Geheimzinnige Goethart opgelost in de geschiedenis

fielgoethartVolkómen onbekend. Eén brok mysterie. In de analen van de Nederlandse wielersport komt zijn naam zelden voor. In het digitale krantenarchief zwerven wat uitslagen, en in de jaren dertig schreef Bosch van Drakestein in de Zutphense Courant een verhaal over hem. En daar bleef het bij. Ondanks dát behoort hij tot dé  wielerpioniers van dit land. René Louis de Fielliettaz Goethart, omhuld met geheimzinnigheid, heeft niet veel sporen nagelaten. Zelfs voor zijn eigen familie is hij dé grote onbekende. De mysterieuze de Fiellittaz Goedhart was omstreeks 1900 een stayer, zoveel is zeker, en reed zijn koersen voornamelijk in Duitsland, België en de Nederlandse banen. Stuyfssportverhalen ontving een maand geleden een mailtje van Josephine Isaacs, kleindochter van René Louis, met het vriendelijk verzoek om het sportlacune van haar opa in te vullen. Helaas, in zijn archief komt hij ook niet voor. Dat laatste heeft Goethart aan zich zelf te wijten. De man is nooit beroepsrenner geweest! Het toenmalige journaille had alleen maar oog voor het beroepswielrennen en schreef daar de kolommen mee vol.
De Fiellittaz Goethart was en bleef een amateur. Vrijwel alle stayers waren afkomstig uit zeer eenvoudige milieus. Voor die jongens was het vaak levensbelang om met hun sport aan de armoede te ontsnappen. Wat nog een helse klus was. Om stayer te worden moest, tussen 1898 en 1908, een renner  zelf over zijn motoren beschikken. Om deze te bekostigen werden schulden gemaakt, leningen aangegaan. Of  anders waren het supporters die met de pet rond gingen. Piet Dickentman, zojuist zijn talent ontdekt, kreeg van de in Amsterdam woonachtige en puissant rijke Duitse zakenman Salzman zijn twee motoren. Fielliettas Goethart had dat allemaal niet nodig want was telg uit een rijke familie. goedhartmotor
Dat  René Louis een gedreven wielrenner was, bewijst het familiefotoalbum. Unieke, nooit eerder gepubliceerde, adembenemend mooie foto’s waar niet alleen de sportman Goethart naar voren komt maar ook een mooi tijdsbeeld van het wielrennen anno 1900. 
goedharttandemOp wielerbanen  gemaakt van dwarsliggende, slordig gelegde, grof houten planken reed Josephines illustere opa zijn koersen.  De Fielliettaz Goethart, opgegroeid  op het  Apeldoornse landgoed De Pasch, zoon van een grootgrondbezitter, was niet alleen stayer maar zat samen met vriend en collega-renner Viruly op de tandem.
De laatste afkomstig uit hetzelfde milieu, werd burgemeester van het Zeeuwse Westkapelle. Goethart was net als tijdgenoot Jaap Eden een fervent schaatser. In 1904 vertrekt de landjonker naar Davos om daar te trainen: tevens de laatste signalen van zijn sportieve bestaan.  Zijn wielercarrière eindigde een jaar later en was meteen het begin van de grote verdwijntruc. De Fielliettaz Goethart, omhuld met raadselen en opgelost in de sportgeschiedenis, overlijdt in 1928, op zevenenveertigjarige leeftijd.
Foto 1: Baankoers in Breda omstreeks 1898, rechts De Fielliettaz Goethart. Foto 2: De Fielliettaz Goethart. Foto 3: Voorop de tandem Viruly.

Adolf nam ook zijn pistool mee

demkethormanvliegDe man had lef, zoveel is zeker. Of was anders een tikkeltje knots. Misschien wel beide.  Adolf Thormann, adrenalinejunk vér voor het begrip bekend was, had een merkwaardig  leven. Voor de man was geen dag hetzelfde. Als hij heelhuids de avond haalde moet hem zelf het meest verbaasd hebben. Adolf was namelijk stuurman, op de levensgevaarlijke motortandem. Adolf Thormann, een naam waarbij visioenen van pickelhelmen, en laarzen met spijkers opdoemen,  kon alleen maar sturen. Niet remmen. Dat moest hij over laten aan Ernst Wolf, achter op de motor.
Adolf en Ernst, twee ijzeren Heinen uit Berlijn, de gangmakers van Piet Dickentman. Het kán gewoon niet anders dan dat Adolf, tijdens zo’n race regelmatig kreetjes van pure doodsangst uitstootte. Voor  hem was het altijd maar de vraag of Wolf, met negentig op de teller, wel op tijd remde. Adolf, voorop, zag met griezelige regelmaat links en rechts renners en gangmakers zich de pletter rijden. Adolf nam het leven dan ook maar niet zó nauw: voor de Berlijner smaakte dat naar meer.  Drie jaar nadat de broertjes Wright in Amerika als eerste het luchtruim hadden gekozen, knutselden Thormann met kameraad Bruno Demke hun eigen vliegtuigje, gemaakt van bamboestokken, een motorblok gemonteerd op het onderstel van een kinderwagen. Copy of pietdubbelmooi
Na een vlucht van enkele kilometers stortte het toestel neer. Bruno, tevens topstayer en Adolf overleefde de crash. Tien jaar later, 24 augustus 1916,  moet Bruno, in een split second ongetwijfeld aan zijn makker Adolf gedacht hebben. Bruno Demke, oorlogspiloot bij der Kaiserliche Luftstreitkräfte, gezeten in zijn rode Fokker dubbeldekker, was bezig neer te storten, en nam even later zijn plekje in de Grote Pilotenhemel in. Adolf Thormann had toen al een mooie carrière achter de rug.
Als der Adolf op de man was gevraagd wat zijn mooiste overwinning was, dacht hij ongetwijfeld aan 1903, het wereldkampioenschap gehouden in Kopenhagen waar hij Piet Dickentman naar zijn enige wereldtitel voerde. Adolf had in Denemarken niet alleen zijn Brennabormotor meegenomen maar ook zijn Lügerpistool: altijd handig. Terwijl Taddy Robl, de grote concurrent van Dickentman, de avond voor de race al zijn vrienden op champagne trakteerde voor zijn komende titel, sliep Adolf, met getrokken pistool bij de gangmaakmotor: bang dat de concurrentie die zou saboteren.
Copy of adolfpietDe titelrace behoort inmiddels tot de vaderlandse wielerklassieken. Piet Dickentman reed Robl op negen ronden en nummer drie Alfred Görnemann op vijftien ronden. Net als zoveel van zijn wielerkameraden mocht en moest Adolf Thormann in de Grote Oorlog een uniform aantrekken. Na de oorlog was Thormann nog actief en vierden in 1923 zijn zilveren jubileum als gangmaker om dan langzaam op te lossen in de geschiedenis.

Foto 1: Bruno Demke, rechts en Adolf Thormann, links voor hun zelf gemaakte vliegtuigje. Foto 2: Piet Dickentman achter Wolf en Thormann met links zijn reservemotor bemant met Gerrit de Regt en Josef Schwarzer. Bij koersen over honderd kilometer was halverwege de benzine op. Dan kwamen De Regt en Schwarzer in de baan waarna Dickentman, in volle jacht, even overwipte. Twee jaar na dat de fotograaf afdrukte vielen Schwarzer, 27 jaar, en Wolf 28 jaar, dood. Foto 3: Kopenhagen 1903, Dickentman, zojuist wereldkampioen geworden met naast zich Thormann.

Bron: Revue der Sporten jaargang 1907, Radwelt jaargangen 1903 t/m 1923. Vlaamse SportRevue jaargang 1933, interview met Piet Dickentman.

El Cañón sneuvelde in de drieënveertigste ronde

nicolaumotorDe status van held werd bereikt. Een beloning nadat hij zijn  geboortegrond op de  wereldsportkaart had geplaatst. Josep Nicolau, geboren en getogen op Mallorca. Razend populair op zijn eiland, kon daarom iedere Mallorcaan tot supporter rekenen. En die laatsten zagen hun held dagelijks op zijn fietsje voorbijkomen. Prompt hielden moeders hun vruchtbare dochters angstvallig en strak in de gaten. Jonge mannen keken hem jaloers na. Josep Nicolau, bruine, mooie kop, felle arendsblik,  had alles aan de koersfiets te danken. Dank zij het wielrennen werd ontsnapt aan een treurig bestaan als visser of herder. Josep won als jonge prof etappes in de ronde van Mallorca en van Catalonië. De koersende Mallorcaan met de bijnaam het Kanon van Llorito, greep tijdens het Spaans wegkampioenschap ook nog eens de derde plaats. Voor  El Cañón, gloorde een  prachtige loopbaan als wegrenner. De grote omlopen van Frankrijk, Spanje en Italië  lonkten naar hem.nicolau
Josep Nicolau, pragmaticus, keek verder dan de contouren van de Spaanse kust, en maakte een kleine calculatie. Fietsen op de weg, zwaar, vies en nog eens slecht betaald.  Ongetwijfeld wist Nicolau dat op de Europese wielerbanen het grote geld lag. Josep, komend uit het dorpje Lloret de Vistalegre,  maakte vervolgens de overstap naar het stayeren. Voor Nicolau kat in bakkie want getraind kon worden op het Velodrome van Palma. Achter gangmaker Miquel Llompart werden lange dagen gemaakt.
Nicolau en Llompart, als stayerende  don Quichot en Sancho Panzo, gingen de windmolens op de wielerbanen van Europa bestormen. Maar pas nadat de Spaanse stayerstitel binnen was gehaald: altijd een lekkere binnenkomer voor nieuwe contracten.  Als voorproefje mocht het eilandsduo in 1930 naar het wereldkampioenschap in Parijs. Josep Nicolaus, de eerste renner van Mallorca die op een mondiaal kampioenschap de eer van zijn eiland mocht verdedigen. In de lokale tavernes, met volle kruiken Cabernet op de tafeltjes, waren de verwachtingen hoog gespannen. Helaas. Jong en onervaren terechtgekomen in het professionele stayerswereldje waar flikken de mores was. El Cañón sneuvelde in de series.
bustenico
Net als de wijn van zijn eiland moest de jonge stayer rijpen, wat gebeurde op Spaanse en Franse wielerbanen. Koershard geworden breekt 1934 aan. Het jaar waarin euforie en verdriet samen optrekken. Na meer dan dertig stayerskoersen gewonnen te hebben is het 18 november: de dag dat de nationale stayerstitel verreden werd. Plaats van handeling het Velodrome van Palma. Thuiswedstrijd met volle tribunes, die één man als favoriet hadden. Het werd de koers van het grote afscheid. In de drieënveertigste ronde komt Mallorca’s hoop en trots ten val. Een dag later sterft Josep Nicolau, 27 jaar, aan de gevolgen van een zware schedelbreuk.
Josep is in de wielergeschiedenis al lang en breed vergeten. Maar niet op Mallorca! Daar wordt sinds zijn dood ieder jaar de Grote Memorial Josep Nicolau, een wielerkoers voor amateurs, gehouden.  De winnaars worden gehuldigd, hoe kan het ook anders, bij Joseps  borstbeeld in zijn geboortedorpje Lloret de Vistalegre.

Foto 1: Josep Nicolau met kampioensjerp samen met gangmaker Llompart. Foto 2: Josep Nicolau. Foto 3:  Huldiging prijsrijders van de ‘Memorial  Josep Nicolau’ bij diens borstbeeld.

Met dank aan Club Ciclista Lloret de Vistalelegra voor de foto’s.

Het bloed blijft voorlopig nog stromen

deslegte 003De Boekenweek raast in volle snelheid door de media.  Stuyfssportverhalen gaat even mee in de waan van de dag. Wanneer zijn verhalen en columns in boekvorm verschijnt, een vraag die regelmatig wordt gesteld. Drie jaar geleden werd in eigen beheer de biografie van Piet Dickentman, oplage zeshonderd, uitgegeven. Binnen anderhalf jaar was vrijwel alles verkocht en nog steeds druppelt de verkoop van de allerláátste exemplaren door. Een mazzeltje achteraf. Bevestigd door een bevriende uitgever die  opmerkte dat het commercieel een goed resultaat was. De  oplage van een gemiddeld Nederlands sportboek schijnt, uitschieters daar gelaten,  niet zó hoog te zijn, ondanks het dikwijls prachtige aanbod. De boekenmarkt, maar vooral die van de sport, is volgens kenners helemaal verzadigd. Wat pijnlijk bevestigd wordt bij De Slegte, in de Amsterdamse Kalverstraat. In dé boekenramshzaak van Nederland liggen de schappen vol met rijen titels van topauteurs als een Erik Brouwer, Arthur van den Boogaard, Peter Winnen en edities van De Muur. Boeken, prachtig vorm gegeven, een must voor iedere wielerliefhebber, vol met schitterende  verhalen, en nog niet eens zólang geleden met lovende recensies ontvangen. Ontmoedigend voor aankomende sportschrijvers. Stuyfssportverhalen, inmiddels zijn eigen digitale platformpje  gaat dan ook maar niet op ‘papier’. De liefhebbers van het morbide sportverhaal  zijn nog steeds hier van harte welkom, op de site waar  het bloed voorlopig nog even blijft stromen.

Bezoek ook regelmatig http://stuyfssportverhalen.com/category/verongelukte-wielrenners/ het digitale begraafplaatsje, dat regelmatig ‘aangeharkt’ wordt. 

Jean Brunier was er gek genoeg voor

recordman9Hij schoof zijn hoed achterover, krabde gedachteloos aan zijn ‘klokkenspel’ en keek met voldoening naar het monster dat hij geschapen had. Even daarvoor had Leon Lauthier, gangmaker én constructeur, het laatste moertje in het aluminium gedraaid. Drie maanden was hij bezig geweest met het bouwen van de ultieme gangmaakmotor. Maanden van noeste arbeid, maar dan had je ook wél wat. Hoewel het begrip aerodynamisch nog uitgevonden moest worden had Lauthier met behulp van aluminium schermen, zijn gangmaakmotor getransformeerd tot een huiveringwekkend projectiel op twee wielen, compleet met windscherm én de meedraaiende rol vlak tegen de motor aan. 
Ondanks de euforie had hij toch een vervelend knagend gevoel. Want waar vind je een renner die goed, maar ook gek genoeg is om achter zijn gemotoriseerde monster te rijden, om het werelduurrecord van die Leon Vanderstuyft te verbeteren. Een jaar daarvoor, in 1924, had de Vlaming, op het autocircuit van Monthléry het van 1909 daterende record van de Fransman Guignard verbetert tot honderdvijftien kilometer. Schande voor Frankrijk. Op Frans grondgebied notabene werd de ganse natie vernederd door een Belg. Of Jean Brunier daar ook zo over dacht is niet duidelijk.  Jean was namelijk een beroepsrenner die alleen koerste voor de poen en niet voor ‘volk en vaderland’. Brunier geen ‘weggooier’, want was een gewezen nationaal kampioen op de weg, won de semi-klassiekers Parijs-Bourges, Parijs-Soissons en werd in 1922 tweede  in de ronde van Vlaanderen. En toen was de koek op. Jean, 28 jaar, reed geen platte prijs meer, stond stil. Voor Lauthier een buitenkansje.lauthier
De voormalige nationale wegkampioen hoefde niet lang na te denken. Een paar dagen na zijn overstap naar het stayeren, raasde Brunier, achter Lauthier, naar de angstaanjagende snelheid van over de honderdtwaalf kilometer.
En op zondag 1 november 1925, zo had Brunier aan de pers verzekert,  was hij van plan het record van Vanderstuyft erop te leggen.   Terwijl de tribunes van Monthléry stampendvol zaten, Brunier nog op de massagetafel lag, was gangmaker Lauthier bezig om het door hem ontworpen communicatiesysteem te installeren. Op zijn hoofd een soort laskap, die door middel van een tuinslang verbonden was aan een op zijn rug bevestigde trechter, kon de gangmaker al oortoeterend zijn poulain opjutten. Door de harde wind, die pas rond vier uur in de middag ging liggen, vond start plaats om half vijf. Binnen twee kilometer lag de snelheid boven de 127 kilometer en na drie kwartier stond de kilometerteller op negentig.
Fietsen op twee centimeter achter een projectiel, bloedlink, maar in het donker is het Russisch roulette. De laatste vijftien kilometer van de recordrace vond in het pikkedonker plaats. Gangmaker Lauthier, die de aanwijsborden langs de baan niet meer kon lezen, besloot de vuurspugende motor midden op de weg te gaan rijden, wat meer meters betekende.
fietsbrunierVoor Brunier maakte dat allemaal geen reet uit. De man stond op scherp, zag alleen maar de roem en het geld wat dat opleverde en rouleerde lekker door. Na een uur  klonk over de autopiste het eindschot en was de eer van Frankrijk gered.  Leon Lauthier én  Jean Brunier mochten hun plaatsje in de sportgeschiedenis innemen: de kilometerteller stond honderdtwintig kilometer. 
Jean Brunier moet ongetwijfeld tot in 1981  met veel genoegen aan zijn desolate race gedacht hebben. In dat jaar vertrok Jean, 84 jaar, naar een Betere Wereld. 

Foto 1: Leon Lauthier en Brunier, Foto 2: ‘Oortoeterend zijn poulain opjutten’. Foto 3: Jean Brunier.

Bron: Les Miroir des Sports, jaargang 1925.

Hubert tekende zijn eigen doodvonnis

hubertsevenichmoHet was een smak geld. Waar hij ongetwijfeld nachten van wakker had gelegen. Maar de investering was het waard geweest. Hubert Sevenich, strak hoofd, scheiding in het haar als een  bijlslag, keurige jongen, én gesoigneerde wielrenner. Hubert, voormalig sprinter, maakte na lang aarzelen de overstap naar het stayeren. Met  geleend geld werd een gangmaakmotor gekocht, waar, voor een zacht prijsje, gangmaker Karl Krase op plaats nam. Sevenich en Krase, jong en oud, beiden uit het Rijnland, voelden elkaar feilloos aan. Krase, veteraan op de wielerbanen, loodste sluw zijn poulain naar overwinningen in Verviers, Dortmund, en Munster. De Rijnlandse stayer,  eenvoudige jongen, geboren en getogen in Stolberg, begon de eerste lucratieve contracten te ondertekenen, waaronder ook die voor de Grote Prijs van Brunswijk.  En dat láátste had Hubert, in de zalige onwetendheid, nou beter níet kunnen doen. Met het plaatsen van zijn handtekening  bezegelde hij ook zijn doodvonnis. 
De Grote Prijs van Brunswijk, zondag 7 mei 1905. Mooi weer én een spetterend programma. Aan de start van de stayerskoers Sevenich, Richard Schröter uit Dresden, en de Amerikaan Woody Hedspath.  De laatste bezorgde de wielerbaan van  Brunswijk volle tribunes.  Hedspath een Afro-Amerikaan, in het kielzog van sprintlegende Major Taylor meegekomen naar Europa.
Woody, in het roomblanke Duitsland, waar een zwarte renner net zo onbekend was als een ijsbeer in de Sahara, was allesbehalve een kermisattractie: daarvoor fietste hij iets te hard. De Amerikaan, afkomstig uit Indianapolis, won dan ook in zijn eentje de beruchte Zesdaagse van Dayton. Hedspath, ook actief op de vaderlandse wielerbanen waar hij op de affiches aangekondigd werd met ‘den neeger’, had ongetwijfeld een flinke laag eelt op de  ziel. Waarschijnlijk daarom, maar zeker voor het geld, bewees hij dat niet alleen witte rakkers hard konden fietsen. In Brunswijk vloog Woody er direct vol in. 
Met achter aan zich aan een jakkerende Schröter én  Sevenich. De laatste bezig Schroter te passeren, maar deed dat iets te strak. Motorsturen raakte elkaar. In een kluwen van ontploffende en vallende motoren werd Hubert Sevenich, bezig met zijn zesde stayerskoers, verpletterd tegen de balustrade. 
woodyletterRichard Schröter had ietsje meer geluk. Zei het dat voor de man uit Dresden aan de horizon flauw de contouren van een invalidekarretje opdoemden. Door de val waren zijn benen ernstig gewond. Nadat Richard op het middenterrein was gesleept, knikte de aanwezige baanarts goedkeurend. Pruisische artsen weten daar wel raad mee. Diep weggestoken in zijn lederen doktersvaliesje, tussen de flesjes  jodium, pleisters, verbandrollen, en andere voor dokters handige spullen diepte hij zijn amputatiezaag op. Indachtig het spreekwoord dat zachte heelmeesters stinkende wonden maken, werd met de zaag Richard Schröter van zijn onderstel verlost. Dat lot werd bespaard voor de arme Hubert Sevenich, 26 jaar jong. Die werd tenminste  compleet mét benen begraven op het dorpskerkhof van zijn geliefde Stolberg.

Foto 1: Hubert Sevenich achter Karl Krase, foto 3: Woody Hedspath.

Bron: Radwelt jaargang 1905, Nieuws van den Dag jaargang 1905.

RIH, als je eerste geliefde

RIH SPORT 01 (1)Iedereen die zich wielrenner durfde te noemen liet daar ooit een frame aanmeten. RIH-Sport, het begrip fietsenwinkel ver voorbij, en dat bijna een eeuw lang. Dat is definitief verleden tijd. RIH bestaat niet meer, ingehaald door de tijd en fietsenfabrieken uit Taiwan. Alléén daarom koestert de liefhebber zijn stalen RIH.  De laatste is hard op weg een collectorsitem te worden.  Waar ooit meer dan zestig wereldkampioenen een fiets bestelden  is nu niets meer. De zaak op de Amsterdamse Westerstraat is leeg, stoffig en verlaten. Een holle ruimte met plasticvellen voor het etalageruit. Alleen het nummerbordje, ooit opgehangen door eigenaar Willem Bustraan, herinnert nog aan diens beroemde en  illustere fietsatelier.
Bustraan, grootmeester van de stalen Reynoldsbuis, telg uit een oud geslacht van wielrenners en framebouwers. Niemand maakte zulke degelijke ‘kaders’ als hij. Alsof je bij een haute-coutureatelier kwam. Die vergelijking. Ome Willem, correct, wat afstandelijk, en altijd in stofjas gehuld, in het heilige der heilige want de framebouwerij. Waar zo’n beetje de doodstraf op stond als daar de deur te lang open stond. Pas gesoldeerde frames, onderhevig aan tocht, dan gebeurde er metallurgisch vreselijke dingen.  ‘Tocht’ was volgens Bustraan de moordenaar voor een pas gelast frame.65jaar 011
Profs en krabbers, iedereen werd gelijk behandeld. Jonge rennertjes werden  bij RIH-Sport bevangen door een magisch sfeertje. Zoveel moois en bijna onbereikbaar. Stuyfssportverhalen als jochie van zestien, een jaar gespaard voor zijn eerste RIH. Na eerst de lichaamsmaten in een beduimeld boekje genoteerd te hebben, mocht je van Bustraan een half jaar later maar weer eens terugkomen. Het begrip ‘wachtlijst’ was niet onbekend in de Westerstraat. Wát een onvergetelijk ogenblik om je racekarretje op te halen. Dat moment vergeet je nooit meer, te vergelijken met het meisje waar je voor het eerst de liefde mee bedreef.
Na Bustraans onverwachte overlijden, eind jaren tachtig, werd de zaak voortgezet door zijn meesterknecht Van der Kaaij. De laatste gemangeld door een ingewikkelde juridische constructie kon na dertig jaar de zaak niet meer voortzetten. Einde van een Nederlandse wielerlegende. Wat rest zijn nog de herinneringen aan een oeroud Amsterdams racefietshuis waar veel, heel veel wielergeschiedenis werd geschreven.

Foto 1: Willem Bustraan, rechts, met Wim van der Kaaij, foto 2: Rih:holle ruimte met plasticvellen voor het etalageruit’.

