De indertijd roemruchte Amsterdamse wielerbaan Zeeburg, ooit gevestigd in de polders van wat nu de Indische Buurt is, ‘draaide’ van 1901 tot 1916. Niet veel later werd deze gesloopt. Van de baan, één brok vaderlandse wielergeschiedenis, is op wat artikelen, foto’s in oeroude sportbladen als de Revue der Sporten, niets meer over. Totaal geen stoffelijke herinneringen. Ook het Amsterdamse Stadsarchief kan dat gat niet opvullen want heeft op wat foto’s na, niets in hun collectie. In het archief van Stuyfssportverhalen bevindt zich een origineel programmaboekje van de Zeeburgbaan uit 1915: indertijd verkregen via Jan Zomer. Zo iets unieks behoort natuurlijk maar op één plaats thuis: het Stadsarchief . Met een ‘wat een welkome aanvulling’ nam Stadsarchivaris Ellen Grabowsky, rechts, het sporthistorisch relikwietje in ontvangst.
Alles was hem ontnomen, weggeglipt door z’n eeltige knuisten. Zijn roem ingehaald door de tijd en z’n kapitaal verdampt. Dat laatste hadden de moffen wel voor gezorgd. Piet van der Veer, ooit één van de beste zwaargewichten in Europa bezat, vlak na de Tweede Wereldoorlog niets meer. De voormalige vuistvechter was geestelijk geknakt. Piet, zwaargewichtbokser om den broden. Stond meer dan vijftien jaar in de ring en behoorde in het interbellum tot de bekende Nederlanders. Voor hém liep zelfs heel Milaan uit. Piet van der Veer, uit Rotterdam, als jochie begonnen bij zijn oom in de hoefsmederij, waar aan het hete vuur en aambeeld het lijf gestaald werd. Voor Pietje, groot, sterk, geen voetballoopbaan bij Feyenoord of Sparta. Piet deed het enige dat je met zo’n lijf kon en moest doen: hij werd bokser. En geen slechte. De voormalige hoefsmid was tussen 1919 en 1933 ongeslagen kampioen van Nederland. Rotterdamse Piet vocht zich omhoog tot de Europese top. Piet, wist zelf niet hoe sterk hij wel was. De man, behept met een minderwaardigheidscomplex zo groot als de Willemsbrug, had goud in zijn vuisten. Maar op de beslissende momenten liet zijn lef hem in de steek. Kansen genoeg gehad. Amerika lonkte voor hem, maar Piet had niet de moed om zijn geliefde Rotterdam in de steek te laten. Waarom zou hij ook? De zwaargewicht kreeg in het ‘oude continent’ kansen genoeg. Zoals in het voorjaar van 1923. Piet van der Veer ging voor een smak geld om de Europese titel knokken. Tegenstander Erminio Spalla en het gevecht, over twintig ronden, was afgesloten in Milaan. Het spektakel vond in alles behalve een achterafzaaltje plaats. Nadat Van der Veer gecontracteerd was, liep het storm op de toegangskaarten. Meer dan vijftigduizend kaartjes tussen de vijf- en vijfhonderd lire waren binnen een dag verkocht. Piet van der Veer, de Rotterdamse reus, was allesbehalve een ‘weggooier’. Boksminnend Italië sidderde. De voormalige smid afkomstig uit het land van dominees en kruideniers, moet raar opgekeken hebben in Milaan, waar met Latijnse hartstocht reclame gemaakt werd voor het komende gevecht. In alle winkels en op billboards stond het konterfeitsel van Piet. Om Spalla, een sergeant in het fascistenleger, te steunen kregen boksliefhebbers vanuit de provincie veertig procent korting op hun treinkaartje. De Italiaanse koning, niet bij het gevecht aanwezig, liet zich niet alleen iedere ronde op de hoogte houden maar liet zich wel vertegenwoordigen door zijn zoon. Van der Veer versus Spalla. Goed voor een uitverkocht stadion met aan de ring prinsen, ministers maar ook minister-president én fascistenleider Benito Mussolini. De laatste, in gezelschap van zijn zwarthemden, gaf ongetwijfeld de doorslag voor de komende nederlaag van Piet van der Veer. Het gevecht waarin Van der Veer op punten voor stond, werd uiteindelijk door een dubieuze beslissing van de Belgische scheidsrechter beslist in het voordeel van Spalla. Volgens de journalist van de NRC was de scheids duidelijk ‘onder de indruk van de blikken van Mussolini’. Van der Veer, eenmaal zijn bokshandschoenen opgehangen aan de muur had zijn zwaar bevochten centjes belegd in een kroeg op het Pijnackerplein, waar hij tot lengte van dagen onbekommerd oud had kunnen worden. Maar daar staken de moffen in de meidagen van 1940 een Duits stokje voor. Tijdens het bombardement ging de kroeg van Piet in het inferno ten onder. Geknakt en verbitterd stierf de voormalige Rotterdamse held in 1947 op tweeënvijftigjarige leeftijd. Foto 1: Milaan 1923, het duel tussen Van der Veer, links en Spalla om de Europese titel. Foto 2: Van der Veer.
Bron: onder andere NRC jaargang 1923, Sportief jaargang 1947.
Het lijk was al ingenaaid in zeildoek. Een zeemansgraf lonkte. Nog even en hij ging, met een één, twee, drie in godsnaam, overboord. De kapitein van de stomer Saxonia, het gebedenboek al in de hand, liet zich tóch vermurwen. Probeer maar eens de smeekbedes van een mooie, jonge en diepbedroefde weduwe te weerstaan. Van haar geliefde kon ze geen afscheid nemen. Jimmy Michael ging niet midden op de Atlantische Oceaan overboord. Waarom zou die ook. De man was geen zeebonk maar een gewezen wereldkampioen stayeren, en die behoren in een graf te rusten. Jimmy Michael, klein van stuk, een dreumes, een kereltje van niks. Moest met harde wind lood in zijn zakken stoppen anders ging hij de lucht in. Jimmy, met zijn anderhalve meter amper boven de tafel uit komend, mocht dan klein zijn maar had wel hét ultieme lijfje om achter een zware motor te razen. De kleine stayer, afkomstig uit Wales, had talent, won en verdiende geld als water in de Theems. Michaels, met de bijnaam the Little Welshman, of zoals in Duitsland der Wunderknabe aus Wales, werd in 1897 de eerste wereldkampioen stayeren. De kampioen, een vet contract opzak van de Gladiator fietsenfabriek was een man die niet alleen hard kon fietsen maar hij had ook een visie. Der Wunderknabe ging namelijk voor zekerheid en nam soigneur én trainer Choppy Wartburton in dienst. Choppy, pionier op gebied van de dope, ging samen met zijn poulain de wielerbanen in Europa bestormen. Gigantische bedragen werden op de rekening van de Welshman bijgeschreven. Voor negen races ving Jimmy bijna twintigduizend dollar. Ook in Londen was de Wunderknabe te bewonderen. In een race tegen lokale favoriet Charley Barden had Choppy met de inhoud van een geheimzinnige flacon, zijn jongen op scherp gezet. Little Jimmy, schuim op de lippen, vloog er direct in en knalde vervolgens tegen de motor en maakte een flinke kukel. Jimmy Michael, tjokvol met Choppy’s lugubere elixer pakte zijn karretje op en vertrok als een razende: tegen de rijrichting is. Voor het massaal opgekomen Londense publiek, niet achterlijk, het sein om massaal ‘dope, dope’ te scanderen. De kleine stayer, een simpelman van amper drieëntwintig jaar, niet veel gewend, ontdekte de paarden én het gokken: en was binnen een jaar platzak. Om zijn banksaldo op te vijzelen restte voor de ex-kampioen maar één ding: weer in training gaan. Achter gangmaker Reimers werden op de Berlijnse Friedenaubaan lange dagen gemaakt. De ex-kampioen raakte in vorm en kreeg contracten voor Amerika. En dan gebeurde het onvermijdelijke: Jimmy Michael, zonder helm én met tachtig in het uur, maakt een gruwelijke smakkert. Met een barst in zijn schedel en vreselijke hoofdpijnen scheept Michael met zijn vrouw, een paar weken later, in op de Saxonia: bestemming New York. Gekweld door chronische hoofdpijnen, grijpt Michael naar de fles en zuipt zich lam: met de dood tot gevolg. Jimmy Michael, zevenentwintig geworden, werd begraven op het Greenwood Cemetery in New York.
Foto1: Jimmy Michael achter gangmaker Reimers, foto 2: Het Gouden Wiel van Friedenau 1903, v.l.n.r. Robl, Bouhours, Ryser, Michael en Görnemann. Een foto met een heel sinister gehalte. Binnen een aantal jaren vonden vier van de vijf de dood. Alfred Görnemann, viel in oktober 1903 als eerste dood. De rest volgde binnen een aantal jaar. Alleen Bouhours stierf als bejaarde tussen de witte lakens. Foto 3: Het graf van Jimmy Michael, geschonken door fans, vijfenveertig jaar na zijn dood. Mooi gebaar ware het niet dat Jimmy’s naam verkeerd gespeld is.
Dat was even een goede investering! Jan Mulder, aanwezig op de wereldtentoonstelling in Parijs, kocht daar voor zestienhonderd piek, een quintyplette, een vijfmanstandem. Een smak geld in 1895, maar dan had je wél wat. En Jan, bijgenaamd De Houte, wist wel waar hij zijn karretje mee ging bemannen. Mulder kende nog wel wat jongens. Van die ruwe onbehouwen knapen waar je een blokkie voor omliep. Mannen net zo wild als Jan en dagelijks te vinden op de wielerbaan achter het Rijksmuseum. De beruchte quint-Mulder was een feit, met Jan, – want het was mooi wél zijn karretje – aan het stuur. Achter Jans kont Dirk van den Berg, Jan van der Tuyn, Jan Slesker, en Piet Dickentman. Wedstrijden tussen quinten? Spektakel verzekerd. Vlogen ze niet de baan uit dan was er wel knokken na afloop. Zoals tegen de quint van Italië. Italianen en sport, een explosieve combinatie. Het was maar een héél klein zwiepertje die de Houte met zijn jongens uitdeelde. Genoeg om de complete squadra in één klap te elimineren. Nadat de houtsplinters uit Italiaanse ledematen waren gepulkt ging stuurman Parmac verhaal halen: met een mes in de handen. Dirk van den Berg, een gewezen worstelkampioen, keek ‘per ongeluk’ even de andere kant uit. Het was Dickentman die de rel wist te sussen. Voor quint-Mulder werd Nederland te klein. Jan en zijn rebellenclub gingen voor het grotere werk, want geld, naar Duitsland. In Charlottenburg bij Berlijn werd een flatje gevonden: en wat hadden ze dáár gelachen, vertelde Slesker vijftig jaar na dato in het blad Sportief. Maar er werd ook iedere dag hard getraind op de Friedenaubaan. Vanuit Berlin werd heel Europa bestreken. Quint-Mulder, wat staat voor vijf bravourejongens, verdiende geld als water. De gangmaakmotor was nog maar net uitgevonden. Behalve koersen tegen andere vijftallen fungeerde de quint ook als levende gangmaking. Voor niks gaat de zon op en gratis kan je ook nog ‘s in de sloot pissen. Wilde je als profrenner achter Jan en consorten rijden dan moest de portemonnee open. Honderd mark rekende Mulder voor een paar sprintjes aantrekken. Een financiële klapper werd gemaakt in Hamburg waar behalve wedstrijden voor quinten de stayerskoers over honderd kilometer het hoofdnummer was. Constant Huret, wereldkampioen stayeren was dé publiekstrekker. Huret had wél een groot probleem: zijn motor was niet gearriveerd, die stond ergens op één of ander treinperron. Of de quint-Mulder niet als gangmaker wilde fungeren. Voor twaalfhonderd goudmark ging Jan akkoord. ‘We hebben die Huret honderd kilometer laten jakkeren. Hij werd tweede’, verteld de inmiddels bejaarde Slesker in 1949 aan Sportief. Nadat Piet Dickentman in 1899 de overstap maakte naar de zojuist ingevoerde zware motor, was het tijdperk van de vijfzitter voorbij. En de beroemde quint zelf? Die heeft tot diep in de jaren zeventig van de vorige eeuw in de catacomben van het Olympisch Stadion liggen te verstoffen om opeens spoorloos te verdwijnen. Hoogstwaarschijnlijk in de container gegooid.
Foto 1: De quint-Mulder, v.l.n.r. Jan Mulder, Jan Slesker, Jan van der Tuyn, Dirk van den Berg en Piet Dickentman. Foto 2: Constant Huret in 1898 achter de motor.
Pervitin! De Führer aller Duitsers werd er dagelijks mee volgepompt. Maar ook zijn troepen lusten er pap van. Razend populair aan het Oostfront, want in moordend tempo marcherend van Berlijn naar de poorten van Moskou: en terug. Pervitin, een methylamfetaminepreparaat, vlijmscherpe stimulantia. Had wél wat nadelen: werd de gebruiker niet knettergek dan spoot de agressie wel uit z’n oren. Na de capitulatie kwamen de oorlogsvoorraden op de vrije markt. En daar wisten ze in de sport wel raad mee. En nee, niet alleen wielrenners. Ook in het voetbal waren er liefhebbers, om precies te zijn, de trainers. Je moest er toch niet aan denken, om zo’n gedrogeerde stopperspil, tjokvol Pervitin, de bal door de benen te spelen. Doodeng. Zo’n kerel was zich zelf niet. Een moordmachine op van die staalharde ouwerwetse kicksen. Een doodschop lag op de loer. In de kleedkamer vlak voor de wedstrijd hadden onvergetelijke wedstrijdbesprekingen plaats gevonden. Waar met een, ‘jongens, even de mouwen omhoog dan krijgen jullie van trainer een prikje’, de letterlijke, peptalk afgesloten werd. De mannen hadden er dan duidelijk zin in. Schuimbekkend, met knetterende haarwortels en ogen op steeltjes werd met de warming-up begonnen. Op de voetbalvelden anno 1952 moeten vreselijke dingen zijn gebeurd. Zo erg dat de KNVB zich ernstige zorgen maakte. Volgens de geijkte mores werd er een ‘medische commissie’ in het leven geroepen. Met dokter Jan Thomee als voorzitter. Thomee, zo’n ouwerwetse medische rukker die geen tegenspraak duldde, was voor de Eerste Wereldoorlog zelf voetbalinternational. En nu maakte Jan, met de bijnaam Het Kanon, zich ernstige zorgen. Niet zo zeer om de Pervitin. Dat vond hij, stiekem, wel fijn spul. In het blad Sportief liet hij weten dat tijdens de oorlog de illegaliteit daar dankbaar gebruikt van maakte. Volgens Jan, die voor de knokploegen de recepten uitschreef, was er niets aan het handje. Want bij de jongens en meiden van de ondergrondse ging het volgens hem om ‘geestelijke arbeid’. Maar om nou lekker gedrogeerd achter een bal aan te rennen dat ging bij Jan een straatje te ver. Het moest wel eerlijk sport blijven. In Sportief geeft Jan Thomee, voor zijn lezertjes even een college, en somt de nadelen van het pepmiddel op. Volgens hem waren voor het amfetaminepreparaat heel goede alternatieven. Dokter Kanon, de man die de knokploegen ‘op scherp’ zette, komt met heftige middelen op de proppen zoals een kopje koffie, of ‘n tabletje vitamine C, suikerklontjes, schijfjes citroen dan wel sinaasappel. ‘Verraad’, roept Jan voor wie de oorlog in 1952 nog duidelijk niet afgelopen is, op de vraag hoe de bond van het dopegebruik wist. Thomee wist wel waar de kneep zat. Spelers die bonje kregen met de trainer waren de klokkenluiders. Hoewel meer dan zestig jaar geleden doet dat laatste ergens aan denken…
Na een jaar speuren en onderzoek verschijnt, zo’n drie jaar geleden, het boek‘Flirt met de Dood’, de biografie van Piet Dickentman, stayer en Amsterdams allereerste internationale sportheld. Het verhaal vertoont wat ‘witte vlekken’, feiten waar, na bijna een eeuw, niet meer achter te komen was. Stuyfssportverhalen, hartstochtelijk verzamelaar van oeroude geïllustreerde sporttijdschriften scoorde, afgelopen tijd diverse meer dan tachtig jaar oude jaargangen en ontdekte daarin totaal onbekende feiten én foto’s van Mokums allereerste wereldkampioen. De lezers en vaste bezoekers willen we dat niet onthouden…
