Sterven zonder dood te gaan

vanbeeklapazEind januari hoopt Maas van Beek, 59 jaar, het werelduurrecord aan te vallen. De voorbereiding daarvoor vindt plaats in de bergen rondom La Paz, Bolivia. Zes weken harde en meedogenloze trainingen zitten erop. Wat de locals niet is ontgaan. De Monnik van de Veluwe is in La Paz geen onbekende verschijning.  

Ze noemen het zelf een ‘rondje’, wat een eufemisme is voor een helse duurloop. Waarbij longen in de fik staan, en het hart tekeergaat als een goedkoop Hema-wekkertje.  Ieder dag een uur rennen op een hoogte van ruim drie kilometer. Gevolgd door twee uur fietstraining.  Eén grote sollicitatie om de cardioloog een hand te geven. Topsport is ongezond. Voor een hoog  hemotrocietgehalte moet je soms wel je hoofd onder een heiblok liggen.  Waar anderen een beroep op een Epokuurtje doen, haalt Maas van Beek dat uit zijn trainingen hoog  in de Andes. Over een parkoers dat in ieder geval historische verantwoord is. Rennen over een eeuwenoud  trappenstelsels door de Inca’s aangelegd. Dwars door dorpen en stadjes naar een hoogte van tweeënveertighonderd meter. Omringd door eeuwig besneeuwde toppen. Maas van Beek en begeleider Chris Bongers doen dat niet in anonimiteit. Vanaf balkons, en platte daken klinkt  massaal het ‘olee, Maas’. In een vers gestorte cementen stoep staat zijn naam geschreven, met dank aan bouwvakkers.maasren
Maas van Beek mag de locals tot zijn supporters rekenen.  In La Paz, Bolivia is Van Beek populair. Zijn bijnaam the Monk zingt in het rond. In een land waar goden en heiligen nooit ver weg zijn, doet Van Beek ruimschoots een duit in het kerkzakje voor een heiligverklaring. Al was het alleen maar het acclimatiseringproces.Een lijdensstatie alleen bestemd voor een aspirant  heilige.
Met  stervenskoude nachten waarbij urenlang wakker naar zuurstof werd gehapt.  Het lijf van Van Beek, een man van uitersten, is inmiddels aan zuurstofarmte gewend. Volgende week vertrekt hij naar een trainingskamp op 5600 meter hoogte. Naar het rijk van de Grijze Beer en de Condor. Het zijn de laatste weken.  Weken van pijn, afzien, ascetisch leven met de handen boven de dekens en dat voor het uur U. Dat als een slingerende, scherp geslepen bijl nadert.  Op 28 januari is het zover. De Monnik van de Veluwe valt dan het werelduurrecord aan. En niet op de beoogde baan in La Paz.
Dat  laatste was één grote desillusie. Een wielerbaan vol kuilen, bobbels en butsen. Na een week trainen stond het bloed in Van Beeks koersbroek.
maaskidsDe kont van de komende recordaanvaller is één groot mijnenveld. De aanval op het record vindt dan ook plaats op de supersnelle baan van Mexico City, waar de Monnik op een versnelling van 80×14 met omwentelingen van tweeënzeventig per minuut hoopt naar zijn Nirvana te razen.
De Zuid-Amerikaanse blitzkrieg van Maas van Beek is niet ongemerkt. Van Greame Obree, die in de jaren negentig op een zelfgebouwde fiets van wasmachineonderdelen twee keer naar het record snelde, kreeg Van Beek een persoonlijke mail. Obree, nog zo’n kleurrijke vogel, hoopt vurig dat de missie van de Monnik slaagt. Al was het alleen maar om de lange neus die getrokken wordt naar het wieler-establishment.

Een heel voorspoedig en gezond 2015

oudennieuw2015 007Stuyfssportverhalen wenst iedereen een heel gezond en voorspoedig 2015. Tevens een woord van dank aan de fotografen Guus de Jong, Rob Duin, Hilco Koke, Hans Javelin, Wessel van Keuk en al die anderen, op wie altijd belangeloos een beroep gedaan kan worden. Een speciale hartelijke dank aan John Brouwer de Koning, de man achter de schermen. John, met zijn wonderlijke gigantische databank, is de stille kracht van deze blog. Voor het komende jaar bezoekt  Stuyfssportverhalen weer de loopgraven en slachtvelden van het prehistorische stayeren. Waarbij, letterlijk, de kerkhoven niet worden vergeten, want helden gaan namelijk niet echt dood, worden niet vergeten. Daar  zorgt Stuyfssportverhalen wel voor.

Posted in Niet gecategoriseerd. Leave a Comment »

Tweede garnituur met een betonnen schedel

Copy of darragonhofmann‘Goedverdoeme dat wordt weer overwerken’. Jef,  timmerman van dienst, zag de bui hangen. Een splitsecond voor  Jefs woede-uitbarsting testte een gangmaakmotor de kwaliteit van de balustrade. En die was niet best. Waar eens een houten hekwerk de wielerbaan scheidde van het publiek, restte nu een splinterbak van drie meter lang. Dat het bloed van de tribune droop ontging Jef, druk met zijn timmerkist. En de  ochtend was nog zo mooi begonnen. Zondagmorgen 5 juli, 1914, stralende dag voor het Antwerpse grauw. Voor wie de vrije zondag begon als gewoonlijk: eerst ging de directoire van moeders uit, vervolgens de heilige mis, een pint in het staminee, en dan naar de Zurenborg-wielerbaan. Voor een stayerskoers over honderd kilometer. Aan het vertrek Willy Appelhans, Raymond Leviennois, Yvar Goor, Louis Darragon en Jan van Gent. 
Met Darragon, tweevoudig wereldkampioen als dé publiekstrekker: niet alleen in atletisch opzicht. Bij Louis was het inferno nooit ver weg. De man had daar een patent op. Louis keek met enge regelmaat in de afgrond van het leven.  En als dan ook nog eens die gekke Jan van Gent aan de start staat… Spektakel verzekerd.
Aan Jan van Gent, modale stayer afkomstig uit West-Friesland, zat een steekje los. Jan, ‘losse handjes’, was berucht. Gaf ooit, tijdens een koers met zo’n tachtig in het uur, een tegenstander een muilpeer. Met die snelheid een prestatie op zich. Voor de Duitse wielerbanen, de Premier League van het stayeren,  was Jan een maatje te klein. De West-Fries schraapte zijn karige loon bijeen in het kleine circuit van de  obscure, vrijgevochten wielerbanen van Nederland en België. Copy of janvamgendtkaiser
En juist dáár kukelde de haan van de anarchie vrolijk. Van die wielerbanen waar officials per definitie een vuiltje in de ogen hadden. Waar het ruig aan toe ging. Ook op de Antwerpse Zurenborgbaan op die ene mooie zondag in juli, waar tijdens de vierentwintigste ronde  Yvar Goor, in volle snelheid van motor moet wisselen.  Waarbij er iets gebeurde dat stayeren zó fijn maakt. Waar sport naadloos overging in horror. Met in de hoofdrol Albert Käser, gangmaker van Van Gent. Want die stuurde, bij Goor’s manoeuvre,  iets té scherp omhoog. Waarmee de deur van de hel op een kiertje werd geopend. Albert Käser kwam ten val. Jan van Gent meesleurend. De aanstormende Darragon achter gangmaker Gaudrieller kon niets anders doen dan dwars door Jefs balustrade rammen. Motor, gangmaker én renner kwamen tot stilstand in de overvolle ‘tweede rang’. 
Dan even voor de medische statistieken: drie Antwerpse liefhebbers werden verpletterend. Albert Käser werd bewusteloos mét een gespleten schedel onder zijn motor vandaan getrokken. Gaudrieller en Darragon waren in shock.
zurenborgbaanEn Jan van Gent? Na een vrije vlucht van meters kwam Jan op zijn harses terecht. Jan van Gent, mocht dan een stayer van het tweede garnituur zijn,  maar beschikte wél over een schedeldak van gewapend beton. Bij bewustzijn mét vreselijke wonden over zijn lijf werd Jan in de ambulance geschoven.
Foto 1: Louis Darragon achter Franz Hoffmann. Zowel Louis als Franz Hoffmann vonden de dood op de wielerbaan. Foto 2: Jan van Gent met gangmaker Kaser op de Zeeburgwielerbaan, Amsterdam.

Bron: Nieuwe Tilburgse Courant jaargang 1914.

’25 Sterke Wielerverhalen van Ton Vissers’

vissersboekjeTon Vissers, ploegleider van een professioneel wielerteam in de jaren zestig en zeventig: de wilde tijd van het cyclisme, waarin een pilletje of ‘pikuurtje’ meer of minder er niet toe deed. Je zal denken dat zo’n man overloopt van mooie en spannende verhalen. Vergeet dat maar. Spectaculaire onthullingen hoeft de lezer niet te verwachten.
’25 Wielerverhalen’,  een  jaarlijks door Sophie Tacx uitgegeven wielerboekje, staat dit keer in het teken van Vissers, ooit een kleurrijk karakter in het peloton. ’25 Wielerverhalen’, met even veel hoofdstukken van één pagina, is aardig, lief, en een  tikkeltje ondeugend. Maar als wielerboekje is het nét niet. Iedere keer als je denkt dat Vissers een spannende onthulling doet maakt hij een schijnbeweging. De lezer in verwarring achterlatend. Zoals in het hoofdstukje ‘Peter Post is de weg kwijt’. Vissers, ploegleider van Willem II met Peter Post in de gelederen, vertelt over de Trofeo Barrachi 1967, ooit een befaamde koppeltijdrit in Noord-Italië. De ‘Barrachi’,  editie november 1967, waarin Post, warmgedraaid in de Zesdaagse van Frankfurt, gekoppeld was aan Jo de Roo. ‘Een furieus koersende Post denderde naar de plaatselijke piste om die niet rechts maar links op te rijden. Tot grote hilariteit, maar het liep allemaal goed af’. PETER POST.© foto Guus de Jong.
Waarom Post, die tientallen keren een wielerbaan opreed links af sloeg vertelt Vissers niet. Had Post de verkeerde preparatie ingenomen? Van die onzekerheden. Zoals het hoofdstuk ‘De opgebaarde coureur’, met daar in een flauwe anekdote over renner Matje G. met wie het heel slecht had kunnen aflopen.   
Evengoed is het boekje meer dan geslaagd. Al was het alleen maar om het hoofdstuk waarin Jean Nelissen, verslaggever van dagblad De Limburger, ontmaskerd werd als een ordinaire matennaaier.  In een artikel van zijn hand beticht deze zijn vriend Vissers van vals spel. Het begin van een hetze tegen Vissers en zijn ploeg. Waarvan ‘Hilversum’ ook lucht kreeg. Nelissen was bereid zijn bevindingen live  voor de televisie te vertellen. Een uitzending waarvoor Vissers ook uitgenodigd was. De laatste, overtuigd dat Nelissen hem en zijn ploeg kapot wilde maken, wist vlak voor de uitzending via een chantage over het privéleven van  Nelissen dat er niet té diep op de zaak werd in gegaan.  Dat kun je wel aan die Roomse  jongens overlaten. ’25 Wielerverhalen’, ruim zestig pagina’s, mooi grafisch verzorgd en geredigeerd  door Jan Zomer. Voor de liefhebber een collectorsitem.

’25 wielerverhalen’, info: http://www.tacx.com

 

De ballade van de knetterende derny

amber 001Afgelopen zondag werd in het Amsterdamse Velodrome het nationaal dernykampioenschap  verreden. Acht renners achter evenzoveel knetterende derny’s. Tussen de gangmakers, kerels gepokt en gemazeld in het metier, ook een twintigjarige meisje. Amber Adegeest is dan ook de enige vrouwelijke gangmaker van dit land.

Ze is de zegezang van de emancipatie. Amber Adegeest, twintig jaar jong, is gangmaker. In het bij uitstek mannenbolwerk bezorgde haar komst een kleine revolutie. Erg welkom voelde zij zich dan ook niet. Sport zonder  hypocrisie is onmogelijk. Een grietje op een derny. In  een wereldje dat gelijkenis vertoont met een sekte geheimschrijvers die  intriges en achterklap tot wetenschap  hebben verheven. Probeer daar als meisje maar eens overeind te blijven. Zelf zit ze daar niet zo mee. Ze  bespeelt de ballade van de knetterende derny met verve. Amber, struis, blond, blozend, blauwe ogen. Zo’n meid waarvan je je hart vasthoudt als ze met een scootertje door het stadsverkeer rijdt. Het volk hoeft geen zorgen te maken. Waar volwassen motorduivels even moeten slikken, raast Amber op centimeters van de concurrentie.  Adegeest is niet bang.
2014_12_14_12_52_08_Javelin_EOS-1D Mark III_0012In tegenstelling tot haar renner Melvin van Zijl: een getraumatiseerde coureur. Bij Van Zijl zit de kat op het dak. De man heeft de schrik te pakken. Opgelopen  tijdens de Zesdaagse van Amsterdam. Van Zijl was  betrokken bij de dramatische crash van Cees Stam. Dook met volle snelheid op zijn remmende derny. Beelden van het ongeluk zitten  vers in zijn hoofd. Sindsdien heeft Van Zijl moeite om met zeventig in het uur, vlak tegen het spatbordje van zijn derny te rijden. Voor een goede uitslag wél een pré. Van Zijl is bang.  Ondanks knagende angst doet hij mee. Met contracten voor de Six van Berlijn en Kopenhagen op zak, ziet hij het wel hoe de koers loopt. Van Zijl, tikkeltje opportunistisch, flegmatiek, had zonder vaste gangmaker ingeschreven. Met Amber rijdt hij de eerste keer. Hij legt zijn lot, tactiek én strijdplan in haar handen. Het laatste is simpel van eenvoud.  Amber gaat volgen. Loeren of er ‘lijken’ van geloste renners op te rapen zijn. En vooral geen initiatief nemen. En dan, dan komt Mark Rutte niet uit de kast,  maar gaan de derny’s in de baan.
De tweeëntwintig toeschouwers  op de tribune gaan er nog even goed voor zitten, als de renners vertrekken voor een race van veertig kilometer. Een koers die tot tien ronden voor het eind slaapverwekkend saai was. De voorzitter van een gemiddelde Solexclub tekent voor zo’n toertocht. Met Amber Adegeest als laatste in de optocht.
2014_12_14_12_43_34_Javelin_EOS 5D Mark II_6532Pas op het eind ontplofte de boel. Gelukkig wel. Met de broertjes Kos én Raymond Kreder als grootste slachtoffers. En Amber Adegeest? Die probeerde het. Vloog er lustig en fruitig in. En werd vervolgens teruggeroepen door Melvin van Zijl. Maakte allemaal niets uit. Amber had haar jongen veilig naar de vijfde plaats geloodst. Eén plek achter Nick Stöpler. En laat die nou als gangmaker ene Leo Adegeest hebben. De vader van Amber.

 

Uitslag: 1. Youri Havik-Ron Zijlaard, 2. Jasper Asselmann-Herman Bakker, 3. André Looy-Peter Bauerlein.

De Staalmeester is vertrokken

Copy of RIH SPORT 01 (1)Hij noemde zich zelf De Staalmeester. En terecht. Niemand bouwde een racefiets van staal zo perfect als hij. Terwijl iedere wielrenner overstapte op een fiets van kunststof,  bleef hij het staal trouw. Volgens Willem van der Kaaij loopt en rijdt geen racefiets zó goed als een exemplaar gebouwd met stalen Reynoldsbuizen. Om dat fijntjes te illustreren dat Peter Post koersend op een RIH-fiets nog steeds de snelste tijd heeft als winnaar van Parijs-Roubaix. Willem van der Kaaij constructeur van het illustere RIH-Sport wist waar hij het over had. Meer dan vijftig jaar beoefende hij de stiel van framebouwer. Begonnen als leerling van de beroemde Wim Bustraan, om later de zaak over te nemen. Maar ook framebouwers worden oud, hebben niet het eeuwige leven. Na negentig jaar bestaan te hebben sloot Van der Kaaij twee jaar geleden de deur van zijn geliefde RIH-Sport aan de Westerstraat voorgoed. Maar bij de ambachtsman Van der Kaaij bleef het knagen. Thuis zitten was niets voor hem. De komst van Lorenzo Milelli en Diederik Martens was voor hem een geschenk uit de hemel. Copy of CIMG1785
Milleli en Martens, jong ambitieus, namen het merk RIH over en maakte op een industrieterrein in Amsterdam-Noord de doorstart van RIH-Sport. Van der Kaaij, geboren en getogen Jordanees, bleef er bij betrokken, was iedere dag in de werkplaats te vinden en onthulde zijn twee leerlingen de geheimen hoe je een een frame bouwt. Van der Kaaij, 77 jaar, hoopte tot in lengte van dagen actief te zijn bij ‘zijn’ RIH. ‘Als Onze Lieve Heer een framebouwer nodig heeft, dan hoor ik het wel’ vertelde hij twee weken geleden nog.
Dat was niet tegen dovemansoren gezegd. Onze Lieve Heer had zeker een frame nodig. Gisteravond overleed geheel onverwachts Willem van der Kaaij ten gevolge van een hersenbloeding.

 

Foto 1: Links een nog jonge Van der Kaaij met Wim Bustraan.

Foto 2: Willem Van der Kaaij in gesprek met Jan Jonker.

Mevrouw Peguy moest nog een jaartje wachten

Copy of natbutlerkleurCharles Peguy wilde nog schreeuwen. Zo’n gil van doodsangst. Maar door ontzetting kwam alleen dof gerochel uit zijn strot. Niet dat het er allemaal veel toe deed. Al had Charles de reclameborden van de baanomheining los gebruld, hij werd evengoed gelanceerd. Charles Peguy, gangmaker uit Parijs. Een getormenteerd mens die het leven donkerbruin inzag. Een jaar eerder was zijn vrouw overleden. En dan was er ook nog Willy Schmitter. Zijn Willy notabene, talentvol stayer waar hij, Charles Peguy, als gangmaker vijftien koersen mee won. Een maand nadat mevrouw Peguy aan de aarde was toevertrouwd, trok ook Willy ter hemel. Viel te pletter, achter Charles’ rug. Hoeveel kan een mens verdragen?  Van Charles was dat niet bekend. Wél dat hij fatalistisch werd. De man hield verdacht vaak en té lang de gashendel van zijn motor open. Zoals gezegd, Charles nam het leven niet meer zó serieus. Het kon hem allemaal geen reet meer schelen. Vermoedelijk ook niet op zondag 15 juli 1906, tijdens de Gouden Bokaal van Keulen. Een stayerskoers over honderd kilometer, met vijfduizend goudmarken in pot. Op de affiches  Yvar Goor, Piet Dickentman en Nat Butler.pequy2
Nat, door de Duitse pers Der Alte genoemd, koerste achter Charles Peguy. De nekharen van Nat hadden eigenlijk als kopspijkers strak moeten staan. Om je te laten gangmaken door een tikkeltje levensmoede man… Door een jarenlang verblijf op de ruige en levensgevaarlijke Duitse wielerbanen herkende Nat Butler de waarschuwingssignalen niet meer. Nat, Amerikaan, een stayer in zijn nadagen, dacht alleen nog maar zijn portemonnee. Wat bijna zijn dood werd.
De Yankee een ouwe frontstrijder, trok na het startschot direct ter aanval, en lapte na een tiental ronden bijna Piet Dickentman. En laat dat nou nét niet doorgaan. Dickentman sloeg de aanval af. Voor Charles het sein om nog maar even aan die fijne gashendel te draaien. 
Copy of piet1924Met ruim negentig kilometer ging het in de bocht mis. Van middelpuntvliedende kracht had Charles namelijk nooit gehoord. De Parijzenaar werd gelanceerd en vloog mét motor én renner de overvolle tribunes in. Tegen de tijd dat de motor was uitgestuiterd was er één dode,  en drie zwaargewonden gevallen, waarvan er twee de ochtend niet haalden; dat laatste  ter kennisgeving.
Tijdens zijn vlucht door de lucht reserveerde mevrouw Peguy onmiddellijk een plekje in de hemel voor haar Charles. De laatste kwam, evenals Butler, met lichte verwondingen er van af. Uiteindelijk moest mevrouw Peguy nog een jaartje geduld hebben. Want op zondag 7 juni 1907 tijdens de ‘300 Kronen von Spandau’ ontplofte de voorband van  Charles’ motor. Peguy werd begraven naast zijn vrouw. Aan het graf stond zijn vierjarige dochtertje.
 

Foto 1: Nat Butler. Foto 2: Charles Peguy. Foto 3: Piet Dickentman.

Bron: De Telegraaf, jaargang 1906, Radwelt jaargang 1907.

De mythische status van ome Karel

Copy of omekarelOme Karel, al decennia aan gene zijde. Was in een grijs verleden ooit profbokser. Wiens avonturen bij zijn nazaten nog steeds levend zijn. Van die familieoverleveringen. Generatie op generatie doorverteld. Verhalen inmiddels van een mythische status. Of  Stuyfssportverhalen ook  bekend was met ome Karel? Dát was de vraag van achterneef Henry Steneker. Helaas. Nooit van gehoord. Voor de zekerheid toch maar even in het archief gekeken. En verdomd! Ome Karel blijkt niemand minder te zijn dan de illustere Karel de Jager. Tijdens  de jaren twintig één van de beste boksers van het land. In de jaargangen van Revue der Sporten, de Geïllustreerde Sportspiegel en andere sportbladen uitgegeven in het interbellum, struikel je over zijn naam én foto’s. De Jager was dan ook niet de minste. Een gevreesd pugilist. Zo één die veel klappen ‘nam’. Om ze zelf ook uit te delen. De man stond meer dan driehonderdachtentachtig ronden in de ring. Wat staat voor twintig gewonnen partijen. Karel verloor er bijna evenveel. Zoals gezegd, ome Karel incasseerde veel.
Karel de Jager. Zijn overleveringen zingen al drie generaties rond in de familie Steneker. En voor wie dat niet geloven wil: er is ook dat ene tastbare, stoffelijke  bewijs.  Een ingelijste tekening met ome Karel in vechthouding.  Al meer dan negentig jaar in de familie. Een erfstuk. Geërfd door Cora Steneker, moeder van Henry én Karels nichtje.
Cora, 92 jaar, levende schakel tussen de eenentwintigste eeuw en onvervalste sportgeschiedenis, is nog één van de weinigen die Karel tijdens diens glorieperiode hadden gekend. Ome Karel, broer van haar moeder, was Cora’s voogd. Ze herinnert zich hem als een levenslustige man. Zo één die de verjaardagen op gang bracht. Hilarisch is die ene anekdote. Met ome Karel als hoofdpersoon in zijn eigen boksschool. Waarin verhaald wordt hoe Karel tijdens het sparren zogenaamd deed of hij iets gebroken had. Tot het echt gebeurde. Zijn trainingspartner geloofde het niet en ramde lustig door. Na ome Karels hemelgang erfde zijn nichtje het portret. Inmiddels heeft haar zoon, Henry, de tekening in bezit. Copy of kareldejager
Een erfstuk, maar ook zeldzame sportmemorablia, van  een leuke oom. Een bokspionier die niet alleen zijn sporen in de sportgeschiedenis na had gelaten maar ook talloze kostelijke familieanekdotes. Dat de herinneringen aan ome Karel gaan verstoffen is hoogst twijfelachtig. Met de kleinzoons van Cora Steneker is de toekomst daar van  verzekerd. In de Grote Bokshemel knikt ome Karel ongetwijfeld goedkeurend.

Foto 1: Henry Steneker en zijn moeder Cora Steneker. Foto 2: Het gevecht Karel de Jager versus Piet Hobin in het Antwerpen van 1922. 

 

Henny en Willy gescheiden door de tijd

Copy of duitslint 006Over de Jordaan hangt een grijze deken van mist. De keizerskroon op de Westertoren is onzichtbaar. Kale bomen aan de grachten druipen van het vocht. Voor het Anne Frankhuis staat een verdwaalde toerist te verkleumen. Kortom, december in Amsterdam. Maar op een bovenwoning in zo’n typisch Jordanees straatje mijmert een oude man over vroeger. In zijn handen rust een lint. Ooit behorend bij een overwinningskrans. De gedachten van Henny Marinus dwalen terug naar de zomer van 1957.  Hoe hij, een jochie van negentien jaar, afkomstig uit de Jordaan, zoon van een vishandelaar, het sportpaleis van Keulen op stelten zette. Notabene bij een internationale koppelkoers over honderd kilometer. Een koers waarvoor hij persoonlijk was uitgenodigd. De invitatie was te danken aan zijn overwinning in ‘Rund um Köln’. Zijn koppelgenoot mocht hij zelf uitkiezen. Het werd Frans Braat, een beul van een kerel.Copy of winnaarkraansschmit1903goudenwielvomrhein
De zwiepers bij de aflossingen van Frans, voelt hij nu nog. En dan dat geluid van de  stampvolle tribunes. Godsamme, dat wil je je niet weten. Opgezweept door adrenaline werd de honderd kilometer afgeraasd in twee uur en tien minuten. Dat was meer dan een halve eeuw geleden. De overwinningkrans is al lang vergaan. Het lint heeft Marinus nog.  Dem Sieger im 100 klm. Mannschafs-Rennen u.d. Domtrophäe von Köln 15 juni 1957. R.c. Schmitter 1930 Köln., staat in gouden letters. Het woordje ‘Schmitter’ intrigeert. De Keulense wielerclub werd vernoemd naar Willy Schmitter.
 Henny Marinus en Willy Schmitter. Gescheiden door de tijd. Maar vol overeenkomsten. Willy en Henny. Jongens nog. Alle twee levend in geleende tijd. Beide koersten achter de zware motor. Marinus werd profkampioen in 1964. Willy, eenentwintig jaar, afkomstig uit Keulen, won in 1905 vijftien koersen op rij. Was op slag dé grote favoriet voor het Europees kampioenschap. Een koers waarbij hij niet levend de finish haalde. Voor de begrafenis van Schmitter, op het lokale Südfriedhof  liep heel toenmalig Keulen uit.
Copy of hennyfransRoem verdampt even snel als de goedkope parfum van een bejaarde temeier. Willy is allang vergeten. In de jaren vijftig werd zijn graf geruimd.
Henny Marinus is nog onder ons. Maar wel in geleende tijd. Drie jaar geleden gaf de neuroloog van het OLVG de oud-stayerskampioen nog twee jaar. Marinus, gestaald en gehard in honderden profkoersen, is een overlever. Zo’n man die Hein er moeilijk onder krijgt. Voor Marinus is het leven als een wielerkoers. Die eindigt pas als de bel van de laatste ronde had geluid. De koersfiets is voor Marinus taboe. Hoeft ook niet meer. Een enkele keer peddelt hij op een gewone fiets door de stad. En buiten dat. Hij heeft genoeg aan zijn geheugen, die nog scherp is, en vol met herinneringen zit. Daar doet hij het mee. Marinus ruimt het lint op. Maakt zich op voor een wandeling met zijn hondje Kismo. Het carillon van de Westertoren slaat vijf keer, als Marinus langzaam oplost in de donkere straatjes van de Jordaan.

