Langs het graf

Het gevecht duurde tien ronden. Voor Joe Jeannette zat de klus er dan op. In het uitverkochte Cirque de Paris, in het Parijs van dertig oktober 1909, ramde Jeannette tegenstander Al Kubiak definitief tegen het canvas. Kubiak bleef een minuut bewusteloos liggen. Een minuut die voor Jeannette wel een uur duurde. Jeannette, een angstige blik in de ogen vroeg zich af of het ernstig was met Al Kubiak, een blanke zwaargewicht afkomstig uit Chicago. Voor het Franse sportblad La Vie au Grand Air een rede om Joe op de cover te plaatsen.  
Joe Jeannette, een zwaargewicht afkomstig uit Hoboken, een voorstad van New York was in Parijs hard op weg naar een lokale heldenstatus. Zes maanden eerder in dat zelfde Cirque de Paris danste Joe langs de randen van het graf, tijdens een  gevecht dat de  boksgeschiedenis inging  als de langste bokspartij van de twintigste eeuw. Tegenstander Sam Mc Vea.
De laatste  geboren in het Texas van 1884, beheerste aanvankelijk het gevecht. De eerste achttien ronden waren voor hem. Ronden waarin mcVea zijn tegenstander liefst zevenentwintig keer vol wist te raken. Joe Jeannette, zo’n bokser die beschikte over een hard granieten kop. Want hoe hard de klappen van mcVea aankwamen, Joe bleef gewoon staan. Negenenveertig ronden lang, wat staat voor ruim drieënhalf uur. En na die ronde bleek  Sam mcVea uitgeput te zijn en kwam zijn hoek niet meer uit: Jeannette werd tot winnaar uitgeroepen.
Joe Jeannette, die in zijn vijftienjarige carrière nooit voor een wereldtitel heeft gevochten, stopte op veertigjarige leeftijd, en kon terug kijken op een uiterst geslaagde carrière.
De zoon van een New Yorkse smid had honderdzestig  partijen in zijn vuisten zitten. Honderdzes keer werd hij tot winnaar uitgeroepen waarbij hij, 68 keer, het licht bij  zijn tegenstander uit zag gaan. Cijfers die de grenzen van de verbeelding ver voorbij gaan.
In 1998 werd Joe, postuum, opgenomen  in de International Boxing hall of Fame.
De handen van Jeannette bleken niet alleen van staal te zijn maar er zat ook geen gat in. Na zijn boksloopbaan investeerde hij zijn duur verdiende centjes in een sportschool, een garage, en taxibedrijf. 
Joe, in 1958 overleden, is nog steeds niet vergeten: sinds zijn hemelvaart kent Hoboken, inmiddels Union City genaamd, de Jeannette Street vernoemd naar de prijsvechter die  het langste gevecht ooit, op zijn naam schreef…

Bron: La Vie au Grand Air, jaargang 1909, Boxrec.

Blind met pensioen

Zullen we nou maar eens stoppen om Muhammad Ali de  grootste bokser aller tijden te noemen? Want dat is niet zo. Noch is hij the greatest!  Ali was de beste bokser van zijn periode, en niet méér dan dat. Om Ali maar steeds op dat schild te hijsen, doe je een hele rits, voornamelijk zwarte boksers ernstig te kort.
Onder de kreet ‘Ken Uw klassieken’,  Sam Langford uit de loopgraven van de boksgeschiedenis getrokken. Ali mag en kán niet in de schaduw van Langford staan. Al was het alleen maar om Sam’s  ellenlange erelijst.  De man stond meer dan driehonderd keer in de ring. Won honderdachtenzeventig keer, waarbij honderdzestien tegenstanders op het canvas wakker werden, verloor negenentwintig keer en eindigde een gevecht achtendertig keer onbeslist: wat zijn belangrijkste partijen waren. Ter vergelijking: Ali stond eenenzestig keer in de ring!
En dat in een tijd, dat zwarte boksers in Europa als een curiositeit werden beschouwd. Daar kwamen ze in het Parijs van 1911 snel achter. Met name de redactie van het toonaangevende sportblad La Vie au Grand Air, een sportblad voor het roomwitte Frankrijk, uitgegeven tijdens de belle epoque, met  op de cover  alleen maar Franse sporthelden.
Tot aan 1911. Sam Langford, afkomstig uit Boston kwam naar Europa  waar zijn roem vooruit was gesneld. Met een paginagrote foto van Langford, opende de redactie nummer 49 van  La Vie au Grand Air. Met het curieuze onderschrift dat, ‘De neger Sam Langford vecht op 21 februari tegen de Australische kampioen Billy Lang’.  Hoezo discriminatie?
Het gevecht Langford versus Billy Lang, gehouden in Londen, waarvan de winnaar het mocht opnemen tegen de eveneens donkere Sam Mc Vea, afkomstig uit Texas. Dat laatste gevecht geaccrediteerd in Parijs waarvoor La Vie, in zijn kolommen het bed van de publiciteit flink voor opschudde.
Sam Langford, die Billy Lang een pak op z’n lazerij gaf, mocht begin maart 1911 het opnemen tegen Sam Mc Vea. In het Parijse Cirque de Paris, tot de nok gevuld met in jacquet gehulde ‘boven ons gestelde’, ook de boksverslaggever van La Vie die later in z’n blad flink uitpakte over dat gevecht. De rest is allemaal geschiedenis.
Ook Sam Langford wachtte het lot dat zoveel zwarte bokser ten deel viel. Half blind geslagen en uitgezogen door gehaaide witte managers, vocht de man tot aan zijn drieënveertigste jaar. Hoe Sam Langford het voor elkaar kreeg is een raadsel. Hoogstwaarschijnlijk op zijn ring-instinkt van tientallen jaren, want tijdens z’n laatste partij tegen was Lanfords gezichtsvermogen vrijwel nihil. Niet veel later was de Boston Bonecrusher, zoals zijn bijnaam was, volkomen blind. In 1956 overleed Sam Langford, 72 jaar.

Bron: La Vie au Grand Air, jaargang 1911, Boxrec.

Bloeddorstige kraaien

De doodsoorzaak? Het materiaal. Stayersbanden die bij hoge snelheden ontplofte. Voorvorken die spontaan braken. En vooral het  stuur, ook een belangrijke hemelbezorger. En het kon nog enger. De loodzware gangmaakmotor, die met twee man amper in bedwang te houden waren. Ging de snelheid boven de tachtig kilometer dan was het op de wielerbanen code rood. Waren de bochten té steil dan wel te vlak, dan werd het echt link. Dan  kwam het begrip ‘middelpunt vliedende kracht’ in werking. Motoren vlogen zomaar tussen het publiek, zoals op de wielerbaan van de Botanische Garden in het Berlijn van 1909, waar negen Berlijners nooit meer thuis kwamen. Sla de archieven open en de schrik slaat om het hart.
Tientallen ongelukken van stayersmotoren die in het publiek terecht kwamen, worden in éénkolommertjes vermeld. En als zo’n monster  de bocht niet uitvloog, dan raasde die wel als een ongeleid projectiel het middenterrein op. Stayeren tijdens de belle epoque was pure horror. Voor renner en publiek.  Zoals bij de Grote Prijs van Brunswijk op zondag 7 mei 1905. Waar motorsturen tijdens het passeren elkaar even raakte.  
In een kluwen van ontploffende en vallende motoren werd Hubert Sevenich, bezig met zijn zesde stayerskoers, verpletterd tegen de balustrade. Richard Schröter had ietsje meer geluk. Door de val waren zijn benen ernstig gewond. Nadat Richard op het middenterrein was gesleept, knikte de aanwezige baanarts goedkeurend. Pruisische artsen weten daar wel raad mee. Ter plekke werd Richard met behulp van een amputeerzaag van zijn onderstel verlost.  Dat lot werd bespaard voor de arme Hubert Sevenich, 26 jaar jong. Die werd tenminste  compleet mét benen en al begraven op het dorpskerkhof van zijn geliefde Stolberg.
Henri Contenet, een Frans topstayer had meer geluk. Tijdens een stayerskoers gehouden in het Velo d’Hiver in Parijs koerste Contenet achter gangmaker Marius Thé. Hoe het kwam? Niet meer na te gaan. Feit was, dat tijdens de race de motor én Contenet ten val kwamen. Op wat schaafwonden na mankeerde Henry niets. De gangmaakmotor wel.
De benzinetank, gemaakt van dun koper, vertoond duidelijk een gebutste indruk. Waar niemand iets van aantrok. De show moest door gaan. Voor het front van de tribune, gevuld met publiek als loerende, bloeddorstige kraaien werd met een paar grote bacosleutels  de motor opgelapt, op de handen gekeken door  Contenet in badjas.
In tegenstelling tot die tientallen verongelukte stayers had  Contenet meer geluk. Henry,  honderden stayerskoersen gereden over een periode van zeventien jaar, stierf in 1962 op zevenentachtig jarige leeftijd vredig tussen de witte lakens.

‘Niet hierom, maar daarom’

Vierentwintig lange uren, jakkeren achter een dernymotor. Dat is  een garantie voor een plekje  reserveren op de hartbewaking. Een aanslag op de gezondheid. Helemáál voor een man van vierenzestig jaar. Waar ga je aan beginnen? Maar wat kan  Maas van Beek dat  allemaal schelen. Ondanks alle waarschuwingen doet die toch waar hij zin in heeft. Of dat wél zo verstandig is…?

Waar zijn leeftijdgenoten op de poorten van het Rijk van Koning Geriatrus staan te kloppen of ze binnen mogen, daar slooft Van Beek zich dagelijks uit op de wielerbanen van Sloten en Apeldoorn. Waar met een aan dwangmatigheid grenzende ijver, de latten uit de baan wordt gereden. Van Beek heeft dan ook een doldriest plan. In maart wil hij in  één etmaal duizend kilometer af  leggen. Gegangmaakt door een  derny, wel te verstaan.
Voor het persoonlijke, geldelijke gewin doet hij dat niet. De man, een succesvol uitvinder is met de opbrengst van zijn patenten redelijk ‘gevuld’.  Van Beek wil met zijn krankzinnige aanval  geld inzamelen voor het KWF-Kankerfonds.  Met  een feilloos gevoel voor publiciteit, maakte hij dat afgelopen weekend, tijdens een persconferentie  bekend.
Het is niet ‘hierom, maar daarom’, want Van Beek, – zelf een genezen kankerpatiënt, én werelduurrecordhouder achter die zelfde rotderny, –  kan men, met één cent per kilometer sponsoren. Eén cent dus, het moet niet te gek worden,  per slot van rekening zijn en blijven wij wél een volk van dominees en kruideniers…  
Voor zijn komende aanval wordt de oude Van Beek geassisteerd door een rits gangmakers. Met als bijkomstigheid dat  op het middenterrein de boel opgeleukt wordt door DJ Jean, en meer grappige zaken. Want zeg nou zelf, om urenlang een mannetje fietsend achter een derny, voorbij te zien komen, is net zo spannend als het kijken naar copulerende schildpadden.
Overigens, Maas’ aanval op dat etmaalrecord is niet uniek. Wel nee! In 1906 werd dat al eens geflikt. Om precies te zijn in het Parijse Velodrome d’ Hiver. Waar op twaalf maart van dat jaar, het startschot viel voor een stayerskoers over een vierentwintig uur. Deelnemers, Henry Contenet, Emile Bouhours en Thuur Vanderstuyft. Winnaar werd de toen als stokoud beschouwde,  zesendertigjarige Bouhours.
En je raad nooit hoeveel kilometers die ouwe Bouhours bij elkaar sprokkelde:  dertienhonderdentwaalf kilometer en zeshonderdzestig meter (1312 kilometer en 666 meter!!). Een afstand waar die  Barnevelder alleen maar van kan dromen! Alhoewel…met die rare Van Beek kun je alles verwachten.

Info/donatieswww.1000kmin24uur.nl

Fotobijschrift: De gangmakers van Bouhours, Contenet, en Vanderstuyft op het middenterrein van het Velodrome d’ Hiver.

Netvlies

De Europese wielerbanen anno 1901, waar een lullig, ééncilinder gangmaakmotortje  zijn opwachting maakte. Een motor die amper de zestig kilometer aan tikte. Of dat evengoed een veilige snelheid  was? Nee! Dat  de gangmaker, vér achter zijn achterwiel zat,  was al bloedlink.  Spontane zenuwtrekjes had de renner moeten krijgen bij het feit dat vóór op het stuur, een blok ijzer was geplaatst om de motor in evenwicht te houden.
Ondanks de gevarenzone zag  César Simar wel mogelijkheden.  Om meer in de zuiging van de motor te zitten liet de man, afkomstig uit Lille,  een fietsje bouwen waarbij zijn héle lijf boven het voorwieltje zat. Het was stayeren in de twilightzone, waar ‘gene zijde’ nooit ver weg was, want  geremd werd  door met het hoofd tegen de rug van de gangmaker aan te rijden. Hoe dat ging tijdens een koers met meerdere renners, én op een kleine wielerbaan,  moeten we maar niet aan denken.
César Simar, met een verdienstelijke uitslagenlijst, bij elkaar gereden op obscure wielerbanen in Buenos-Aires, New York, én de Parijse banen, werd goed genoeg gevonden voor een serie contracten op de Duitse wielerbanen, de Premier League van het toenmalige stayeren. Vanaf 1905 tot 1910 werkte Simar in Duitsland een serie contracten af. Simar, winnaar van onder meer de Grote Prijs van Dresden en de  Grote Prijs vom Rhein,  gehouden in Keulen. In  vijf seizoenen werd  dertien grote koersen gewonnen, waarbij hij ruim negenendertigduizend goudmark op zijn bankrekening mocht bij schrijven. Maar de grote doorbraak bleef voor César uit. De man leed aan een slepende astma waar hij uiteindelijk op vijfenvijftig jarige leeftijd aan overleed.
César Simar, op de foto achter  gangmaker Bertin, een man met een duistere, gekwelde blik, die ondanks dát,  voor het grote avontuur ging. Na een jaar met Simar,  verruilde Bertin zijn één cilindermotortje  om voor een zogenaamde motortandem, een monster op twee wielen. Bertin stelde zijn kunsten in dienst van stayer Paul Dangla. De laatste beelden  op Paul’s netvlies op dit ondermaanse,  was de rug van Bertin. Een paar seconden later  verongelukte hij dodelijk, wat gebeurde tijdens de Golden Rad van Magdeburg in 1903. 
Een jaar later raasde de Franse stayer Charles Brécy achter Bertin, toen de voorvork diens motor brak. Charles Brécy werd 31 jaar. Met Jean Bertin liep het trouwens  ook niet prettig af. In 1912 knutselde de Parijzenaar een vliegtuigje in elkaar. Of Bertin, op het moment van neerstorten dacht aan Dangla en Brécy is niet zéker. Wél dat Bertin 35 jaar werd.

Foto: Bertin verruilde zijn één cilindermotor om voor de loodzware motortandem. Links stuurman Sigonand, daarnaast stayer Paul Guignard, die niet veel later de honderd kilometer afraasde in een uur: een  werelduurrecord. Helemaal rechts Bertin. Tussen hen in Bertin senior.

Bron: Radwelt jaargangen 1905 tot 1910, La Vie au Grande Air jaargang 1903.

Vier plakkertjes

Pioniers waren het. Jongens, zonder énig benul van gevaar of veiligheid.  Voor dat ze dát besefte, waren al tientallen van hen dodelijk verongelukt. Dat stayers tijdens de Belle Epoque regelmatig langs een vers gedolven graf scheerden, laat  bijgevoegde foto van George Leander, onbedoeld  zien.
George Leander, stayer afkomstig uit Chicago, maakte  op 21 augustus 1904 in het Parc des Princes, Parijs,  zijn Europese debuut achter de zware motor. Voor het Franse sportblad La Vie au Grande Air, aanleiding voor een pagina groot achtergrondverhaal over George, compleet met de toenmalige gebruikelijke, statische foto’s. Waarvan  er één duidelijk  opvalt. Die van  George, in profiel op zijn stayersfietsje.
Eerst even vertellen dat  de stayers op de Europese, maar vooral de Duitse wielerbanen tóen al, de negentig kilometer per uur aantikte. George wist dat. Oók  dat vanaf 1900, tot George’s  Europese debuut, inmiddels  dertien renners en gangmakers dodelijk waren verongelukt: het aantal zwaar gewonden was een veelvoud.  Met als sinister detail, dat in dat zelfde jaar 1904, al  negen stayers en gangmakers ter hemel waren getrokken. Gelukkig voor hem besefte  de jonge Jank uit Chicago niet, dat hij de tiende ging worden…
Terug naar die foto. Dat George zonder helm koerste was toen normaal. Dat in die zelfde koers waar George van start ging, de Parijzenaar Eugene Bruni, als eerst renner óóit, met een zelf gemaakt valhelm reed, was ter kennisgeving. De belangrijkste oorzaak van de vele zware ongevallen waren de lekke banden. Een lekke band met die hoge snelheden, dan sloeg deze van de velg, én vervolgens tussen de spaken.  Exit renner.

De foto bestuderend, had George daar al een klein vermoeden van. Georgie had zijn  voorzorgmaatregel genomen. Aandoenlijk te zien dat hij z’n voorband, met vier plakkertjes aan de velg had geplakt. Dat hij zijn achterband oversloeg zijn van die raadsels waar je nooit meer achter komt.
Even ter vergelijking met anno nu: als veiligheidsmaatregel zijn stayersbanden met linnen stroken compleet vastgeplakt aan de velg. Enfin, al hád George Leander dat wél gedaan dan lag even goed zijn lot vast.
Op die 21e augustus, tijdens die bewuste stayerskoers, achter gangmaker Cissac, raakte George Leander, in winnende positie, los van de rol. George  spurtte dat gaatje dicht, en klapte vol op de motor. George Leander, 22 jaar overleed twee dagen later aan de gevolgen van zware hersenletsel.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: