Duitse troepen hadden amper hun gespijkerde laarzen gelicht, of Parijs-Roubaix wordt gehouden. Met de juiste ingrediënten van dienst, zoals de stenen, de smerige, bolle strontweggetjes, dreigende luchten, storm en regen. Het decor was met de armoedige dorpen compleet. En niet te vergeten de kolenmijnen, die nog in vólle bedrijf zijn. Misschien dankzij dát, verkrijgt Olimpio Bizzi zijn broodnodige morele steun. Want de Noord-Franse kolenmijnen, vanouds hét domein van de Italiaanse gastarbeiders, en die laatste staan op zondag zes april 1947, met tienduizenden hun Olimpio aan te moedigen.
Tifossi´s, zet ze langs de kant van het parkoers en als Italiaanse renner heb je géén dope meer nodig. Dat dacht Olimpio Bizzi ook, bijgenaamd de Neger van Livorno.
We gaan verder. Parijs-Roubaix dus, waar de hedendaagse massahysterie nog ver weg is, maar waar het wél guur, koud, nat is.
Olimpio, Toscaan, met dertien gewonnen Giro-etappes, smeert hem direct na de start. In gezelschap van Fazio en een zekere Vlaeminck, de laatste getrokken uit de Vlaamse klei. Bizzi, van de Toscaanse God los, met een paar supersnelle benen, koerst vrijwel nóóit buiten De Laars. En nu ramt hij op zijn Viscontea-koersfietsje vér voor de meute uit. Voor de Neger ligt eeuwige roem te wachten. Want zeg nou zelf, je naam op de erelijst van Parijs-Roubaix, daar zijn renners bereid voor, om een vinger bij zich zelf af te laten hakken.
En dan is het zeventien kilometer voor het velodrome van Roubaix. Een gat in de weg. En dat ontgaat de Neger van Livorno nou nét. Gebroken achterwiel, en geen materiaalwagen in de buurt. Met slechts veertig seconden voorsprong vecht de depanneerde Bizzi, met de moed der wanhoop verder. En tsja, dan krijg je dat geneuzel wat koersverslag wordt genoemd. Stuyfssportverhalen doet daar niet aan mee. Die houd zich bij de dramatische feiten. Zoals dat Olimpio Bizzi, uiteindelijk teruggepakt en als zesde huilend – je bent Italiaan of niet – over de eindstreep komt.
Olimpio Bizzi, inmiddels al tot stof vergaan, want de man overleed op zestigjarige leeftijd in 1976, maar de iconische foto van zijn drama, bevindt zich na zeventig jaar in het archief van deze blog.
Godsamme! Het gevaar spat van de foto af. De schrik slaat je om het hart. En de vraag was dan ook niet hóe, maar wanneer. Want dat er ongelukken gingen gebeuren, dát was zeker.
En daar was die opeens! Jan Zagers! En nog wel tijdens de klassieker Parijs-Brussel, anno 1953. Waar die Jan, op de gevreesde kasseien van Braine-le-Comte , een demarrage plaatste van jewelste.
Voor gokkers was er niet veel aan. En verrassingen waren er ook niet. De winnaar stond bij voorbaat vast. Dat Reinier Honig met de nationale stayerstitel aan de haal ging was zeker. Zo zeker, dat bij het gangmakergilde, vóór de koers daar over werd gemord. Met als strekking dat een professional, want Honig, niets te zoeken had bij dit kampioenschap. Honigs concurrentie, waaronder enkele grote aanstormende stayerstalenten, bestaat uit jongens die, óf werken of nog studeren. Maar goed, dat maakte de pret er niet minder om. Bij dit kampioenschap kwamen de stayersadepten aan hun trekken: met de nodige spanning en sensatie. Ga maar na.
Jansen liet zich niet zomaar afslachten en hield Honig van het lijf. De laatste moest de rol laten gaan. En eerlijk is eerlijk, daar kwamen de stayerskwaliteiten van Honig aan te pas. Die bleef zo’n vier meter achter de motor, in de vuile wind, vol door gaan. Aardig was de strijd om de tweede plaats. Met nog vijftien ronden te gaan wist Geserick, met opkomende kramp in de benen, nog langs de moe gestreden Jansen te glippen. Wat meteen de einduitslag was.
Wie zijn grootste supporter is? Zijn opa van 87 jaar (zie foto). Trouwens de hele familie zit komende zaterdag, tijdens het nationale kampioenschap stayeren, op de tribunes van het Alkmaars Sportpaleis. Het stayeren is voor Jeroen Kaldenbach een familieaangelegenheid. Oom Patrick Besteman is zijn gangmaker. Dat laatste is wél zó fijn, in het stayerswereldje, waar gangmakers nou niet zijn omringt met het aureool van eerlijkheid.
‘Piet, jongen, dat is iets voor jou’, sprak Piet Dickentman in 1898. Dickentman, als negentienjarig renner, aanwezig op de wielerbaan van Wenen, maakte voor het eerst kennis met een gangmaakmotor: een lullig ééncilindermotortje, die amper de vijftig kilometer per uur aantikte. Dickentman, jongen van de Amsterdamse Westerstraat, had een profetische blik. Een paar dagen later, op een gewone baanfiets, maakte Piet, gegangmaakt door de Berlijnse broers Lehmann, zijn debuut als stayer. Het succes van Dickentman als stayer was navenant aan de snelheden, én de bijbehorende gevaren, van de zware gangmaakmotor.
‘…en tot slot smeek ik, of U er voor kan zorgen dat morgen, de dope goed mag aanslaan’, waren zijn laatste stichtelijke woorden. Met een uitgestreken, schijnheilig hoofd, voorzien van een hemelseblik, beëindigde Fiorenzo Magni zijn vurige gebed. Naast Fiorenzo was Gino Bartali, nog druk in ‘gesprek’ met zijn schepper.
Roem en drama, gingen hand in hand tijdens zijn leven. Stuyfssportverhalen had daarom al eerder over hem geschreven. George Parent, afkomstig uit Frankrijk, behoorde dan ook tot de allerbeste stayers uit de geschiedenis. Van George zijn niet zóveel foto’s bekend. En die er zijn, zijn dikwijls dezelfde, want vaak genomen tijdens een start van een stayerskoers. Maar een enkele keer duikt er een zeldzame plaat op. Zoals de bijbehorende, op een digitale veiling gescoord.
Prijs de knecht waar alle zeges vandaan komen. Speciaal de Italiaanse gregario, want slaafse en gehoorzame kerels. Door hun mama´s gedrild. En als jochies gehersenspoeld door de Roomse kerk. Waar mijnheer pastoor er in stampte dat ´Gij Uw Heer Moet Dienen´, ondertussen wellustig loerend naar z’n misdienaartje. Die Vaticaanse rukkers wisten preciés hoe je de beminde gelovige er geestelijk onder kon houden.
Revanches werd het genoemd. Wat natuurlijk niet zo was. Het was een strak geregisseerd spel. Ordinaire volksverlakkerij. Doorgestoken kaart. Met de wereldkampioenen van dienst in de hoofdrol. De jaren vijftig en zestig. Geen of nauwelijks wielrennen op de televisie. De liefhebber werd via radioreportages op de hoogte gehouden. Of anders met opgesmukte verhalen in de krant. Na afloop van zo’n wereldkampioenschap trok het rondreizend wielercircus langs de Europese wielerbanen. De regenboogtruien werden verzilverd. Dat laatste verpakt als een ‘revanche’. Waar van te voren de winnaar al bekend was.
Tijdens de Belle Epoque én de tijd tussen de wereldoorlogen in, waren honderden topstayers, onderverdeeld in drie klassen, actief.