Jan Huppen een stylist met trotyl

Als Huppen niet naar de Spelen mag, wie dan wel’?, riep trainer Dick Groothuis in wanhoop uit. Groothuis  begreep er niets meer van. Nog twee maanden te gaan voor de Olympische Spelen van Tokio, 1964 en nog verkeerde zijn pupil Jan Huppen in onzekerheid. Jan Huppen, zijn Jantje, vlieggewicht, vierenvijftig kilo schoon aan de haak en nog geen 1.60 meter lang, was even daarvoor kampioen van Nederland geworden. En dan  niet met een gelukstreffer. Huppen, pas drie jaar in de ring,  twintig gevechten, waarvan zeventien met winst. Een betere conduitestaat was niet te overleggen. Ondanks dát had Huppen zijn uitnodiging voor de Spelen nog steeds niet binnen.
De Amsterdamse vuistvechter, een voormalig voetballer die het met zijn elfen iets te veel vond, meldde zich als jochie van zeventien bij de boksschool van Groothuis,  in de hoofdstedelijke Warmoesstraat. In de  illustere boksgym van Groothuis, op de zolders van een zeventiende eeuws pand, werden de kampioenen gemaakt. Ook Jan Huppen. De vlieggewicht, trotyl in zijn knuisten was ook nog eens een stylist want won vier keer een  stijlprijs. Een zeldzame combinatie. De boksbond en het Olympisch Comité zagen dat allemaal iets anders. Jan Huppen heeft geen internationale ervaring was het argument. Dat  laatste  was niet waar. Ook in Europa had Huppen een spoor van knock outs achter zich gelaten, want klinkende overwinningen in Parijs, Wales en Duitsland.
 Twee maanden later stond Jan Huppen tóch in de Olympische ring van Tokio. En daar werden de hoog gespannen verwachtingen niet ingelost. Jan, tegen de Amerikaan Louis Henry Johnson leed een volkomen onnodige nederlaag. Na afloop in de kleedkamer vroeg Huppen zich radeloos af hoe dát nou kon. Volgens Groothuis was de verdediging van zijn jongen prima,  slipte keurig weg bij aanvallen, maar vergat één ding.  Jan had zich tegen de kop grotere tegenstander ‘in moeten te vechten’ en meer initiatief moeten tonen.
Voor Jan Huppen waren de Spelen voorbij voor hij er erg in had. En toch, toch schreef hij geschiedenis. Maar dan niet in de boksring maar in de Budokan, hét judopaleis van Tokio. Huppen, samen met Jan de Rooij, ook bokser uit de school Groothuis, waren getuigen van de historische overwinning van Anton Geesink. Nadat de Utrechtse reus tot overwinnaar was uitgeroepen stormden twee toeschouwers uitgelaten de mat op. Het duo werd niet alleen met een simpel handgebaar door Geesink terug gestuurd maar ook vereeuwigd op het celluloid. Op de filmbeelden van Geesinks  historische zege, regelmatig vertoond, blijft Jan Huppen voor eeuwig de jongen, ‘Jantje Huppen’, dat boksertje uit Amsterdam dat het nét niet haalde.

Bron: De Waarheid en Het Parool, jaargang 1964

Jaren van opoffering wreed verstoord

Vanaf de lagere school door zijn vader opgeleid tot bokser. Pa, een van de beste boksers uit de Nederlandse geschiedenis, en eigenaar van een gerenommeerde boksschool, had  goed werk geleverd. Peter Zwezerijnen, mocht als bokser zijn land vertegenwoordigen op  de Spelen van Barcelona. In een interview, paar weken voor aanvang, schetste hij alvast het scenario. Eenmaal op het podium zal hij gaan janken van geluk, vertelde de middengewicht. Een medaille, ongeacht de kleur, zal het mooiste zijn wat hem in het leven overkwam. Peter Zwezerijnen jong, sterk, en barstensvol zelfvertrouwen. En terecht. Een vierde plek op de wereldranglijst en zilver op het Europees kampioenschap geeft moraal.  Wat kon er voor hem mis gaan op de Olympische Spelen?
Nou het ging mis. Faliekant zelfs. Buiten zijn schuld nog wel.  Eén groot drama werd het, waarbij de tranen rijkelijk vloeiden. Maar dan wel van pure ellende. Het leven kan heel wreed zijn voor een jonge ambitieuze sportman. Het Olympisch dorp, een week voor aanvang. Na een training nog even in het Turks bad. Altijd goed voor een sporter om vuile stoffen uit te zweten. Wat een relaxed uurtje had moeten worden, werd een hels moment. Het hagelnieuwe stoombad, niet goed afgesteld,  spuit, ongecontroleerd gloeiend hete stoom: op de voet van Zwezerijen.  Met tweedegraadsbrandwonden wordt ijlings koud water opgezocht. Het kwaad was al geschied. Bij de keuring, twee dagen voor het toernooi, en reglementair verplicht voor boksers, wordt de Utrechter afgekeurd. Zijn wereld stortte in. Weg droom. Zwezerijnen, gewend om harde klappen te krijgen, had gehuild als een kind. Jaren van zelfopoffering teniet. Een klacht indienen tegen het I.O.C. werd hem afgeraden. Was slecht voor de Nederlandse ploeg, hielden officials hem voor.
Na de Spelen was de motivatie weg. Nooit meer zal Zwezerijnen de ring betreden. Twintig jaar later kijkt  hij met gemengde gevoelens terug op wat zijn ultieme sportmoment had moeten worden. Het is gebeurd, vertelt hij tegen Stuyfssportverhalen. Het leven gaat verder, om er maar een cliché tegenaan te gooien. Ook voor de onfortuinlijke sporter, die samen met zijn twee broers boksschool De Voltreffer in Nieuwegein runnen.  Inmiddels staan er weer drie nakomelingetjes  te trappelen om de ring in te mogen. Aan  Peter Zwezerijen zal het niet liggen dat zijn zoons de Olympus gaan beklimmen.
Van de  naam Zwezerijnen zijn ze nog niet af. 

Tijdens uur U was zijn lijf gesloopt

Het knaagt, steekt. Met de jaren beseft hij wat een kans er is gemist. En toch, toch kan hij zich zelf niets verwijten. Aan zijn voorbereiding had het niet gelegen. Alles, maar dan ook alles had hij er voor gedaan. Alle voorgaande  internationale toernooien, waaronder het prestigieuze Golden Gloves van Californië, werden gewonnen. Een medaille bij de Olympische Spelen van Los Angeles, 1984, lag al klaar. Het Amerikaanse sportblad Sport Illustrated  tipte hem als dé favoriet. Door een boycot van de Olympiade deed  nummer één van de wereld, een Cubaan, niet mee. Voor Pedro van Raamsdonk, in 1984 tweede op de wereldranglijsten, kon er niets meer mis gaan. Of toch wel.
De Amsterdammer ging in  Californië de top van de Olympus beklimmen, maar bleef halverwege steken.  Tijdens het uur U was zijn lichaam gesloopt. Helemaal op. Overtraind. Zelf wijt hij dat aan een gebrek aan medische begeleiding. Pedro van Raamsdonk, middengewicht, schoon aan de haak 78 kilo. Voor zijn gewichtsklasse  drie kilo te zwaar.
In het bloedhete Los Angeles moest hij iedere dag die kilo’s aftrainen. Uren touwtje springen in een plastic jas. Dagen zonder water drinken. Met een uitgeput lijf wist Van Raamsdonk de eerste twee partijen nog te winnen. In de derde verging alle hoop. Pedro van Raamsdonk, gedoodverfd medaillewinnaar verloor: van een tegenstander die hij normaal niet ‘zag staan’.  Nog één keer werd de accu opgeladen. Een vijfde plaats was het hoogste op de Olympiade van 1984.  Geen medaille, maar een diploma. Dat laatste moet ergens in een brandweerkazerne, onder het stof, liggen.  Om zich nóg eens vier jaar op te laden, weer alles opzij te zetten, kon hij niet meer opbrengen. Een proflicentie werd aangevraagd.
Pedro van Raamsdonk stond tijdens zijn bokscarrière meer dan driehonderd keer in de ring. Werd Europees kampioen en tien keer kampioen van zijn land. Slechts dertig keer werd verloren. Negenentwintig jaar jong, werden de bokshandschoenen definitief opgeborgen. Werd taxichauffeur. Doodongelukkig zat hij aan het stuur. Een advertentie voor brandwacht in de krant veranderde zijn leven. Inmiddels werkt de voormalige Olympiër als hoofd brandwacht bij de Amsterdamse brandweer. Pedro van Raamsdonk, 51 jaar, maakt ondanks zijn Olympische echec een gelukkige indruk. Bij de brandweer is hij helemaal op zijn plaats. Met een aandoenlijke trots  laat hij Stuyfssportverhalen de brandweerkazerne zien: ‘de grootste van Europa’. En boksen? Als trainer, in  zijn vrije tijd, geeft hij nog les. Met iedere dag een lange duurloop houdt hij zijn lijf fit. Pedro van Raamsdonk, gewoon een aardige man. 

Het is niet alles goud dat blinkt

Zo sta je te deeg te kneden in een bloedhete broodbakkerij bevind je je niet veel later aan boord van een luxe oceaanstomer op weg naar  de Olympische Spelen. Waanzinnig avontuur voor een broodbakker uit Haarlem. Jacques van Egmond, op advies van een collega, drie jaar daarvoor, wielrenner geworden. Met het meel nog in zijn haar, blonk de bakker uit op de sprint. Werd niet veel later Nederlands kampioen.  Dat Jacques de  Grote Prijs van Kopenhagen op zijn conto schreef en daarbij de gehele Europese sprintelite les gaf,  was voor de wielerbond hét overtuigende bewijs. Van Egmond mocht zijn land op de Spelen van 1932 vertegenwoordigen.  Dat die Olympiade in Los Angeles gehouden werden was de kers op de taart. 
Aan boord van stoomschip De Statendam op weg naar New York, gevolgd door een treinreis dwars door the States.  Jonge sporters, barstensvol hormonen een week gezamenlijk op een schip. Anno 1932 een  probleem. Van Egmond, goed uiterlijk, tegen de twee meter, kon het goed vinden met de zwemsters. Was tegen de zin van begeleider Swaab de Beer, een wielerbobo. De laatste had het druk met zoeken naar zijn pupil en  loofde aan de stewards geldpremies uit als Van Egmond met één van die zwemsters spoorloos was. 
Van Egmond had daar geen slappe knieën aan overgehouden. In the Rose Bowl Stadium, een footballstadion met houten wielerbaan, sprintte Van Egmond zich met gemak door de voorronden heen, om in de finale af te rekenen met de Fransman Louis Chaillot. Een dag later won de lange Haarlemmer ook nog het zilver op de kilometertijdrit. Na zijn winst werden de aardappels afgegoten. De bakkersknecht, Olympisch kampioen, werd na zijn zege uitgenodigd op woeste feesten. In het drooggelegde Amerika geen probleem. Drank genoeg, weliswaar zelf gestookt, maar toch.
Jacques van Egmond, gehuldigd  in een uitverkocht Amsterdams  Olympisch Stadion, werd  een jaar later nog wereldkampioen. Ondanks dat begon de kaars van Van Egmond langzaam te doven. Dat had meer te maken met de opkomst van sprintfenomeen Arie van Vliet, waar zelfs een Olympisch kampioen zich te pletter op liep. Ontgoocheld stopte Jacques van Egmond  in 1939 met fietsen.
En dan is het zes jaar later: hongerwinter. In ‘Festung Holland’ was geen eten meer te krijgen. Alleen op de zwarte markt tegen woekerprijzen viel nog wat te ritselen.  Om zijn gezin met vier kinderen eten te geven ‘sloopt’ Van Egmond zijn prijzenkast. De gouden medailles werden naar de lommerd gebracht waar de Olympisch kampioen een  koude douche kreeg.  Zijn ‘gouden Olympische medaille’ bleek niet meer dan een verguld stuk ijzer te zijn. Jacques van Egmond, die in de Kleine Houtstraat in Haarlem een kroeg had, stierf in 1969 op zestigjarige leeftijd.

Bron: Sport in Beeld jaargang 1932, Sportief jaargang 1948.

Foto’s: Van Egmond gehuldigt in het Olympisch Stadion. Foto links: In het midden Jacques van Egmond, rechts Louis Chaillot en links de Itailaan Pellizzari.

Twintig jaar kon de jonker wachten

Atletiek, fietsen en zwemmen en dat in één stadion, waar niets over het hoofd gezien was. Kleedkamers, telegraafkantoor, badruimten, restaurants én buffetten, alles was tiptop. De Olympische Spelen van Londen, 1908, dat waren pas de ‘compacte Spelen’. In het openingsdefilé tweeduizend atleten met hun ‘door edele sport gestaalde lichamen’. Eén van hen Gerard Bosch van Drakestein, een fietsende jonkheer. Vormde met Dorus Nijland, Anton Gerrits, Jan van Spengen en George Damen, de Olympische wielerploeg. Een succes werd het niet. Hoewel van adel fietste de jonkheer op een karretje van pisbakkenijzer. Firma Stokvis, een fietsenimporteur in Rotterdam, met gevoel voor  buitenkansjes, nam voor een dubbeltje plaats op de eerste rij, en schonk de baanploeg een heuse Rover-baanfiets. Waarvoor de man wel eerst vijftig piek diende neergelegd. Ondanks dat supermateriaal werden de Spelen voor Bosch en zijn vrindjes één grote deceptie. En de plannen waar nog zo woest. Voor alle nummers werd gemakshalve maar ingeschreven. En daar begon de malheur.
Stokvis, mocht dan wel  een uitgenast pr-beleid voeren, de werkplaats was bevolkt met  een stel klunzen. In de finale van de ‘twintig kilometer’ brak de ketting van Bosch. En tijdens de koers over één baanronde zakte het zadel plotseling. De honderd kilometer, met zeventigduizend toeschouwers, kreeg de jonker in de sprint kramp. Dan de ploegachtervolging. Voor Gerard en zijn ondergeschikte een primeur.  Er werd té  snel gestart waarbij ook nog eens Nijland kwam te vallen. De rest kon het wiel niet houden. En de jonker? Die ijlde in zijn eentje voort, en dubbelde de Duitse ploeg. Dat arbeid adelt is geleuter. Bosch’ inspanning was voor niets want als ploeg moet je met drie man finishen.
Twintig jaar later, de Olympiade van Amsterdam. Bosch van Drakestein,  inmiddels eenenveertig, krijgt eindelijk zijn revanche en wint  het zilver op de kilometer tijdrit.

Foto’s: De zeshonderd meter lange wielerbaan in  het Olympisch Stadion, van Londen 1908. Rechts Bosch van Drakenstein.

Bron: De Revue der Sporten jaargang 1908, Sportief jaargang 1948.

Henny Marinus zat twee keer in een ‘slaggie’

De Westertoren moet hij ieder dag zien, en horen.  Geboren en getogen Jordanees Hennie Marinus woont nog steeds in zijn geliefde buurt. Vierenzeventig jaar maar nog goed in conditie.  Fietsen doet hij regelmatig. Op een  toerfietsje, dertig kilometer,  met zijn hondje voorop in een mandje. De tijd dat hij als stayer achter een zware motor raasde ligt ver achter hem. Vaak denkt hij daar aan terug.  Op een terrasje in de Jordaan ziet Marinus zijn carrière weer aan zich voorbij trekken. Voor Stuyfssportverhalen vertelt hij zijn verhaal.

‘Mooie tijden waren dat. Ik was als stayer niet echt een topper, maar ik kon goed meekomen. Ik was begonnen als wegrenner. Won bij de aspiranten, nieuwelingen en amateurs meer dan honderd koersen. Ben prof geworden om mijn vader te helpen. Die ouwe had in de Jordaan een viszaak die niet goed liep. Ik kon dat niet langer aanzien, en wilde iets terug doen. Geld verdienen voor hem. Hij was altijd mijn grootste supporter. Ik ben daarom prof geworden.’
Voor een aankomend wielertalent, begin jaren zestig, een vrijwel onmogelijke opgave. Zonder goede kruiwagen kon je dat wel vergeten. Op advies van anderen werd  Henny Marinus stayer. Op de Hollandse en vooral Duitse banen lag voor een redelijk stayer een goede boterham mét beleg.   ‘Nop Koch was juist gestopt als renner en werd gangmaker. Met mij. We werden meteen kampioen van Nederland. Ik kon eindelijk wat verdienen. Ik moest daarvoor wel overál rijden. In Duitsland verdiende ik het meest.’ 
Wil je echt iets aan het stayeren overhouden, moet je als renner ‘in de slag zitten’. Geheimzinnig begrip voor een samenwerkingsverband tussen renners en gangmakers onderling. Razend moeilijk daar tussen te komen, wat  alleen lukt met uitslagen. ‘Ik heb twee keer in een slaggie gezeten’, vertelt de gewezen kampioen. ‘Dat was met vijfvoudig wereldkampioen Timoner, een stayerslegende. Daar hield ik altijd heel leuke contracten aan over. Die man wist hoe het moest. Altijd correct voor zijn collega’s.’ Hennie Marinus, een subtopper waar altijd rekening mee gehouden moest worden, had van die dagen dat hij alles kon.  Dat laatste had gangmaker Frits Wiersma ook in de smiezen.
‘Ik heb twee jaar achter Ome Frits gereden. Die man was al op leeftijd maar op de motor heel scherp. Keurige vent die zich door niemand om liet praten. Met Ome Frits beleefde ik het mooiste moment uit mijn stayerscarrière. Dat gebeurde tijdens de  revanche van het wereldkampioenschap hier in Amsterdam. Toen een heel groot gebeuren met meer dan veertigduizend toeschouwers. Timoner, juist wereldkampioen geworden, moest winnen. Weet niet waarom, maar Ome Frits besloot door de ‘slag’ heen te rijden. Met nog een enkele ronden te rijden lagen we op kop. Winst lag voor het oprapen. Besloot gangmaker Bertus de Graaf mij op te vangen. De Graaf die met zijn renner Depaepe drie ronden achter lag, moest ik passeren.  Daar had ik mij helemaal kapot op gereden want dat duurde ronden lang . Hierdoor kon Timoner uiteindelijk nipt winnen. Het publiek stond op de banken. Een dag later kwamen legio mensen  in de viswinkel van mijn vader vragen hoe dat nou allemaal kon.’ Een vraag die gemakkelijk te beantwoorden was. Het had allemaal met geld te maken. ‘De Graaf hoopte met zijn actie goede contracten van Timoner te krijgen. Gebeurde ook. Niet alleen dat, De Graaf kreeg ook duizend gulden boete van de wielerbond wegens onsportief gedrag. Dat werd meteen door Timoner betaald.’
Dat Hennie Marinus werd geflikt voor de ogen van zijn Amsterdamse supporters ontging stadiondirecteur Dick Bessems niet.
‘Na de koers moest ik bij Bessems op kantoor komen. Ik schrok daar van. Kwam ik daar kreeg ik van Bessems tweehonderd piek in mijn handen gedrukt. Hij vond het heel sneu dat ik zo geflikt was.’
Henny Marinus, in het leven de nodige tegenslagen gehad. Sinds tien jaar weduwnaar,  en werd ook getroffen door een hersentumor. Knokte na een zware operatie zich terug. Heeft zijn leventje weer op de rails staan. Is nu gelukkig in zijn Jordaan waar hij aan Stuyfssportverhalen zijn verhaal verteld had.  
Inmiddels komt zijn enige kind, dochter Monique, aangelopen. De begroeting is wederzijds meer dan lief. Dat er een innige band tussen vader en dochter bestaat lijdt geen twijfel. Marinus had nog één vraag. Of hij voor de foto samen met zijn dochter mag poseren.  Natuurlijk. Stuyfssportverhalen maakt voor echte kampioenen altijd een uitzondering.

Foto 1: Henny Marinus achter gangmaker Frits Wiersma. 

‘Godsnondeju, dat heb ik weer’

Ronde van Frankrijk, synoniem met vakantiegevoel. Drie weken iedere dag topsport op de televisie. Mooie verhalen én foto’s in de bladen. Stuyfssportverhalen gaat ook mee met de waan van de dag. Even geen horrorverhalen over doodgevallen stayers. Tijdens de Tour  mooie en unieke ‘plaatjes’ uit zijn archief. Uiteraard met betrekking tot de Tour. Vandaag de Tour van 1936, de vierde etappe met een ‘gesloten bareel’: waar Albert Gijsen wel raad mee wist.  

 Het favoriete plekje voor de echte liefhebber. Die stond daar urenlang. Te wachten op spektakel! Waarvoor een aanstormende trein, zakkende spoorbomen, én een  peloton renners voor nodig waren. Op een ‘bareel’, Vlaams woord voor spoorovergang, schreef Albert Gijsen historie. Héél kleine geschiedenis, maar toch. Wat dat betrof was Gijsen  sowieso een geluksvogel. De man ging de  geschiedenisboeken in als één van de vier eerste vaderlandse Tourrenners.  Albert, Brabander,  beet dus de spits af. Vertrok naar Parijs en kreeg van de organisatie een fiets, wat verplicht was. En daar begon voor de boomlange Albert de ellende. Een frame in zijn maat was niet voorhanden. Uiteindelijk vertrok Gijsen op een té klein exemplaar.
Albert Gijsen, broodrenner in de crisesjaren. Scharrelde zijn kostje bij elkaar in de Vlaamse kermiskoersen. Liet zich door sportjournalist Joris van den Bergh overhalen mee te doen aan de Tour de France waarvoor hij  een aantal lucratieve contracten liet schieten.  Voor Albert werd de ronde van Frankrijk één grote misère.  Na vier dagen was er nog geen cent verdiend. Je zal daar bijna fatalistisch van worden. Albert Gijsen in ieder geval wel.  De vierde etappe. Gijsen op kop van het peloton. Gaat, in de buurt van Debrouillardise, een gat in midden Frankrijk,  de spoorbomen dicht. ‘Godsnondeju’, moet hij in sappig Brabants geroepen hebben. ‘Dat heb ik weer’. Albert, fietsende opportunist, rook ook zijn kans, en weet, fietsend,  rakelings voor een aankomende stoomloc over te steken. Op het moment suprême wordt Gijsen door de  fotograaf van het sportblad Le Miroir des Sports gesnapt.  Op een prominente plaats in het toentertijd toonaangevende blad pronkte Alberts heldendaad.
Albert Gijsen, prof van 1935 tot ’39, kwam tijdens de etappe over de Galibier te laat binnen. Voor de renner uit Putte-Kapellen was de Tour na een week afgelopen. Na de oorlog stapte de Brabander weer op de koersfiets. Met weinig succes. Albert Gijsen die een aanstormende locomotief wist te weerstaan, stierf op ruim eenennegentig jarige leeftijd.

Foto 1: Albert Gijsen, links, weet op zijn té kleine fiets, een locomotief te ontwijken.

 

Tourwinst dankzij twintig flesjes bier

Ronde van Frankrijk, synoniem met vakantiegevoel. Drie weken iedere dag topsport op de televisie. Mooie verhalen én foto’s in de bladen. Stuyfssportverhalen gaat ook mee met de waan van de dag. Even geen horrorverhalen over doodgevallen stayers. Tijdens de Tour  mooie en unieke ‘plaatjes’ uit zijn archief. Uiteraard met betrekking tot de Tour. Vandaag de bergetappe Grenoble-Evian van de Tour 1929, waarin de geletruidrager zich staande hield met twintig flesjes bier.

 Tien minuten voor het vertrek. Renners stonden te wachten op het startschot. Behalve de geletruidrager. Die lag bewusteloos op het toilet. Maurice de Waele, nummer één van het klassement, was ziek, zwak en misselijk. Voedselvergiftiging. De hele nacht werd zittend op de wc-bril doorgebracht. Een ramp voor Maurice, die  alleen nog maar de bergen goed moest over komen. Met iedere poepbeurt zag hij een Touroverwinning én het daaraan verbonden  kapitaal langzaam verdampen. Om De Waele weer op zijn fietsje te krijgen was een mirakel nodig. Of beter gezegd een tovenaar. Zo eentje die een dode tot leven kon wekken. Laat zijn ploegleider  Ludovic nou aan al die eisen voldoen. Die wist wel waar Abraham de  mosterd haalde. Ludovic ook. Uit de apotheek.
Na een stichtelijke behandeling waarbij je er maar niet aan moet denken welke vreselijke enge preparaten De Waele toegediend kreeg, stopte de ‘racekak’. De Waele vertrok en hees zich met zijn zieke lijf over vier cols waaronder de Galibier. Een medisch wonder, dat een extra dimensie kreeg doordat de Vlaming dat deed op een dieet van twintig suikerklontjes weggespoeld met evenzoveel flesjes bier. Uiteindelijk won Maurice de Waele zijn Tour de France.
Maurice de Waele stierf in 1952 op vijfenvijftig jarige leeftijd. In zijn geboortedorp Lovendegem zijn ze Maurice niet vergeten. Dat er een groot sportcentrum naar hem vernoemd is, is logisch. Aardiger  is die  bronzen plaquette met Maurice’ heldendaad. Geplaatst tegen de gevel van de dorpskroeg met de naam ‘In de Verzekering tegen de dorst’.  Symbolischer kan het niet voor een renner die de Tour won op twintig flesjes bier.

 

Historische beelden van een vergeten Tourheld

Begin jaren vijftig. De roemruchte Nederlandse Tourploeg onder aanvoering van Kees Pellenaars. Kopmannen Wim van Est en Wout Wagtmans schreven geschiedenis. Hadden ze nooit  kunnen doen zonder hulp van meesterknecht Hein van Breenen. Amsterdamse volksjongen Van Breenen, sterk, leep en voor de duvel en zijn ouwe moer niet bang. Held van de Nieuwmarktbuurt. Groot geworden in de Koningstraat. Begin jaren vijftig. Heintje, zoals hij in de buurt genoemd werd, naar de Tour de France. Beroepsrenner  Van Breenen. Stond vier keer aan de start van een Tour. Reed ze allemaal uit. Werd  twee keer tweede in een etappe.
Hoe Hein dat flikte dat moest je maar zelf verzinnen. Of anders lezen in de krant. Vrijwel niemand had Van Breenen ooit daadwerkelijk zien koersen. In de doorgaans nuchtere Nieuwmarktbuurt waar je vooral geen kapsones moest hebben anders ging je kop eraf, kreeg Hein een mythische status. Waar radioverslaggever Jan Cottaar debet aan was.
Heins heldendaden werden door Cottaar bezongen op de buizenradio. Regelrechte televisiereportages? Enfin dat weten we wel.  
Bijna zestig jaar later. Op youtube is er een filmpje opgedoken over die bewuste Tour. Dat Jan Cottaar geen woord had overdreven over  Van Breenens beulswerk, wordt duidelijk. Op het kleurenfilmpje, een prachtig tijdsbeeld van de Tour jaren vijftig, zie je, op kop van het peloton, Van Breenen sleuren.
Hein van Breenen, negen jaar beroepsrenner met vijf overwinningen stopte in 1962 met koersen. Kende na zijn wielercarrière een grillige loopbaan met onder meer coach van het nationale dameswielerteam. Om uiteindelijk de groetenzaak van zijn vader, in de Koningsstraat over te nemen.
Hein van Breenen stierf op zestig jarige leeftijd aan een hartverlamming.
Foto rechts: De fameuze Tourploeg, links Hans Dekker, Wagtmans, Van Est, Voorting en Van Breenen.

Klik de link aan. Kijken! http://www.youtube.com/watch?v=AgBuyVpzSaw

Pupe stak er eentje op, inhaleerde diep en won

Ronde van Frankrijk, synoniem met vakantiegevoel. Drie weken iedere dag topsport op de televisie. Mooie verhalen én foto’s in de bladen. Stuyfssportverhalen gaat ook mee met de waan van de dag. Even geen horrorverhalen over doodgevallen stayers. Tijdens de Tour  mooie en unieke ‘plaatjes’ uit zijn archief. Uiteraard met betrekking tot de Tour. Vandaag, 12 juli 1927, precies vijfentachtig jaar geleden de etappe Pontalier-Belfort…

De vergelijking? Alle vier Tourrenners. En daar hield meteen de overeenkomst mee op. Kruijswijk, Mollema, Geserick én Geldhof. De eerste drie, blozende, lieve en fatsoenlijke jongens. s ’Morgens aan de Brinta, pasta én bruin brood met kaas. En direct na de etappe een zakje winegums voor het suikergehalte. Braaf hoor, maar de teller van etappeoverwinningen staat nog op nul. Brinta en winegums…
Maurice Geldhof, bijnaam Pupe, had daar hartelijk om geschaterd. Pupe, West-Vlaming,  kende zo zijn eigen merkwaardige voorbereiding. Geldhof stak vlak voor het startschot nog even een verse sigaret op. Trok de rook via de longen richting tenen. Gooide de peuk weg. Ging van start en won de etappe.  
Maurice,  profrenner, tweeëntwintig jaar, geboren en getogen tussen de vlasakkers van West-Vlaanderen.  Als amateur gestaald op die gekasseide  stontpaadjes. Won  meer dan vijftig koersen. Werd renner om den brode.  Gaf Pupe, Vlaams woord voor sigaret, een meter vrijheid en je zag hem aan de streep pas terug. Maurice Geldhof vond zijn apotheose in het seizoen 1927. Won als broekie de semi-klassiekers Bordeaux-Toulouse en Marseille-Lyon. En ging vervolgens als de gebraden haan naar de Tour de France.
Dan is het twaalf juli, vandaag precies vijfentachtig jaar geleden. De etappe Pontalier-Belfort!  Maurice Geldhof, die merkwaardige Vlaamse klepper, schreef die op zijn naam. Pupe, geen ééndagsvlieg, werd tijdens die betreffende Tour  nog twee keer tweede en eindigde in het eindklassement op de tiende plaats. Na het faillissement van zijn sponsor, in 1929, was het gedaan met zijn wielercarrière. De koersfiets ging aan de kaak en er werd werk gevonden in de textielindustrie in Roubaix. Maurice Geldhof in 1970 op vijfenzestig jarige leeftijd overleden.

Met dank aan Frieda Geldhof, dochter van Maurice.