Landweggetje

God zegene Tullio Campagnolo, de uitvinder van het versnellingsapparaat.  Waarmee afscheid genomen werd van dat rare, vaste versnellinkje, waar coureurs tot diep in de jaren veertig mee koersten.  Lang leve het ‘buitenblad,’ en laat de ‘dertien’ maar schroeien. Chauvinisme en nationalisme, kun je een Italiaan niet ontzeggen, en gelijk hebben ze. Na de komst van het eerste experimentele ‘apparaat’, – schakelen via de achtervork – koerste daar alleen Italiaanse renners mee.

Ook tijdens de Tour de France 1949. Waar ondanks de innovatie van Tullio Campagnolo,  Fiorenzo Magni, malheur aan  zijn versnelling had: de ketting liep van het voorblad. En nog wel, op zo’n door de wielergoden verlaten, eenzaam landweggetje. Geen hond te ontdekken, laat staan een mecanicien. Fiorenzo mocht zelf depanneren, waarbij ze hem in Toscane hoorde vloeken, want zo zijn die Latijnse coureurs ook wel weer. 

Of  echt niemand getuige was van Magni’s ellende? Ja, die ene fotograaf, én twee kleine jochies. Voor de laatste, een niet te missen kans. Nóóit waren ze zó dicht bij een wielerheld. Ze mochten Magni’s fiets vasthouden, alsof de geluksfee het zo bedoeld had. Voor zo’n jongen een goddelijk moment. Als simpel Frans jochie kun je niet hoger komen.

En schrijver dezes kan dat bevestigen. Want was het niet op die ene woensdagmiddag, ergens halverwege de jaren vijftig? Toen hij in de Amsterdamse Korte Koningsstraat, héél even de koersfiets van Hein van Breenen mocht vasthouden? Hein, z’n banden oppompend, profrenner en deel uit makende van de legendarische Tourploeg onder leiding van de illustere Kees Pellenaars.  

De koersfiets van Hein, een lichtblauw karretje van het merk Nieuwenhoff, gebouwd in een piepklein framebouwerijtje ergens in de Jordaan. Ach waar blijft de tijd. Nieuwenhoff bestaat al lang niet meer, evenals al die andere Amsterdamse  racefietsenateliers, waar je de romantiek van de muren kon schrapen. Hein, en Magni zijn allang niet meer onder ons. En die twee jochies?  Die hadden ongetwijfeld hun leven lang, tot vervelens toe, de kinderen en kleinkinderen lastig gevallen, met dat ene avontuur op dat kleine, door de wielergoden verlaten landweggetje.

‘Ook gij Brutus’

Pervitin, die ouwerwetse boerenjongensdope, die de haarwortels in je kop deden knetteren en de bakkes liet schuimen. Pervitin een methylamfetamine, tijdens de jaren dertig in Duitsland op de markt gebracht. Speciaal ontwikkeld voor de Wehrmacht, die daarmee, ‘onder stoom’, van Berlijn naar Moskou marcheerden. En terug. En aan de huisvrouw was ook gedacht. Speciaal voor mutti was er bij de lokale chocolaterie, een bonbons gevuld met een scheutje Pervitin, verkrijgbaar. Het stofzuigen was nooit zó fijn, als toen. Maar dit stukje gaat over de koers. Speciaal de profkoers van eind jaren veertig. Toen de oorlogsvoorraden Pervitin, zijn weg vond naar het peloton.  Of beter gezegd naar de soigneurs, die daar wel raad mee wisten.

Soigneurs uit de naoorlogse koers, met een reputatie waarbij een middeleeuwse alchemist  begrijpend stond te knikken.  Als handlangers van Merlijn de Tovenaar, wisten deze met hun preparaten van een halve, een hele renner te maken. Vraag niet hoe, maar toch… Dat de Italiaanse renner Fiorenzo Magni dope nodig had, was onwaarschijnlijk. De man had genoeg klasse. ‘Ook Gij Brutus’,  om maar even de juiste Latijnse terminologie te gebruiken. Want ook Magni stond na de koers te schuimbekken, alsof hij een stuk zeep had verorberd.  

Even vertellen over Fiorenzo Magni, een strijder bij uitstek, die als één van de weinige Italiaanse coureurs regelmatig naar Vlaanderen trok, om daar zijn duels uit te vechten. De man, bijgenaamd Il Luppo oftewel ‘de wolf’, won in 1949, en de twee daarop volgende edities, de Ronde van Vlaanderen, mét voorsprong. Tijdens de Tour van 1949 stond de wolf ook op scherp. Zeker in de tiende  etappe San Sebastiaan-Pau, over een paar helse Pyreneeëntoppen, waar Fiorenzo  toesloeg.

Dan volgt de huldiging. Die  Magni, schuimbekkend en hongerig loerend in de decolleté van de rondemiss, over zich heen liet gaan. Waarbij de rondemiss hoogstwaarschijnlijk, Fiorenzo niet goed aangekeken had. Hoe dat meisje Magni had gekust, daar moeten wij maar niet aan denken.

Bron: ‘Drugs in het Derde Rijk’, van Norman Ohler, Momenti Fotografici del Tour 1949, uitgegeven door La Gazzetta dello Sport, jaargang 1949.

Usance

Jongens met een kaal hoofd. In  het Italië van de jaren vijftig was je daar mooi klaar mee. Volgens oeroude Roomse mores, duidde dat op dwangmatige masturbatie. Vanaf de preekstoel werden de adolescenten, gegeseld met de mantra, dat je van masturberen, óf ruggenmergtering, dan wel een kale schedel van kreeg. Voor jongens met een dunne haartooi,  ‘n garantie op een levenslang trauma. Zeg nou zelf, wie wil in z’n  dorp doorgaan als  een verstokte rukker?  

Dergelijke jongens, zaten tjokvól met bewijskracht om te bewijzen dat dat niét zo was. Resultaat? Of  de dorpsmeiden  waren niet meer veilig. Of een racefiets werd aangeschaft. Zo’n smal zadeltje, én de nodige lichaamsinspanning doet lekkere lust verdwijnen. Voor de latente kaalhoofd wachtte de koers.

Of dat óók opging voor Fiorenzo Magni…? Met zijn kale schedel was hij anders wel uiterst verdacht. Enfin, de man eenmaal prof, kon akelig hard fietsen. Waarbij tevens geleden werd in het kwadraat. Voor een coureur, dé perfecte combinatie voor de ‘helse koers’.  Magni, in 1948 de Giro d’ Italia gewonnen, trok dan ook ter bedevaart.  En waar anders dan in Vlaanderen met z’n kasseienweggetjes, waar  modder en koeienmest nooit ver weg zijn? Tijdens de rondes van Vlaanderen, editie 1949 en het jaar daarop, hield Magnie ‘huis’.  Twee overwinningen, –  in wat nu, met veel hysterie de Vlaamse Hoogmis wordt genoemd, –  altijd goed voor een plekje in de eeuwige ranglijsten.  

Magni, vond dat nóg niet  genoeg. Voor de editie 1951 had de Witte Wolf, zoals z’n bijnaam luidde, zich perfect geprepareerd. Dat de Wolf door z’n soigneur ‘op scherp’ werd gezet, behoorde tot de usance van de koers in de fifties: waar wij niet al te moeilijk over doen.  Terwijl de meeste van z’n Latijnse collega’s liever in het warme zuiden koersten, zat Magni, een week vóór de Ronde in een hotelletje in Gent. De Wolf verkende meerdere malen het laatste stuk van het parkoers. Wielen met houten velgen, gemonteerd met tubes voorzien van een extra grote luchtkamer, vormden de munitie voor de kasseien.  

Niets saaier dan een koersverloop te beschrijven. Laten we het er maar op houden dat Magni, op de Muur vertrok. In een vliegende storm, met regen en hagel ijlde  de Italiaan richting finish in Wetteren. Waar hij ruim vijfenhalve minuut kon wachten op nummer twee, Bernard Gauthier.

Fiorenzo Magni, die taaie, ouwe rakker, vertrok in 2012 op tweeënnegentig jarige leeftijd naar z’n Schepper. Bernard Gauthier, vierennegentig, volgde in 2018.

Bron: Sport Club, jaargang 1951.

De Vrome

‘…en tot slot  smeek ik,  of  U er voor kan zorgen dat morgen, de dope goed mag aanslaan’, waren zijn laatste stichtelijke woorden. Met een uitgestreken,  schijnheilig hoofd, voorzien van een  hemelseblik, beëindigde Fiorenzo Magni zijn vurige gebed. Naast Fiorenzo was Gino Bartali, nog druk in ‘gesprek’ met zijn schepper.  
Fiorenzo, en Gino, beiden zwaar van ‘het houtje’, en tijdens de Tour van 1950, collega’s, én concurrenten. Het was diezelfde Ronde van Frankrijk, waar de tiende etappe finishte in Lourdes: vanouds dé hangplek voor kreupelaars, behoeftige en ander soort trekkebenen.
En waar ben je dichter bij de Heer dan in dit merkwaardige bedevaartsoord? Zeg nou zelf. Daaróm, grijp je kans. Ga voor een wonder. Wat kan het je schelen,  niet geschoten, áltijd mis. Voor jongens als  Magni en Bartali, dan ook een buitenkansje.
Na de massages werd een sprint getrokken richting kathedraal.
Tsja, die Bartali, een getormenteerde Roomse rakker, bijgenaamd de Vrome, maar tóch ontsnapt aan de aandacht van het klooster. Gino,  renner op leeftijd, droeg, tijdens de koers,  zijn eigen kruis, want had de grootste moeite om Magni van het lijf te houden.
Maar eerst even de volgende vraag stellen: waar zijn de beminde gelovigen het meest bang voor? De gekwelde vrees voor het hiernamaals natuurlijk! De angst voor hellevuur, én het voorgeborchte: altijd latent aanwezig. Maar dát zijn zorgen voor later.
De mens, speciaal een wielrenner,  is een geboren opportunist, die gaat voor het ‘hiér en nú’. Ook op die elfde juli 1950, in de basiliek van Lourdes. Waar boven de brandende kaarsen en het wierook uit,  de  penetrante geur van angstzweet dwarrelde, afkomstig van het Italiaanse duo. Dat er gehuiverd werd was terecht. Een dag later stond de apocalyptische, bergetappe over colls zoals de Aubisque, Tourmalet en de Aspin, op de rol.
Overbodige zorgen. Geef je over aan Hem. Ga in gebed! Al Uw smeekbedes worden verhoord. De Heer is namelijk grootmoedig.  En houd ook nog eens van de Koers. Dat laatste was mooi meegenomen. Zeker voor Gino Bartali en Fiorenzo Magni.
De gevreesde bergetappe, Pau-Saint Gaudens, over tweehonderddertig kilometer, werd gewonnen door Bartali. En wie de gele trui kreeg? Fiorenzo Magni! Je zou er bijna gelovig van worden.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: