind kwam een eind. Met dank aan Young Corbett, een man met een zeker psychologisch talent.

‘Kom maar naar buiten, vuile, Ierse rat, dan krijg je hét pak slaag van je leven’, schreeuwde Young Corbett, tijdens het passeren van  Terry’s kleedkamer, enige minuten voor aanvang van het wereldtitelgevecht. Dat een dolgedraaide Mc Govern vervolgens in de elfde  ronde neerging, is aardig voor de geschiedenisboeken.

Terry McGovern, een schim opgegraven in de vergane loopgraven van het boksen, eindigde tragisch, wat het verhaal wél zo mooi maakt. Kort na het beëindigen van z’n bokscarrière in 1908, werd Terry opgenomen in een psychiatrische inrichting, waar hij tien jaar later zijn laatste ademtocht uitstootte. Terry McGovern werd 38 jaar.

Bron: onder meer La Vie au Grand Air, Boxrec.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: