The Little Dutches zat tjokvol dope

‘Plied with drugs, miss Gast feebly pedals on’, kopte de New York Times in een lekker groot corps.  Het mag dan wel 1900 zijn, maar de journalist was niet helemáál van de pot gerukt. Mejuffrouw Gast zat tjokvol dope. Dat zag een blinde. Margareth Gast, vierentwintig jaar, een wilde meid van Duitse afkomst, was bezig een nieuw afstandsrecord te fietsen. Schuimbekkend, met een schurend ‘mutsje’ op een hard zadel, stampte Maggie, twaalf dagen onafgebroken, door. Iedere scheet van Maggie ijverig noterend, lustte de pers daar wel pap van. De conservatieve bewoners langs het vijfentwintig mijl lange parkoers op Long Island, waren niet zó gecharmeerd. Maggie, bijgemaand de Little Dutchess, gegangmaakt door een stel luidruchtige supporters, veroorzaakte een schok.
Maggie Glas, op zestienjarige leeftijd alleen van Duitsland naar Amerika geëmigreerd, was in haar dolle race om erkenning al twee keer bewusteloos van haar karretje getuimeld. Met vlugzout bijgebracht werd ze er weer op geholpen.  ‘Een  schandelijke demonstratie van het menselijk uithoudingsvermogen, terwijl de autoriteiten toekijken’, gooide de journalist nog maar een paar liter olie op het vuur. Als de man in details treedt, leest het verslag als fijne horror. Na de rustpauzes van een paar uur waren haar voeten namelijk zo opgezwollen dat ‘deze in de pedalen moesten worden gewrikt’, om er verlekkerd aan toe te voegen ‘Dat haar  vingers verstijfd door de kou eerst van het stuur werden losgetrokken’.
Aan the Little Dutchess zat natuurlijk een behoorlijke steek los, maar ze beschikte wél over doorzettingsvermogen. Na twaalf dagen, storm, regen en onweer, stond de teller op tweeduizend mijl. Een nieuw wereldrecord, voor wat dat waard was. Maggie, wiens geboortenaam Nagengast was, ging door. Na bijna driehonderd uur zat ze  op zesentwintighonderd mijl als sheriff Abraham Furman ingrijpt en haar van de fiets trekt. Voor Maggie Gast was het fietsen niet opwindend genoeg.
In 1910 maakte ze als stuntrijdster de overstap naar de ‘Wall of Death’. Amerikanen gek op de ultieme superlatief hadden daar geen woord van gelogen.
Motorracen op een steile wand in een kermistent, bestemd voor zwakzinnigen met suïcidale trekjes. Margareth Gast speelde tien jaar lang met haar leven. Jaren vol bloed, spanning en angst. Zag tientallen collega’s verongelukken, of vielen anders voor het  leven invalide. Nadat Maggie Gast voor de zoveelste keer met een ambulance met gillende sirene naar het ziekenhuis was gebracht, nokte ze er mee. Na een leven vol adrenaline begon ze een fitnesstudio, gevolgd door  een saloon genaamd the Little Dutches Inn. Maggie Gast, pionier van het dameswielrennen, superfeministe zonder zelf het woord te kennen, overleed op vierentachtig jarige leeftijd.

Bron: Het digitale archief van de New York Times jaargang 1900, Hall of Fame U.S. Bycycling, Jack Nagengast, achterneef

Der Alte een man zonder arbeidsvreugde

Een emotioneel gestoord ijskonijn. Een kerel met koelvloeistof in de aderen. Leed  hoogstwaarschijnlijk aan een posttraumatische stressstoornis. Keek steevast in een camera of hij zojuist zijn doodvonnis gehoord had. Het begrip ‘arbeidsvreugde’ was hem onbekend. Een ‘psych’ had wél begrepen waarom.  Als wielrenner had Nat Butler acht keer een Amerikaanse Zesdaagsen overleefd. Ruige en rauwe koersen waar letterlijk alles wat god verboden had gebeurde. Waar een renner  lijf en leden riskeerde. Niet echt een plek om met het hele gezin naar toe te gaan.  Op de tribunes was het namelijk ook niet pluis. Daar vonden complete omerta’s plaats. Dronken Ierse en Italiaanse immigranten gingen elkaar massaal met ijzeren staven te lijf. Of anders werden wel pistolen getrokken. Nat Butler, de ouwe kale Nat, al dik in de dertig, had dat allemaal als renner meegemaakt. The Six, tropenjaren, maar waar hij wél lekker verdiend had. Maar nog niét genoeg. Besloot dáárom de laatste jaren van zijn wielercarrière de overstap naar het levensgevaarlijke stayeren te maken. Kende de horrorverhalen over de bloedbaden op de Duitse wielerbanen.
Nat Butler had in the States daarop al een klein voorproefje gehad want zag acht van zijn vrienden doodvallen. Of stond anders wel aan hun vers gedolven graf zoals bij zijn vroegere zesdaagsemaatje George Leander, verongelukt in Parijs en begraven in Chicago. Ondanks dát maakte Nat een klein optelsommetje. Aangezien ook in Amerika de kost voor de baat uit gaat, ging Butler in 1906 akkoord met een aantal vette contracten voor stayerskoersen in Duitsland én Frankrijk.
Nat Butler in moffenland, achter de zware motor, waar hij spoedig, door het sportjournaille, Der Alte werd genoemd. Met dik negentig kilometer op centimeters achter een brullende motor. Lekker in de zuiging maar een ‘enkeltje’ kerkhof is nooit ver weg.  De kale was bereid om nóg meer risico te nemen. Liet een ultra kort fietsje bouwen. Zat je nog dichter tegen de motor én beter in de abri. Godsallemachtig wat zal die ouwe vaak gebeden hebben dat de baan niet ál te steile bochten had. Geheid dat dan één van zijn pedalen in het voorwiel kwam.
Nat Butler geluksvogel, zondagskind, reed vier seizoenen in Duitsland, streed mee in tientallen grote koersen. Won de Grote Prijzen van Keulen, Düsseldorf, en Dresden waar hij, voor volle stadions alles en iedereen lesgaf.
Ging in 1910, na vier jaar Europa met tachtigduizend goudmark op zijn bankrekening als een vermogend man terug naar Massachusetts. Belegde zijn geld in een wielerbaan waar hij dertig jaar de scepter zwaaide.  Nat Butler, de ouwe kale Nat,  één van de weinige Amerikaanse stayers die uit de klauwen van De Dood wist te blijven, werd toch door de zeis van Magere Hein uit het leven weg gemaaid. Werkend in zijn tuin werd hij getroffen door een hartaanval. Nat Butler werd 73 jaar.

Foto 1: Nat Butler, op centimeters achter de motor. Foto 2: Parijs 1908, in het Vélodrome d’Hiver, links Walthour, Nat Butler en Guignard. Foto 3: Een man die weinig arbeidsvreugde kende.
Bron: Radwelt jaargangen 1906 t/m 1910, het digitale archief van de New York Times jaargangen 1900 t/m 1905 én jaargang 1943. 

‘Breng mij asjeblieft naar mijn moeder’

Montana 1898, het Wilde Westen. Twee decennia eerder nog het territorium van Cheyennes en Sioux en waar een zinnige blanke zich niet waagde. Vrijplaats voor avonturiers en andere desperate idioten.  Stadjes met houten trottoirs. Met op elke hoek een saloon. Kroegen met klapperende deurtjes,  tingeltangelpiano, pokerende mannen, en hoeren bij de vleet. Waar de  kogels letterlijk om de oren vlogen. Met als extra attractie vuistgevechten. Wie durfde mocht, voor een klein bedrag,  knokken met de prijsvechter van dienst. In dat geval een jongen van zestien jaar. En die nam het op tegen iedere cowboy die het lef had.
The Kid trok van kroeg naar kroeg. Kreeg in één jaar meer dan tweehonderdvijftig tegenstanders tegen over zich: en haalde ze allemaal neer. Stanley Ketchel net zeventien jaar, gehard in de kroegen van Montana, werd beroepsbokser. Vocht in drie jaar tijd veertig officiële gevechten, en verloor slechts twee keer.  Stanley, westernlaarzen, revolver, was Montana ontgroeid, en vertrok in 1907 naar Californië voor een serie gevechten.
Na de eerste drie gewonnen partijen kwam de voormalige kroegvechter uit tegen wereldkampioen Joe Thomas. In een bloedig gevecht over tweeëndertig ronden, ging bij Joe Thomas het licht uit. Na nog een serie partijen onder meer tegen Mike Sullivan, Billy Papke,  Hugo Kelly, en Jack O‘Brian, is het oktober 1909. 
Wereldkampioen Ketchel, met de bijnaam ‘the Michigan Assassin’  gecontracteerd voor een gevecht over twintig ronden met tegenstander Jack Johnson, een Afro-Amerikaan. Het treffen tussen  Johnson versus Ketchel werd een historische en beroemde  gevecht. Het blanke publiek,  als één man achter hun jongen, zag tot grote afgrijzen hoe de kop grotere en zwaardere Johnson in de twaalfde ronde Stanley Ketchel met een vreselijke klap knock-out sloeg. The Champ, minuten lang in een andere wereld, werd wakker met drie tanden minder. De ivoortjes moest Johnson later uit zijn handschoenen pulken.  Ketchel, uit op revanche, trok zich, als voorbereiding op een  revanche terug op een ranch ergens in Missouri. En daar, tussen de paarden en koeien, begon het voorspel voor Stanley Ketchels naderende dood. Na een ruzie met ene Dipley, werd de schrik van de saloons in zijn rug geschoten. 
Met een speciaal gecharterde trein werd the Assassin naar het hospitaal in Springfield afgevoerd. Met Magere Hein naast je sterfbed laten mensen zich van hun kwetsbare kant zien. En valt toch geen status meer op te houden.  Ook Stanley Ketchel. De man met de harde kop,  en koude ogen was weer dat jochie uit Montana.  ‘Ik ben zo moe, ik wil naar huis. Breng mij asjeblieft naar mijn moeder’,  waren zijn laatste woorden. Moeder Ketchel zal haar jongen nooit meer zien. Op vierentwintigjarige leeftijd stierf de Michigan Assassin. Ketchel, één van de beste middengewichten ooit, werd in 1954  bijgezet in de International Boxing Hall of Fame.

 Foto 1: Rechts Stanley Ketchel slaat Jack Johnson neer. 

Bron: the San Francisco Cronicle jaargang 1910, Vie au Grand Air, jaargang 1909, de site Boxing Records.
Filmbeelden van het  gevecht Johnson/Ketchel:  http://www.youtube.com/watch?v=wp20AKdyyXg

Met de jongens lekker raggen

Kerels waren het! Met harde, gemene blikken. Waren in staat een duivel uit zijn oor te laten pissen. Mannen met achter de gulp een paar ballen hard als kogellagers. En een ‘snikkel’ die overuren maakte. Bedreven de liefde niet alleen met hun vrouw maar ook nog eens met vier minnaressen. Tot het stoom uit het matras kwam. Dronken zich ’s avonds in de kroeg een slag in het rond. Stonden  voor dag en douw weer naast het bed. Getraind moest er worden. Samen met de jongens lekker raggen op de tandem. Urenlang rammend en jakkerend over wegen en door dorpen. Valpartijen? Maakte ze geen reet uit. Littekens op armen en benen alsof er ooit, met weinig succes, een handgranaat was gedemonteerd.  Wie kon ze eigenlijk kloppen? Een voortdenderende stoomlocomotief? Een eitje! Wie dat laatste van hen in de  kroeg geroepen had wisten ze niet meer. Maakte ook niets uit.  Ze waanden zich toch onklopbaar. En dat gingen ze ook even bewijzen.
Hoeveel kolen de stoker op het vuur gooide en hoe ver de machinist de stoomhendel  opendraaide…  Onbegonnen werk. Tegen kerels, geprepareerd op een mix van cocaïne, laudanum en strychnine, valt niet op te stomen. Stuiterend over  sintels, en bielsen, ijlde het sextet langzaam de horizon in.
1902, Fijne tijd!

 

Eeuwige roem voor Maas van Beek

Niemand kan meer om hem heen. De grootste criticaster moet dat tandenknarsend toegeven. Want de klok en meetlat liegen namelijk nooit. Op een pot bietensap racete Maas van Beek, 56 jaar, vanmorgen op de wielerbaan van Moskou, naar een nieuw werelduurrecord achter de derny. Even voor de cynische: Peter Post, Theo Verschuren, Stan Ockers, indertijd dé grote jongens van het cyclisme en behorend tot de top van het internationale baanfietsen, werden door hem totaal uit de recordlijsten gereden. Maas van Beek, ouwe Maas met dat tanige afgetrainde lijf, realiseerde een afstand 66.638 kilometer waarmee hij zijn oude record met driehonderd meter  verbrak. Maas van Beek krijgt nu de erkenning waar hij jaren naar snakte.Erkenning die hem onder meer door de NOS werd onthouden. De sportjongens uit Hilversum besteedde  geen minuut aan Van Beek want vonden hem én zijn record niet serieus genoeg. Maar ook bij de zogenaamde kenners uit het wielermilieu schuurde het, en werd er misgund naar Beeks record gekeken.  Zoals Cees Maas bijvoorbeeld.
De laatste, microfonist tijdens de Zesdaagsen van Amsterdam, mocht graag omroepen dat  Matthé Pronk dé recordman was. Pronk, een jonge prof, was  eerder recordhouder, maar werd door  door Maas van Beek  in 2009 uit de recordboeken gereden.
Van Beek nam zijn plekje in de heldengalerij, maar ook het Guiness Book of Records,  niet zonder slag of stoot in. Gisteren werd al een aanval op het record ingezet.
Na twintig minuten, op een schema van ruim 67 kilometer, vloog de ketting er af. Van Beek rijdend op een futuristische ovaal voorblad startte nog een keer over en werd met hetzelfde euvel geconfronteerd. Een bobbel in de baan was de oorzaak. Het getuigt van Maas’ wilskracht én motivatie, want vanmorgen volgde de definitieve aanval. Achter gangmaker  Wilco van den Hoorn schreef de inwoner van Barneveld absolute wielergeschiedenis. En we spreken nu met zijn allen voor eens en altijd af dat Maas van Beek en niemand anders ‘s werelds snelste man achter de derny is. Heeft Cees Maas en de complete sportredactie van de NOS dat héél goed begrepen…?

Foto’s Wilco van den Hoorn

El Negro kwam in een kist thuis

De ultieme klim én afdaling. Daar leefde hij voor. Op zijn fietsje urenlang in de bergen van Baskenland, dansend richting hemel. Francisco Cepeda, wegbereider van een heel peloton Spaanse klimgeiten. De held van zijn dorp Sopuerta. De hoop van Baskenland. Negenentwintig jaar en lichamelijk op z’n top. Francisco, donker, tikkeltje zigeunerachtig. Mooie, vrome  jongen. Had een intieme relatie met de Heilige Maagd. Stak in de San Pedro Apostolo, de dorpskerk, kaarsen op bij dozijnen en smeekte haar of ze hem genadig mocht zijn. Per slot beoefende Francisco een gevaarlijke stiel. Francisco Cepeda, beroepsrenner, of beter gezegd, klimmer. Werd twee keer kampioen van Baskenland waarin hij afrekenende met een hele kudde klimgeiten.
El Negro de Sopuerta werd hij genoemd. De zwarte van Sopuerta, een avonturier die leefde voor zijn sport. Nam begin juli afscheid van zijn moeder, zes broertjes en zusjes. Beloofde zijn supporters te strijden tot hij er bij neerviel. Smeekte de heilige maagd nog één keer om het nodige geluk en reisde af naar Parijs.  De Zwarte ging voor de vierde keer op jacht naar succes in de  Tour de France. Francisco zou nooit meer zijn dorpje én geliefden terugzien.
11 Juli 1935, de zevende etappe Aix-Le-Bain-Grenoble loodzwaar met meerdere cols waaronder de lugubere Galibier. Een dag waarop het kwik bijna uit de thermometers spatte. De roodkoperen ploert, om maar een lullige uitdrukking te gebruiken, stond genadeloos te gloeien. Het asfalt kookte, dorpspompen maakten overuren en renners naderden het kookpunt. Ook Francisco kreeg zijn deel. Het was zijn dag niet. Moeizaam klauterde hij omhoog. Het moest maar gebeuren in de Pyreneeën, riep hij naar een ploeggenoot.  Op de top van de Galibier zat de Bask alleen achter de kopgroep. Voor Cepeda, tiende jaar prof, een ouwe klimgeit met de nodige ervaring, was de afdaling een kwestie van je laten vallen en proberen het gat te dichten. En daar ging het mis. Hoe het precies gebeurde weet niemand. Vermoedelijk sprong door de hitte de tube van zijn voorwiel af.
De Zwarte stortte in een ravijn en werd met een zware schedelfractuur afgevoerd naar het ziekenhuis in Grenoble. Veertien juli nationale feestdag. Niet voor Sopuerta, noch voor de familie Cepeda. Het was de dag dat Francisco stierf. In zijn geboortedorp kreeg hij een heldenbegrafenis. Op de schouders van zijn kameraden werd El Negro naar de begraafplaats gedragen. Francisco Cepeda, 29 jaar geworden schreef toch geschiedenis, al was het van een bedenkelijke soort: hij was de eerste renner die sneuvelde in een Tour de France.

Foto 1: Kampioen van het Baskenland. Foto 2: Het sterfbed van Cepeda. Foto 3: Begrafenis van Cepeda. 

Bron: Sport Revue jaargang 1935, de site van Club de Portivo de Bilboa.

Op bietensap naar een wereldrecord

Overeenkomsten zijn treffend.  Want beiden getroffen door kanker. En alle twee zijn ze genezen. Dan ga je compenseren, wil je jezelf bewijzen dat je het kunt. Dat je maling had aan die vreselijke ziekte. Dat je lichaam de hele wereld aan kan.  Dat doe je dan op de racefiets. Waarbij de één dat deed met behulp van een apotheker, en de ander met zo iets simpels als bietensap. Lance Armstrong en Maas van Beek. Hoe het met Lance vergaan is weten we. Maas van Beek nog niet helemaal.
Over Van Beek had Stuyfssportverhalen als eerste regelmatig geschreven. De man is namelijk  een fenomeen. Ga er maar even aan staan. Van Beek zevenenvijftig jaar. Met een lijf van een jonge Griekse god. Liet de hele wielerwereld versteld staan door in Moskou, het  werelduurrecord achter de derny, met 66.288 meter, te verpulveren. Waarbij hij het oude record verbrak van Mathé Pronk, een jonge beroepsrenner. En dat laatste stak. Althans bij Pronks begeleiders. Die deden alles om Van Beek in het diskrediet te brengen. De verdachtmakingen waren niet van de lucht. Gesuggereerd werd dat Van Beek dat deed op een fiets die niet  voldeed aan de UCI-normen. Van Beek strafte dat af om door nogmaals het record te verbreken. Maar dan wel onder toezicht van de UCI.
Maas van Beek, mag dan wel de constitutie hebben van een jonge kerel, ook voor hem tikt de biologische klok genadeloos door. Als een grootste finale, maar ook als afscheid van de topsport wil hij nog één keer knallen. Komende woensdag, 24 oktober,  krijgt dat ouwe, maar gespierde lijf nog één keer op zijn sodemieter: Van Beek gaat op de wielerbaan van Moskou zijn eigen record aanvallen. De voorbereidingen, meer dan een jaar, waren Spartaans. Een blik op zijn trainingslogboek doet een gereputeerde professional wit wegtrekken. Met als finale drie helse weken in het Sierra Nevada-gebergte.
Een uur lang voluit fietsen achter een derny, die tegen de zeventig kilometer loopt. Die pijn! Moet vréselijk zijn. Middeleeuwse beulen loopt daar het kwijl van uit de mond. Volgens Van Beek kan dat alleen maar met een surplus aan extra zuurstof. Van Beek sliep daarom thuis weken in een hogedruktent.
In de Siërra’s, op een hoogte van drieduizend meter, werd er iedere morgen drie uur gerend. Onder extreme weersomstandigheden, gegeseld door sneeuwbuien, klauterend over ijs- en sneeuwvelden  richting top. Haalde mountainbikers in. Maas van Beek was niet alleen. Zijn trainingsmaatjes waren leden van de nationale Russische Skicrosscountryploeg. Trainde met drie wereldkampioenen en een Olympisch kampioen. In de middag ging de recordhouder nog even een uurtje los op de fietsergometer. Van Beek heeft niet alleen extra zuurstof nodig, maar ondersteunt zijn lijf ook met bietensap. Volgens hem hét probate middel om te herstellen.
Komende woensdag weten we meer…

Foto 1: beschikbaar gesteld door Maas van Beek. Foto 2 en 3: Rob Duin

Eeuwige roem én naderende ondergang

Bordeaux-Parijs, monsterlijke koers over zeshonderd kilometer. Vóór de Tweede Wereldoorlog, op de Tour na, de belangrijkste koers. Althans in België en Frankrijk. Het journaille had het over een strijd tussen Frankrijk en België alsof er een landsbelang in het geding was. Sportbladen én kranten, in extra oplages, stonden er weken vol van. Prognoses werden gemaakt. Achtergrondinterviews met de eventuele deelnemers. Plechtig werd daarbij gesproken over De Derby. Bordeaux-Parijs 1931mét een primeur! Na jaren achter auto’s werd er voor het eerst achter motoren gekoerst. De koers waarin de ster van Bernard van Rijsselberghe flonkerde. Om daarna weer snel te doven.

Zeshonderd kilometer koersen, heroïsch,  maar niet gezond. Daar kwam Bernard Rijsselberghe ook achter. Te laat. Net vijfentwintig jaar geworden en winst in een Touretappe én veertiende in het eindklassement. Voor ploegleider Leo Veron het sein om Bernard van Rijsselberghe op te stellen voor dé klassieke koers van het jaar. Bernard, struis, één brok gezondheid met jeugdig enthousiasme in het avontuur gestort. Pikte in Orleans zijn motor op.
Bordeaux-Parijs, de grensoverschrijdende klassieker, bestemd voor ouwe, doorgetrainde  kerels met een hart van een os en een paar longen waarmee  je een deur uit de sponning blaast.  Niet voor jongens als een Van Rijsselberghe. Die laatste ging heel diep in zijn nog ongebruikte lichaamsreserves. Het begin van het einde. 
Bernard, jakkerend over die eindeloze Franse pokkenwegen. Door en over de gevreesde vallei van Chevreuse. Slopend. Zijn kont leek op een oorlogsgebied. Het bloed stond in de koersbroek. Pijn in rug en lendenen waren niet te verdragen. Raakte van het motorgeronk in een soort hypnose. Moest alert blijven. Kokhalzend en gespannen vlak achter het spatbord. Mocht en kon die geen seconden uit het oog verliezen. Op een gruwelijke zware, vaste versnelling, duwend en stampend op de pedalen. Twee keer lek gereden en zelf gerepareerd. Werd vanuit de  volgwagen verzorgd met bidons vol geklutste eieren, cognac en suiker. Die arme Van Rijsselberghe, kreeg onderweg meerdere instortingen.  Kon op de Côte de Dourdon, een benenbreker, veertig kilometer voor Parijs, de motor niet meer houden. Werd door Jef d’n soigneur opgelapt met zo’n fijne oppepper waarvan je je maar moest afvragen of je dat overleefde.
Voor Bernard was  finish in Parijs met winst dé apotheose, maar ook verlossing uit zijn lijden. Twee jaar later streed de inwoner van Gent nog één keer mee in de frontlijn van B-P en werd tweede. En daarna was het gedaan. Wist in zijn korte carrière maar zes wedstrijden te winnen. Eind 1935,  met een gesloopt lijf waar een auto-ongeluk het er niet beter op maakte, stopte Van Rijsselberghe met koersen. Tot aan zijn dood in 1984 moet de Gentenaar aan die ene, zo glorieuze zondag in 1931,  hebben gedacht. De dag dat eeuwige roem én de naderende ondergang vlak naast elkaar lagen.