Foto 2: Willy Schmitter, winnaar Gouden Wiel van Keulen 1903. Foto 3: Links Henny Marinus met Frans Braat.

Zalig zijn de sukkels en andere simpelmannen

Copy of lejourluickenHij had geduld. De grote doorbraak kwam er aan. Zoveel was zeker. Vier jaar koerste hij achter zware motoren. Tientallen koersen  werden gewonnen. En niet op die obscure, achterafbaantjes. Veertig keer werd er een ereronde gereden op de prestigieuze pistes van Parijs, Brussel, Antwerpen én  tweeëntwintig  keer op de Duitse wielerbanen. Vier loodzware jaren. Waarvan de geur van bloed, en andere  gruwelheden in zijn neus bleven hangen, en  littekens zijn ballen hadden gegroefd.  Gustaf Lejour uit Antwerpen was geen zondagskind. Daarvoor had d’n Gust te veel meegemaakt. Tijdens lange nachten als de slaap wegbleef kwamen weer die horrorbeelden. Zoals van die ene keer op de Parijse Buffalobaan. Waar Gust aan het trainen was en in razende vaart het contact met de motor verloor. Héél eventjes! Wat zijn nou een paar lullige seconden op de schaal van de eeuwige tijd? Voor Lejour genoeg om een bloedbad aan te richten. Met negentig per uur ramde Gust een tandem bemand met de renners Grapperson en De la Fléche. Die als platgeslagen muggen geplet werden tegen de baanomheining. Copy of gustaflejour
Dat de eveneens trainende Frans Leddy met een slagaderlijke bloeding ook plaats kon nemen in de ambulance was wel zo handig. Zelf kwam Gust met een gebroken sleutelbeen er genadig van af.
Uitstel van executie. Gust mocht  nog een paar seizoenen werken aan zijn carrière. Wat staat voor mooie en goedbetaalde contracten in Duitsland. Zalig zijn de sukkels en andere simpelmannen die geen weet hebben. Ook Gust die alláng genoteerd stond in de agenda van De Dood.  En was dat nou maar een roemrijke hemelvaart…
Gust Lejour arbeiderszoon. Kreeg van zijn ouwe heer een koersfiets voor een geslaagde eindexamen. Gustje, voorbestemd om kermiscoureur te worden. De Vlaamse kermiskoersen, fijne mix van overvolle staminees, schuimende bierpompen, doping, gokken, omkoping en broodjes worst met zuurkool. Jammer voor Gust, maar na de eerste wereldoorlog viel er in Vlaanderen weinig te vieren. Daar hadden Duitse troepen wel voor gezorgd. Infrastructuur en dorpen lagen in puin. Gust Lejour vond zijn bestemming op de wielerbaan. Deed als sprinter nog mee aan de Olympische Spelen en het wereldkampioenschap. Om langzaam, héél langzaam gehoor te geven aan de lokroep van het stayeren. 
Copy of micqlejoursDan is het zes jaar verder. Dinsdag 28 augustus 1928. Gust, een glorieus seizoen met onder meer winst in de Grote Paas Prijs, had zijn trainingskamp opgeslagen in Frankfort. Voor het komende wereldkampioenschap waren er woeste plannen. Iedere dag werd achter gangmaker Bajorath urenlang hard en serieus getraind. Niet alleen op de stayersfiets. En daar zat hem nou net de kneep. Voor de souplesse en om warm te worden reed Gust eerst een uurtje op de gewone baanfiets. Zonder die maffe stayershelm. En Gust viel. Een val van niets. Maar Gust had wél een dubbele schedelbreuk. Extra drama was dat zijn vrouw en kind getuigen waren.
Gust Lejour, 27 jaar, werd begraven in Antwerpen.

Foto 1: Gust Lejour met gangmaker Luickens. Foto 3: Winnaar van de Grote Winterprijs van Brussel 1926.

Bron: Radwelt jaargang 1922 t/m 1928. Geïllustreerde Sportspiegel jaargangen 1926 en 1927. Illustrierter Radrenn-Sport jaargang 1928.