De valhelm als sportief symbool van vergankelijkheid. Zoals bij de legendarische motorcoureur Jack Middelburg, bijgenaamd Jumping Jack. Jack 31 jaar geworden, verongelukte in 1984 bij een straatrace in Tolhoek. Als eerbetoon werd op zijn kist de valhelm geplaatst waar mee hij zijn successen boekte. En zo hoort het.
Jack had daarmee niet de primeur. Ook de in 1918 dodelijk verongelukte Keulse stayer Peter Gunther kreeg dezelfde eer. Op het graf van Gunther staat dan ook zijn valhelm, weliswaar in steen, maar toch.
Nog meer over racehelmen, zoals die van Gilles Villeneuve die hij in 1982 droeg tijdens de Grand Prix van San Marino. Twee weken later kwam Villeneuve op 32-jarige leeftijd om het leven bij een crash tijdens de kwalificatie voor de Grand Prix van België. Vorig jaar op een veiling, is deze helm voor een recordbedrag van 1,25 miljoen dollar verkocht…
De iconische helm van de Amsterdamse stayerslegende Piet Dickentman kreeg dat eerbetoon niet. Na Dickentman’s hemelvaart in 1950 verdween deze helm anoniem op de zolder van z’n dochter Lotti, daarover straks meer.
De valhelm van Piet Dickentman, voorzien van de kenmerkende luchtgaatjes, een helm waar hij vijfentwintig jaar de dood mee tartte en bekend van foto’s van de Amsterdamse stayersheld.
Eerst even vertellen over Lotti Dickentman, een vrouw met gevoel voor sportgeschiedenis. In een tijd dat er met sportmemorabilia niet zo serieus werd omgesprongen, schonk zij de stayersfiets én het overwinningslint – van Piets wereldtitel in 1903 – aan de Amsterdamse wielerclub Olympia, dé club van Piet.
Fiets en lint staan sindsdien veilig te pronken in de kantine van Olympia. Helaas liep het met die helm niet zó goed af. Na het overlijden van Lotti Dickentman werd de zolder opgeruimd.
Een opruiming met desastreuse gevolgen, want de helm kwam per ongeluk terecht in de zak ‘weg te gooien spullen’.
Waarmee de tegenstelling niet groter kan zijn. Werd de helm van Gilles Villeneuve voor een astronomisch bedrag verkocht die van Dickentman verdween in de verbrandingsoven van de stadsreiniging.


Esser! Doodgewoon Thomas Esser, afkomstig uit Keulen. Jong, wild, ambitieus, én wielrenner. Thomas dus, samen met zijn broertje Jean furore makend in de lokale zesdaagse koersen, wat altijd sappelen was. In 1912 trok hij zijn conclusie. Het broertje mocht het zelf uitzoeken. Thomas maakte de overstap naar het lucratievere stayeren: voor dit verhaal een fijne, maar voor Thomas een desolate beslissing.
Terug naar Thomas Esser, die in 1913 door wist te dringen tot de beste veertig stayers van Duitsland. Thomas, tweede in de Grote Prijs van Europa, won de Grote Pinksterprijs én de Prijs des Handels in Frankfurt, werd ook nog eens tweede in de Grote Prijs van Brussel. Het Keulse jochie verdiende daar niet alleen ruim vijfenhalfduizend goudmark mee, maar ook een uitnodiging voor het wereldkampioenschap in Leipzig: gehouden de drie laatste dagen van augustus.
Thomas Esser, uitgeschakeld in de series, mocht nog even wachten. De Keulse jongen, in 1914 nog acht koersen gewonnen, vertrok voor twee jaar naar het Westfront, want de Grote Oorlog ging los. Dan is het juli 1917. Thomas met het geluid van knetterende mitrailleurs, keffende mortieren in de oren, aan de start van de Grote Prijs van Düsseldorf. Een stayerskoers over totaal honderd kilometer, waar Thomas nooit de finish zal halen. In de vijfentwintigste ronde krijgt de Keulse oorlogsveteraan een klapband. Thomas Esser werd drieëntwintig jaar.
Dan was er ook nog Max Hüttenrauch: bijna door Stuyfssportverhalen vergeten. Onterecht! Want aan de wildwesttijd van het stayeren, waar renners én gangmakers met onrustbarende regelmaat als plat geslagen muggen van de baan werden geschraapt,had Max immers wél zijn steentje bijgedragen. Max Hüttenrauch dus, een naam waar beelden bij opdoemen van pickelhelmen, ijzerbeslagen laarzen, kazernes en ander Pruisische mores. Max, afkomstig uit Saksen, was geen soldaat, maar gangmaker uit een ziekelijke dwang. Achter de motor van Hüttenrauch was het niet fijn toeven. Eigenlijk was het daar niet helemaal pluis. Daar kwam Hans Lange ook achter. Te laat. Maar ik ga eerst vertellen over Max’ bedenkelijke doorbraak. En die mocht er zijn. Daarvoor neem ik jullie even mee naar de Keulse wielerbaan van september 1905. Europees kampioenschap met lokale held Willy Schmitter in de favorietenrol. Voor Willy werd dat geen hosanna maar een requiem. Schmitter, met negentig kilometer een klapband, kwam ten val. Het laatste wat de Keulenaar op zijn netvliezen zag was de onheilspellende Hüttenrauch, die met zijn renner Contenet aan kwam razen. Met een zachte ‘blubb’ plette de zware Dürkoppmotor van Max het hoofd van Willy. Waarbij de Sakser zélf werd gelanceerd. Maandenlang kon Hüt in een ziekenhuisbed nadenken waarom uitgesproken hij Schmitter niet kon ontwijken.
Max zat nergens mee. De man maakte een jaar later met renner Willy Brembach weer zijn opwachting. Op wat valpartijen na, onder meer op de wielerbaan van Plauen, volgden vier jaren schadevrij stayeren. Renners als een Günter, Butler, Arens en Ingold, getrokken door Hüttenrauch, konden het ieder geval navertellen.
Wat dáárna in Max duistere geest rondging…? Lieber Gott im Himmel mag het zeggen. Maar niet dat Max stopte met zijn linke beroep. Na de ‘Grote Oorlog’ wordt Max weer op de Duitse wielerbanen, met onder meer renners Pawke, Stellbrink, Brummer en Techmer, gesignaleerd. Na een flinke smakkerd met renner Techmer komt de kat op de schouders van Max te zitten. Geen zinnig renner durfde nog achter de man van Saksen te rijden. Max Hütterauch veroordeeld tot koersen met B en C stayers. Op 11 oktober 1926, stayerskoers in Mainz, Max aan de start met achter zijn motor ene Christman. Het werd zijn laatste koers. Max Hüttenrauch, vierenveertig jaar, valt te pletter.