Foto’s:  Van Rijsselberghe gelost op de Cote du Dourdon, verzorgd met geklutste eieren mét cognac, én de apotheose in Parijs. 

Bron: Geïllustreerde Sportspiegel, jaargang 1931, Het Rijke Vlaamse Wielerleven jaargang 1943.

Mooie Harry liet de girls soppen

De wielerbaan lag er perfect bij. De Star and Stripes stonden strak aan de vlaggenstokken, op het middenterrein speelde de brassband The Battle Hymne of the Republic. En de zakken met popcorn waren niet aan te slepen. Gelokt door het topprogramma waren vijftienduizend Yanks  erop af gekomen. De  Charles River Track, houten tribunes én wielerbaan, kreunde en kraakte als een oud wijf in de winter.  Dertig mei 1903, stayerskoers in Cambridge, Massachusetts.
Op het aanplakbiljet vier regionale helden. En geen aangewaaide boerenlullen. Stinson, Moran, Walthour en Elkes, outlaws, voormalige premiejagers in de beruchte Amerikaanse zesdaagsen, overgestapt naar het stayeren, stonden aan de start. De twee laatste, Walthour en Elkes, vers terug van een succesvolle Europese tournee.
Walthour had op de Duitse wielerbanen huis gehouden, en Elkes had heel Parijs versteld doen staan met een nieuw wereldrecord achter de motor. Bij het zien van Harry Elkes, een mooie jongen, begonnen de  girls spontaan te soppen in hun directoire. Evengoed had Elkes, financieel goed geboerd, het stayeren wel gezien. Vond het iets te link. Vier Juli, dé Amerikaanse feestdag, zou zijn afscheidskoers worden. Harry, zijn toekomst goed uitgestippeld, had zich aan de universiteit van Pennsylvania laten inschrijven voor een studie medicijnen. Maar eerst nog even een vet contract verzilveren in Cambridge, een voorstad van Boston.  De motoren werden gestart. De ’20 mile of Cambridge’ nam een aanvang. Begin van de zestiende mijl een luide knal. Klapband voor Harry Elkes.
Mooie Harry, met zeventig in het uur slingerend achter de motor. Stuurt in een reflex omhoog. Laat daarbij, als een rem, zijn voet slepen over de baan. Grijpt in doodsnood de balustrade beet in een wanhopige poging te stoppen. Harry valt  en schuift over de baan naar beneden. Gangmaker Frank Gately en zijn renner Willie Stinson denderen over hem heen, en belandden in het publiek. Met ernstig schedelletsel wordt de recordhouder in paard en wagen naar het Homeopathic Hospital in Boston afgevoerd. 
Op weg naar het ziekenhuis besluit  Harry Elkes af te reizen naar de Grote Stayershemel. Harry Elkes, vijfentwintig geworden, wordt begraven op het Glens Falls Cemetery in zijn thuisstad Glens Falls, Warren County, New York. Vrienden en fans zorgden er voor dat de recordhouder niet vergeten wordt. Paar maanden na zijn hemelvaart verschijnt op zijn graf een groot granieten monument met een gevleugeld wiel met de tekst: Harry D. Elkes Champion Cyclist of The World.
En Willie Stinson? Deze werd zwaargewond afgevoerd. Om niet veel later zijn plekje achter de motor weer in te nemen. Hij kon het ongeluk navertellen: maar dan wél met één oog minder. Altijd al een mazzelpik geweest, die Willie.
                                                                                                                                                                                                                                                          Bron: New York Times jaargang 1903.

Geen requiem voor een zwaargewicht

Een tegenstander op leeftijd, zes kilo lichter én een kop kleiner. Voor Joe Bygraves, een gereputeerd zwaargewicht, was het gevecht nog net geen formaliteit. De Engelse vuistvechter, vierenzestig overwinningen waaronder tweeëntwintig knock-outs, wachtte in de Rotterdamse Rivierahal een aardige verrassing. Wim Snoek, bokser op retour, dacht daar heel anders over.

Joe geloofde zijn ogen niet. In plaats van een uitgebluste, uitgedijde  tegenstander, stond op het canvas een afgetrainde kerel. Wim Snoek scherp,  in vorm, was maandenlang intensief door trainer Piet ter Meulen onder handen genomen. De Amsterdammer voelde zich als een duivel in een wijwatervat. En die vechten zich kapot om daar uit te komen. Na de eerste gongslag stortte Bygraves zich met flitsende hoeken gretig op zijn opponent.  De Ouwe Snoek incasseerde, en sloeg terug.
Snoek versus Joe Bygraves. De laatste een gereputeerde topbokser  van groot formaat,  vier jaar jonger en zes kilo zwaarder.  Snoek, dapper en moedig, werd in de derde ronde met een hoek naar het canvas gerost. Wat als een anonieme partij de annalen was ingegaan werd een historisch gevecht. Bij de tiende tel stond Wim Snoek op de benen.
Tegen alle verwachtingen in werd het geen requiem voor een zwaargewicht. De Amsterdammer, zesendertig jaar, met een lijf dat in tientallen zware gevechten flink op zijn lazer kreeg. Wat haal je op de hals? In zo’n geval wordt verstand  verdrongen door de ‘eer’. Voor een duizendkoppig publiek werd  Snoek iedere ronde metaal sterker, knokte zich terug en schreef de vijfde ronde op zijn naam. Joe Bygraves, knock-outspecialist, die de partij snel had willen afmaken, werd er letterlijk door aangeslagen. Verrast door de felheid van Snoek, werd een beroep gedaan op  de trukendoos. Kreeg daardoor in de derde en zesde ronde een waarschuwing.
De fysiek sterkere Brit van Jamaicaanse afkomst  wist Snoek nog twee keer neer te halen. Maar hing zelf in de laatste ronde  minutenlang in de touwen, murw geslagen door Snoek.
Joe Bygraves, kampioen van Engeland, haalde enkele jaren daarvoor Ingemar Johansson de latere wereldkampioen neer, deze Joe liep een behoorlijke reputatieschade op. Tot zijn schande eindigde het gevecht onbeslist. Voor Snoek voelde het als een overwinning. De kolkende en kokende Rivierahal dacht daar net zo over. Bij de staande ovatie werden handen blauw geklapt. Snoek,  gezwollen, blauwe  en gehavende kop, werd in de kleedkamer liefedevol opgevangen door zijn vrouw Sjaan. Uiteindelijk kwam voor beiden boksers toch het Requiem. Snoek gestorven in 2001 werd vierenzeventig, en Bygraves ging begin dit jaar definitief knock out en werd eenentachtig.

Bron: Het Parool augustus 1963