Al is de leugen nog zo snel, Van Beek achterhaalt hem wel

maasslijmMaas Van Beek, 57 jaar, verbrak vorige maand in Moskou het uurrecord achter de derny. Een prestatie van wereldniveau. Maar wordt volkomen genegeerd. Van Beek heeft één groot nadeel: hij is te oud. De media, nemen hem en zijn record daarom niet serieus. De rode loper bleef opgerold. Terzijde: op het lijstje recordhouders staan voornamelijk de grote namen uit de  wielergeschiedenis.  Zo’n record, eigenlijk om des keizers baard, betekent extra contracten voor renner en gangmaker. En opeens gaat een  fietsende bejaarde er mee van door. Sensatie bij de liefhebbers. Jaloezie bij het ‘metier’. De laatste stelde alles in het werk om Van Beeks record af te pakken. 
Peter Schep, gereputeerde baanprof, werd in stelling gebracht. Schep, nationaal dernykampioen, laatstelijk nog winnaar van de Zesdaagse van Zürich, was de beoogde recordbreker. Tussen de feestdagen in ging Schep, gegangmaakt door Joop Zijlaard, in de aanval. Het uur van de waarheid. Kenners, want inspanningsspecialisten, schetsten een inktzwart en een loodzwaar uur voor Schep. Peter Schep heeft uiteindelijk voor de eer bedankt. Verstandig. De man met een prachtige erelijst had alleen maar te verliezen. Dan begint er  een fascinerend proces. Het boek met roddel en achterklap wordt opengeklapt. Zakken veren en tonnen met pek worden klaargezet. De verdachtmakingen zijn niet van de lucht. Stuyfssportverhalen, aanwezig op het laatst gehouden nationaal kampioenschap derny, werd ongevraagd door een gangmaker aangesproken. Die twijfelde openlijk aan de eerlijke gang van zaken tijdens Maas’ race in  Moskou.rompelberg
Ene Willie, beheerder van een wielersite, heeft ook zo zijn twijfels. Volgens Willie was de aanwezige UCI-functionaris, Martin Bruin, niet voor een ‘bakkie koffie’ meegereisd naar Moskou. Bruin overweegt juridische stappen. Fred Rompelberg, zichzelf de ‘Levende Legende’ noemend, strooide ook een flinke hap zout in de wonde.  Fred,  raasde in 1995 achter een Formule1-racewagen  naar een snelheidsrecord van tweehonderdachtenzestig kilometer. In een mail gestuurd naar alles en iedereen daagde Rompelberg Van Beek uit om dat record aan te vallen.  Rompelberg blufte ook over zijn andere wereldrecords achter de motor en  gevestigd op dezelfde baan in Moskou. Fred, nooit betrapt op enige vorm van bescheidenheid,  vergat er gemakshalve bij te zeggen dat deze records allang uit de boeken zijn gereden. En met de ‘groeten van de allersnelste prof der profs’ sluit de Legende zijn mail af.
rusrecordEn Maas van Beek? Die is getergd tot het merg van zijn botten.  Van Beek gaat volgend jaar zijn eigen record aanvallen. Stuyfssportverhalen geeft hem een goede kans. Zoveel laster en onrecht werkt als de beste doping. Daar kan geen epo-kuur tegen op.  

Wordt vervolgd.

In de catacomben van de Moskouse wielerbaan hangen de plaquettes van de records gebroken op deze baan. Foto 2:  de records van Rompelberg gevestigd op 26-10-1986. Foto 3: Vier maanden later werden Rompelberg’s records uit de boeken gereden.

Pechfee had de pik aan ouwe Fritz

fritzryseramsterdamAmsterdam 1915: stayerskoers op de Zeeburgbaan. Aan de start de jonge Jan van Gendt, een lokale favoriet. Tegenstander een ouwe kerel. Een Iezegrim met een strakke, verzuurde, chagrijnige kop, die  pijn kreeg als hij moest lachen. Geef hem ongelijk. Niemand kende zoveel tegenslag in zijn leven als Fritz Ryser. Het begrip ‘schlemiel’ kleefde aan zijn kont. Alles wat het leven tot een hel kan maken was hem overkomen. De ouwe Fritz Ryser, Zwitser van geboorte, en de vier kruisjes ruim gepasseerd, had als stayer al láng met pensioen moeten zijn. In plaats van  je leven te wagen achter zo’n pokkemotor had hij met een grote pot bier in een kroeg moeten staan, en kletsen over ‘vroeger’. Pijnlijk!
Voor Ryser was het verleden namelijk één groot trauma. Fritz dacht daar maar liever niet aan. Was al erg genoeg dat hij door moest gaan voor het geld.  De leut in het stayeren, áls hij dat al had,  was allang verdwenen. De laatste keer dat er een lach op zijn gezicht stond was zeven jaar eerder.  Fritz Ryser werd toen onverwacht wereldkampioen.  Een vent op wie de  pechfee de pik had,  kan rekenen op sympathie. Met zijn mondiale titel kreeg de Zwitser een  storm van gejuich in stadion en pers. Dat was in augustus 1908. Een lucratieve zegetocht langs de Duitse en Europese wielerbanen stond op punt van beginnen. fritzjozef
Twee weken na zijn sensationele winst begon het gesodemieter. Tijdens de Grote Prijs van Düsseldorf plofte de voorband van zijn gangmaakmotor. Fritz, met negentig in het uur, zeilde millimeters langs de vallende motor. De wereldkampioen  kon het ieder geval nog navertellen. Gangmaker, Jozeph Schwartzer  niet. Verwerk dat maar even.
De ouwe taaie Fritz, in 1900 nog letterlijk  meegestreden in de beruchte Newyorkse zesdaagsen, zette het verstand op nul en vond in Emile Borchhardt een nieuwe trekker.  Emile op de motor, Fritz daarachter, gouden combinatie. Wonnen in het jaar daarop twaalf grote koersen waarbij Ryser meer dan veertigduizend goudmark in zijn zak stak.
fritzryserEn dan is het 18 juli 1909, grote  stayerskoers op de uitverkochte wielerbaan van Spandau.  Wereldkampioen Ryser aan de start. Een uur later verkeerde de  Zwitser in een zware shock. Na een ongeluk vloog Fritz’ gangmaakmotor als een projectiel in het publiek en ontplofte.  Negen toeschouwers kwamen nooit meer thuis, twintig andere waren de rest van hun leven verminkt. Voor  de ouwe stayer, aan het inferno ontsnapt, was dat het laatste zetje.
Fritz, de laatste vier jaar meer dan honderddertigduizend goudmark verdiend, zette het stayeren op een laag pitje en stak zijn marken in  een taxibedrijf. Dat bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog failliet ging. Ryser ging weer fanatiek in training. Een treurig gezicht om de veteraan weer als stayer actief te zien. Hoogstwaarschijnlijk vrat dat aan de voormalige champ.  In 1916 werd hij, getroffen door een hartstilstand,  in zijn Berlijnse appartement dood gevonden. Fritz Ryser, de man van de eeuwige pech, werd drieënveertig jaar.
 Foto 1: De Amsterdamse wielerbaan, links Jan van Gendt, rechts Fritz Ryser. Foto 2: Wereldkampioen Ryser achter Joseph Schwartzer.
Bron: Radwelt jaargang 1902 t/m 1916, Revue der Sporten jaargang 1915, 1916.

Champ stierf als een arme kerkrat

De verhalen bestaan uit vijfhonderd woorden plus drie foto’s. Dat is hét concept van dit blog. Hoewel daar niet van afgeweken wordt  heeft dat wél vervelende consequenties. Uit de leuke, bizarre, ontroerende en schokkende feiten, die Stuyfssportverhalen in zijn archief of ander bronmateriaal opduikt, moet dan een selectie gemaakt worden. Zonde van het  unieke materiaal dat blijft  liggen. Mocht dat in de toekomst gebeuren dan wordt er voortaan een vervolgstukje geplaatst.

Ademloos werden  zijn avonturen gevolgd. Kranten en sportmagazines tussen de Oost én Westkust van Amerika schreven kolommen vol. Van eenvoudige jongen tot bekende supersportheld. Niets zo opportunistisch als ‘de mens’. Tommy Burns, (zie verhaal  hieronder) die zich met harde vuisten letterlijk uit de anonimiteit én de bittere armoede vocht, verdween in de anonimiteit. Tommy, wereldkampioen bij de zwaargewichten, grootverdiener in zijn sport. Vond een  arbeider, anno 1908, wekelijks nog geen vijftig dollar in zijn loonzakje, Burns toucheerde voor zijn partij tegen Jack Johnson dertigduizend dollar. En dat gevecht werd  ook de ouverture voor  zijn  uiteindelijke neergang. Nadat Burns zijn wereldtitel aan een zwarte bokser verloor, kreeg hij heel racistisch Amerika over zich heen. Een deel van zijn grote supportersschare had het over ‘a dark day’, en draaide hem de rug toe. Tommy stond nog sporadisch in de ring.
tommyburnsbordIn 1910 kwam  Burns uit tegen Billy Lang. Billy ging neer. Na nog vier partijen staat  de inmiddels negenendertigjarige Burns in Londen voor de laatste keer in de ring én schijnwerpers. Voor Tommy was het mooi geweest. Zijn zuurverdiende tweehonderdduizend dollars  werden belegd in een kledingimperium en horeca.  Niets bleef de vroegere wereldkampioen bespaard. Na de Wall Street Crash en de daarop volgende Grote Depressie verdampte zijn kapitaal.
Voor Tommy Burns, Canada’s allereerste wereldkampioen zwaargewicht,  had de boksgodin een weg uitgezet die leidde langs de ravijnen van diepe armoede die al  zoveel ex-boksers hadden bewandeld. Na lullige baantjes als bewaker, verzekeringsagent kende de voormalige champ een late roeping. De man die genadeloos was in de ring werd evangelist. Tijdens een kerkdienst, gehouden in 1955, hield zijn grote sporthart op met kloppen.
tommyburnsgrafTommy Burns, arm als de ratten in zijn kerk, kreeg een anoniem graf op het Ocean View Cemetery in de buurt van Vancouver. Op zijn begrafenis waren vier mensen. Zes jaar later. Dankzij een inzamelactie gestart door een sportjournalist met een geweten kreeg Burns een marmeren gedenkplaat op zijn laatste rustplaats. Ook Hanover, het dorpje waar Burns geboren en getogen was, bleef niet achter. In de jaren tachtig werd een groot bronzen bord met Tommy’s palmares onthuld.

Bron: onder andere The Vancouver Sun,  Boxing Record, Wikipedia, Eric van Oostrum.

Verwoestende rechtse én een klein hartje

Twintig jaar stond hij in de ring. En had geen manager nodig. Tommy Burns kende de zakkenvullers in het bokswereldje maar al te goed. Tommy regelde liever zijn eigen zaakjes. Om Burns werd een beetje gegniffeld. Liefhebbers zagen hem als een middelmatige bokser. Ben O’Grady dacht daar íets anders over. Na een gevecht tegen Burns werd Ben dagen later wakker. Tommy Burns, middengewicht, was namelijk een technische puntendrukker, met een verwoestende rechtse. Het gegrinnik verstomde  nadat hij in 1906 onverwachts Marvin Hart versloeg. Hart was dus wereldkampioen zwaargewicht.
Burns, geboren in een blokhut in de buurt van Ontario. Kende een keiharde leerschool. Vocht als zestienjarige prijsvechter voor poen in kroegen en saloons. Bikkelharde Tommy had ook een klein hartje. Burns géén racistische pugilist. Verdedigde blanke wereldkampioenen hun titel  alleen maar tegen rasgenoten,  Burns had daar schijt aan. Tommy, op tournee in Europa, knokte in 1908 ook tegen een joodse bokser. Joseph ‘Jewey’ Smith had de primeur. Tommy, mocht dan wel een vrijdenker zijn maar sloeg evengoed Jewey de oren van zijn hoofd. Ook Indian Joe, een native-Amerikaanse bokser kreeg zijn kans, én op zijn lazer.
Burns, van origine een Frans-Canadees, geboren met de naam Noah Brusso. Veranderde zijn naam in het lekker bekkende Tommy Burns. Met Tommy, gek op geld, viel wel wat te regelen. ‘Philadelphia’ Jack O’Brien voelde dat aan zijn theewater. Jack bood een duizelingwekkend bedrag om van the champ te winnen. Er werden afspraken gemaakt, en het  script doorgenomen. Burns hoefde niet te trainen, verzekerde O’Brien want de laatste zal dat ook niet doen. The Philadelphian, een onzekere man, hield zich niet aan zijn woord, en  trainde zich wezenloos. Boksers, harde kerels maar  kunnen geen geheim voor zich houden. Nadat hij  vernomen had van de stiekem trainende O’Brien, sloeg Tommy Burns  weken lang deuken in de bokszakken. Vlak voor het gevecht, in het midden van de ring, fluisterde Tommy de uitdager in het oor dat hij zijn borst nat kon maken. Jack O’Brien, wit weg getrokken,  kreeg twintig ronden er ongenadig van langs.
De voormalige prizefighter op tournee naar Europa  en Australië, ging zijn titel te gelde maken. Acht uitdagers hadden trek in Tommy én zijn wereldtitel, en bij alle acht ging het licht uit. En toch, toch verloor Burns zijn titel: aan  Jack Johnson een zwarte Amerikaanse zwaargewicht. Tommy Burns gaf als eerste roomwitte bokser een zwarte de kans op de wereldtitel. In Sidney, op 26 december 1908 werd het een beladen gevecht. Johnson, inmiddels twee gebroken ribben, haalde in de veertiende ronde de kop kleinere en lichtere Burns neer. In het met twintigduizend man afgeladen stadion brak de pleuris uit, want een  Afro-Amerikaan die op het punt stond een blanke af te maken. De politie kwam in de ring en staakte het gevecht. Dagen later werd Johnson de wereldtitel toegekend.
Tommy Burns, na zijn bokscarrière predikant, stierf op vierenzeventigjarige leeftijd. In 1996 werd hij ingewijd in de International Boxing Hall of Fame.

Foto: Tommy Burns versus Jack Johnson.
Bron: digitale archief van de New York Times  jaargangen 1904 t/m 1910, Vie au Grand Air jaargang 1908, de site Boxing Records, Wikipedia.

Kasseienstamper eindigt zonder benen

crupelandtTour de France 1910. De allereerste etappe met finish in Roubaix.  En daar ging hij toe slaan. Charles Crupelandt, geboren en getogen in Roubaix, en wist niet beter dan dat een weg bestond uit kinderkopjes. Trainde dagelijks over die tering kasseiweggetjes, waar hij zijn toekomstige ‘kinderbijslag’ sluipenderwijs aan gort reed. Crupelandt, zesdejaars prof met een erelijst zo dik als een anorexiapatiëntje. Stond slechts twee keer na afloop van een koers met bloemen te zwaaien. Maar de winter van 1909 werd orde op zaken gesteld. Geen wijntje noch Trijntje. Ascetisch en hard ging er getraind worden. In storm, regen, hagel en sneeuw over die lege sinistere hellepaden.  Charles had dat er graag voor over. Het alternatief was veel erger want de linnenfabrieken van Roubaix. crupeland
Charles, bijgenaamd De Stier van het Noorden hield woord en won. Een Touretappe winnen, aardig voor de statistieken. Maar wil je als Roubiaxian tot je laatste snik onsterfelijk zijn dan moet er iets anders gebeuren. Parijs-Roubaix winnen bijvoorbeeld.  Charles kende de publicitaire waarde van P-R, wist dat de kranten daar dagen lang van vol stonden. Besefte heel goed wat dat te weeg bracht en dacht met huivering aan de hysterische  toestanden aan de finish waar het leger de mensenmassa onder controle hield.
Voor Crupelandt, groot geworden  met het begrip ‘kassei’, zal het een schandvlek zijn als dié klassieker, niet op zijn erelijst stond. De Stier flikte het kunstje. Liefst twee keer. In 1912 dokkerde Charles over zijn geliefde stenen naar eeuwige roem. Twee jaar later ging hij op herhaling. Met een erelijst waarop vier gewonnen Touretappes, én winst in klassiekers als Parijs-Roubaix en Parijs-Tours, brak de Eerste Wereldoorlog los. Charles Crupelandt vocht mee, toonde heldenmoed. Met een Croix de Guerre één van de hoogste onderscheidingen verliet de voormalige kasseienvreter de loopgraven.
crupelandtkasseiZijn leven krijgt dan een wending waar dramaschrijvers een patent op hebben. Crupelandt, wordt namelijk een tragisch figuur, een soort Job op de mestvaalt. De voormalige kasseienstamper gaat zich  met obscure zaakjes bezig houden, wordt betrapt, verguisd en geschorst door de wielerbond. Er volgt een treurig leven vol kommer en kwel waar de diagnose ‘diabetes’ nog bij kon.  Blind, geamputeerd aan beide benen en straatarm sterft de vroegere wielerheld in een tehuis voor daklozen. Lang na zijn dood krijgt Roubaix’ aller beroemdste wielrenner eindelijk de eer die hij bij zijn leven niet kreeg. De allerlaatste kasseistrook in Parijs-Roubaix is naar hem vernoemd. Charles Crupelandt werd negenenzeventig  jaar.
Bron: Vie au Grand Air jaargangen 1909 t/m 1916. Wikipedia

Sullige Franz kende geen saai leven

Iedere keer weer die dans op de vulkaan. Balanceren op de scheidslijn van  leven en dood. Tientallen jaren je tong uitsteken naar Magere Hein. Dat gaat je opbreken. Hein greep hem dan ook uiteindelijk in de kraag. Franz Hofmann  meldde zich bij zijn Schepper in de volle overtuiging dat hij alles behalve een saai leven geleid had. 
Hofmann, gangmaker. En niet zo maar eentje. Fietsend achter de rug van Franz zat de overwinning voor de helft in de knip. Daar moest je als coureur wél wat voor over hebben. Hofmann, scherp, attent, ambitieus, koerste op het randje van toelaatbare. Waar collega’s even slikten, gaf hij gas bij.  Franz Hofmann,  sullig uiterlijk van een veeboer op zondag, leidde vijf keer een renner naar een wereldtitel. Franz, voormalige fietsenmaker uit Dresden, werd op een septemberdag in 1907 wereldberoemd. Gangmaakte op zijn Brennabormotor de Fransman Guignard naar een wereldrecord van ruim honderd kilometer in een uur. Opgezadeld met de  bijnaam ‘De koning van de gangmakers’, zag hij ook acht van zijn renners doodvallen.  
Der Franzl in 1903 op tournee in de Verenigde Staten. Was betrokken bij het verschrikkelijke ongeluk op de Charles River Track,  een wielerbaan in Massachusetts, waar motoren in het publiek vlogen en het bloed van de wielerbaan droop. Hofmann, populair bij Amerikaanse stayers, gangmaakte onder meer Harry Elkes, Louis Mettling, George Leander, Bobby Walthour en Nat Butler.
Harry, Louis en George, verongelukten achter Franz. De twee laatste, ook regelmatig in het ziekenhuis belandt, hadden de rest van hun lange leven iets om over na te vertellen. Voor de Duitse gangmaker, inmiddels een flinke bankrekening, was het genoeg geweest. De man gaf in 1911 zijn gangmaakmotor een schop en kocht de Olympiawielerbaan in Berlijn.  Adrenalinejunks én het leven van een geranium. Onmogelijke combinatie. Ook voor Franz. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog meldde de gewezen gangmakerskoning zich als piloot bij de Kaiserliche Luftstreitkräfte. De  Dresdenaar had dé tijd van zijn leven. In een tweedekker boven het Westfront de mitrailleurs roodgloeiend laten staan: altijd leuk. Zo lang het duurt. In 1916 werd Franz uit de lucht geschoten.
Voor Hofmann moet dat een waarschuwing zijn geweest. Die hij niet serieus nam. Old Soldiers never die: maar niet heus.  Hofmann, oorlogsveteraan, afscheid genomen van zijn Olympiawielerbaan, haalde de motor uit het vet.
Na een aantal jaren van wisselende succes is het augustus 1926. Franz Hofmann met renner Jules Miquel gecontracteerd voor een stayerskoers op de wielerbaan van Hamborn. Franz, een paar weken daarvoor tijdens een koers in Marseille een ernstig ongeluk gehad, werd met een gebroken onderbeen op de motor gehesen.  De ‘Schrittmacherkönig’, de Dood iets té lang getart, kwam met  negentig in het uur ten val en sloot vier dagen later definitief zijn ogen. Franz Hofmann werd zevenenveertig jaar.

Foto 1: Franz Hofmann met Guignard, Foto 2: Hofmann, Foto 3: De  jongens  van de Keizerlijke Luftwaffe, tweede van rechts Franz Hofmann.
Bron: meerdere jaargangen van Radwelt o.a. 1911, 1922 en 1926.

De man met de stalen kin

Eigen schuld dikke bult. Moet je maar niet je  hoofd boven een loopgraaf uitsteken, zelfs niet voor één seconde. Grote kans dat je dan kogels terug kunt koppen. Aan het front bij Verdun waren de sluipschutters goed ingeschoten. Ondanks die waarschuwing deed hij dat toch. Een buitenkansje voor die ene Duitse soldaat. Vlak nadat Heinz de haan van zijn geweer overhaalde ontdekte een verbijsterde Eugène Criqui dat hij voortaan als  kaakloze door het leven moest. Heinz’ kogel was verwoestend. Criqui’s complete onderkaak was weg geschoten.
Eugène, voor de Eerste Wereldoorlog een Franse profbokser. Had ondanks zijn jonge leeftijd al zestig keer in de ring gestaan en won al zijn gevechten. Criqui, vedergewicht én knock-outspecialist in 1914 als vrijwilliger in Franse legerdienst gegaan, verdween voor twee jaar in een lazaret waar hij door een chirurg werd opgelapt.
De laatste maakte van een geitenbot opgevuld met vlees uit Criquis been, een nieuwe kaak. Boksers per definitie tikkeltje rare jongens. Ook Eugène. De man met een gammele nep kin wilde weer de ring in. De chirurg die de bui zag hangen nam de jonge bokser  opnieuw onder het mes, en knutselde een nieuwe kinnebak. Van staal!  Een stalen kaak, de ultieme droom voor iedere bokser.
George Cravat in 1917 eerste tegenstander van Criqui,  had zo zijn twijfels aan de kwaliteit van het metaal, en plaatste in de eerste ronde een verwoestende rechtse op dé kin. George brak bijna zijn hand. En verloor het gevecht. Eugène Criqui moet dat euforische gevoel van onoverwinlijkheid hebben gehad.  Na George Cravat stond de oorlogsinvalide nog drieënzestig keer in de ring, verloor twee keer op punten maar sloeg wél  tweeënvijftig  keer een tegenstander knock-out. En werd ook nog eens Europees kampioen. Zijn naam vloog door de wereld. In het Amerika van 1923 zagen ze goud in de Fransman. Promotor O‘Rourke regelde een gevecht om de wereldtitel. In een kolkend en kokend New Yorkse Polo Ground voor meer dan vijftigduizend liefhebbers trof  de inwoner van Parijs heersend wereldkampioen Johnny Kilbane. Voor de man die de hel van Verdun overleefde moet die brullende massa niet meer zijn geweest dan wat prettig geroezemoes en haalde vervolgens in de zesde ronde Johnny neer.
Wereldkampioen Eugène  Criqui, contractueel vastgelegd dat hij binnen zestig dagen zijn titel in New York moest verdedigen.  Uitdager was Johnny Dundee. En die wist wel een antwoord op die stalen kin. Dundee, een sluwe Ier, had zijn handbandages ondergedompeld in een bak gips.  Met cementen vuisten brak Johnny Dundee in de eerste ronde de stalen kin.  Frankrijks hoop, hield het nog vijftien ronden vol maar verloor toch op punten. 
Eugène Criqui, slechts vierenvijftig dagen wereldkampioen, stierf in 1977 op vierentachtig jarige leeftijd. In 2005 werd hij opgenomen in the International Boxing Hall of Fame.

Foto 1: De zesde ronde om de wereldtitel vedergewicht. Johnny Kilbane wordt zojuist wakker. Foto 2: Eugène Criqui, Foto 3: Ondanks zijn nederlaag kreeg Criqui in Parijs een groots welkom.

Bron: Geïllustreerde Sportwereld jaargang 1922 en 1923,  Revue der Sporten jaargang 1923, Les Sports Illustress jaargang 1919, de site Boxing Records.

Peter Schep in een spannende soap

Dertigduizend euro heeft het hem gekost. De opbrengst? Niks! Geen euro. Dat geld kan hem gestolen worden. Erger is dat erkenning uitbleef. Niet één medium besteedde aandacht aan zijn prestatie. Maas van Beek verbrak eind oktober het werelduurrecord achter derny’s.
Van Beek weet wel waar de kneep zit. Hij is te oud. Pure discriminatie, foetert hij.  Volgens de recordhouder speelt er nog veel meer. Er wordt een spelletje met hem gespeeld. Van Beek weet ook wel door wie: het commerciële circuit, het Zesdaagsencircus, gangmakers waarvan hij het brood afpakt. Voor een gangmaker is het altijd fijn om een renner achter zich te hebben die het wereldrecord heeft. Dat levert extra contracten op. En daar verbreekt, totaal onverwachts, die Van Beek op ruim zesenvijftigjarige leeftijd dat record.
Met zo’n renner kan je niet bij de Zesdaagse aankomen. De aantijgingen van Van Beek lijken tóch hout te snijden. Want opeens is daar dat persbericht dat Peter Schep, (zie: foto’s) die eind december op de baan van Apeldoorn het record van Maas van Beek gaat aanvallen.
Schep, stylist op de koersfiets, een gewezen wereldkampioen puntenkoers, én Europees kampioen koppelkoers, maar ook een gereputeerd  Zesdaagsenrenner gaat midden in het winterseizoen een loodzwaar record aanvallen. En dat is opmerkelijk. Zo iets doe je niet op een achternamiddag. Voor Schep, vorig jaar achter de derny van Joop Zijlaard nog derde bij het Europees kampioenschap, vergt dat de nodige tijd. Tijd waarin hij veel geld laat liggen.  Maas van Beek weet precies hoe de vork in de steel zit. Hij heeft het over  een bepaald ‘kliekje’ dat met een zak geld  Scheps komende recordpoging regisseert. Of de plannen van  Peter Schep verstandig zijn, is nog maar de vraag. Te vrezen is dat Schep zijn reputatie op het spel zet.  Slaagt de voormalige wereldkampioen, dan wordt er geroepen dat hij dat aan zijn status verplicht was. Sneuvelt Schep, dan worden de vulpennen geslepen.  Het werelduurrecord achter derny’s begint  de kenmerken van een spannende soap te krijgen.

Wordt vervolgd…

Charley, ‘Mile a Minute-Murphy’

Twintigduizend dollar voor een gedateerde fiets. Zo’n stuk pisbakkenijzer waar Amsterdam vol mee geplempt is. Maar niet voor Babylon, een lullig stadje in de staat New York. Die betalen dat graag. Voor de stad is het karretje een historische relikwie. En laat dat fietsje nou tientallen jaren staan te verstoffen in het depot van een motormuseum ergens in Massachusetts. Gebeurde er een keer wat in Babylon, kunnen ze er nog niet mee pronken.
Het zal Charley Murphy, aan gene zijde, een rotzorg zijn wat er met zijn fiets gebeurde. Zijn naam was tóch al gevestigd, zong een halve eeuw rond.  Charley Murphy, opschepper, knotsgek én een wielrenner van twee keer niks. Linke combinatie. Blufte tegen iedereen die het hoorde willen, dat hij een mijl in een minuut kon fietsen: achter een locomotief.
De man hield zijn woord. Murphy, inwoner van Brooklyn, én met de gave  van het woord,  kletste de directie van de Long Island Railroad plat.  Boeren, langs de spoorlijn Farmingdale en Babylon op Long Island, zagen tot hun stomme verbazing dat er tussen de rails planken werden gelegd. Charley Murphy had zijn fietsbaan en kon geschiedenis gaan schrijven.
Een junidag in 1899. De dag dat Murphy hét record ging aanvallen. Ook de ochtend dat machinist Sam Booth zijn locomotief onder stoom bracht. Achter de loc en tender maar één wagon, afgeladen met de complete Amerikaanse sportpers. Het journaille wilde best graag zien hoe Murphy te pletter ging vallen. Bijna kwamen hun natte dromen uit. Na een paar mislukte pogingen vertrok Charley Murphy voor zijn definitieve, en desolate race. Zonder handschoenen, bril en helm, op centimeters achter de trein, communicerend via een grote toeter met ‘gangmaker’ Booth duwde Charley een monsterversnelling op gang. 
In een apocalyptische storm van gloeiend hete sintels, verbrand rubber raasde Charley vervolgens de geschiedenis in. Voor de ultieme climax had hij eigenlijk daarbij te pletter moeten vallen. Gebeurde nét niet.
Nadat Murphy de mijl in recordtempo gepasseerd was gepasseerd gooide Booth de rem erop. De verse recordhouder knalde met zijn hoofd tegen de wagon waarbij zijn voorwiel van de grond kwam. Dan gebeuren er dingen die zich jaren later alleen in dolle tekenfilms afspelen. Charley, in doodsnood, grijpt het hekje van de treinbalkon en wordt door alerte passagiers met fiets en al in de trein getrokken.
Charley bijgnaamd  ‘Mile a Minute-Murphy’, maakte zijn record te gelde met een tournee door de States. De man, beroemd van kust-tot-kust,  werd uiteindelijk politieagent in New York. Charley Murphy een held van bedenkelijke allure, stierf uiteindelijk in 1950, op bijna tachtigjarige leeftijd tussen de witte lakens.
 Foto 1 en 2: Charley Murphy, Foto 3: New York Times, 1899.

Bron: digitale archief New York Times jaargang 1899,  Bycicleleongislad, Wikipedia 

Bonte hond in een wereld van grijze droogkloten

Vandaag, 11 November! Vierennegentig jaar geleden de  laatste dag van de waanzinnige Eerste Wereldoorlog. De dag die de geschiedenis inging als ‘Wapenstilstandsdag’. Groots gevierd én herdacht in België, Frankrijk én Engeland.  Ruim negen miljoen jongens bleven op het slachtveld achter. Ook Jean Bouin.

Eerst wat kniebuigingen. Stak dan een vers sigaartje op, nam een diepe haal,  liet de nicotine tot de enkels zakken. Parkeerde het sigaartje los in de mondhoeken en gaf de trainer opdracht de stopwatch in te drukken. Jean Bouins dagelijkse training nam een aanvang. Jean, levensgenieter, hield van een goed glas wijn en rookte als een schoorsteen.
Maar was óók een middenafstandsatleet. Jean mocht dan een merkwaardige sportbeleving op na houden, zijn trainingen waren hard, en lang. De mores dat topsport gepaard gaat met Spartaanse zelfkastijding, strafte Jean af.  Die nam het leven niet al te serieus. Ondanks dát liet hij de stopwatches vier keer stilstaan op een nieuw wereldrecord.
Records die tientallen jaren standhielden. Jean Bouin, de man met de bruine vingertoppen, rende in 1909 de tien kilometer in een tijd van dertig minuten. De wereldrecordhouder,  geboren en getogen in Marseille, mocht de Franse kleuren op de Olympische Spelen van 1908 verdedigen. De Marsiliaan was dé favoriet voor de vijfduizend meter.
Ver voor het begrip ‘rock ’n’ roll’ had Jean dat al uitgevonden. Lag de concurrentie strak van de zenuwen in bed  naar het plafond te staren, niet Bouin, die bracht de nacht door in de Londense hoerenbuurt. Raakte prompt betrokken bij een knokpartij in een kroeg, werd gearresteerd en miste een dag later de finale.
Vier jaar later op de Spelen van Stockholm is Bouin, wél van de partij. De kleine pezige hardloper, met een vers wereldrecord op tienduizend meter, had iets goed te maken.  En dat lukte niet helemaal: ‘slechts’ zilver.
Jean, bonte hond  in een wereld van grijze droogkloten want atleten, zwoor wraak. Bij de Spelen van 1916 ging hij orde op zaken stellen. Maar zo ver kwam het niet. De Eerste Wereldoorlog brak uit. Jean Bouin, had hoogstwaarschijnlijk het gevoel iets goed te moeten maken voor volk en vaderland. Met de kreet ‘vive la France’, nam hij vrijwillig dienst bij het 163e Infanterie Regiment. De atletiekbaan  omgeruild voor de loopgraven.
Als het waar is dat je tijdens de laatste seconden in dit aards tranendal je leven langs ziet komen dan zag Jean Bouin, zijn verloofde Rose, z’n geliefde Marseille, en stadions met kolkende tribunes. Even later, tijdens  één van de eerste grote Duitse aanvallen, september 1914,  sneuvelde Frankrijks meest kleurrijke atleet ooit.
Na eerst begraven te zijn geweest op het ‘kameradenkerkhof’ werd zijn lichaam  in 1922  overgebracht naar Marseille, waar hij door de hele stad uitgeleidde werd gedaan. Jean Bouin werd 25 jaar. Verloofde Rose deed het iets beter. Op ruim honderdjarige  leeftijd vertrok zij in 1987 naar haar grote liefde Jean.

Foto 1: Jean Bouin met sigaartje. Foto 2: Bouin vlak voor zijn dood. Foto 3: Zijn graf in Marseille. Bron: Vie au Grand Air, jaargang 1912 en 1913, Wikipedia.