Waarom ik?

In het zweet des aanschijn zult Gij Uw brood verdienen. Of de man Bijbelvast was, is niet bekend. Wél dat hij af zat te zien in het kwadraat. Het was lijden, mooi van lelijkheid.  In een  decor van slijk, viezigheid, los steenslag, overgoten met regen.
Een modderpad, als een kerf  uitgesneden op de coll d’ Aubisque, die als een puntje in de regenwolken verdwijnt.  De tijden van de sierlijke Colombiaanse klimkoningen, die heupwiegend, trippelend, met zonnebrillen als filmsterren op een hightechfietsje zo’n berg opvlogen, dat kwam in 1932 alleen voor in proefschriften van knotsgekke geleerden. Tijdens de Tour de France 1932, deed André Leducq het noodgedwongen, op een loodzwaar karretje met maar één versnelling.
Leducq, aluminium bidon met koffie, cognac, een paar geklutste eieren en een snuifje coke, oogde als een lijk dat omhoog getakeld werd. Stampend en stumperend over het modderige geitenpad. De blik naar beneden gericht. Omhoog de berg opkijken  gaf suïcidale neigingen. Anders deed het wel het moraal, dat rare wielerbegrip, wegsmelten. De etappe Pau-Luchon met ondermeer de gevreesde Tourmalet én de coll d’ Aubisque,  over 229  kilometer. Waar Leducq,  als niet klimmer urenlang met de Heer zat te praten. ‘Waarom ik Heer’, waar heb ik deze pijn aan verdiend’, flitste het door zijn hoofd? ‘Omdat jij de gele trui moet verdedigen sukkel’,  hoorde Leducq in een trance.
Op het moment dat de Fransman zich afvroeg  of hij écht een antwoord van Hem had gehoord, staat die Antonin Magne, Tourwinnaar van het jaar daarvoor, aan de kant van het pad.  ‘Allé André, je bent bijna boven’, loog Magne al rennend, die al lang blij was dat deze beker dat jaar aan hem voor bij ging.
Enfin, de Heer én de aanmoedigingen van Magne, ten spijt,  André Leducq won evengoed de Tour de France 1932.

Bron: Le Miroir des Sports, jaargang 1932.

Geen pepermuntjes

Een gezicht vol slijk, snot en slijm. De reservetube om de knokige schouders. Holle, bestofte oogkassen. En ach, dat maakte allemaal geen reet uit. Voor glitter en glamour was geen plek. De huldiging van de etappewinnaar was als de koers zelf: Spartaans en recht-toe-recht-aan.  De Tour van 1932, wars van ordinaire commercie. Aan rennerslijven geen polonaise. En helemaal niet aan die van Jean Aerts. Jean, winnaar van de eerste etappe, kreeg een bos bloemen in zijn eeltige knuisten gedrukt. En werd vervolgens opgevangen door een verzorger met een verdachte broek aan.
Jean, Vlaming uit roeping, sloeg in de eerste etappe Parijs-Caen over meer dan tweehonderd kilometer toe. Sluw, rücksichtlos en meedogenloos.
De hele dag, want zes uur lang, was het peloton bij elkaar gebleven. Met een ontsnapping in de laatste twintig kilometer. Vijf man weg. Waaronder Jean, bijgenaamd Hoge Piet. In de kopgroep ook Jeans landgenoot Jef Demuysere: een Tourveteraan die je geen pepermuntjes voor ‘dope’ kon verkopen.  
Demuysere, in de einduitslag Toureditie 1930 op de tweede plaats, piepte enkele honderden meters voor aankomst op de wielerbaan van Caen, ertussenuit. Er van uitgaande dat ploeggenoot Aerts wel afstopte. En dat deed de man uit het gehucht Laken lekker niet. Nee! 
Nadat eerst mede-vluchtgenoot George Speicher door een val vakkundig werd uitgeschakeld, trok Jean door. En klopte vervolgens Jef Demuysere op de finishstreep. Of de ploeggeest uit de fles was? Onbekend! Wel dat Aerts later uitkomend in vijf edities van de ronde van Frankrijk bij elkaar twaalf etappes won. Dat Jean Aerts in 1935 wereldkampioen werd is ter kennisgeving, want deze columns gaan namelijk alleen over de Tour de France.
Jean Aerts, die zich zijn hele lange leven als succesvol Tourrenner in de spiegel kon bekijken, stierf in Brugge op vijfentachtigjarige leeftijd.

 

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: