Het oude schip zonk uiteindelijk

Een schok! Een slag voor het blanke ras. Een Afro-Amerikaan die de wereldtitel greep bij de zwaargewichten.  Jack Johnson won als eerste zwarte, in 1908  de wereldtitel bij de zwaargewichten. Een titel voorbehouden aan  de ‘witte man’.  Jack Johnson de vleesgeworden nachtmerrie van het  ‘diepe donkere zuiden’ en ander racistisch  Amerika. Nadat de klap verwerkt was, werd gepoogd ‘om de waardigheid van het blanke ras tegen den negerbokser te redden’, zoals de Amerikaanse kranten schreven. Een zoektocht naar een blanke uitdager werd gestart: Jim Jeffries was de uitverkorene.
Jim, granieten kin, ijzeren conditie. Hield er een straf trainingsschema op na. Werd wereldkampioen bij de zwaargewichten in zijn dertiende partij. Sloeg tijdens een titelgevecht binnen vijfenvijftig seconden een tegenstander knock-out,  ging zelf nóóit neer, en als extraatje brak hij bij meerdere tegenstanders de ribben. Maar dat was verleden tijd. Want Jim Jeffries was al zes jaar met pensioen.
Gelokt door een enorme publieke druk én  een gigantisch zak gevuld met veertigduizend dollars haalde  de the Great White Hope’ zoals de hele Amerikaanse sportpers hem noemde, zijn bokshandschoenen van de muur.  Foute beslissing. Dat begon bij Jim zelf ook langzaam te dagen.  Jeffries, zes jaar op de veranda van zijn boerderij gezeten, kaal en dik geworden leek hij in niets meer op het gespierde blok graniet van voorheen.


Het komende gevecht Jeffries-Johnson beheerste de kranten van de oost tot de westkust.  Amerika stond op zijn kop, en Jeffries onder druk. De man kreeg, wat ze nu noemen, last van stress. The Great White Hope, geen racist, had als vaste sparringpartner de zwarte Bob Armstrong, was  totaal uit vorm, veertig kilo  te zwaar, en miste de scherpte en de reflexen. Jim begon met de moed der wanhoop te trainen.
Het gevecht, vijfenveertig ronden van drie minuten werd gepland op vier juli 1910 en vond plaats in Reno, Nevada. Een frontierstadje net bekomen van de wildwestperiode, werd overspoeld met dertigduizend liefhebbers. Voor een afstraffing van een zwarte bokser moest je als witte liefhebber iets over hebben. De kaartjes kosten tussen de  vijfentwintig en  tweehonderd dollar. In een zinderende hitte wist de blanke hoop de eerste ronden partij te geven.  Tot de vierde ronde. Na een vreselijke ‘hoek’ geïncasseerd te hebben, zag  Johnson een vreemde blik in de ogen van Jeffries. ‘Het oude schip was aan het zinken’, verklaarde Johnson, poëtisch  tegen de New York Times.  In de vijftiende ronde maakte Jack het karwei af, en zag  Jim Jeffries voor het eerst de canvasvloer van dichtbij. Met wankele benen stond de voormalige kampioen op. Voor zijn manager een rede om de handdoek in de ring te werpen.  Een afgang werd Jim Jeffries  bespaard.
Volgende maand is het precies zestig jaar geleden dat Jim Jeffries, op bijna achtenzeventigjarige leeftijd, definitief knock-out ging. In 1990 werd hij opgenomen in de International Boxing Hall of Fame.

Foto 1: Jim Jeffries in volle glorie, Foto 2: The Great White Hope versus de nachtmerrie van blank Amerika. Foto 3: Het oude schip lijdt schipbreuk.
Bron: Boxing Record, New York Times, digitale jaargang 1910, Sportief, Wikipedia, Eric van Oostrom.

Belgische sinjeur slachtoffer van moordaanslag

janvangendlettertStront aan de knikker. Of beter gezegd moordaanslagen. De getuigen, een paar duizend man, zaten daar niet écht mee. Die beleefde een mieters fijne zondagmiddag. Terwijl elders van de kansel gepredikt werd dat sport voor de goddelozen is, werd dat op de Zeeburgbaan maar even mooi in praktijk gebracht.  De verdachten? Twee stayers én hun gangmakers. En wat een lullige stayerskoers over drie manches moest worden, veranderde in onvervalste horror, waarbij de  ‘ohhh’s’ en ‘aahhhhs’ verlekkerd door het stadion galmden. De aanleiding? Een losgelaten helm. Gebeurde in de laatste manche.
Zondag 27 juni 1915, koersdag op de Amsterdamse Zeeburgbaan. Op het programma een stayerskoers voor twee renners. Niks aan het handje. Rechttoe, rechtaan. Maar niet als die Jan van Gendt aan de start staat. Van Gendt een begenadigd stayer maar ook een recidivist met losse handjes. Jan, een half gare, zat er niet mee om in volle snelheid, een tegenstander een muilpeer te verkopen. Twee  jaar eerder  op dezelfde baan was het ook knokken. Van Gendt tegen Piet Van Nek. De arme Van Nek kreeg later nooit zijn revanche. De man lag al een jaar in zijn graf op Het Nieuwe Ooster; doodgevallen in Leipzig. Nu was Leon Vanderstuyft slachtoffer. Leon, een asielzoeker avant la lettre. Vluchtte  als Belg tijdens de Eerste Wereldoorlog naar Nederland. De simpele Leon, niet alleen vluchteling maar ook stayer. Kreeg een leuk contract voor ‘Zeeburg’: wat hem nog lang zal heugen. leonvanderstuyft
De derde manche. Voor Leon lag winst in het verschiet maar werd in de finale voorbijgegaan door Van Gendt. De Vlaming, het trukenboek perfect beheersend, verloor prompt  ‘per ongeluk’ zijn helm. Het publiek, met een feilloos gevoel voor latente sensatie, koos luidkeels partij voor Vanderstuyft. De koers werd afgeschoten en opnieuw gestart.  Dan gaan er opwindende zaken gebeuren. Het Amsterdamse volk, liefhebbers van een lekker rel, zit direct op scherp.  Met ‘tachtig’ achter de motor kan Van Gendt zich namelijk niet beheersen. De man pleegt een regelrechte moordaanslag door de naast hem rijdende Belg te snijden. Vanderstuyft valt en schuift meters over het Zeeburgse hout. Bij gangmaker  Wronker slaan terstond de stoppen door. Met zijn zware Brennabormotor gaat hij achter Van Gendt aan en probeert hem tot twee keer toe aan te rijden.
Terwijl het publiek fijn zat na te sidderen, agenten en juryleden de dolgedraaide Wronker in bedwang hielden, zat de aanwezige journalist van De Telegraaf ijverig te noteren.
wielerbaanzeeburg3‘Het is een schande’, opent hij maandagmorgen met dampende morele verontwaardiging zijn artikel. ‘Gluipersmanieren die de wielersport nog dieper doet zinken.’ Hoewel Van Gendt de aanstichter was kreeg, volgens de allerbeste Telegraafmores, de buitenlander de schuld. ‘De Belgische sinjeur, die blijkbaar de gastvrijheid, welke hij hier geniet, niet naar waarde weet te schatten. Om van het publiek maar niet te spreken.’ Hoogstwaarschijnlijk had het publiek daar lekker schijt aan. En Vanderstuyft? Voor de man lag er nog een mooie carrière in het verschiet, met een wereldtitel in 1922 als hoogtepunt.
Foto 1: Jan van Gendt met zijn equipage. Foto 2: Leon Vanderstuyft, Foto 3: De Zeeburgerwielerbaan.

De kapitein heeft de brug verlaten

lotttipajanDé tip kwam notabene uit Duitsland. En die was goed! Na weken vruchteloos naar nazaten van de sportlegende Piet Dickentman gespeurd te hebben wist iemand uit Berlijn te vertellen  dat  onder de naam ‘Dikkentman’ gezocht moest worden. Raak! Pieter Dikkentman, kleinzoon van de stayerslegende mailde niet veel later een stel volkomen onbekende, prachtige  actiefoto’s van zijn illustere opa. Een kippenvelmoment! Maar de grootste verrassing was dat hij vertelde dat tante Lotti meer wist. Tante Lotti? De dochter van Piet Dickentman? Leeft ze dan nog? Inderdaad! Aan de telefoon klonk een jeugdige stem die allesbehalve bij een dame van over de negentig hoorde. Na een kleine aarzeling die een van een paar dagen  duurde, was ik van harte welkom.
Piet Dickentman dus! Behoorde samen met Jaap Eden  tot dé sportpioniers van dit land. In tegenstelling tot Eden was over Dickentmans leven én carrière niet zóveel bekend. Piet was gewoon vergeten, weggezakt in de sportgeschiedenis. Ten onrechte. De carrière van  Dickentman, (zie: link http://stuyfssportverhalen.com/category/piet-dickentman/) duurde van 1898 tot 1928 en speelde zich voornamelijk af in Duitsland.  Het stayeren bij de oosterburen in de jaarboeken van Radwelt, uitgegeven van 1902 tot en met 1928, werd met gründlichkeit bijgehouden. Pagina’s vol met staatjes, uitslagenlijsten, het aantal gereden koersen. Pas nadat de complete serie Radwelts, héél zeldzaam in één koop, bij een boekenantiquariaat werd gescoord, kon Stuyfssportverhalen de carrière van Dickentman aardig in beeld brengen. Maar hoe zijn maatschappelijk leven eruit zag…Copy of leipzig1
Mevrouw Lotti Dickentman was zo vriendelijk om dát hiaat in te vullen. In haar huis gelegen aan een rustiek polderweggetje, vertelde zij het tot dan onbekende verhaal over haar vader. Het werd een memorabele ochtend. Aan de grote tafel gezeten, met zachte klassieke muziek op de achtergrond, vertelde Lotti het ontroerende, fascinerende, maar ook een dramatische levensloop van Piet Dickentman. Uit alles sprak een heel grote liefde voor haar vader. Na eerst haar op het hart gedrukt te hebben dat ik alleen kwam voor ‘het verhaal’ en nergens anders voor, kwam van mij de vraag of er nog stoffelijke parafernalia waren. Een doos met foto’s, geschreven ansichtkaarten, zijn koersschoentjes en andere documentatiemateriaal werd op tafel gezet.  Een schat.
Maar de allergrootste klapper moest nog komen. Met twee gouden medailles, waarvan ze, zo vertelde Lotti, niet wist waar die bij hoorde. In haar handen rusten dus twee héél belangrijke sportrelikwieën uit onze sportgeschiedenis. De ene medaille was van Piets enige wereldtitel gehaald in 1903 en de ander behoorde bij wat zijn allergrootste overwinning was in bijna dertig jaar stayer: de gouden plak van het Oberweltmeisterschaft in 1910. Piet Dickentman klopte toen de zeven allerbeste stayers, want allemaal gewezen wereldkampioenen, van dát moment.
Copy of pietsdochterNa het uitkomen van ‘Flirt met de Dood’, de biografie over Dickentman, werd via zoon Daan nog regelmatig contact gehouden.
Eergisteren mailde Daan dat zijn moeder afgelopen maandag, rustig is overleden. Lotti Dickentman, ‘een zeer sterke vrouw, een kapitein die zojuist de brug heeft verlaten, is op reis’,  zoals op de rouwkaart staat, werd 93 jaar.

Foto 1: Achterop bij papa Piet. Links gangmaker Jan Slesker. Foto 2: Piet, zojuist de Grote Prijs van Dresden gewonnen schrijft op de voorkant naar zijn dochtertje dat ‘Papa naar huis gaat’. Foto 3: Lotti Dickentman.

 

Kos, blozend en fris achter de motor

alkmaar2012 011Hij is een liefhebber, dat is zeker. En waarschijnlijk ook één van de laatste in een traditie die meer dan honderd jaar terug gaat. Want zoveel stayers kent dit land niet meer. Van die jongens die het gewoon fijn vinden om heel hard achter een motor te fietsen. Of hij een adrenalinejunk is? Uiterlijk niet. Patrick Kos, leuke jongen, frisse, blozende kop, oogt meer als een kaasdrager van de markt in Alkmaar. Patrick, 26 jaar, kwam vorig jaar nog uit voor een Italiaanse ploeg. Maar koersen alléén op de weg…,  aardig, maar voor hem is er meer. Zijn hart ligt bij het stayeren. Dat kan ook niet anders. Als zoon van een vroegere wereldkampioen achter de motor zal dat wel genetisch bepaald zijn.
Een uurtje voor aanvang van het  kampioenschap van Nederland. Relaxed met zijn fiets  op de schouders slentert hij het middenterrein van de wielerbaan op.  Kos, tweevoudig nationaal kampioen en voormalig Europees kampioen knikt naar zijn gangmaker Fack. De wielerbaan van Alkmaar, uniek, prachtig, een aanwinst voor het baanfietsen. Maar om daar nou héél hard achter een motor te rijden. Link, gevaarlijk! Dat is hetzelfde als je kop onder een vallend heiblok te liggen. Je weet dat er ongelukken gaan gebeuren. In ‘Alkmaar’ staat de rol op ruime afstand achter de motor wat de snelheid eruit haalt. Nee, dan in Duitsland. De wielerbanen van Bieleveld en Chemnitz. Kos’ ogen gaan glimmen. Volgens hem echte stayersbanen waar je met zijn vieren naast elkaar kan rijden. En hard hé…! Volle bak, tegen de negentig in het uur.-nkstay-kopom23dec12m3-0461
Opeens gaan de deuren van het sportpaleis open. Om te voorkomen dat toeschouwers in een ijzeren long geschoven moeten worden is er frisse lucht nodig: de motoren komen in de baan. De microfonist, een man die alleen in clichés praat, ratelt de namen van de renners én hun gangmakers op. Favorieten voor Stuyfssportverhalen? Richard Konijn gegangmaakt door Dick de Haas: namen uit de koker van een stripboekauteur. Dan klinkt het startschot.  De renners trekken zich op gang en nemen hun plekje aan de rol in. Het kampioenschap van 2012 is begonnen.
Na een paar ronden draait Fack de gashandel open. In één ruk wordt naar de  tweede plaats gestoomd. En dat was meteen hét laatste wapenfeit van dit kampioenschap. Kos met zijn actie zichzelf opgeblazen, had ronden lang nodig om te herstellen. Belandde zelfs op de derde plaats.
almaarhuldigingMatthé Pronk, soepel uit de heupen fietsend, en getrokken door een Duitse gangmaker, zat op kop en bleef dat. Terwijl de schemer over Alkmaar valt, de microfonist er nog maar een cliché tegen aan gooit sluipt Bob Stöpler naar de tweede plaats. Ook Stöpler sneuvelt, stapt uiteindelijk teleurgesteld af. Achter de latere kampioen Pronk eindigt Kos op de tweede plaats. Derde is de ‘oude’ want drieënveertig jarige,  maar nog niet versleten Raymond Rol.

Foto 1 en 2: Patrick Kos mét Willem Fack. Foto 3: v.l.n.r.  Fack/Kos, Matthé Pronk, gangmaker Bauerlein, Raymond Rol, gangmaker  Dippel 

Al is de leugen nog zo snel, Van Beek achterhaalt hem wel

maasslijmMaas Van Beek, 57 jaar, verbrak vorige maand in Moskou het uurrecord achter de derny. Een prestatie van wereldniveau. Maar wordt volkomen genegeerd. Van Beek heeft één groot nadeel: hij is te oud. De media, nemen hem en zijn record daarom niet serieus. De rode loper bleef opgerold. Terzijde: op het lijstje recordhouders staan voornamelijk de grote namen uit de  wielergeschiedenis.  Zo’n record, eigenlijk om des keizers baard, betekent extra contracten voor renner en gangmaker. En opeens gaat een  fietsende bejaarde er mee van door. Sensatie bij de liefhebbers. Jaloezie bij het ‘metier’. De laatste stelde alles in het werk om Van Beeks record af te pakken. 
Peter Schep, gereputeerde baanprof, werd in stelling gebracht. Schep, nationaal dernykampioen, laatstelijk nog winnaar van de Zesdaagse van Zürich, was de beoogde recordbreker. Tussen de feestdagen in ging Schep, gegangmaakt door Joop Zijlaard, in de aanval. Het uur van de waarheid. Kenners, want inspanningsspecialisten, schetsten een inktzwart en een loodzwaar uur voor Schep. Peter Schep heeft uiteindelijk voor de eer bedankt. Verstandig. De man met een prachtige erelijst had alleen maar te verliezen. Dan begint er  een fascinerend proces. Het boek met roddel en achterklap wordt opengeklapt. Zakken veren en tonnen met pek worden klaargezet. De verdachtmakingen zijn niet van de lucht. Stuyfssportverhalen, aanwezig op het laatst gehouden nationaal kampioenschap derny, werd ongevraagd door een gangmaker aangesproken. Die twijfelde openlijk aan de eerlijke gang van zaken tijdens Maas’ race in  Moskou.rompelberg
Ene Willie, beheerder van een wielersite, heeft ook zo zijn twijfels. Volgens Willie was de aanwezige UCI-functionaris, Martin Bruin, niet voor een ‘bakkie koffie’ meegereisd naar Moskou. Bruin overweegt juridische stappen. Fred Rompelberg, zichzelf de ‘Levende Legende’ noemend, strooide ook een flinke hap zout in de wonde.  Fred,  raasde in 1995 achter een Formule1-racewagen  naar een snelheidsrecord van tweehonderdachtenzestig kilometer. In een mail gestuurd naar alles en iedereen daagde Rompelberg Van Beek uit om dat record aan te vallen.  Rompelberg blufte ook over zijn andere wereldrecords achter de motor en  gevestigd op dezelfde baan in Moskou. Fred, nooit betrapt op enige vorm van bescheidenheid,  vergat er gemakshalve bij te zeggen dat deze records allang uit de boeken zijn gereden. En met de ‘groeten van de allersnelste prof der profs’ sluit de Legende zijn mail af.
rusrecordEn Maas van Beek? Die is getergd tot het merg van zijn botten.  Van Beek gaat volgend jaar zijn eigen record aanvallen. Stuyfssportverhalen geeft hem een goede kans. Zoveel laster en onrecht werkt als de beste doping. Daar kan geen epo-kuur tegen op.  

Wordt vervolgd.

In de catacomben van de Moskouse wielerbaan hangen de plaquettes van de records gebroken op deze baan. Foto 2:  de records van Rompelberg gevestigd op 26-10-1986. Foto 3: Vier maanden later werden Rompelberg’s records uit de boeken gereden.

Pechfee had de pik aan ouwe Fritz

fritzryseramsterdamAmsterdam 1915: stayerskoers op de Zeeburgbaan. Aan de start de jonge Jan van Gendt, een lokale favoriet. Tegenstander een ouwe kerel. Een Iezegrim met een strakke, verzuurde, chagrijnige kop, die  pijn kreeg als hij moest lachen. Geef hem ongelijk. Niemand kende zoveel tegenslag in zijn leven als Fritz Ryser. Het begrip ‘schlemiel’ kleefde aan zijn kont. Alles wat het leven tot een hel kan maken was hem overkomen. De ouwe Fritz Ryser, Zwitser van geboorte, en de vier kruisjes ruim gepasseerd, had als stayer al láng met pensioen moeten zijn. In plaats van  je leven te wagen achter zo’n pokkemotor had hij met een grote pot bier in een kroeg moeten staan, en kletsen over ‘vroeger’. Pijnlijk!
Voor Ryser was het verleden namelijk één groot trauma. Fritz dacht daar maar liever niet aan. Was al erg genoeg dat hij door moest gaan voor het geld.  De leut in het stayeren, áls hij dat al had,  was allang verdwenen. De laatste keer dat er een lach op zijn gezicht stond was zeven jaar eerder.  Fritz Ryser werd toen onverwacht wereldkampioen.  Een vent op wie de  pechfee de pik had,  kan rekenen op sympathie. Met zijn mondiale titel kreeg de Zwitser een  storm van gejuich in stadion en pers. Dat was in augustus 1908. Een lucratieve zegetocht langs de Duitse en Europese wielerbanen stond op punt van beginnen. fritzjozef
Twee weken na zijn sensationele winst begon het gesodemieter. Tijdens de Grote Prijs van Düsseldorf plofte de voorband van zijn gangmaakmotor. Fritz, met negentig in het uur, zeilde millimeters langs de vallende motor. De wereldkampioen  kon het ieder geval nog navertellen. Gangmaker, Jozeph Schwartzer  niet. Verwerk dat maar even.
De ouwe taaie Fritz, in 1900 nog letterlijk  meegestreden in de beruchte Newyorkse zesdaagsen, zette het verstand op nul en vond in Emile Borchhardt een nieuwe trekker.  Emile op de motor, Fritz daarachter, gouden combinatie. Wonnen in het jaar daarop twaalf grote koersen waarbij Ryser meer dan veertigduizend goudmark in zijn zak stak.
fritzryserEn dan is het 18 juli 1909, grote  stayerskoers op de uitverkochte wielerbaan van Spandau.  Wereldkampioen Ryser aan de start. Een uur later verkeerde de  Zwitser in een zware shock. Na een ongeluk vloog Fritz’ gangmaakmotor als een projectiel in het publiek en ontplofte.  Negen toeschouwers kwamen nooit meer thuis, twintig andere waren de rest van hun leven verminkt. Voor  de ouwe stayer, aan het inferno ontsnapt, was dat het laatste zetje.
Fritz, de laatste vier jaar meer dan honderddertigduizend goudmark verdiend, zette het stayeren op een laag pitje en stak zijn marken in  een taxibedrijf. Dat bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog failliet ging. Ryser ging weer fanatiek in training. Een treurig gezicht om de veteraan weer als stayer actief te zien. Hoogstwaarschijnlijk vrat dat aan de voormalige champ.  In 1916 werd hij, getroffen door een hartstilstand,  in zijn Berlijnse appartement dood gevonden. Fritz Ryser, de man van de eeuwige pech, werd drieënveertig jaar.
 Foto 1: De Amsterdamse wielerbaan, links Jan van Gendt, rechts Fritz Ryser. Foto 2: Wereldkampioen Ryser achter Joseph Schwartzer.
Bron: Radwelt jaargang 1902 t/m 1916, Revue der Sporten jaargang 1915, 1916.

Champ stierf als een arme kerkrat

De verhalen bestaan uit vijfhonderd woorden plus drie foto’s. Dat is hét concept van dit blog. Hoewel daar niet van afgeweken wordt  heeft dat wél vervelende consequenties. Uit de leuke, bizarre, ontroerende en schokkende feiten, die Stuyfssportverhalen in zijn archief of ander bronmateriaal opduikt, moet dan een selectie gemaakt worden. Zonde van het  unieke materiaal dat blijft  liggen. Mocht dat in de toekomst gebeuren dan wordt er voortaan een vervolgstukje geplaatst.

Ademloos werden  zijn avonturen gevolgd. Kranten en sportmagazines tussen de Oost én Westkust van Amerika schreven kolommen vol. Van eenvoudige jongen tot bekende supersportheld. Niets zo opportunistisch als ‘de mens’. Tommy Burns, (zie verhaal  hieronder) die zich met harde vuisten letterlijk uit de anonimiteit én de bittere armoede vocht, verdween in de anonimiteit. Tommy, wereldkampioen bij de zwaargewichten, grootverdiener in zijn sport. Vond een  arbeider, anno 1908, wekelijks nog geen vijftig dollar in zijn loonzakje, Burns toucheerde voor zijn partij tegen Jack Johnson dertigduizend dollar. En dat gevecht werd  ook de ouverture voor  zijn  uiteindelijke neergang. Nadat Burns zijn wereldtitel aan een zwarte bokser verloor, kreeg hij heel racistisch Amerika over zich heen. Een deel van zijn grote supportersschare had het over ‘a dark day’, en draaide hem de rug toe. Tommy stond nog sporadisch in de ring.
tommyburnsbordIn 1910 kwam  Burns uit tegen Billy Lang. Billy ging neer. Na nog vier partijen staat  de inmiddels negenendertigjarige Burns in Londen voor de laatste keer in de ring én schijnwerpers. Voor Tommy was het mooi geweest. Zijn zuurverdiende tweehonderdduizend dollars  werden belegd in een kledingimperium en horeca.  Niets bleef de vroegere wereldkampioen bespaard. Na de Wall Street Crash en de daarop volgende Grote Depressie verdampte zijn kapitaal.
Voor Tommy Burns, Canada’s allereerste wereldkampioen zwaargewicht,  had de boksgodin een weg uitgezet die leidde langs de ravijnen van diepe armoede die al  zoveel ex-boksers hadden bewandeld. Na lullige baantjes als bewaker, verzekeringsagent kende de voormalige champ een late roeping. De man die genadeloos was in de ring werd evangelist. Tijdens een kerkdienst, gehouden in 1955, hield zijn grote sporthart op met kloppen.
tommyburnsgrafTommy Burns, arm als de ratten in zijn kerk, kreeg een anoniem graf op het Ocean View Cemetery in de buurt van Vancouver. Op zijn begrafenis waren vier mensen. Zes jaar later. Dankzij een inzamelactie gestart door een sportjournalist met een geweten kreeg Burns een marmeren gedenkplaat op zijn laatste rustplaats. Ook Hanover, het dorpje waar Burns geboren en getogen was, bleef niet achter. In de jaren tachtig werd een groot bronzen bord met Tommy’s palmares onthuld.

Bron: onder andere The Vancouver Sun,  Boxing Record, Wikipedia, Eric van Oostrum.

Verwoestende rechtse én een klein hartje

Twintig jaar stond hij in de ring. En had geen manager nodig. Tommy Burns kende de zakkenvullers in het bokswereldje maar al te goed. Tommy regelde liever zijn eigen zaakjes. Om Burns werd een beetje gegniffeld. Liefhebbers zagen hem als een middelmatige bokser. Ben O’Grady dacht daar íets anders over. Na een gevecht tegen Burns werd Ben dagen later wakker. Tommy Burns, middengewicht, was namelijk een technische puntendrukker, met een verwoestende rechtse. Het gegrinnik verstomde  nadat hij in 1906 onverwachts Marvin Hart versloeg. Hart was dus wereldkampioen zwaargewicht.
Burns, geboren in een blokhut in de buurt van Ontario. Kende een keiharde leerschool. Vocht als zestienjarige prijsvechter voor poen in kroegen en saloons. Bikkelharde Tommy had ook een klein hartje. Burns géén racistische pugilist. Verdedigde blanke wereldkampioenen hun titel  alleen maar tegen rasgenoten,  Burns had daar schijt aan. Tommy, op tournee in Europa, knokte in 1908 ook tegen een joodse bokser. Joseph ‘Jewey’ Smith had de primeur. Tommy, mocht dan wel een vrijdenker zijn maar sloeg evengoed Jewey de oren van zijn hoofd. Ook Indian Joe, een native-Amerikaanse bokser kreeg zijn kans, én op zijn lazer.
Burns, van origine een Frans-Canadees, geboren met de naam Noah Brusso. Veranderde zijn naam in het lekker bekkende Tommy Burns. Met Tommy, gek op geld, viel wel wat te regelen. ‘Philadelphia’ Jack O’Brien voelde dat aan zijn theewater. Jack bood een duizelingwekkend bedrag om van the champ te winnen. Er werden afspraken gemaakt, en het  script doorgenomen. Burns hoefde niet te trainen, verzekerde O’Brien want de laatste zal dat ook niet doen. The Philadelphian, een onzekere man, hield zich niet aan zijn woord, en  trainde zich wezenloos. Boksers, harde kerels maar  kunnen geen geheim voor zich houden. Nadat hij  vernomen had van de stiekem trainende O’Brien, sloeg Tommy Burns  weken lang deuken in de bokszakken. Vlak voor het gevecht, in het midden van de ring, fluisterde Tommy de uitdager in het oor dat hij zijn borst nat kon maken. Jack O’Brien, wit weg getrokken,  kreeg twintig ronden er ongenadig van langs.
De voormalige prizefighter op tournee naar Europa  en Australië, ging zijn titel te gelde maken. Acht uitdagers hadden trek in Tommy én zijn wereldtitel, en bij alle acht ging het licht uit. En toch, toch verloor Burns zijn titel: aan  Jack Johnson een zwarte Amerikaanse zwaargewicht. Tommy Burns gaf als eerste roomwitte bokser een zwarte de kans op de wereldtitel. In Sidney, op 26 december 1908 werd het een beladen gevecht. Johnson, inmiddels twee gebroken ribben, haalde in de veertiende ronde de kop kleinere en lichtere Burns neer. In het met twintigduizend man afgeladen stadion brak de pleuris uit, want een  Afro-Amerikaan die op het punt stond een blanke af te maken. De politie kwam in de ring en staakte het gevecht. Dagen later werd Johnson de wereldtitel toegekend.
Tommy Burns, na zijn bokscarrière predikant, stierf op vierenzeventigjarige leeftijd. In 1996 werd hij ingewijd in de International Boxing Hall of Fame.

Foto: Tommy Burns versus Jack Johnson.
Bron: digitale archief van de New York Times  jaargangen 1904 t/m 1910, Vie au Grand Air jaargang 1908, de site Boxing Records, Wikipedia.

Kasseienstamper eindigt zonder benen

crupelandtTour de France 1910. De allereerste etappe met finish in Roubaix.  En daar ging hij toe slaan. Charles Crupelandt, geboren en getogen in Roubaix, en wist niet beter dan dat een weg bestond uit kinderkopjes. Trainde dagelijks over die tering kasseiweggetjes, waar hij zijn toekomstige ‘kinderbijslag’ sluipenderwijs aan gort reed. Crupelandt, zesdejaars prof met een erelijst zo dik als een anorexiapatiëntje. Stond slechts twee keer na afloop van een koers met bloemen te zwaaien. Maar de winter van 1909 werd orde op zaken gesteld. Geen wijntje noch Trijntje. Ascetisch en hard ging er getraind worden. In storm, regen, hagel en sneeuw over die lege sinistere hellepaden.  Charles had dat er graag voor over. Het alternatief was veel erger want de linnenfabrieken van Roubaix. crupeland
Charles, bijgenaamd De Stier van het Noorden hield woord en won. Een Touretappe winnen, aardig voor de statistieken. Maar wil je als Roubiaxian tot je laatste snik onsterfelijk zijn dan moet er iets anders gebeuren. Parijs-Roubaix winnen bijvoorbeeld.  Charles kende de publicitaire waarde van P-R, wist dat de kranten daar dagen lang van vol stonden. Besefte heel goed wat dat te weeg bracht en dacht met huivering aan de hysterische  toestanden aan de finish waar het leger de mensenmassa onder controle hield.
Voor Crupelandt, groot geworden  met het begrip ‘kassei’, zal het een schandvlek zijn als dié klassieker, niet op zijn erelijst stond. De Stier flikte het kunstje. Liefst twee keer. In 1912 dokkerde Charles over zijn geliefde stenen naar eeuwige roem. Twee jaar later ging hij op herhaling. Met een erelijst waarop vier gewonnen Touretappes, én winst in klassiekers als Parijs-Roubaix en Parijs-Tours, brak de Eerste Wereldoorlog los. Charles Crupelandt vocht mee, toonde heldenmoed. Met een Croix de Guerre één van de hoogste onderscheidingen verliet de voormalige kasseienvreter de loopgraven.
crupelandtkasseiZijn leven krijgt dan een wending waar dramaschrijvers een patent op hebben. Crupelandt, wordt namelijk een tragisch figuur, een soort Job op de mestvaalt. De voormalige kasseienstamper gaat zich  met obscure zaakjes bezig houden, wordt betrapt, verguisd en geschorst door de wielerbond. Er volgt een treurig leven vol kommer en kwel waar de diagnose ‘diabetes’ nog bij kon.  Blind, geamputeerd aan beide benen en straatarm sterft de vroegere wielerheld in een tehuis voor daklozen. Lang na zijn dood krijgt Roubaix’ aller beroemdste wielrenner eindelijk de eer die hij bij zijn leven niet kreeg. De allerlaatste kasseistrook in Parijs-Roubaix is naar hem vernoemd. Charles Crupelandt werd negenenzeventig  jaar.
Bron: Vie au Grand Air jaargangen 1909 t/m 1916. Wikipedia

Sullige Franz kende geen saai leven

Iedere keer weer die dans op de vulkaan. Balanceren op de scheidslijn van  leven en dood. Tientallen jaren je tong uitsteken naar Magere Hein. Dat gaat je opbreken. Hein greep hem dan ook uiteindelijk in de kraag. Franz Hofmann  meldde zich bij zijn Schepper in de volle overtuiging dat hij alles behalve een saai leven geleid had. 
Hofmann, gangmaker. En niet zo maar eentje. Fietsend achter de rug van Franz zat de overwinning voor de helft in de knip. Daar moest je als coureur wél wat voor over hebben. Hofmann, scherp, attent, ambitieus, koerste op het randje van toelaatbare. Waar collega’s even slikten, gaf hij gas bij.  Franz Hofmann,  sullig uiterlijk van een veeboer op zondag, leidde vijf keer een renner naar een wereldtitel. Franz, voormalige fietsenmaker uit Dresden, werd op een septemberdag in 1907 wereldberoemd. Gangmaakte op zijn Brennabormotor de Fransman Guignard naar een wereldrecord van ruim honderd kilometer in een uur. Opgezadeld met de  bijnaam ‘De koning van de gangmakers’, zag hij ook acht van zijn renners doodvallen.  
Der Franzl in 1903 op tournee in de Verenigde Staten. Was betrokken bij het verschrikkelijke ongeluk op de Charles River Track,  een wielerbaan in Massachusetts, waar motoren in het publiek vlogen en het bloed van de wielerbaan droop. Hofmann, populair bij Amerikaanse stayers, gangmaakte onder meer Harry Elkes, Louis Mettling, George Leander, Bobby Walthour en Nat Butler.
Harry, Louis en George, verongelukten achter Franz. De twee laatste, ook regelmatig in het ziekenhuis belandt, hadden de rest van hun lange leven iets om over na te vertellen. Voor de Duitse gangmaker, inmiddels een flinke bankrekening, was het genoeg geweest. De man gaf in 1911 zijn gangmaakmotor een schop en kocht de Olympiawielerbaan in Berlijn.  Adrenalinejunks én het leven van een geranium. Onmogelijke combinatie. Ook voor Franz. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog meldde de gewezen gangmakerskoning zich als piloot bij de Kaiserliche Luftstreitkräfte. De  Dresdenaar had dé tijd van zijn leven. In een tweedekker boven het Westfront de mitrailleurs roodgloeiend laten staan: altijd leuk. Zo lang het duurt. In 1916 werd Franz uit de lucht geschoten.
Voor Hofmann moet dat een waarschuwing zijn geweest. Die hij niet serieus nam. Old Soldiers never die: maar niet heus.  Hofmann, oorlogsveteraan, afscheid genomen van zijn Olympiawielerbaan, haalde de motor uit het vet.
Na een aantal jaren van wisselende succes is het augustus 1926. Franz Hofmann met renner Jules Miquel gecontracteerd voor een stayerskoers op de wielerbaan van Hamborn. Franz, een paar weken daarvoor tijdens een koers in Marseille een ernstig ongeluk gehad, werd met een gebroken onderbeen op de motor gehesen.  De ‘Schrittmacherkönig’, de Dood iets té lang getart, kwam met  negentig in het uur ten val en sloot vier dagen later definitief zijn ogen. Franz Hofmann werd zevenenveertig jaar.

Foto 1: Franz Hofmann met Guignard, Foto 2: Hofmann, Foto 3: De  jongens  van de Keizerlijke Luftwaffe, tweede van rechts Franz Hofmann.
Bron: meerdere jaargangen van Radwelt o.a. 1911, 1922 en 1926.