Eerst met eigen ogen zien, dán geloven. Hoewel de sportpagina’s ronkten van verbazing en bewondering, liet Joris van den Bergh, nestor van de vaderlandse sportjournalistiek, zich geen oor aannaaien. Ook voor Van den Bergh is een wielrenner van bijna vijftig jaar vér over de houdbaarheidsdatum heen. Die kan geen platte prijs meer rijden. Maar niet Piet Dickentman. Ondanks de kille biologische feiten koerste Ouwe Piet, zoals hij inmiddels in de pers genoemd werd, in Duitsland op het scherpst van de snede. Nadat Dickentman op de Keulse wielerbaan weer eens de rol van de gangmaakmotor had laten schroeien, stonden de zeitungs versteld. De woordjes ‘oud’ en ‘nog zó fit’ duikelden over elkaar heen. Joris van den Bergh, medewerker van het blad Sport Echo, wilde dat zelf zien en bezocht, augustus 1927, de Rijswijkse wielerbaan, voor een stayerskoers met Leene, Schlebaum, Blekemolen én Dickentman. ‘Met droge tanige benen, waar de knapste darmenschraper nog geen druppel vet uit weet te halen, draaide hij als in zijn jeugd. Zijn enkels, knieën en heupen waren best gesmeerd’, noteert de journalist, lichtelijk verbaast. Van den Bergh een man van de harde cijfers, hield zijn stopwatch daarbij goed in de gaten. Zag dat Dickentman, ondanks een harde wind, rondjes maakte met ruim tachtig in het uur. Wat hem deed uitroepen dat ‘de Oude kraai nog best vliegt’. Dickentman, geen seconde van de rol, sabelde en ranselde zijn tegenstanders, renners, twintig jaar jonger, neer. Om te vervolgen dat de Amsterdammer na zijn laatste rondje door een menigte bewonderaars werd opgevangen. Van den Bergh liet er geen gras over groeien, stond vlak naast de voormalige wereldkampioen en constateerde dat Piets ademhaling ‘zo rustig en regelmatig was alsof hij een paar proefrondjes gereden had’. ‘Die ouwe knar lapt ‘t ‘m toch maar’, om te vervolgen dat de Amsterdammer stukken beter rijdt dan zijn laatste vijf jaar. Voor Piet Dickentman, negenenveertig jaar, was zijn vorm geen verrassing. Nooit had hij in zijn lange carrière zó serieus geleefd en getraind, onthult hij in de Sport Echo. Iedere dag, zomer en winter, mooi of slecht weer, ging de Amsterdammer de weg op. ‘Ik heb ervan het jaar ook zo bliksems veel plezier in’, verklapt Piet. Joris van den Bergh, liet blijken waar zijn sympathie lag. De man was duidelijk een fan want schrijft vervolgens dat hij ‘Dickentman liever had gezien in een kasteeltje in Wassenaar of Bloemendaal’, refererend aan Dickentmans, door de Eerste Wereldoorlog, verloren kapitaal. Een jaar later stapte Amsterdams allereerste internationale sportheld én wereldkampioen definitief van zijn fiets en opende niet veel later een fietsenzaak in de Amsterdamse Scheldestraat.
Wordt vervolgd.
Foto 1: Dickentman na zijn gewonnen race in Rijswijk. Foto 2: De winter van 1926, stayerskoers in het sportpaleis van Brussel. Foto 3: Links Leene, Schlebaum, Blekemolen en Piet Dickentman.
Op het ijs het trotse bestuur. Aan de poort hun handlanger, Karel van Staden. Welkom bij de Amsterdamse IJsclub achter het Rijksmuseum. Dat ijspret rangen en standen doet wegvallen, is hoogst twijfelachtig. Zeker niet in het Amsterdam van rond 1900. Want wilde je zwieren en zwaaien op het Museumplein, dan moest eerst de portemonnee getrokken worden. Ruim zeven piek was de jaarcontributie: alleen opgebracht door de welgestelde. De gemiddelde Amsterdammer, thuis een hok met kinderen, kon dat niet missen en mocht glijden op de grachten en vijvers. Vorst, ijs en schaatsen. Eeuwenlang de ideale combinatie voor een collectieve vorm van nationale idioterie. Dobberden met een beetje vorst de eenden nog in de grachten, op de baan achter het Rijksmuseum lag er dan een ijsvloer. Voor de elite hét sein om de doorlopers onder te binden. En wat hadden ze een leut. Vooral in de avond. Bij het ‘feestelijke’ licht van vetpotten, lampions en Bengaals vuur heimelijk de meiden bij hun kont pakken. Onderwijl vermaakt ‘met leuke deunen’ van de Prinsesse Harmonie onder leiding van dirigent Haut, wat altijd fijn was. Het sportieve proletariaat mocht toekijken. Buiten de hekken wel te verstaan. Verschil moet er zijn. Het bestuur van de ijsclub, mannen met bolhoeden, streeppakken én knettervesten voorzien van gouden horlogeketting, behoefde zich geen zorg te maken om clandestien naar binnen geglipt gepeupel. Daar zorgde Karel van Staden wel voor. Karel, de ideale handlanger van de bourgeoisie, stond namelijk aan de toegangspoort. Van Staden, net zo hardvochtig als het door hem te bewaken ijs, was de schrik van schaatsend en arm Amsterdam. Van Staden, door zijn baasjes benoemd tot ‘chef der bedienden’ zat daar niet mee. Sterker, de chef was trots op zijn Judasbestaan. ‘Ik heb er al heel wat gesnapt, en uit het gat van de deur geschopt’, vertelt hij glunderend aan Het Nieuws van den Dag. Niet alleen clandestiene schaatsers maakte hij het leven zuur. Ook fotografen. Was er een wedstrijd, zoals het wereldkampioenschap in 1892, en kwam het journaille massaal, dan was het feldwebel Van Staden die wel even ging uitmaken waar de fotografen mochten staan. ‘Menig brutale kiek-kast-held had ik tot de orde geroepen’, lult hij in de krant. God weet wat voor schitterende actiefoto’s hij van Jaap Eden, daarmee om zeep had geholpen. Na een winters schrikbewind van vijfentwintig jaar werd de helse poortwachter in 1915, in het clubhuis van de ijsclub verwacht. Karel werd gehuldigd. Achter de bestuurstafel het voltallige bestuur. Staand, als een kwispelende kwijlpoedel, de jubilaris. Na een aantal ongetwijfeld niet gemeende woorden kreeg Van Staden een envelopje met inhoud. Wat de Revue der Sporten deed uitroepen dat het ‘Voor den grijzen kerel wel een onvergetelijk moment zal zijn geweest.’ Anders voor menig Amsterdammer wel.
Foto 1: Toegangspoort van de ijsbaan Museumplein. Rechts Van Staden, Foto 2: de ijsbaan op het Museumplein, foto 3: Huldiging van Van Staden.
Bron: Nieuws van den Dag jaargang 1915, Jubileumboek Amsterdamse IJsclub uitgegeven in 1914, Revue der Sporten.
Wrakkige, houten, spartaans aandoende stadionnetjes die niet eens die naam verdienden. Kippenhokken voor hooguit een paar duizend man, waar de timmerman, om de boel overeind te houden, overuren draaide. Niet alleen op de wielerbaan of het veld was het afzien. Op de tribunes werd ook geleden. Voor een bezoeker was het maar de vraag of hij of zij heelhuids het einde haalde. Dat was de sportbeleving in Nederland zo’n eeuw geleden. Sport! Een hoogstverdachte aangelegenheid, waar vooral geen cent aan gespendeerd mocht worden. En wee die sporter die zijn kop boven het maaiveld uitstak. Met goedkeuring van de dominee werd die er onmiddellijk afgehakt. ‘Doe maar gewoon…’, dat soort hypocriete, moralistische geleuter. Nee, dan in Amerika. Mijlenver vooruit! Voor Charles Plaat, redacteur van de Revue der Sporten was het dan ook een cultuurschok. Het is Zaterdagmiddag 15 april 1912, als de man aanwezig is in New York bij wat nu de Amerikaanse World Series zijn. Superlatieven waren niet aan te slepen. Voor Charles begon het voorspel op weg naar het Polo Grounds stadium, thuisbastion van honkbalclub TheGiants. Verbijsterd constateerde hij ‘drommen menschen die zich in hordes naar het stadion begaven’. Om te vervolgen dat het heel gewoon is dat Newyorkse werkgevers hun employés een uur eerder vrij gaven om de the ballgame bij te wonen. Plaat kreeg ongetwijfeld spontaan natte plekken in zijn lange onderbroek bij het betreden van het stadion. Zoiets kolossaal had de man nog nooit gezien. ‘Prachtige dubbel-decked ijzeren tribunes met menschenmassa’s waar wij in de Oude Wereld geen begrip van hebben’, noteert hij ijverig. Na een korte uiteenzetting over het basebalspel en de match Giants versus theAthletics, beschrijft hij tot in detail de opkomst van de teams. Vooral het fenomeen ‘mascotte’ krijgt zijn aandacht. Anno nu beschikt iedere zichzelf serieus nemende vaderlandse basket- en honkbalclub over een mascotte. De laatste, één of andere kneus die zich in een mal schuimrubber pak hijst en de hele wedstrijd ‘leuk’ is met infantiel en irritant vermaak. In 1912 beschikte men niet over zo’n pak. Dát probleem werd door the Athletics creatief opgelost. De opkomst van het baseballteam de Athletics, met hún mascotte, (zie foto) wordt door Plaat fijntjes beschreven. Enfin voor bultenaren waren dat nog eens gouden tijden. Kom daar nu eens om.
Foto 1: De opkomst van the Athletics uit Philadelphia. Foto 2: De in de jaren vijftig gesloopte Polo Ground, Foto 3: De wrakkige Amsterdamse wielerbaan na een klein storm.
En toen brak de hel los! Gevolgd door een fikse kloppartij. Plaats van handeling: de Scheveningse wielerbaan, met de Grote Nat-Butler Prijs, een stayerskoers over drie manches. Met in de hoofdrol Piet van Nek, Jimmy Moran en Bobby Walthour. De twee laatste beruchte, spijkerharde renners uit Amerika. Kerels die niet vies waren van onoirbare praktijken. Walthour en Moran op tournee langs de Europese wielerbanen. Een paar weken voor ‘Scheveningen’ waren ze de publiekstrekkers in Parijs. In de Lichtstad streden de Janken mee om het Winterkampioenschap, een prestigieuze stayerskoers over honderd kilometer. Jimmy Moran, gemene kop, een nachtmerrie als je dochter daarmee thuis kwam, ontsnapte in het Parijse sportpaleis maar net aan de dood, want maakte een verschrikkelijke val. Maar nu, 28 mei 1912, stonden ze aan de start in Scheveningen. Voor de Janken had de baandirectie een smak geld uitgetrokken. Piet van Nek mocht voor een grijpstuiver het programma opvullen. Moran en Walthour, het Haagje was er voor uitgelopen. De tribunes mudjevol. Het werd een middagje topsport afgesloten met een potje rellen en dellen met de politie. Wat valt er voor een Haagse sportliefhebber nog meer te wensen? Maar eerst was daar de Grote Nat Butler-Prijs. Dat er onderlinge afspraken waren is zeker. Piet van Nek, als genoegdoening voor zijn ongetwijfeld lullige startgeld, moest winnen, goedschiks of kwaadschiks. Een oekaze die door Van Neks gangmaker Käser letterlijk werd opgevat. De eerste manche verliep als het geheime scenario want Amsterdamse Piet won. Dan sluipt de spanning het stadion binnen. Tweede manche. Opgejaagd door Van Nek/Käser, kijkt gangmaker Lauthier iéts te lang achterom. Met ruim tachtig in het uur klapt zijn motor tegen de balustrade. Motor en gangmakers stuiteren als losse projectielen over het hout. Moran, meerdere keren meegedaan aan de levensgevaarlijke Newyorkse Zesdaagse, weet er nét omheen te vliegen. Na een ingezwachtelde Lauthier weer op de motor geholpen te hebben begint de finale. Walthour, bijgenaamd de Vliegende Jank, was niet van plan om voor een volle bak af te gaan. Bobby reed iets te hard. Dat was gangmaker Käser, een mof, niet ontgaan. De laatste gaf, in volle snelheid, Walthour een flinke beuk: gezien door het publiek. Na de huldiging van winnaar Van Nek, diende Bobby bij de jury een protest in. Afgewezen! Wat meteen het startsein was voor een matpartij. De Amerikaan, ‘over de kook’, volgens Het Nieuws van den Dag, dook direct stompend op de Duitse gangmaker. Het publiek, getuige van het incident, klom massaal over de hekken, en stak ook een handje uit. Toegesnelde agenten konden met de grootste moeite, want de lange lat, de orde handhaven. Uiteindelijk moest Walthour veertig jaar wachten op revanche. Twee jaar later, in 1914, verongelukte Piet van Nek, 28 jaar, op de baan van Leipzig. Walthour meldde zich in de Grote Stayershemel op zeventigjarige leeftijd. Foto 1: Jim Moran, Foto 2: Links Van Nek, Moran en Walthour, Foto 3: Winterkampioenschap van Parijs, tweede van links Moran, gevolgd door Walthour.
Bron: De Revue der Sporten jaargangen 1911 en 1912, Het Nieuws van den Dag jaargang 1912.