Lee ook: http://stuyfssportverhalen.com/2011/03/01/rih-sport-negentig-jaar-oud/

Veldwachter verantwoordelijk voor helse zondag

woenselrennersTijdens de hoogmis had pastoor Oomen het moeilijk. Onder zijn kazuifel, diep weggeborgen in zijn jaegeronderbroek, maakte z’n pielemuis namelijk amok. Terwijl mijnheer pastoor een wellustige blik werpt op de misdienaar, staat buiten de kerk veldwachter Peters op wacht, en zit wielrenner Perere, koersend over boerenpaden, in de kopgroep.  Wat een doodgewone augustuszondag in het  Brabantse Woensel anno 1901, had moeten worden werd een helse Dag des Here: met dank aan veldwachter Peters.
Koddebeier Peters, had het best getroffen met zichzelf. Het ging zijn dag worden. De bromsnor van dienst, nooit iets spannender meegemaakt dan het betrappen van een boer op aanlengen van de melk, moest nu een paar duizend mensen in bedwang houden, wat hem wel toevertrouwd was.  Het was dan ook de eerste grote wielerronde van Woensel. Staand in de Woenselsestraat, tegenover het tramstation, draaide hij de punten van zijn snor omhoog, en maakte zich nog maar even breder. Achter zijn rug dromde het grauw op want wilde niets missen van de koers. 
‘Goedverdoeme’, mompelde de gemeenteveldwachter, wiens blaas op knappen stond, ‘Waar blijven die gasten nou?’ Om zijn blik te verruimen, deed Peters een paar stappen naar voren: wat er één te veel was. Woensels eigenste sheriff komt in botsing met de aanstormende  kopgroep van zes renners. De voluit sprintende Van der Horst, afkomstig uit Strijp, knalt voluit op Peters, die enkele meters verder bloedend uit vele wonden op de keien belandt. woenselofficial
Drie renners duiken over de ernstig gewonde veldwachter, waaronder ene Perere afkomstig uit Helmond. En de laatste ging geschiedenis schrijven, door als eerste Nederlandse renner tijdens een koers dodelijk te verongelukken. Terwijl Perere met een gebroken nek naar het ’t Liefdehuis in Woensel wordt afgevoerd, snelt pastoor Oomen, met een rode, verhitte kop naar de stervende veldwachter.
Oomen dient Peters de laatste sacramenten mét wijwater toe waarmee diens ziel in ieder geval gered was.  Dorpsdokter Luugen laat zich ook niet onbetuigd. Nadat Luugen de eveneens ten val gekomen  renner Van Lieshout, afkomstig uit Tongere bij elkaar heeft geraapt, brengt hij, in zijn rijtuig de zwaar gewonde veldwachter Peters naar diens huis. 
woenselsnorDe massale valpartij, mét dodelijke afloop, bracht in het brave Nederland de moralistische scherpslijpers in het geweer. ‘Of dit beulenwerk nog langer behoort te worden toegestaan op niet afgesloten openbare wegen. En dat zoo maar straffeloos de openbare veiligheid in gevaar mag brengen’, vraagt de scribent van het Algemeen Handelsblad zich af. Om te vervolgen dat hij het hele wielrennen ‘maar onmenschlijk vind.’
Dat was dus 25 augustus 1901, een gewone zondag in het Brabantse land. En hoe het met veldwachter Peters was afgelopen? Je kon alles over de man zeggen, maar niet dat hij van porselein was. Na eerst als stootkussen voor zes sprintende renners te hebben gefungeerd, knapte de diender wonderbaarlijk op. Dat laatste was natuurlijk te danken aan het, door Hem,  ingestraalde water toegediend door  pastoor Oomen, waar geen pil, injectiespuit of wat voor preparaat tegen op kan.

Voor de liefhebbers van het morbide wielrennen verwijzen wij graag naar het ‘digitale begraafplaatsje’ van Stuyfssportverhalen.   Kijk op:  http://stuyfssportverhalen.com/category/verongelukte-wielrenners/

Foto’s gemaakt omstreeks 1900. Bron: Algemeen Handelsblad augustus 1901

Atje vertrokken naar het Grote Rayonhoofd

ATJE KEULEN DEELSTRA 01 (1)Wat het meeste aansprak? Haar strijd tegen de toenmalige bobo’s van de KNSB, die haar te oud vonden. Sindsdien was ze voor Stuyfssportverhalen, van jong af een gloeiende hekel aan bobo’s, jurymannetjes, scheidsrechters, cheffies en ander soort enge baasspelers, een heldin. Atje Keulen-Deelstra dus. Het  meldpunt tegen ‘Leeftijdsdiscriminatie’ moest nog uitgevonden worden, en in 1970 waren sportende meiden hooguit programmavulling. Schaatsende moeders op leeftijd waren niet alleen  hoogst verdacht, maar golden bij het klootjesvolkmoraal ook nog als ontaarde moeders.
Atje had daar  lak aan, gooide haar Friese kont tegen de krib en flikte het evengoed. Hoe het met haar sportcarrière is verlopen weten nu wel. En voor de onwetende: na haar dertigste jaar drie keer wereldkampioen, evenzoveel keer de beste van Europa, Olympische medailles, en vier keer Nederlands kampioen.
Al die rennende, fietsende, schaatsende en andere sportieve moeders anno nu zijn dan ook schatplichtig aan haar. Atje, feministe zonder dat te beseffen, was voor hen de wegbereider. Als eerbetoon aan die stoere Friezin geen foto in zo’n oubollig schaatspak met idem dito mutsje maar heel gewoontjes als mammie,  een heel aantrekkelijke, charmante en leuke vrouw.  Atje Keulen-Deelstra is afgelopen vrijdag naar de Schaatshemel vertrokken waar het Grote Rayonhoofd  altijd garant staat voor prachtig, vers gedweild ijs.

Jules Miquel, een geboren mazzelpik uit Parijs

miquelstayerBrullende motoren met de aroma van verbrand rubber en motorolie. Met een onrustbarende regelmaat pikten zijn zintuigen ook andere signalen op: de geur van vers bloed en krakende botten.  Jules Miquel, afkomstig uit Parijs, modaal stayer, geen topper. Toch stond zijn naam vaak op de aanplakbiljetten. De Parijzenaar maakte het de kampioenen altijd lastig. Jules, sinds 1910 professional. Verdiende voor de Eerste Wereldoorlog een goed belegde boterham op de Duitse wielerbanen, waar hij negentien koersen won.  Jules, een renner zonder kapsones, laagdrempelig, een goedzak. Of zoals de Geïllustreerde Sportspiegel van 1922 schreef, ‘een eenvoudige, nederige en gewetensvolle stayer’. Logisch!
De man was er goed van doordrongen dat het leven heel sterfelijk is. Niet één renner uit de stayersgeschiedenis scheerde zó vaak langs de  randen van een vers gedolven graf als die nederige Jules. De Franse stayer, streed  meer dan zeventien jaar zijn duels uit. Levensgevaarlijk jaren, wat staat voor honderden koersen. Dat hij er ongeschonden uit kwam is één van die grote onopgeloste  sportraadsels. Want als De Dood z’n zeis had geslepen, was het Jules die het zoevende geluid van harde, kil staal vlak boven zijn hoofd hoorde.  
Jules Miquel anno nu totaal weggezakt in de wielergeschiedenis. Onterecht! Alleen voor dát feit trekt Stuyfssportverhalen de ouwe Jules nog éénmaal in de schijnwerpers. Een soort postume eer. Miquel was namelijk een held, schreef geschiedenis. Weliswaar van een bedenkelijk soort, maar toch. Miquels vuurdoop in 1911 was een opmaatje voor wat hem nog allemaal te wachten stond. Na een jaar als b-stayer zijn ballen geschroeid te hebben op obscure provinciale wielerbaantjes, werd Jules goed bevonden voor het grote werk. Een contract voor de Grote Pinksterprijs op de  Zehlendorfbaan in Berlijn was zijn première: die hij nooit meer zal vergeten. Een uitverkocht huis met onder meer publiekslieveling thuisrijder Fritz Theille. Dertigste ronde. Theille passeert de jonge Jules als hij enkele seconden later een klapband krijgt. Fritz komt ter val. Jules’ gangmaakmotor kachelt over Fritz’ nek. Miquel, ook gevallen, en zwaargewond  glijdt samen met de stervende Theille de baan uit.miqueltheille
De Parijzenaar, inmiddels negentien koersen gewonnen, waarbij hij meerdere keren aan een ‘enkeltje’ kerkhof ontsnapte, kon in 1914 zijn militaire plunje aantrekken. Na de oorlog was het de beurt aan Miquel. Gerijpt en gehard in de loopgraven, bestormde Jules met de Duitse gangmaker Franz Hofmann de wielerbanen.
Hofmann, en Miquel, eertijdse vijanden: dat Hofmann, voormalig oorlogsvlieger bij de Luftwaffe, de loopgraven van Miquel beschoten had, was niet ondenkbaar.  Maar sport verbroedert, anders wel het geld. Tussen 1920 en de zomer van ’26 werden  bijna veertig koersen gewonnen.  Dan is het augustus 1926, de Grote Prijs van Hamborn, met de inmiddels eenenveertigjarige Miquel aan de start.
miquelstayer2De combinatie Hofmann/Miquel voor het laatst in actie. Met negentig in het uur komt Hofmann ten val en sleept Miquel mee. Enkele dagen later geeft de voormalige oorlogspiloot de geest. Jules Miquel, met een fijne bankrekening, telt zijn zegeningen en bergt  niet veel later zijn fietsje definitief op. Jules Miquel, de nu onbekende Parijse mazzelaar, stierf in 1966 op eenentachtigjarige leeftijd.
Foto 1 én 3: Jules Miquel. Foto 2: Fritz Theille paseert Miquel. Enige seconden nadat de fotograaf ‘kiekte’ viel Theille dood. 

Bron: Radwelt jaargangen 1911 t/m 1927, Geïllustreerde Sportspiegel jaargang 1922.