
Verhalen met broers in de hoofdrol. De gebroeders Grimm wisten daar wel raad mee. De sprookjes van de broertjes Grimm, garantie op horror, waar bij het bloed tussen de alinea’s door sijpelt. Verhalen met onheilspellende titels als De Roetzwarte Broer van de Duivel, of anders het sprookje, De Twaalf Broers.
Dat laatste, verhaald over een koning en een koningin met twaalf kinderen. Allemaal zoons. ‘Als het dertiende kind komt en het is een meisje, dan moeten de twaalf jongens sterven’, zo sprak de koning tegen zijn gemalin. Hij liet vervolgens twaalf doodskisten timmeren…’ Dat soort verhalen dus. Altijd leuk om vóór het slapen, aan de kleintjes voor te lezen.
Met wielrennende broers, liggen de verhalen óók voor het oprapen. Verhalen waarbij psychiaters begrijpend staan te knikken. Story’s met ouders, balancerend op een dun pedagogisch koord. Prijs je de ene zoon iéts meer de hemel in, dan slaat het monster van de jaloezie toe.
Oóit, héél lang geleden, om maar in de juiste sprookjessfeer te blijven, maakten twee Amsterdamse broers de amateurkoersen onveilig. Alle twee begenadigde renners, die elkaar hielpen in de koers. Won de één niet, dan was het wél z’n broer. Totdat de vader die ene kapitale fout maakte. De man stak de oudste zoon telkens een veer in z’n gat, waarbij de jongste zoon werd overgeslagen. Het startsein voor hommeles. Van samenwerking tijdens de koers was geen sprake meer.
De fietsende broertjes zaten, vooral in de Amsterdamse straatrondjes elkaar dwars. Met legendarische, vechtpartijen, en plein public, na afloop, waar de broers elkaar te lijf gingen. Zestig jaar na dato, wordt in Amsterdamse wielerkringen daar nóg over gesproken. Dat de broers, de rest van hun hele lange leven gebrouilleerd waren, is ter kennisgeving.
Of het met de Franse broers Magné ook zó aan toe ging is twijfelachtig. Ieder geval niet tijdens de Ronde van Frankrijk 1931. Waar tijdens de elfde etappe Perpignan-Montpellier, Antonin Magne, drager van de gele trui, werd verrast werd door zijn toekijkende broer Pierre, ook op de fiets. De hartstochtelijke begroeting van de broers Magne was er één uit het boekje ‘Ware Broederliefde’. Een sprookje waar de jongens van Grimm nooit opgekomen waren.
Bron: Le Miroir des Sports, jaargang 1931.



In het zweet des aanschijn zult Gij Uw brood verdienen. Of de man Bijbelvast was, is niet bekend. Wél dat hij af zat te zien in het kwadraat. Het was lijden, mooi van lelijkheid. In een decor van slijk, viezigheid, los steenslag, overgoten met regen.
drog en dope. Dé ingrediënten voor een goed wielerverhaal. Dat Ottavio Bottecchia in 1924 en een jaar later de Tour won is aardig voor de statistieken. Dat de man bovendien ook nog eens dertig gele truien mee nam naar zijn dorp Friuli, Italië, dat was leuk voor hem. Maar dat Ottavio op een gewelddadige en geheimzinnige manier aan zijn einde kwam, dát bezorgde hem pas een plekje in de eeuwige cultgalerij.
en ingeslagen schedel. Zijn fiets stond keurig tegen een boom geparkeerd.
Het kon niet mis gaan. Aan alles was gedacht. Het materiaal waarop gekoerst werd, behoorde tot het meest geavanceerde van die tijd, waar de concurrentie alleen maar van kon dromen. Zoals wielen met uitklapnaven. Een wiel wisselen was een kwestie van enkele seconden. Het gesodemieter met vastzittende vleugelmoeren waar zo’n wiel mee in de vork zat, was voorbij. Een privésoigneur, ene Biagio Cavanna, stond tot zijn beschikking. Dat Cavanna, een visueel gehandicapte, daardoor een mythische status mee verwierf, was voor hem mooi meegenomen. De man had gewoon mazzel dat hij één van de meest talentvolle wielrenners ooit, op zijn massagetafel had.
Waarin Il Campionissimo een lekke voorband kreeg. Een lekke band in een tijdrit, een horrorscenario voor een klassementrenner. Ook voor die ene mecanicien, die hoogstwaarschijnlijk tot aan zijn dood, niet alleen een trauma, maar ook nachtmerries aan over hield. Tevens het moment van die ene onbekende fotograaf van Miroir de Sport die daarvan een onvergetelijke foto van maakte. Coppi, alvast zijn voorwiel uit de vork gehaald, kreeg van uit de materiaalauto gesprongen mecanicien hulp. In plaats van een voorwiel had de mecanicien een achterwiel in z’n hand.
Met vijf monumentale wielerklassiekers op je palmares, dan mag je plaats nemen in het rijtje mythologische helden. Jo de Roo had dan ook zijn plekje in deze heldengalerij ingenomen. Ook op een ander vlak blijkt De Roo een levende mythe te zijn.
De zondagen van april, héilige dagen, in gepaste devotie voor de televisie door gebracht. Een flesje Hertog Jan onder handbereik. De ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix en méér staat namelijk op de kalender. Dat was vroeger. Voor dat dat enge virus toesloeg. Geen klassiekers dit voorjaar. Laat staan de Giro d’ Italia, met afstand de allermooiste koers.
Geen rangen en vooral geen standen. De Tour de France is voor het volk. Ook die van 1960, wat tevens een mooi jaar was. In Frankrijk wel te verstaan. De Franse Republiek, aangevoerd door monsieur le president De Gaulle, bij wie enig nationalisme niet vreemd was. ‘Frankrijk kan Frankrijk niet zijn, zonder zijn grandeur’, was één van zijn uitspraken. Dat was wáár.
Afgelopen januari tekende Enzo Leijnse 18 jaar, een contract bij de prestigieuze opleidingsploeg van Sunweb. Een jongensdroom kwam uit. De scouts van Sunweb, een scherp oog voor talent, zien in hem een ongeslepen diamant. Met dank aan de snoeiharde tijdrit die Leijnse in de benen heeft. Zijn optreden tijdens het Europees- én wereldkampioenschap, vorig jaar, zorgde voor de nodige sensatie. Bij de strijd om de wereldtitel tijdrijden, had hij heel lang zicht op de wereldtitel. Om met een paar seconden verschil, uiteindelijk met de zilveren medaille naar huis te gaan.
Piepende remmen. Lucht van verschroeid rubber. Krakende koersfietsen. Het zachte, weemakende geluid van schedels op hard steen. Dan stilte! Onderbroken door gekreun. Geen ploegleider te ontdekken. En het peloton ijlt in de verte door.
Dan was er ook nog Maurice Lavigne, een modale knecht, uitkomend voor een regionale Franse ploeg. Ach gossie, die Maurice, als Lord Wanhoop gesneuveld op boerenlandweggetje. Dat moet die ene anonieme vrouw ook gedacht hebben. Zo’n moedertype overlopend van empathie, die al het leed van de wereld op haar schouders neemt. Madam Anonyme, met zo’n typische jaren-50 haarkapje deed wat ze kon doen.