In de koers sluw en doortrapt. Maar in de maatschappij waren profrenners simpele zielen, die je van alles wijs kon maken. De jaren vijftig. Hoogtijdagen voor ploegleiders als een Pellenaars en Lomme Driessens, haaien, vermomd als kerels, die gretig misbruik maakten van hun koersende groenzoeters. En als loodsmannetjes dááromheen, soigneurs van het type Dr. Dopey, en diens wonderbaarlijke elixer (goed voor lijf en potentie), die de renners prepareerden met amfetamines, tot het hun oren uitspoot.
Om na de koers de gedrogeerde stumpers, met de inhoud van een fles melk, weer te ‘ontgiften’: zorgzame jongens die soigneurs. De fifties, het tijdperk waarin wielerverslaggevers helemaal los konden gaan. Vanuit schrijfmachines werden renners tot mythische proporties verheven, of het allemaal de waarheid was, viel toch niet te controleren. Het was de glorietijd van de geïllustreerde sportbladen. Met onder meer voorbeschouwingen van de Ronde van Frankrijk, in duizelingwekkende oplages gedrukt. Pagina’s vol met adembenemend mooie foto’s. En daar tussen door, de advertenties.
Sommigen advertenties met een geheimzinnige, onbegrijpelijke inhoud. Zoals die ene, over twee kolom geplaatst, zonder tekst maar wél met een foto van een rubberen bal, voorzien van een tuitje. Daaronder één regel met de naam van de fabrikantsnaam. Een klein onderzoekje maakte duidelijk dat deze bal gebruikt werd door moeders om, gevuld met leidingwater, pa’s verse zaad er ‘uit’ te blazen. Goddank wist mijnheer pastoor daar niets van.
Ook advertenties van de tabaksindustrie. Kruisvaarders van de antirooklobby krijgen daar nog steeds een spontane rolberoerte van. In 1952 moest dat kunnen, althans volgens de redactie van het Vlaamse sportblad
Sportclub. Sigarettenfabrikant Laurens mocht onbeschaamd zijn product aanprijzen, met de kreet dat zijn filtersigaretten, ‘goed voor hart, keel en tanden’, zijn, om te besluiten dat het wél om de ‘de sigaret van d’n sportman’ ging.
Of Jan Nolten ooit dat blad of advertentie onder ogen had… Jan Nolten, klimmer bij de gratie Gods, had tijdens de Tourvan 1952, de helse bergetappe Sestrieres-Monaco, gewonnen. Waarmee hij onder meer Dotto, Bartali en Coppi achter zich hield. Na zijn glaasje melk, snakte Jan naar zijn paffertje, want altijd trek in een ‘pakje Old Mac’, dé sigaret uit die tijd.
Hoogstwaarschijnlijk was Jan door ploegleider Pellenaars, een geborneerde sigarenroker, in gefluisterd dat roken na de koers geen kwaad kon. Enfin, Noltens carrière was als een opgestoken sigaret, kort, hevig maar wel lekker.
Magere Hein, mét zeis als gangmaker. Met achter zijn motor een jochie op een stayersfietsje, begeleidt door de Doodsengel. Horror op een ansichtkaart. Altijd leuk om zo’n kaartje in je brievenbus te vinden. Op 15 september 1905 verongelukte, tijdens het Europees kampioenschap Willy Schmitter dodelijk. Amper was de kist met zijn lijk in het graf gedaald, of de drukpersen van uitgeverij Martin, in Leipzig, draaide op volle toeren.
Binnen tien jaar werkt Mike Passenier zich op van een onbekende trainer tot de godfather van de Nederlandse en internationale kickbokswereld. Vechters komen uit de hele wereld naar Oostzaan om in zijn sportschool te trainen, want het aantal kampioenen dat hij aflevert is indrukwekkend. De ring is zijn leven, maar soms levert de wereld daarbuiten spanningen op. Naast atleten vragen ook onderwereldfiguren hem om privé-trainingen, waaronder Willem Holleeder en Gwenette Martha. In het jaar dat hij 50 is geworden geeft hij voor het eerst openheid over de hardheid, de opoffering, glorie en het verdriet achter de schermen van de kickbokswereld.
De Europese wielerbanen anno 1901, waar een lullig, ééncilinder gangmaakmotortje zijn opwachting maakte. Een motor die amper de zestig kilometer aan tikte. Of dat evengoed een veilige snelheid was? Nee! Dat de gangmaker, vér achter zijn achterwiel zat, was al bloedlink. Spontane zenuwtrekjes had de renner moeten krijgen bij het feit dat vóór op het stuur, een blok ijzer was geplaatst om de motor in evenwicht te houden.
Een jaar later raasde de Franse stayer Charles Brécy achter Bertin, toen de voorvork diens motor brak. Charles Brécy werd 31 jaar. Met Jean Bertin liep het trouwens ook niet prettig af. In 1912 knutselde de Parijzenaar een vliegtuigje in elkaar. Of Bertin, op het moment van neerstorten dacht aan Dangla en Brécy is niet zéker. Wél dat Bertin 35 jaar werd.
Overwoekerd door struikgewas. Verwaarloosd door de tijd. Tientallen jaren niet bezocht, en door personeel van de begraafplaats totaal vergeten. Tot twee weken geleden. Een wandelaar trok uit pure nieuwsgierigheid de struik weg. Een prachtig grafmonumentje, voorzien van een wielrenner in reliëf uitgehakt, kwam uit het groene onkruid tevoorschijn, met aan de voet een foto van een jongen. De tekst op de steen verraadde dat zich vijfennegentig jaar geleden een dramatisch voorval had afgespeeld. Dat ene Herman Sluijter, zeventien jaar oud, in het graf rustte was zeker. En waarschijnlijk had het reliëf op de grafsteen betrekking op hem. Maar wie was deze Herman Sluijter? En wat voor drama had zich precies afgespeeld? Stuyfssportverhalen ging op onderzoek uit…
Een algemeen graf, een eufemisme voor een begrafenis ‘van de armen’. Een gegeven voor wielvereniging De Romein om een inzamelingsactie onder de wielerverenigingen te starten: doel een eigen graf mét gedenksteen voor hun lid. Twee jaar later, een dag na Herman Sluijter’s geboortedag, is het zover: het grafmonument van Herman, herbegraven, wordt onthuld met onder meer voorzien van de tekst: ’Slachtoffer van den wielersport’. 
Eeuwige rust is een beperkt begrip in Nederland. Zeker op de begraafplaatsen. Zit het zogenaamde grafrecht er op, of wordt door nabestaanden daar niet meer voor betaald, dan wordt zo’n graf geruimd. De botten van de overledenen verdwijnen in de knekelput. Althans daar ging Stuyfssportverhalen altijd van uit. Dat was dus een groot misverstand. Dat is namelijk niet zo. Wat duidelijk gemaakt werd door Mischa Smeding, staflid van de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam.
Gekoesterde herinneringen mogen nooit bezoedeld worden. Denkend aan Gimondi zie ik daarom een atleet, lang, slank, en rank in de heupen. Gebeeldhouwd zittend op z’n Bianchi-koersfiets, met een oogopslag als een vlammenwerper. Handen als klauwen om de remgrepen. Gehuld in dat prachtige roze tricot, die alleen Italiaanse campionissimo’s staan. Onvergetelijke beelden, afgedrukt in de kolommen van de Miroir de Cyclisme. Dat Gimondi de Tour won, meerdere keren de Giro d’Italia en Parijs-Roubaix, is leuk voor de statistici onder ons. Voor de liefhebber was Gimondi méér dan grijze en dorre cijfers, want zinnebeeld van de ‘koers’ uit de jaren zestig en zeventig. Schoonheid op een koersfiets, waarbij je stiekem hoopte dat hij voor eeuwig zal blijven koersen.
Pioniers waren het. Jongens, zonder énig benul van gevaar of veiligheid. Voor dat ze dát besefte, waren al tientallen van hen dodelijk verongelukt. Dat stayers tijdens de Belle Epoque regelmatig langs een vers gedolven graf scheerden, laat bijgevoegde foto van George Leander, onbedoeld zien.
Het heeft de storm van mijn jeugd overleeft, en is al zestig jaar in m’n bezit. Een wonder op zicht. De ESSO-voetbalplaten, uitgegeven in 1958 door de gelijknamige oliemaatschappij. Negenenveertig kleurenfoto’s, afgedrukt op groot formaat, van elftallen uit het toenmalige betaalde voetbal: bij elkaar gehouden in grote enveloppen. Clubs met obscure namen als Rigtersbleek, NOAD, Stormvogels, Volewijckers en meer. Verenigingen, allang opgelost in de geschiedenis. Kleurige platen, negenentwintig centimeter breed, geschoten in knusse stadionnetjes, waarmee duizenden jongenskamers werden behangen.