Sneuvelen

Wat is erger? Sterven aan een hartaanval in de wachtkamer van de cardioloog? Of, na een heroïsche vlucht van meer dan tweehonderd kilometer, vlák voor de finish sneuvelen? Zeg het maar…! Vlak na afloop van de etappe Metz-Luik wist Raphael Geminiani ongetwijfeld hét antwoord. Enfin, Tour de France anno 1950. Mooie, romantische tijd, waar je als renner onbekommerd een paar tabletjes amfetamine kon slikken zonder het gezeik van allerlei kereltjes van de dopingcontrole.
Of Geminiani ook geprepareerd was? Gezien de foto’s gemaakt tijdens zijn urenlange ontsnapping, waarschijnlijk wél. Gem had namelijk  een oogopslag als een  paar koplampen. Ach ja, dat was de mores van die tijd. Doen wij niet moeilijk over.
Maar we gaan verder. Want deze column gaat niet over Geminiani maar over de winnaar van deze etappe ene Adolfo Leoni: een Toscaan gezegend met supersnelle benen. De man koerste zijn hele carrière in de schaduw van Coppi en Bartali. Ten onrechte. Adolfo, op dat moment drieëndertig jaar, had een erelijst van zeventien etappezeges in de Giro d’ Italia, én een overwinning in Milaan-San Remo. Leoni,  cum laude afgestudeerd aan de hogeschool der sprinters. Een kerel die wist hoe het spel gespeeld werd en geen trap te veel deed. Behálve als de meet in zicht kwam.
Nadat Geminiani was opgepeuzeld, schroeide Adolfo met een verzengende sprint het complete peloton. De etappe Metz-Luik werd zijn enige Touretappezege.
Van zijn wielerpensioen heeft Adolpho Leoni niet lang kunnen genieten. In de wachtkamer van de cardioloog kreeg Leoni een fatale hartaanval. De voormalige sprint-aas, 53 jaar geworden, wordt nog ieder jaar herdacht in zijn geboorteplaats met de naar hem vernoemde Trofee Adolfo Leoni, een koers over honderdzestig kilometer, voor renners onder de 23 jaar.
En dan is er ook nog Raphael Geminiani, bij wie je best de vraag kan stellen ‘wat erger was’. Hoogstwaarschijnlijk moet de vroegere Toursoldaat uit het Zuiden van La France hard lachen. Gem is met zijn 95 jaar, namelijk nog steeds onder ons.

Bron: Le Miroir des Sports jaargang 1950.

Gloria

De afgetrainde kont op een  koude, harde stoep.  Een nat zweetsjaaltje,  om de nek. Het hart bonkt nog op volle toeren.  Adrenaline raast door het lijf. Lurkend wordt een slok uit een  aluminium bidon genomen. Met een onzekere oogopslag wordt beduusd op de uitslag gewacht. De aankomst van de tweede etappe Virre-Reins. Ronde van Frankrijk anno 1939, kabbelend in een gezapige tijd, waarbij de  waanzin van hedendaagse Touraankomsten nog vér weg was. Dat laatste kwam bij  Jean Fontenay, 28 jaar, alleen in duistere en onheilspellende nachtmerries voor.
Maar nu was de man door twijfel gevangen. Had  hij nou wél of niet de gele trui veroverd? Jean Fontenay, afkomstig uit Bretagne, groot geworden als boerenzoon op het platteland van Bretagne,  waar de koers nooit ver weg was en is, kon gerust zijn.  
Bretagne dus, waar lokale wielerhelden, tot op hoge leeftijd, in de kroeg tot vervelens hun verhalen orareerde.
Misschien kreeg Jean Fontenay dáárvan wel zijn roeping.  Jean, een boerenknuppel, vers uit de stallen van zijn pa, werd renner en harde dagelijks urenlang zijn kloten op een  racezadeltje. Voor een handvol franken was Jean prof in de schaduw van het bestaan. Was in drie Tourversies tamelijk anoniem. Maar niet in 1939! Daar had de Bretonner een uitschieter, wat staat voor de gele trui en dat voor twee dagen. 
Fontenay en zijn koersmakkers,  de verloren, sneue fietsgeneratie. Daar zorgde de komende wereldbrand wel voor. Evengoed kon niemand  zijn gele truien meer afpakken. Voor Jean waren dat twee dagen in gloria. Tsja die Jean. Na de oorlog nog geprobeerd als renner aan de slag te komen. Werd in 1947 tijdens een training door een jeep aangereden. Exit wielercarrière. Jean Fontenay stierf op vierenzestig jarige leeftijd in zijn geliefde Bretagne.

Bron: Le Miroir des Sports jaargang 1939.

Polygoonjournaal

Eenzaam. Helemáál alleen. Het ooit atletische, getrainde lijf, afgetakeld, en versleten. Van een afstand kijkt De Dood, hongerig en wrijvend in zijn knokige klauwen, toe. Voor George Decaux, 85 jaar, maakte het niks meer uit.
Zijn leven zit er bijna op. Het was goed geweest. De herinneringen daaraan krikten zijn levenslust voor héél even op. Speciaal aan die ene snikhete dag ergens in juli 1952. Die dag, dát moment, vergat hij nóóit meer. Het werd de drijvende dobber van zijn sportjeugd.
Hoe hij, jochie nog, net droog achter de oren, zijn debuut maakte in de Ronde van Frankrijk. Nog maar eenentwintig jaar. Te jong? Ja natuurlijk!
Helemaal in die rauwe, opportunistische wielertijd van vlak na de oorlog. De tijd dat renners voor een scheet en drie knikkers voor de leeuwen werden gegooid. En door obscure soigneurs geprepareerd werden, tot het de oren uit spoot. Ook voor George. Georgie, talentvol rennertje afkomstig uit het troosteloze noordwesten van Frankrijk, had voor zichzelf besloten het te maken.
Decor, de etappe Avignon-Perpignan, onder godsgloeiend hete omstandigheden, met extra dimensie een afstand van  méér dan tweehonderdvijftig lange, slopende kilometers. Op George maakte dat geen indruk. Je bent jong, vurig, en heb het gevoel dat  je je stuur kan opvreten.  Het werd zo’n prehistorische etappe waar het Polygoon bioscoopjournaal een patent op had en waarbij journaalcommentator Philip Bloemendal met enge holle stem, neuzelde dat ‘renners door de roodgloeiende ploert werden gebakken’.
Maar dit is een eerbetoon aan George Decaux die op die ene dag in zijn leven het Nirvana van zijn korte wielerloopbaan beleefde. Decaux was op die dag niet te houden. Met resultaat een lange ontsnapping. Met acht minuten voorsprong op de Italiaanse knecht Corrieri en meer dan twintig minuten op het peloton maakte George Decaux zijn eigen wielergeschiedenis. Het werd niet alleen zijn enige grote overwinning in zijn korte maar heftige wielercarrière, maar tevens zijn enige deelname een de Ronde van Frankrijk.
George Decaux, inwoner van Abbeville stierf op maandag 12 oktober 2015 in het ziekenhuis van zijn geboorteplaats. George werd 85 jaar.

Bron: Le Miroir des Sports jaargang 1952. En de site van de gemeente Abbeville.

Jammerlijk

Col du Portet. Een steile stinkcol van ruim tweeduizend meter hoogte, gelegen op de grens met Spanje. Domein van schaapsherders. Van die morsige, stinkende kerels, met téveel hormonen in het lijf, die maandenlang, zonder vrouw,  met hun kudden op zo’n berg bivakkeerden en waar je er maar niet aan moet denken wat ze s ´nachts met die schapen uitspookten.  Maar dáár ging het anno 1936 even niet over. De  Col fungeerde tóen als scherprechter tijdens de vijftiende etappe Perpignan-Luchon, over meer dan driehonderd kilometer. Met Sauveur Ducazeaux, een Bask afkomstig uit Frans Baskenland, in een hoofdrol. Sauveur, als eerste renner aan de top, en werd hartstochtelijk verwelkomd door een massieve mensenmassa, waarvan je nu  afvraagt hoe deze in godsnaam naar boven zijn gekomen. Dat laatste zal hem ongetwijfeld een rotzorg zijn geweest. De man, stumperend op een fietsje zonder versnellingsapparaten, had wel iets anders aan zijn kop, want had urenlang, tegen die steile hellingen met God ‘zitten praten’. Gelukkig voor hem naderde de verlossing want de afzink: de opmaat voor zijn enige Toursucces.
Sauveur Ducazeaux, drie keer aan de start van een Tour. Wat een dunne erelijst opleverde. Sauv kende maar één groot koerseuforie. En die vond plaats op die genoemde Col du Portet. En dát sprak evengoed tóch aan. De Bask werd daarom niet helemaal mister anonymous.
Daar zorgde het wielerblad Le Miroir des Sports wel voor. De clichémaker van dienst had het druk om de foto’s met  Sauveur, te ´rasteren.´ Decazeaux, kende een jammerlijke wielercarrière. Want aan de oostgrens van de Republiek waren de troepen van de Wehrmacht druk in training. De naderende wereldoorlog werd voor jongens als Sauv de dood in hun wielerpot.
Twintig jaar na zijn enige Toursucces liet hij nog één keer van zich horen. Als ploegleider leidde hij in 1956 Walkowiak naar diens enige winst in een Ronde van Frankrijk. Ach gossie, Roger Walkowiak, die arme man, die zijn leven lang kwalijk werd genomen dat hij op de erelijst stond van Tourwinnaars.
Sauveur en Roger: zal het dan tóch waar zijn dat sjlemielen elkaar aantrekken? Enfin, de Franse Bask had niet gefrustreerd hoeven te zijn over zijn wielercarrière. Per slot zijn er duizenden renners die bereid zijn om een vinger bij zich af te laten hakken voor één etappezege. Sauveur Ducazeaux stootte op zevenenzeventigjarige leeftijd zijn laatste adem uit.

Bron: Miroir des Sports jaargang 1936.

Waterput

Vriendschap in het peloton? Sodemieter op! Dat soort sentimentele geleuter bestaat alleen in jongensboeken. Een beetje beroepsrenner is een kruising tussen een Judas en een NSB’er. Kerels die in staat zijn, hun moeder te verkwanselen aan het plaatselijke bordeel. Dát soort dus. Wat dat betreft was Antoine Magne hét lichtende voorbeeld. Zoals Antoine, kopman van de Franse nationale ploeg, tijdens de Tour van 1938, zijn ploeggenoot én grote concurrent Sylvain Marcaillou elimineerde duidt op ‘vakkundigheid’: zonder één trap te veel te geven.
Sylvain, afkomstig uit Toulouse. Deed voor de vierde keer mee aan die krankzinnige race door Frankrijk. Eindigde in 1937 als vijfde. Stond een jaar later als tweede kopman, aan de start in Parijs. Waar Magne op dat moment druk bezig was zijn mes te slijpen. Om die in de vijfde etappe in de rug van ploeggenoot Marcaillou te planten. De ingrediënten? De Belg Marcel Vissers én een ouwe stenen waterput. Het was amper twintig kilometer koers, toen Vissers in een bocht een slipper maakte. Zegge en schrijve één renner was de dupe. Sylvain Marcaillou! De laatste kwam met zijn harses tegen die genoemde waterput. Het peloton ijlend verder. Sylvain, dizzy en een grote scheur boven zijn oor, rijker.
Volgens de mores verwacht je dat ploeggenoten Sylvain op sleeptouw zal nemen. Het was Magne, als de kippen erbij, om dat te verbieden. Marcaillou mocht het zelf opknappen.
Sylvain, op zijn onbeschadigde fiets met een bebloede kop in de achtervolging, vond na veertig kilometer achtervolging aansluiting. Krakend van de pijn, bloed stromend over het hoofd liet de Toulousain zich toch maar even verzorgen. Om vervolgens een half uur na het peloton als laatste over finish te komen. Waarmee hij een goede einduitslag op zijn rug kon schrijven.
Uiteindelijk moest Sylvain Marcaillou negenenzestig jaar wachten op zijn genoegdoening. Want in het najaar van 2007 vertrok de ouwe Tourstrijder op zesennegentig jarige leeftijd naar de Grote Wielerhemel. Waarmee hij zijn vroegere kopman Magné met zeventien jaar klopte.
Drie jaar na zijn tocht naar gene zijde werd in bijzijn van zijn kinderen-, klein- én achterkleinkinderen in Toulouse een straat naar hem vernoemd.

Bron: Les Miroir des Sport, jaargang 1938. De krant La Depeche jaargang 2010.

Hondenpens

Het zijn de gedrevenen. De vermetele. Kerels, levend op het randje van de adrenalineput. Met schijt aan God, zijn gebod én al helemaal aan de Duitse bezetter. Die laatste kon zijn rug op. Bernard Gauthier, als jochie tijdens de oorlog opgepakt door de gevreesde Gestapo. En op transport gezet naar Buchenwald. Dat Bernard van de trein afsprong was voor de man klein bier. Voor jongens die de moordmachine van de Mof hadden weerstaan, restte na de oorlog twee opties: het Vreemdelingenlegioen, óf de koersfiets. Gauthier werd bij de gratie Gods beroepsrenner. Startte tien keer in de Franse rondrit. Won in 1948 een etappe. Leuk voor de kleinkinderen, meer ook niet. Twee jaar later, op zaterdag 15 juli 1950, zette Bernard, afkomstig uit het gehucht Beaumon-Monteux, orde op zaken. Decor, de snikhete etappe, Luik-Lille over bijna 235 kilometer.
Waar in de buitenwijken van Luik, zes renners op hol sloegen: Gauthier wist als laatste aan te sluiten. Het werd zo’n prehistorische, epische etappe waar verzorging of ander soort gepamper, ver weg was. Dorst? Een verschrompelde huig? Geen klaterende fontein in de buurt? Of Gauthier dat wat kon schelen. Met een verwilderde blik overviel de man een kroeg. Goed voor een fles drank en een prachtige foto in de Miroir des Sport.
Om het verloop van een hele etappe te beschrijven is oervervelend. Daarom maar even vertellen dat de Italiaanse knecht Pasotti, tweehonderd kilometer lang geen meter kop, de rit won. En dat Bernard Gauthier, in Lille, de gele trui kreeg, die hij een week lang wist te behouden.
Bernard Gauthier, zijn hele wielercarrière gesponsord door Mercier, zo taai als hondenpens van twee weken oud. Vier keer deed de man mee aan Bordeaux-Parijs: de verschrikkelijkste, maar ook de meest mythische race ooit, want zeshonderd kilometer jakkeren achter een derny. Gauthier won vier keer.
Dan blijft de vraag: wat was voor Gauthier nou belangrijker? Die gele trui of vier keer winst in ´s werelds zwaarste klassieker? Ongetwijfeld kan Bernard, anno nu, daar wel antwoord op geven. De voormalige frontstrijder is met zijn 94 jaar nog steeds onder ons.

Bron Miroir des Sports jaargang 1950.

Helden uit de vergetelheid

Komende zaterdag gaat de Tour de France weer los. Zoals ieder jaar spitte  Stuyfssportverhalen  in zijn archief, en ging op zoek naar de koersende sjlemielen, de avonturiers, en de sprintende opportunist. Kerels, die in het zweet des aanschijns, hun karige geld bij elkaar schraapten. Helden voor een dag, hooguit een week. Nu vergeten.  Goddank zijn daar de  jaargangen van Le Miroir des Sports uit de jaren 20, 30, de late 40 én de jaren 50, een onuitputtelijke bron, om deze  jongens uit de vergetelheid te halen. Stuyfssportverhalen gaf daar zijn eigen, op feiten gebaseerde, draai aan. Kortom de Tourcolumns komt er aan, opgeleukt met unieke foto´s

Rekening vereffend

De zomers begin jaren vijftig. Dat is denkend aan een Montelbaantoren in een strakke blauwe lucht. Schreeuwende zwaluwen scherend over grachten, straten en stegen. Straten vol met kinderen. IJsjes voor een stuiver bij de Italiaanse ijsman, hoek Koningsstraat/Krom Boomsloot. Zomers gebeiteld in het geheugen van een toenmalig jochie aan de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt: dat merkwaardige buurtje bevolkt met havenarbeiders, bouwvakkers, en diamantslijpers.
Zomers, met als vast ijkpunt de ‘Tour de France’. Vanuit de open ramen klanken van radioreportages uit Frankrijk. De stem van Tourverslaggever Jan Cottaar. De hele buurt gekluisterd aan de buizenradio. De avonturen van de Nederlandse Tourploeg. De rondrit door La France, waar een jongen uit de buurt in meestreed.
Hein van Breenen, afkomstig uit de Korte Koningsstraat:  de complete buurt als supporter. Met als kloppend middelpunt de groentezaak van de Van Breenens. Pa en ma Van Breenen, maar vooral Heins zusje Annie. Een collectieve siddering in de huizen als Cottaar de naam van Hein brulde. Vooral tijdens de 20e etappe Tour 1954. Heintje, zoals hij liefkozend door de buurt genoemd werd, nipt op de wielerbaan van Besancon,  geklopt door winnaar Lucien Teisseire.
Hein van Breenen vier keer meegestreden in de Tour. Werd twee keer tweede in een etappe. Terzijde: Van Breenen werd in de Giro de Italia ooit elfde in de eindklassering. Prestaties die niet genoeg geroemd kunnen worden. Maar té weinig voor eeuwige roem.
Evengoed kan Hein, maar zestig jaar geworden, in de Grote Wielerhemel tevreden zijn. Want afgelopen zondag werd er een rekening vereffend. Dylan Groenewegen, Heins achterneefje , want de kleinzoon van zusje Annie, zette in Parijs even orde op zaken. De familie eer was gered.

Padvinders en Heilsoldaten

Een negende plaats in het eindklassement, Tour anno 1950. Aardig en  leuk. Maar ook een uitslag met garantie op vergetelheid.  Georges Meunier, jong, wild en ambitieus ging orde op zaken stellen. De winter daarop voor George geen wein, weib und gesang.
De wijnglazen bleven leeg, de snikkel was er alleen voor ‘de plas’ en als er gezongen werd was het van de pijn, want George, afkomstig uit Vierzon, midden-Fankrijk geselde zich zelf iedere winterdag op de crossfiets. Met een betonnen conditie fietste hij het wegseizoen 1951 binnen.
Eerste gewin, kattengespin, een kreet die  Georges’ rug op kon.  Want de voorjaarsklassieker Parijs-Limoges werd gewonnen. Het werd het voorspel voor de komende Tour, waar Georgie zijn plekje in de Tourgeschiedenis in ging nemen. Het altaar van zijn hoogmis werd de derde etappe, Gent-Le Treport.

Tweehonderdnegentien kilometer. Dwars door het West-Vlaamse land. Harde wind tegen. Zwaar labeur voor vier, stormbestendige renners, die twintig kilometer voor de finish de geest kregen, waaronder George.
Het profpeloton is géén hangplek voor padvinders, heilsoldaten, misdienaars en andere fietsende kwezels, maar wél  voor de koersende gewetenloze. Kerels mét, maar ook zonder moraal. Zoals Georges! Enfin, medevluchters als een Rossi, Kemp en Bauvin, werden door hem in de eindsprint vakkundig er ‘op gelegd’.
Georges Meunier, vier keer uitkomende in een Tour de France, won twee etappes, maar had het na vijftien jaar prof, wel gezien. De man hing de fiets aan de haak.
In zijn geboorteplaats Vierzon opende de Tourveteraan een kroeg, genaamd Croix-Blanche, die hij decennia uitbaatte. Voor Georges Meunier kwamen mooie tijden aan. Helemaal toen zijn twee zoons de familietraditie voortzetten. Jean Claude en Alain, zeer verdienstelijke profs bij de illustere Peugeotformatie. Wat eindigde in een familiedrama.
In plaats dat Georges kon genieten van zijn jongens, stond hij niet veel later aan een vers gedolven graf. Alain, 27 jaar, verongelukte in 1980,  tijdens een koers in Sologne. En nog was voor pa Meunier de beker niet leeg. In 1985 stierf ook nog zijn zoon Jean Claude, 35 jaar.
En Georges zelf…? De voormalige Tourheld  negentig jaar.

 

Het kaaspakhuis

Bescheiden, introvert, en verlegen. In de oeroude jaargangen van de Miroir des Sports kom je geen woeste uitspraken van hem tegen. Hooguit wat actiefoto’s. Giuseppe Pancera trippelde als een grijze muis door zijn wielercarrière heen. Giuseppe bijgenaamd ‘De Stille Man’, zat er niet mee. Hoewel hij ongetwijfeld zich wel eens radeloos afgevraagd had waarom hij geen snellere benen had. Zoals in de Tour, editie 1929. Giuseppe, dan dertig jaar oud en uitkomend voor de Italiaanse ploeg La Rafale, maakte in Frankrijk zijn debuut als Tourrenner. In de etappes finishte Giuseppe dertien keer bij de eerste tien. De man, taai als een pizza van een week oud, gaf nooit af. In het hooggebergte of op het vlakke, Giuseppe, afkomstig uit Castelnuovo, sloop met de besten mee.
Maar grijze muizen zijn veroordeeld tot een leven in de schaduw van het kaaspakhuis. Jammer voor Giuseppe. Had hij nou maar één etappe gewonnen… Of had hij tijdens een afdaling een bocht gemist, of meer van die fijne, dramatische zaken die in de Tourgeschiedenis lekker beklijven. Maar niks, nada, noppes. Giuseppe koerste gelijkmatig als een Zwitsers uurwerk.
Evengoed kon de taaie Latijn tevreden zijn over zijn Tourdebuut: trouwens over zijn hele carrière. In het Parijs van 1929, vond hij zich zelf in het algemeen klassement terug op de tweede plaats. Te weinig voor eeuwige roem.
Giuseppe Pancera, vier keer aan de start, wond zijn fysieke horloge een jaar later nog een keer op en eindigde in de Tour van 1930 elf keer bij de eerst tien. En vond daarna nooit meer die vorm terug zoals in 1929. En ach wat maakte dat voor hem ook uit. Evengoed had hij zijn plekje in de wielergeschiedenis ingenomen.
Na de Giro d’Italia editie 1933 ging Giuseppe met wielerpensioen. Zijn zuurverdiende lires investeerde hij in een café in zijn geboorteplaats Castelnuove del Garda. Enfin, in ‘Caffé Sport Pancera’ had de kastelein tot aan zijn dood in 1977 stof voor wielerverhalen genoeg.