Brandende motoren en stervende jongens

Gebroken rolde hij uit het ledikant. Geteisterd door angstvisoenen wéér de hele nacht wakker gelegen. Fietsen achter die pokkenmotor…  Was het dat allemaal nog wél waard? Krabbend aan zijn zak dacht hij aan z’n  bankrekening van  honderdzestigduizend goudmark.  Zoveel had hij als kleermaker  nooit kunnen verdienen. De punten van de snor werden met een flinke kluit pommade in vorm gedraaid. Nog maar een paar maanden dan is het voorbij, hield hij zich voor. Tijdens het toiletmaken zag hij in de scheerspiegel een man van bijna veertig jaar wiens beste jaren voorbij waren. Na het ontbijt controleerde hij zijn Brennabor-fiets, en pakte de valies. Richard Scheuermann, een gewezen kleermaker, was op weg naar de Richler-wielerbaan waar die dag de Grote Prijs van Keulen werd verreden. Zeven september 1913, was  ook de dag dat Richard Scheuermann afkomstig uit Breslau, ging sneuvelen  in één van de meest bloederige koersen ooit.
De tribunes waren angstig vol. Er kon geen Duitse muis meer bij. De kaarten waren in één dag uitverkocht. Max Hellrung, voorzitter van de Kölner-Renn-Verein,  had het weer voor elkaar gekregen. Vier topstayers, Günther, Stellbrink, Guignard en Scheuermann, had hij weten te strikken. Een mazzeltje voor de organisatie dat die  Guignard een week daarvoor wereldkampioen was geworden. Richard Scheuermann, dertien jaar prof, in het lijstje van veertig best verdienende Duitse stayers op de vierde plaats, gepokt en gemazeld in tientallen zware stayerskoersen maar ook een renner met beperkte houdbaarheidsdatum, zocht direct het duel met Guignard op. De Breslauer, gegangmaakt door Emile Meinhold, was niet te stuiten. Vloog er met zijn ouwe lijf vol in.
Het Rijnlandse publiek kreeg waar voor hun duur betaalde pfenningen en marken. Het werd een lekker spektakel, sensatie waar je fijne gevoelens in de onderbuik bij krijgt: maar dan wel één uit de twilight zone. Halverwege koers een harde klap; gangmaker Gus Lawsons voorband springt uit elkaar. Met  negentig in het uur stort Gus tegen het beton. Zijn renner Guignard stuurt er wonderlijk genoeg omheen. De aanstormende combinatie Meinhold/Scheuermann klapt er vol op. Een opmaatje voor een inferno. Brandende motoren  en stervende jongens. Zwaargewond werd Scheuermann afgevoerd.
brandgangmaakmotorSamen met  Gus Lawson  vertrok Richard Scheuermann een dag later naar de Grote Stayershemel. Gangmaker Meinhold, met ernstige brandwonden afgevoerd, werd eerst doodverklaard maar kwam  na een diepe coma weer bij kennis. Scheuermann, zevenendertig jaar geworden, werd begraven op de Pohlanowitz begraafplaats in Breslau. Drama in optima forma. Anno 1913 deed dat ’t heel goed, en dat werd er even goed in geramd. Scheuermanns hemelgang werd  met een ansichtkaart, in grote oplage herdacht. Een luguber kaartje compleet met de Engels des Doods, graftakken, geboorte- en sterfdatum. Moet een fijne verrassing zijn geweest om zo’n ansicht uit de brievenbus te vissen.

Bron: Radwelt jaargangen 1902 t/m 1913.

Mooi grafmonument voor Gronings publiekslieveling

Cowboys waren het. Tikkeltje desolate figuren die voor de poen er altijd invlogen. Aardige stayers, maar tweede garnituur. Kerels die de  kleinere wielerbanen afstroopten waar bloederige duels werden uitgevochten. In de hoop door een  grote manager opgemerkt te worden en bereid tot het gaatje te gaan. Dat soort renners  kon in de povincie nog aardig verdienen. Leo Leene was er zo één.
Begonnen als sprinter. Nam deel aan de Spelen van Parijs 1924. Behoorde tot de beteren van het land.  Maar verdiende daar geen reet mee. Zette de zaken op een rijtje en kwam tot één conclusie. Leo Leene werd stayer en kocht van zijn broer een stayersfiets. Leene een maatje te klein voor de Europese wielerbanen, dook het provinciale circuit in. Terwijl op de Duitse wielerbanen met enige regelmaat de stayers van de baan werden geschraapt, gebeurden in het gezapige Holland ook spannende dingen. Zoals op de Groningse wielerbaan aan de Paterwoldschenweg. ‘Leo Leene en Van de Wulp komen’, kopte het Nieuwsblad van het Noorden.  Haagse  Leo, telg uit een roemrijk wielergeslacht, had in het noorden een reputatie te verdedigen. Was publiekslieveling nummer één. Leo, vier koersende broers waaronder een Olympisch kampioen,  gaf waar voor zijn geld. Zocht de uitdaging op, en dat kostte hem zijn leven.
r Zondagmiddag 28 juli 1930. Niet alleen een  prachtige dag maar ook de laatste voor Leo Leene op dit ondermaanse. Gecontracteerd voor een stayerskoers over twee manches met tegenstanders als een Snoek, Van de Wulp en de Duitser Neuman. Tweede manche. Leene gegangmaakt door Jan Slesker, slaat bij ‘tachtig in het uur’ een aanval van Snoek af, trekt daarbij iets te hard aan zijn stuur, begon te slingeren. Leene viel te pletter tegen de baan waarbij zijn valhelm eraf vloog. Het leven hangt van toevalligheden aan elkaar. Had de Haagse stayer zijn valhelm een gaatje strakker getrokken dan had zijn buurt niet uit hoeven te lopen bij zijn begrafenis. Terwijl de grafdelver op de Haagse begraafplaats Nieuw Eik de laatste schep aarde oplepelde, stopte de eerste rouwkoets voor Leenes huis.
Jong en dramatisch sterven staat garant voor een mooie uitvaart. Leo Leene, opgehaald door een lijkkoets getrokken door  paarden, gevolgd door zes koetsen en een tiental auto’s kreeg ook een onvergetelijke. De hele Haagse Newtonstraat stond op de stoep of hing uit het raam. Leene, dertig jaar geworden, kreeg van zijn sportvrienden een grafmonument opgetrokken uit Silezisch marmer voorzien van een bronzen plaat. Op zijn graf beloofden bewonderaars in toespraakjes hem nooit te vergeten. Loos gekletst.  Twintig jaar geleden werd het graf van de volkomen vergeten Leo Leene geruimd.

 

Foto 1: Leene achter Jan Slesker, Foto 2: Leo Leene, Foto 3: De Haagse Newtonstraat was er voor uitgelopen. foto: Haags Gemeentearchief

Bron oa: Nieuwsblad van het Noorden, Sport in Beeld jaargang 1930

Posted in Stayeren. Tags: . 2 Comments »

Simpeler kan een kampioenschap niet zijn

Een natuurlijke selectie. Want om lid te worden moest je eerst met je harses een kassei doormidden rammen. Pas dan was je welkom bij  k.s.v. Deerlijk, een West-Vlaams wielercluppie. Clubleden als een Marcel Kint, Marc Demeyer, Dirk Demol, en Briek Schotte hadden dan ook granietstenen koppen.  De eerste drie staan als winnaar op de eeuwige erelijst van Parijs-Roubaix. De laatste won twee keer de Ronde van Vlaanderen. In het West-Vlaamse kregen ze niet alleen jeukende ballen bij het zien van die gebutste, gekasseide  strontweggetjes. Marcel Kint en Briek Schotte werden ook nog eens wereldkampioen.
Twee renners van dezelfde club als sterkste prof ter wereld. Ga daar als concurrerende vereniging maar aan staan. En alle twee werden ze wereldkampioen in het Limburgse Valkenburg. Op de Cauberg trok  Kint het regenboogshirt aan in 1938. Tien jaar later, op het zelfde parkoers, ging Schotte op herhaling.  Briek Schotte, d’n IJzeren Briek. Bijna twintig jaar professional. De vlees geworden, ultieme Vlaamse stoemper. De antiheld, mooi van lelijkheid, wroetend op zijn fietsje.  IJlde twee keer naar winst in ‘Vlaanderens Mooiste’.  
Sprak, in staccato, een onverstaanbaar dialect en deed over d’n drog nooit moeilijk. Zag geen kwaad om een, zoals hij dat formuleerde, op zijn tijd, een ‘Captagonneke’ te nemen. Welke toenmalige renner is op dat amfetaminepreparaat  niet groot geworden? Briek, na zijn actieve fietscarrière, werd ploegleider.
Zijn renners die suggereerden dat het vroeger allemaal makkelijker was, werden de mond gesnoerd  met onsterfelijke uitspraken als: ‘Anders dan vroeger? Ge moet tegenwoordig om te winnen nog altijd den eersten zijn.’ Dodelijke logica.  D’n IJzeren, stofbril, tube om de schonkige schouders, koerswielen met vleugelmoeren. Ging, tijdens het wereldkampioenschap 1948,  vanaf het startschot tot de finish in de aanval. Rekende in de slotklim vervolgens af met de Franse klimmer Apo Lazarides.
Briek Schotte wereldkampioen, prolongeerde twee jaar later zijn titel, en kreeg na zijn hemelgang in  2004 de status van Heilige toebedeeld. In Kanegem dokkert  d’n Briek nog steeds over de kasseien, maar dan in brons gegoten.  Desselgem, nog zo’n dorp met een héél hoog Suske en Wiske-gehalte ging daar over heen. Pakte het grootser aan.  Op een metergrote foto kijkt de doorploegde kop van Briek niet alleen neer op  het naar hem vernoemde plein maar ook naar  zijn eigen bronzen monument.
Komende zondag wereldkampioenschap wielrennen op een loodzwaar parkoers in Valkenburg. Indachtig de woorden van Briek Schotte: ‘Zevenentwintig keer over de Cauberg. Ik vond dat niet lastig. Ik ging van ’t gedacht uit dat het de laatste ronde toch arrivée was’.
Simpeler kan een kampioenschap niet zijn. En zo is het maar net.

Foto 2: Links Schotte met Lazarides.
Foto 3: Desselgem, het Briek Schottepleintje
Bron:  de site van ksv Deerlijk

Arthur zag het allemaal niet meer zo

De man was een fenomeen en in heel Europa bekend. Zijn naam danste meer dan vijftig jaar in de kolommen van de sportpagina’s. En anno nu is hij nu totáál vergeten. Was hij maar in het harnas gestorven. Dan was zijn plekje in de sportgeschiedenis verzekerd: per slot moet je daar wat voor over hebben. Arthur Pasquier deed dat niet. Ging als gangmaker iets te lang door. Zat op het laatst half dementerend op de motor.

Als renner moest je wel  een beetje knetter zijn. Arthur Pasquier, een handige opdonder, construeerde zijn eigen gangmaakmotor. Wat hartstikke link was. Het was altijd maar de vraag of de moeren goed aangedraaid waren. In een sport waarin binnen enkele decennia tientallen beoefenaren de dood vonden, werd er niet zo nauw gekeken. Leon Didier, een aardige stayer, durfde het wel aan.  Achter  Pasquier op diens zelfgeknutselde motor reed Leon in een uur meer dan honderd kilometer. Een werelduurrecord. En dat in 1912. 
Pasquiers naam was gevestigd. De Parijzenaar was zo’n  gangmaker die niet alleen de gashandel bespeelde maar ook de intriges beheerste. Een gouden combinatie in het stayeren. Victor Linart, een talentvolle stayer, zag dat scherp. Linart en Pasquier terroriseerden meer dan dertig jaar de wielerbanen. Pasquier, meer dan duizend koersen gewonnen waaronder vier wereldkampioenschappen, dozijnen nationale kampioenschappen, had een lange gangmakerscarrière. Te lang. De man had eigenlijk op een grootste en meeslepende wijze de sport moeten verlaten. Het liefst zo dramatisch mogelijk. Een dodelijke val in  een bomvol stadion in Frankrijk is namelijk goed voor een heldenverering. Straten, sporthallen en stadions worden naar je vernoemd. Voor de naamsbekendheid, én het nageslacht altijd fijn.
Voor het geld hoefde hij het niet te doen want was  inmiddels binnengelopen. Woonde in een groot landhuis met de naam ‘Bij Arthur’. Maar de Fransman snakte naar aandacht. Was op hoge leeftijd nog actief. Werd als een stramme grijsaard op de motor geholpen. Ouwe kerels horen niet op gangmaakmotoren thuis. Ook niet ’s wereld beste gangmaker. Arthur zag het allemaal niet meer zo nauw en hoorde nog minder. Zijn renner kon ‘ho’ schreeuwen wat hij wilde, Arthur remde niet bij en kachelde gewoon door. Haalde met enige regelmaat zijn eigen renner in.
Voor Arthur Pasquier, decennialang de koning van de Europese wielerbanen kwam het afscheid in 1962. In het Parc des Princes werd hij op bijna tachtigjarige leeftijd voor het laatst op een gangmaakmotor gehesen. Of zijn renner Roger Godeau na afloop bruine strepen in zijn koersbroek had, is niet bekend.

Foto 1: 1912, Op zijn eigen geknutselde motor trok  Pasquier  Didier naar een werelduurrecord.

Foto 2: Victor Linart achter de ‘petroleumtandem’ met gangmaker Pasquier. 

Foto 3: Antwerpen, winter 1934. Stayerskoers in twee manches. Arthur Pasquier met renner George Ronse. In de eerste manche moet er iets vreselijks zijn gebeurd. In Georges ogen staat pure doodsangst. En Pasquier maar kletsen tegen zijn poulain dat het allemaal wel meevalt.

 

Ballero werd in de muur geschoven

Casaquidi, een vlooienpik op de landkaart van Toscane, midden tussen de kwekerijen voor siergewassen.  Kloppend hart het dorpsplein met de kerk van San Pietro, een Banca Toscana, een pizzeria, en café Golcairi, waar ondanks het vroege middaguur mannen met schorre, raspende stemmen, flink staan in te nemen. Of ze hem persoonlijk gekend hadden?   ‘Si, naturalment, era uno  di loro’, hij was één van ons, wordt maar even vertaald. Er wordt naar de muur van de kroeg gewezen. Tussen de sporttrofeeën van de plaatselijke voetbalclub hangt een ingelijste foto van een wielrenner met de tekst ‘Chiao Ballero’.
Franco Ballerini, door de locals liefkozend Ballero genoemd mag dan wel twee jaar dood zijn, vergeten is hij nog niet. Helemaal niet door de Casaquidis, zijn meest toegewijde tifosi.  In de kroeg, op de televisie, zagen ze hun Ballero over de kasseien van De Hel stuiteren. Tijdens Parijs-Roubaix, editie 1992, moeten er in café Golcairi vreselijke, onbeschrijfelijke taferelen  hebben plaatsgevonden.  Ballerini, jongen uit de streek, ver voor het peloton, dansend  over de stenen, met aan zijn wiel de Fransman Duclos-Lassal.  De laatste blij dat er nog leven in zijn lijf zat, kwam niet op kop en beloofde niet mee te sprinten. De afloop behoort inmiddels  tot de top-5 van wielerdrama’s.
 Franco, de gedoodverfde winnaar, werd  met een millimeter geklopt, en stond te huilen als een kind. Om op  de vraag waar het mis gegaan was te antwoorden dat zijn grootste fout was om ooit te gaan koersen. Door rancune en wraak gedreven won de Toscaan daarna nog twee keer Parijs-Roubaix. Twee jaar geleden, inmiddels gestopt als renner, verongelukte Franco Ballerini als deelnemer bij een autorally en werd begraven in zijn geliefde Casaquiri. Waar op de begraafplaats van enige crisis niets te merken valt. De grafstenen zijn zonder uitzondering van glanzend, kostbaar marmer, vaak voorzien van manshoge beelden. De Pieta, Maria met haar gestorven zoon in de armen, is veruit favoriet.
De Pieta mag dan niet echt exclusief zijn, maar dat zal Carlo Tredici ongetwijfeld een rotzorg zijn. Carlo, lokale handelaar in arte funeraria, is een pragmatisch mens. Aan het hek van het kerkhof hangt schaamteloos een reclamebord voor zijn morbide nering. Aan Franco Ballerini had Tredici een slechte klant. De voormalige kasseienvreter werd gewoon in de muur geschoven.  Op drie hoog. Met als buren links en rechts Marcello Gori, en Emma Formili. Boven hem een zekere Marina, een schalks lachende vrouw.
Het graf is mooi door de eenvoud. Een wit marmer afdekplaat met daarop in zilver zijn handtekening, geboorte- en sterfdatum. In reliëf een kasseienpad met een wielrenner. Het portret van Franco Ballerini ervoor, verse plant er achter. Een bidprentje van San Vincinio en een vaantje van de Italiaanse wielbond zijn de enige tekenen van aanwezigheid van supporters. Een jonge vrouw zojuist bloemen gelegd op een graf, komt langs, strijkt over zijn portret en slaat een kruis. ‘Chiao Franco’, fluistert ze, en loopt door.
Franco Ballerini, slechts zesenveertig geworden, de man die twee fouten in zijn leven maakte. De eerste kostte hem een Parijs-Roubaix en de tweede zijn leven want kasseienhelden behoren op de fiets te sterven en niet in een rallyauto.

Foto 2: Het Rai-Dernycriterium uitvoering 1995. Franco Ballerini achter Jan Jonker.

Het begon met een pakje kauwgum

Diep in de middag. Het is kil, somber, mistflarden hangen rond de heuvels. In de verte flitst onweer. Ergens luidt een kerkklok. Geen mens, dier of auto te bekennen. De gebruikelijke blaffende hond ontbreekt. De Apennijnen als een perfect decor van een Draculafilm.  Na een zoektocht van enkele uren wordt Castellania bereikt, een boerendorp, hooguit enkele honderden inwoners, hoog weggestopt in de Apennijnen. Vraag aan een willekeurige wielerkenner wat daar te zoeken is en hij dreunt het antwoord op. Voor de onwetende: het is het dorp waar Fausto Coppi geboren én begraven is. Castellania, geen reet te beleven. Je wil er niet eens dood gevonden worden. Zie het maar als een soort van bedevaart. Een boetedoening. Voor Coppi-adepten maakt dat allemaal niets uit. Die hebben de tocht er graag voor over. Het dorp is één groot museum met maar één onderwerp, Fausto himself.
Fausto Coppi, treurig leven, jong gestorven,voor sommigen een cultheld. Marylin Monroe, James Dean, dat niveau dus. Maar dat laten we maar aan labiele sensatienichten over. Voor Stuyfssportverhalen is Coppi, de kampioen onder de kampioenen, want won vijf keer de Giro d’Italia, droeg dertig keer de roze leiderstrui, ging twee keer met een Touroverwinning naar huis, was wereldkampioen, won de grote klassiekers en verbrak het werelduurrecord. De  man kende ook een dramatisch leven. Hoe dat precies zat verwijzen wij graag naar de boeken van Jan Zomer, Wout Koster, Martin Ros en vele tientallen andere auteurs. Wij komen voor het ultieme Coppigevoel dat begon in de jaren vijftig bij het openen van een pakje kauwgum mét wielrenplaatje. Trof je Coppi in je Bubblegum dan kon je dag niet meer stuk.  Daar is het vermoedelijk mee begonnen. Fausto Coppi als jeugdheld.
 Met nog twee bochten  richting Castellania te gaan zie je boven je Il Campionissimo in volle glorie verschijnen. Tegen de donkere lucht op een  electriciteitsgebouw een vijf meter grote foto met een dansende Coppi tegen de flanken van de Izoard. Dat is de overture van wat nog te wachten staat. Het hele dorp blijkt één grote eerbetoon te zijn aan hun aller beroemdste inwoner ooit. Op iedere schuur, blinde muur, of woningen,  foto’s uit zijn loopbaan. En niet van dat lullige, benepen gedoe maar afmetingen type billboard. Coppi als jeugdrenner, na zijn werelduurrecord, de Ronde van Italië  en zeg het maar: het hangt er allemaal.  Dat zijn geboortehuis een museum is dát geloven we wel. Wij gaan voor het grote werk  Zijn graf. En dat gaat de grenzen van de verbeelding ruimschoots voorbij. Alsof er een koning ligt begraven.  Zoiets kan alleen door een katholieke architect zijn ontworpen. Kolossaal, pompeus en theatraal in omvang, compleet met altaar.
Daar achter het graf waar Coppi niet alleen rust. Naast hem ligt zijn broer Serge,  ook wielrenner, en net zo ellendig en jong aan zijn einde gekomen. Kwam om bij een valpartij in de ronde van Piemonte, negen jaar voor zijn broer. Maar wij komen voor Fausto en staan als enige aan diens graf. Enkele meters naast het grafmonument een kapel. Zonder  de gebruikelijke roomse parafernalia. Aan alle muren, van onder tot het plafond relikwieën uit de wielergeschiedenis. Roze-, gele én wereldkampioenshirts van Fausto Coppi maar ook de regenboogtruien van Vittorio Adorni, Francesco Moser, de gele trui van Louis Bobet, kampioenshirts van Gavazzi, Barronchelli en andere voormalige fietshelden, als ode aan de oude meester.
Tussen al die wielerschatten ook een kaal, gebutst, oud racestuur. En dat ene lullige stuurtje is het meest ontroerende object. Het zat op de fiets waarmee Serse Coppi de dood vond.

Geestelijk gekerfd wordt een Chianti besteld

De computer afgesloten, nog één keer een blik op de boekenkasten en de werkkamer gaat op slot. Stuyfssportverhalen reist af naar Italië waar hij op zoek gaat naar sporen van zijn jeugdhelden. Maar eerst worden de mountainbike paden in de Dolomieten gecontroleerd. Het werd een confronterende ervaring.

Beetje ingesukkeld, oubollig maar met wondermooie natuur. Val di Ledro en Val di Consei, azuurblauw bergmeer, uitgestorven dorpjes als Locca, Bezzecca, Enquiso en Pieve. Geliefd vakantieoord van gepensioneerd Milaan. Hoog weggestopt in de bergen, op de grens van de provincies Trentino en Lombardije. Groen, ongerept en vooral dunbevolkt. Bezaaid met vervallen bunkers, loopgraven en forten, overblijfselen van de Eerste Wereldoorlog. Ooit het trainingsgebied  van Francesco Moser, twee valleien verder wonend en nog steeds immens populair.
Val di Consei barstensvol ongeplaveide paden. Van die weggetjes door god en alleman vergeten die steil omhoog gaan richting hemel. Bedoeld voor lokale herders, die er niet meer zijn. Davide Mora, de laatste herder ligt op het kerkhof van Bezzecca al een decennium bij te komen van die vreselijke geiten. En over zijn wandelroutes hoeft hij zich ook al geen zorgen te maken. Daar heeft mountainbikend Europa zich over ontfermd.  Tot genoegen van de lokale middenstand.
Stuyfssportverhalen kiest voor de route naar het tweeduizend meter hoog gelegen Baita Vesi. Het begin is al onheilspellend. Een bord waarschuwt voor vallende stenen waar niets van aangetrokken wordt. Over een donker en verlaten bospad met stijgingspercentages van gemiddeld tien procent, langs en over keien, rotsen, los steenslag wordt er omhoog gestakkerd.
Voor Stuyfssportverhalen, duursporter vanaf 1963 en sinds de vut nog iedere dag in training moet dat een makkie zijn. En dat werd een misrekening. Op het pad richting Baita Vesi werd er geleden, afgezien. Het woord ‘zwaar’ is een gotspe. Nooit geweten dat je het hart in je oren kon horen kloppen. Het was één grote confrontatie met zichzelf waarbij  een onthutsende ontdekking werd gedaan: de geest wil wel maar het lijf niet meer. Die weigert. Nooit meer kunnen sporten zoals jij het wilt is mentaal een klap. Een heel pijnlijke confronterende ontdekking. Omhoog stumperen is één. Maar afdalen op een ongeplaveid geitenpad rakelings langs bomen en griezelige afgronden, is gekkenwerk, doodeng. En dat heeft natuurlijk met de leeftijd te maken. Aangezien over een paar maanden de eerste AOW wordt gestort en hij dat mee wil maken worden de remmen  roodgloeiend aangetrokken. Met een zwaar bonkend hart maar heelhuids wordt het dorpsplein van Bezzecca gehaald. Waar hij op een terras van locals te horen krijgt dat Davide Mora, de laatste geitenhoeder van Val di Consei, tot zijn achtentachtigste jaar dagelijks het pad beklom. Geestelijk gekerfd wordt een Chianti besteld.

In Alkmaar begon de victorie

Milaan 1951, de Vigorelliwielerbaan. Finale wereldkampioenschap stayeren met onder meer  Jan Pronk en Kees Bakker. Het werd een gedenkwaardige koers, met van die fijne en spannende incidenten. Gangmakers die na afloop hun collega’s met de dood bedreigden, supporters die er tussen moesten springen. Een renner als zesde geëindigd die de  huldigingsronde meereed. En een outsider als winnaar. Kortom een leuke finale, met alle ingrediënten die stayeren zo fascinerend maakten.  Jan Pronk ging de geschiedenis in als de terechte wereldkampioen 1951, maar wél met dank aan Kees Bakker. Pronk was  pas de tweede landgenoot die dat kunstje flikte. Bijna vijftig jaar eerder had Piet Dickentman de primeur.
Jan Pronk, ruim de dertig gepasseerd, had meerdere keren aan wereldkampioenschappen meegedaan. En stond na afloop altijd met lege handen. Op de Vigorellibaan stond voor hem nog een kleine rekening open.  Pronk was daar in 1939 ook in actie. Deed mee als sprinter aan het wereldkampioenschap en kwam de series niet door.  In de oorlog scharrelde Jan zijn kostje als prof bij elkaar. Werd nog een keer nationaal sprintkampioen en besloot na  de bevrijding achter de motor te rijden.  Pronk een degelijke en goed stayer, graag gezien op de Europese banen, werd gegangmaakt door Frits Wiersma. De Noord-Hollandse rolrijder was  zuinig op zijn lijf. Trainde niet meer dan zeventig kilometer per dag, maar wel het hele jaar door. 
En dan is het de finale om de mondiale stayerstitel. Pronk neemt direct de leiding.  Landgenoot Kees Bakker, achter Bertus de Graaf en op meerdere ronden achterstand, dekte zijn landgenoot af en ving alle aanvallen op. In de kleedkamer, onder toeziend oog van het journaille, bedankte Pronk zijn landgenoot uitvoerig. Aardig detail was dat Bakker, ondanks zijn zesde plek, ook de huldingsronde van Pronk, meereed. Wat niet echt handig was: ‘in de slag zitten’, hoort bij de koers, maar laat het niet overduidelijk blijken.
Wat er precies speelde is niet duidelijk, wél dat er  tussen de gangmakers een sluimerend conflict was.  Hoogstwaarschijnlijk hadden Frits Wiersma en Bertus de Graaf zich niet aan afspraken gehouden.
Want na  het verlaten van de baan werden ze opgewacht door de Duitse gangmakers. Een beginnende kloppartij werd door Nederlands supporters voorkomen. Renners, gangmakers en supporters, zo’n honderd man, gingen Jans titel vieren.
In een restaurant werden door chef d’équipe, John Stol, achtennegentig glazen Chianti besteld en twee glazen melk, waarmee geklonken werd op Pronks titel. Dat het laatste voor Pronk en Bakker was laat zich raden

Bij terugkeer in Alkmaar kreeg de verse wereldkampioen van het gemeentebestuur een grote tabakspot met de passende belettering dat ‘in Alkmaar de victorie’ begon. Pronk, inmiddels vierennegentig jaar en nog scherp van geest, bewaart zijn sporttrofeeën ergens in huis. Maar de tabakspot staat nog steeds pontificaal in zijn huiskamer. Als herinnering aan zijn allergrootste overwinning, van een groot sportman.

Bron: Sportief jaargang 1948, dagblad De Waarheid en Het Limburgs Dagblad, jaargangen 1951.

Acht kruisjes jong en nog topfit

Sensatie! Hij klopte de toenmalige wereldkampioen én grote kanshebber voor de nieuwe wereldtitel. Wie dat was, ‘kopte’ de Franse kranten. Nooit had iemand van hem gehoord. Opeens stond hij er. Deze maand is het precies zestig jaar geleden dat Piet van Heusden wereldkampioen achtervolging werd. Stuyfssportverhalen zocht hem op en kwam terecht in een klein museumpje.

Parijs 1952. Wereldkampioenschap achtervolging, amateurs.  Mino de Rossi, titelverdediger,  had in zijn prijzenkast al een plekje voor een verse  regenboogtrui gereserveerd. De Italiaan was dé grote favoriet. Wat hem betrof was de finale een formaliteit. Met een arrogantie waar Italiaanse renners patent op hebben, plaatste hij een dag voor de eindstrijd handtekeningen op promotiefoto’s met de kreet ‘de nieuwe wereldkampioen 1952’. Mino had er wel trek in, barstte van het zelfvertrouwen. Met zijn tegenstander, een brildragend totáál onbekend ventje uit Amsterdam, had hij snode plannen. Een scenario voor een slachtpartij, – met De Rossi als slager, – lag klaar. Het liep anders. Het werd een opmaat voor een Latijns drama.
Niet de Rossi dé huizenhoge favoriet, maar de totaal onbekende Piet van Heusden, met de snelste tijd door de series gefietst,  kreeg het regenboogshirt aangetrokken. De Rossi droop af op het pad der afgang. Wie die Van Heusden  was, kopten de Franse kranten een dag later. Nooit van gehoord. In Amsterdam wel. Van Heusden’s faam als jachtrijder was al een jaar bekend. Uit het totale  niets was de drieëntwintigjarige Amsterdammer opeens opgedoken. Piet, een voormalig korfballer, die wel eens iets individueels wilde doen, zat pas drie jaar op de koersfiets. Het was dat clubgenoot Jan Mehagnoul, een sparringpartner zocht. Anders was Van Heusden nooit achter zijn jachtcapaciteiten gekomen. Jan Mehagnoul, een Mokumse  achtervolger die een reputatie als hardfietser had op te houden, werd, notabene in zijn Olympisch Stadion, ingehaald door Pietje. Een jaar later werd Van Heusden nationaal kampioen en mocht naar het wereldkampioenschap in Parijs.
Hoewel De Telegraaf orakelde dat er een nieuwe Gerrit Schulte was opgestaan, doofde de ster van Piet van Heusden even snel als hij opkwam. Na vier keer op rij de nationale titel ‘opgehaald’ te hebben, borg de  voormalige wereldkampioen in 1958 zijn fiets op en  begon een maatschappelijke carrière bij de Amsterdamse krant  Het Parool waar hij tot zijn pensionering actief was.
Verpatste veel gestopte renners hun materiaal, niet Van Heusden. Al helemáál niet zijn baankarretje. Iets waar zulke prachtige herinneringen aan zit doe je niet weg. Anno nu, is Piet van Heusden, 83, conservator van zijn eigen museum. In een speciale kamer staan de tastbare memorabilia aan een sensationele, maar korte wielerloopbaan. Bekers, oorkondes, bossen met overwinningslinten, ingelijste krantenknipsels, foto’s én  het rugnummer waarmee hij wereldkampioen werd. In een stofvrije doos verpakt in vloeipapier, zitten zijn kampioenstruien waaronder het regenboogshirt. Een ereplaats heeft natuurlijk Dé Fiets.
Niet één seconde had hij erover gedacht die weg te doen. Een relikwie noemt hij dat zelf.  Hij pakt hem op, en je ziet zijn gedachten terugdwalen naar die ene augustusdag zestig jaar geleden. Een lichtblauwe baanfiets met blokketting, die duidelijk door zijn eigenaar gekoesterd wordt. Speciaal voor hem gemaakt en gekregen van de Amsterdamse fietsbouwer Aandewiel, vertelt hij aan Stuyfssportverhalen. Piet van Heusden, scherpe, afgetrainde bruine benen, topfit, mag dan acht kruisjes achter zijn naam hebben, maar blijft een hardrijder. Om de dag maalt hij zijn kilometers weg. Laat Mino de Rossi, en Jan Mehagnoul, ook allebei in de tachtig, en nog steeds op de fiets, maar komen. 

Foto 1: Parijs 1952, Piet van Heusden op jacht naar zijn sensationele wereldtitel.

Foto’s: Van Heusden tussen zijn dierbare sportrelikwieën waaronder zijn fiets, rugnummer waarmee hij wereldkampioen werd én regenboogtrui.

De medaille ligt ergens in een laatje

Wat een feest was dat in de Amsterdamse Spaarndammerbuurt. Buurtbewoner Leijn Loevesijn, nog maar net negentien jaar jong, schreef wielergeschiedenis. Samen met maatje en clubgenoot Jan Jansen werd op de  Spelen van Mexico, 1968 zilver behaald. Het tandem Loevesijn-Jansen met ‘aandrijfmotor’ Leijn, achter de kont van stuurman Jansen. In een sterk deelnemersveld werd de tweede plaats behaald.  Een prestatie die op zijn waarde ingeschat moet worden. Heel eervol. Meer zat er namelijk niet in. Tegenstanders en winnaars de Fransen  Trentin en Morelon, beroepsamateurs, beheersten al jaren de tandemdiscipline. De Fransen waren een maatje te groot voor het Nederlandse koppel. Maakte ook niks uit. Het zilver was meer dan waarop gehoopt was. Bondscoach Jan Derksen was ieder geval euforisch. 
Het was Derksen die niet alleen het sprinttalent van Loevesijn ontdekte, maar ook aan de basis stond van het succesvolle koppel.  Een jaar voor ‘Mexico’ bestond de combinatie  Loevesijn/Jansen nog niet. Jansen  zat op de tweezitter met Wim Koopmans. De  laatste werd betrapt op dope, wat voor de Rotterdammer letterlijk het begin van een menselijke tragedie werd.  Exit voor  Wim, maar mazzel voor de piepjonge aanstormende Loevesijn. Leijn werd door bondscoach Derksen ijlings gedropt achter de rug van de door de wol geverfde sprinter Jansen.  Een zilveren greep. Het Olympische wielersucces werd in de kranten bejubelt met zeskolomskoppen. In Amsterdam, bakermat van de jongens, want beiden lid van wielerclub Olympia, ging het succes niet ongemerkt voorbij.
Na terugkomst in de Spaarndammerbuurt, thuisbasis van  Loevesijn, werd een grootse ontvangst voorbereid.  Met drumbands voorop volgde een zegetoer door de buurt. Een jaar later kon Derksen op zoek naar een nieuwe aandrijver. Loevesijn, besloot munt te slaan uit zijn sprinttalent.
Als profsprinter kende de Amsterdammer een redelijke carrière want werd in 1971 wereldkampioen. Vijf jaar later borg Loevesijn de koersfiets op. In de burgermaatschappij vond Loevesijn zijn weg als werkvoorbereider bij de dienst ‘Waterbeheer en riolering’ van de gemeente Amsterdam.
Leijn Loevesijn nu drieënzestig jaar oud, weet niet precies waar hij zijn zilveren plak heeft gelaten. Ergens in een laatje, zoals hij dat onverschillig vertelt. En dat is natuurlijk een pose. Want anno nu is de gewezen champ nog steeds héél trots op zijn Olympische succes. En het is meer dan veertig jaar geleden. Maar nog steeds heeft Loevesijn contact met Jan Jansen. Old soldiers never die, helemaal niet als ze gezamenlijk de Olympus beklommen hebben.