De man met de stalen kin

Eigen schuld dikke bult. Moet je maar niet je  hoofd boven een loopgraaf uitsteken, zelfs niet voor één seconde. Grote kans dat je dan kogels terug kunt koppen. Aan het front bij Verdun waren de sluipschutters goed ingeschoten. Ondanks die waarschuwing deed hij dat toch. Een buitenkansje voor die ene Duitse soldaat. Vlak nadat Heinz de haan van zijn geweer overhaalde ontdekte een verbijsterde Eugène Criqui dat hij voortaan als  kaakloze door het leven moest. Heinz’ kogel was verwoestend. Criqui’s complete onderkaak was weg geschoten.
Eugène, voor de Eerste Wereldoorlog een Franse profbokser. Had ondanks zijn jonge leeftijd al zestig keer in de ring gestaan en won al zijn gevechten. Criqui, vedergewicht én knock-outspecialist in 1914 als vrijwilliger in Franse legerdienst gegaan, verdween voor twee jaar in een lazaret waar hij door een chirurg werd opgelapt.
De laatste maakte van een geitenbot opgevuld met vlees uit Criquis been, een nieuwe kaak. Boksers per definitie tikkeltje rare jongens. Ook Eugène. De man met een gammele nep kin wilde weer de ring in. De chirurg die de bui zag hangen nam de jonge bokser  opnieuw onder het mes, en knutselde een nieuwe kinnebak. Van staal!  Een stalen kaak, de ultieme droom voor iedere bokser.
George Cravat in 1917 eerste tegenstander van Criqui,  had zo zijn twijfels aan de kwaliteit van het metaal, en plaatste in de eerste ronde een verwoestende rechtse op dé kin. George brak bijna zijn hand. En verloor het gevecht. Eugène Criqui moet dat euforische gevoel van onoverwinlijkheid hebben gehad.  Na George Cravat stond de oorlogsinvalide nog drieënzestig keer in de ring, verloor twee keer op punten maar sloeg wél  tweeënvijftig  keer een tegenstander knock-out. En werd ook nog eens Europees kampioen. Zijn naam vloog door de wereld. In het Amerika van 1923 zagen ze goud in de Fransman. Promotor O‘Rourke regelde een gevecht om de wereldtitel. In een kolkend en kokend New Yorkse Polo Ground voor meer dan vijftigduizend liefhebbers trof  de inwoner van Parijs heersend wereldkampioen Johnny Kilbane. Voor de man die de hel van Verdun overleefde moet die brullende massa niet meer zijn geweest dan wat prettig geroezemoes en haalde vervolgens in de zesde ronde Johnny neer.
Wereldkampioen Eugène  Criqui, contractueel vastgelegd dat hij binnen zestig dagen zijn titel in New York moest verdedigen.  Uitdager was Johnny Dundee. En die wist wel een antwoord op die stalen kin. Dundee, een sluwe Ier, had zijn handbandages ondergedompeld in een bak gips.  Met cementen vuisten brak Johnny Dundee in de eerste ronde de stalen kin.  Frankrijks hoop, hield het nog vijftien ronden vol maar verloor toch op punten. 
Eugène Criqui, slechts vierenvijftig dagen wereldkampioen, stierf in 1977 op vierentachtig jarige leeftijd. In 2005 werd hij opgenomen in the International Boxing Hall of Fame.

Foto 1: De zesde ronde om de wereldtitel vedergewicht. Johnny Kilbane wordt zojuist wakker. Foto 2: Eugène Criqui, Foto 3: Ondanks zijn nederlaag kreeg Criqui in Parijs een groots welkom.

Bron: Geïllustreerde Sportwereld jaargang 1922 en 1923,  Revue der Sporten jaargang 1923, Les Sports Illustress jaargang 1919, de site Boxing Records.

Peter Schep in een spannende soap

Dertigduizend euro heeft het hem gekost. De opbrengst? Niks! Geen euro. Dat geld kan hem gestolen worden. Erger is dat erkenning uitbleef. Niet één medium besteedde aandacht aan zijn prestatie. Maas van Beek verbrak eind oktober het werelduurrecord achter derny’s.
Van Beek weet wel waar de kneep zit. Hij is te oud. Pure discriminatie, foetert hij.  Volgens de recordhouder speelt er nog veel meer. Er wordt een spelletje met hem gespeeld. Van Beek weet ook wel door wie: het commerciële circuit, het Zesdaagsencircus, gangmakers waarvan hij het brood afpakt. Voor een gangmaker is het altijd fijn om een renner achter zich te hebben die het wereldrecord heeft. Dat levert extra contracten op. En daar verbreekt, totaal onverwachts, die Van Beek op ruim zesenvijftigjarige leeftijd dat record.
Met zo’n renner kan je niet bij de Zesdaagse aankomen. De aantijgingen van Van Beek lijken tóch hout te snijden. Want opeens is daar dat persbericht dat Peter Schep, (zie: foto’s) die eind december op de baan van Apeldoorn het record van Maas van Beek gaat aanvallen.
Schep, stylist op de koersfiets, een gewezen wereldkampioen puntenkoers, én Europees kampioen koppelkoers, maar ook een gereputeerd  Zesdaagsenrenner gaat midden in het winterseizoen een loodzwaar record aanvallen. En dat is opmerkelijk. Zo iets doe je niet op een achternamiddag. Voor Schep, vorig jaar achter de derny van Joop Zijlaard nog derde bij het Europees kampioenschap, vergt dat de nodige tijd. Tijd waarin hij veel geld laat liggen.  Maas van Beek weet precies hoe de vork in de steel zit. Hij heeft het over  een bepaald ‘kliekje’ dat met een zak geld  Scheps komende recordpoging regisseert. Of de plannen van  Peter Schep verstandig zijn, is nog maar de vraag. Te vrezen is dat Schep zijn reputatie op het spel zet.  Slaagt de voormalige wereldkampioen, dan wordt er geroepen dat hij dat aan zijn status verplicht was. Sneuvelt Schep, dan worden de vulpennen geslepen.  Het werelduurrecord achter derny’s begint  de kenmerken van een spannende soap te krijgen.

Wordt vervolgd…

Charley, ‘Mile a Minute-Murphy’

Twintigduizend dollar voor een gedateerde fiets. Zo’n stuk pisbakkenijzer waar Amsterdam vol mee geplempt is. Maar niet voor Babylon, een lullig stadje in de staat New York. Die betalen dat graag. Voor de stad is het karretje een historische relikwie. En laat dat fietsje nou tientallen jaren staan te verstoffen in het depot van een motormuseum ergens in Massachusetts. Gebeurde er een keer wat in Babylon, kunnen ze er nog niet mee pronken.
Het zal Charley Murphy, aan gene zijde, een rotzorg zijn wat er met zijn fiets gebeurde. Zijn naam was tóch al gevestigd, zong een halve eeuw rond.  Charley Murphy, opschepper, knotsgek én een wielrenner van twee keer niks. Linke combinatie. Blufte tegen iedereen die het hoorde willen, dat hij een mijl in een minuut kon fietsen: achter een locomotief.
De man hield zijn woord. Murphy, inwoner van Brooklyn, én met de gave  van het woord,  kletste de directie van de Long Island Railroad plat.  Boeren, langs de spoorlijn Farmingdale en Babylon op Long Island, zagen tot hun stomme verbazing dat er tussen de rails planken werden gelegd. Charley Murphy had zijn fietsbaan en kon geschiedenis gaan schrijven.
Een junidag in 1899. De dag dat Murphy hét record ging aanvallen. Ook de ochtend dat machinist Sam Booth zijn locomotief onder stoom bracht. Achter de loc en tender maar één wagon, afgeladen met de complete Amerikaanse sportpers. Het journaille wilde best graag zien hoe Murphy te pletter ging vallen. Bijna kwamen hun natte dromen uit. Na een paar mislukte pogingen vertrok Charley Murphy voor zijn definitieve, en desolate race. Zonder handschoenen, bril en helm, op centimeters achter de trein, communicerend via een grote toeter met ‘gangmaker’ Booth duwde Charley een monsterversnelling op gang. 
In een apocalyptische storm van gloeiend hete sintels, verbrand rubber raasde Charley vervolgens de geschiedenis in. Voor de ultieme climax had hij eigenlijk daarbij te pletter moeten vallen. Gebeurde nét niet.
Nadat Murphy de mijl in recordtempo gepasseerd was gepasseerd gooide Booth de rem erop. De verse recordhouder knalde met zijn hoofd tegen de wagon waarbij zijn voorwiel van de grond kwam. Dan gebeuren er dingen die zich jaren later alleen in dolle tekenfilms afspelen. Charley, in doodsnood, grijpt het hekje van de treinbalkon en wordt door alerte passagiers met fiets en al in de trein getrokken.
Charley bijgnaamd  ‘Mile a Minute-Murphy’, maakte zijn record te gelde met een tournee door de States. De man, beroemd van kust-tot-kust,  werd uiteindelijk politieagent in New York. Charley Murphy een held van bedenkelijke allure, stierf uiteindelijk in 1950, op bijna tachtigjarige leeftijd tussen de witte lakens.
 Foto 1 en 2: Charley Murphy, Foto 3: New York Times, 1899.

Bron: digitale archief New York Times jaargang 1899,  Bycicleleongislad, Wikipedia 

Bonte hond in een wereld van grijze droogkloten

Vandaag, 11 November! Vierennegentig jaar geleden de  laatste dag van de waanzinnige Eerste Wereldoorlog. De dag die de geschiedenis inging als ‘Wapenstilstandsdag’. Groots gevierd én herdacht in België, Frankrijk én Engeland.  Ruim negen miljoen jongens bleven op het slachtveld achter. Ook Jean Bouin.

Eerst wat kniebuigingen. Stak dan een vers sigaartje op, nam een diepe haal,  liet de nicotine tot de enkels zakken. Parkeerde het sigaartje los in de mondhoeken en gaf de trainer opdracht de stopwatch in te drukken. Jean Bouins dagelijkse training nam een aanvang. Jean, levensgenieter, hield van een goed glas wijn en rookte als een schoorsteen.
Maar was óók een middenafstandsatleet. Jean mocht dan een merkwaardige sportbeleving op na houden, zijn trainingen waren hard, en lang. De mores dat topsport gepaard gaat met Spartaanse zelfkastijding, strafte Jean af.  Die nam het leven niet al te serieus. Ondanks dát liet hij de stopwatches vier keer stilstaan op een nieuw wereldrecord.
Records die tientallen jaren standhielden. Jean Bouin, de man met de bruine vingertoppen, rende in 1909 de tien kilometer in een tijd van dertig minuten. De wereldrecordhouder,  geboren en getogen in Marseille, mocht de Franse kleuren op de Olympische Spelen van 1908 verdedigen. De Marsiliaan was dé favoriet voor de vijfduizend meter.
Ver voor het begrip ‘rock ’n’ roll’ had Jean dat al uitgevonden. Lag de concurrentie strak van de zenuwen in bed  naar het plafond te staren, niet Bouin, die bracht de nacht door in de Londense hoerenbuurt. Raakte prompt betrokken bij een knokpartij in een kroeg, werd gearresteerd en miste een dag later de finale.
Vier jaar later op de Spelen van Stockholm is Bouin, wél van de partij. De kleine pezige hardloper, met een vers wereldrecord op tienduizend meter, had iets goed te maken.  En dat lukte niet helemaal: ‘slechts’ zilver.
Jean, bonte hond  in een wereld van grijze droogkloten want atleten, zwoor wraak. Bij de Spelen van 1916 ging hij orde op zaken stellen. Maar zo ver kwam het niet. De Eerste Wereldoorlog brak uit. Jean Bouin, had hoogstwaarschijnlijk het gevoel iets goed te moeten maken voor volk en vaderland. Met de kreet ‘vive la France’, nam hij vrijwillig dienst bij het 163e Infanterie Regiment. De atletiekbaan  omgeruild voor de loopgraven.
Als het waar is dat je tijdens de laatste seconden in dit aards tranendal je leven langs ziet komen dan zag Jean Bouin, zijn verloofde Rose, z’n geliefde Marseille, en stadions met kolkende tribunes. Even later, tijdens  één van de eerste grote Duitse aanvallen, september 1914,  sneuvelde Frankrijks meest kleurrijke atleet ooit.
Na eerst begraven te zijn geweest op het ‘kameradenkerkhof’ werd zijn lichaam  in 1922  overgebracht naar Marseille, waar hij door de hele stad uitgeleidde werd gedaan. Jean Bouin werd 25 jaar. Verloofde Rose deed het iets beter. Op ruim honderdjarige  leeftijd vertrok zij in 1987 naar haar grote liefde Jean.

Foto 1: Jean Bouin met sigaartje. Foto 2: Bouin vlak voor zijn dood. Foto 3: Zijn graf in Marseille. Bron: Vie au Grand Air, jaargang 1912 en 1913, Wikipedia.

The Little Dutches zat tjokvol dope

‘Plied with drugs, miss Gast feebly pedals on’, kopte de New York Times in een lekker groot corps.  Het mag dan wel 1900 zijn, maar de journalist was niet helemáál van de pot gerukt. Mejuffrouw Gast zat tjokvol dope. Dat zag een blinde. Margareth Gast, vierentwintig jaar, een wilde meid van Duitse afkomst, was bezig een nieuw afstandsrecord te fietsen. Schuimbekkend, met een schurend ‘mutsje’ op een hard zadel, stampte Maggie, twaalf dagen onafgebroken, door. Iedere scheet van Maggie ijverig noterend, lustte de pers daar wel pap van. De conservatieve bewoners langs het vijfentwintig mijl lange parkoers op Long Island, waren niet zó gecharmeerd. Maggie, bijgemaand de Little Dutchess, gegangmaakt door een stel luidruchtige supporters, veroorzaakte een schok.
Maggie Glas, op zestienjarige leeftijd alleen van Duitsland naar Amerika geëmigreerd, was in haar dolle race om erkenning al twee keer bewusteloos van haar karretje getuimeld. Met vlugzout bijgebracht werd ze er weer op geholpen.  ‘Een  schandelijke demonstratie van het menselijk uithoudingsvermogen, terwijl de autoriteiten toekijken’, gooide de journalist nog maar een paar liter olie op het vuur. Als de man in details treedt, leest het verslag als fijne horror. Na de rustpauzes van een paar uur waren haar voeten namelijk zo opgezwollen dat ‘deze in de pedalen moesten worden gewrikt’, om er verlekkerd aan toe te voegen ‘Dat haar  vingers verstijfd door de kou eerst van het stuur werden losgetrokken’.
Aan the Little Dutchess zat natuurlijk een behoorlijke steek los, maar ze beschikte wél over doorzettingsvermogen. Na twaalf dagen, storm, regen en onweer, stond de teller op tweeduizend mijl. Een nieuw wereldrecord, voor wat dat waard was. Maggie, wiens geboortenaam Nagengast was, ging door. Na bijna driehonderd uur zat ze  op zesentwintighonderd mijl als sheriff Abraham Furman ingrijpt en haar van de fiets trekt. Voor Maggie Gast was het fietsen niet opwindend genoeg.
In 1910 maakte ze als stuntrijdster de overstap naar de ‘Wall of Death’. Amerikanen gek op de ultieme superlatief hadden daar geen woord van gelogen.
Motorracen op een steile wand in een kermistent, bestemd voor zwakzinnigen met suïcidale trekjes. Margareth Gast speelde tien jaar lang met haar leven. Jaren vol bloed, spanning en angst. Zag tientallen collega’s verongelukken, of vielen anders voor het  leven invalide. Nadat Maggie Gast voor de zoveelste keer met een ambulance met gillende sirene naar het ziekenhuis was gebracht, nokte ze er mee. Na een leven vol adrenaline begon ze een fitnesstudio, gevolgd door  een saloon genaamd the Little Dutches Inn. Maggie Gast, pionier van het dameswielrennen, superfeministe zonder zelf het woord te kennen, overleed op vierentachtig jarige leeftijd.

Bron: Het digitale archief van de New York Times jaargang 1900, Hall of Fame U.S. Bycycling, Jack Nagengast, achterneef

Der Alte een man zonder arbeidsvreugde

Een emotioneel gestoord ijskonijn. Een kerel met koelvloeistof in de aderen. Leed  hoogstwaarschijnlijk aan een posttraumatische stressstoornis. Keek steevast in een camera of hij zojuist zijn doodvonnis gehoord had. Het begrip ‘arbeidsvreugde’ was hem onbekend. Een ‘psych’ had wél begrepen waarom.  Als wielrenner had Nat Butler acht keer een Amerikaanse Zesdaagsen overleefd. Ruige en rauwe koersen waar letterlijk alles wat god verboden had gebeurde. Waar een renner  lijf en leden riskeerde. Niet echt een plek om met het hele gezin naar toe te gaan.  Op de tribunes was het namelijk ook niet pluis. Daar vonden complete omerta’s plaats. Dronken Ierse en Italiaanse immigranten gingen elkaar massaal met ijzeren staven te lijf. Of anders werden wel pistolen getrokken. Nat Butler, de ouwe kale Nat, al dik in de dertig, had dat allemaal als renner meegemaakt. The Six, tropenjaren, maar waar hij wél lekker verdiend had. Maar nog niét genoeg. Besloot dáárom de laatste jaren van zijn wielercarrière de overstap naar het levensgevaarlijke stayeren te maken. Kende de horrorverhalen over de bloedbaden op de Duitse wielerbanen.
Nat Butler had in the States daarop al een klein voorproefje gehad want zag acht van zijn vrienden doodvallen. Of stond anders wel aan hun vers gedolven graf zoals bij zijn vroegere zesdaagsemaatje George Leander, verongelukt in Parijs en begraven in Chicago. Ondanks dát maakte Nat een klein optelsommetje. Aangezien ook in Amerika de kost voor de baat uit gaat, ging Butler in 1906 akkoord met een aantal vette contracten voor stayerskoersen in Duitsland én Frankrijk.
Nat Butler in moffenland, achter de zware motor, waar hij spoedig, door het sportjournaille, Der Alte werd genoemd. Met dik negentig kilometer op centimeters achter een brullende motor. Lekker in de zuiging maar een ‘enkeltje’ kerkhof is nooit ver weg.  De kale was bereid om nóg meer risico te nemen. Liet een ultra kort fietsje bouwen. Zat je nog dichter tegen de motor én beter in de abri. Godsallemachtig wat zal die ouwe vaak gebeden hebben dat de baan niet ál te steile bochten had. Geheid dat dan één van zijn pedalen in het voorwiel kwam.
Nat Butler geluksvogel, zondagskind, reed vier seizoenen in Duitsland, streed mee in tientallen grote koersen. Won de Grote Prijzen van Keulen, Düsseldorf, en Dresden waar hij, voor volle stadions alles en iedereen lesgaf.
Ging in 1910, na vier jaar Europa met tachtigduizend goudmark op zijn bankrekening als een vermogend man terug naar Massachusetts. Belegde zijn geld in een wielerbaan waar hij dertig jaar de scepter zwaaide.  Nat Butler, de ouwe kale Nat,  één van de weinige Amerikaanse stayers die uit de klauwen van De Dood wist te blijven, werd toch door de zeis van Magere Hein uit het leven weg gemaaid. Werkend in zijn tuin werd hij getroffen door een hartaanval. Nat Butler werd 73 jaar.

Foto 1: Nat Butler, op centimeters achter de motor. Foto 2: Parijs 1908, in het Vélodrome d’Hiver, links Walthour, Nat Butler en Guignard. Foto 3: Een man die weinig arbeidsvreugde kende.
Bron: Radwelt jaargangen 1906 t/m 1910, het digitale archief van de New York Times jaargangen 1900 t/m 1905 én jaargang 1943. 

‘Breng mij asjeblieft naar mijn moeder’

Montana 1898, het Wilde Westen. Twee decennia eerder nog het territorium van Cheyennes en Sioux en waar een zinnige blanke zich niet waagde. Vrijplaats voor avonturiers en andere desperate idioten.  Stadjes met houten trottoirs. Met op elke hoek een saloon. Kroegen met klapperende deurtjes,  tingeltangelpiano, pokerende mannen, en hoeren bij de vleet. Waar de  kogels letterlijk om de oren vlogen. Met als extra attractie vuistgevechten. Wie durfde mocht, voor een klein bedrag,  knokken met de prijsvechter van dienst. In dat geval een jongen van zestien jaar. En die nam het op tegen iedere cowboy die het lef had.
The Kid trok van kroeg naar kroeg. Kreeg in één jaar meer dan tweehonderdvijftig tegenstanders tegen over zich: en haalde ze allemaal neer. Stanley Ketchel net zeventien jaar, gehard in de kroegen van Montana, werd beroepsbokser. Vocht in drie jaar tijd veertig officiële gevechten, en verloor slechts twee keer.  Stanley, westernlaarzen, revolver, was Montana ontgroeid, en vertrok in 1907 naar Californië voor een serie gevechten.
Na de eerste drie gewonnen partijen kwam de voormalige kroegvechter uit tegen wereldkampioen Joe Thomas. In een bloedig gevecht over tweeëndertig ronden, ging bij Joe Thomas het licht uit. Na nog een serie partijen onder meer tegen Mike Sullivan, Billy Papke,  Hugo Kelly, en Jack O‘Brian, is het oktober 1909. 
Wereldkampioen Ketchel, met de bijnaam ‘the Michigan Assassin’  gecontracteerd voor een gevecht over twintig ronden met tegenstander Jack Johnson, een Afro-Amerikaan. Het treffen tussen  Johnson versus Ketchel werd een historische en beroemde  gevecht. Het blanke publiek,  als één man achter hun jongen, zag tot grote afgrijzen hoe de kop grotere en zwaardere Johnson in de twaalfde ronde Stanley Ketchel met een vreselijke klap knock-out sloeg. The Champ, minuten lang in een andere wereld, werd wakker met drie tanden minder. De ivoortjes moest Johnson later uit zijn handschoenen pulken.  Ketchel, uit op revanche, trok zich, als voorbereiding op een  revanche terug op een ranch ergens in Missouri. En daar, tussen de paarden en koeien, begon het voorspel voor Stanley Ketchels naderende dood. Na een ruzie met ene Dipley, werd de schrik van de saloons in zijn rug geschoten. 
Met een speciaal gecharterde trein werd the Assassin naar het hospitaal in Springfield afgevoerd. Met Magere Hein naast je sterfbed laten mensen zich van hun kwetsbare kant zien. En valt toch geen status meer op te houden.  Ook Stanley Ketchel. De man met de harde kop,  en koude ogen was weer dat jochie uit Montana.  ‘Ik ben zo moe, ik wil naar huis. Breng mij asjeblieft naar mijn moeder’,  waren zijn laatste woorden. Moeder Ketchel zal haar jongen nooit meer zien. Op vierentwintigjarige leeftijd stierf de Michigan Assassin. Ketchel, één van de beste middengewichten ooit, werd in 1954  bijgezet in de International Boxing Hall of Fame.

 Foto 1: Rechts Stanley Ketchel slaat Jack Johnson neer. 

Bron: the San Francisco Cronicle jaargang 1910, Vie au Grand Air, jaargang 1909, de site Boxing Records.
Filmbeelden van het  gevecht Johnson/Ketchel:  http://www.youtube.com/watch?v=wp20AKdyyXg

Met de jongens lekker raggen

Kerels waren het! Met harde, gemene blikken. Waren in staat een duivel uit zijn oor te laten pissen. Mannen met achter de gulp een paar ballen hard als kogellagers. En een ‘snikkel’ die overuren maakte. Bedreven de liefde niet alleen met hun vrouw maar ook nog eens met vier minnaressen. Tot het stoom uit het matras kwam. Dronken zich ’s avonds in de kroeg een slag in het rond. Stonden  voor dag en douw weer naast het bed. Getraind moest er worden. Samen met de jongens lekker raggen op de tandem. Urenlang rammend en jakkerend over wegen en door dorpen. Valpartijen? Maakte ze geen reet uit. Littekens op armen en benen alsof er ooit, met weinig succes, een handgranaat was gedemonteerd.  Wie kon ze eigenlijk kloppen? Een voortdenderende stoomlocomotief? Een eitje! Wie dat laatste van hen in de  kroeg geroepen had wisten ze niet meer. Maakte ook niets uit.  Ze waanden zich toch onklopbaar. En dat gingen ze ook even bewijzen.
Hoeveel kolen de stoker op het vuur gooide en hoe ver de machinist de stoomhendel  opendraaide…  Onbegonnen werk. Tegen kerels, geprepareerd op een mix van cocaïne, laudanum en strychnine, valt niet op te stomen. Stuiterend over  sintels, en bielsen, ijlde het sextet langzaam de horizon in.
1902, Fijne tijd!

 

Eeuwige roem voor Maas van Beek

Niemand kan meer om hem heen. De grootste criticaster moet dat tandenknarsend toegeven. Want de klok en meetlat liegen namelijk nooit. Op een pot bietensap racete Maas van Beek, 56 jaar, vanmorgen op de wielerbaan van Moskou, naar een nieuw werelduurrecord achter de derny. Even voor de cynische: Peter Post, Theo Verschuren, Stan Ockers, indertijd dé grote jongens van het cyclisme en behorend tot de top van het internationale baanfietsen, werden door hem totaal uit de recordlijsten gereden. Maas van Beek, ouwe Maas met dat tanige afgetrainde lijf, realiseerde een afstand 66.638 kilometer waarmee hij zijn oude record met driehonderd meter  verbrak. Maas van Beek krijgt nu de erkenning waar hij jaren naar snakte.Erkenning die hem onder meer door de NOS werd onthouden. De sportjongens uit Hilversum besteedde  geen minuut aan Van Beek want vonden hem én zijn record niet serieus genoeg. Maar ook bij de zogenaamde kenners uit het wielermilieu schuurde het, en werd er misgund naar Beeks record gekeken.  Zoals Cees Maas bijvoorbeeld.
De laatste, microfonist tijdens de Zesdaagsen van Amsterdam, mocht graag omroepen dat  Matthé Pronk dé recordman was. Pronk, een jonge prof, was  eerder recordhouder, maar werd door  door Maas van Beek  in 2009 uit de recordboeken gereden.
Van Beek nam zijn plekje in de heldengalerij, maar ook het Guiness Book of Records,  niet zonder slag of stoot in. Gisteren werd al een aanval op het record ingezet.
Na twintig minuten, op een schema van ruim 67 kilometer, vloog de ketting er af. Van Beek rijdend op een futuristische ovaal voorblad startte nog een keer over en werd met hetzelfde euvel geconfronteerd. Een bobbel in de baan was de oorzaak. Het getuigt van Maas’ wilskracht én motivatie, want vanmorgen volgde de definitieve aanval. Achter gangmaker  Wilco van den Hoorn schreef de inwoner van Barneveld absolute wielergeschiedenis. En we spreken nu met zijn allen voor eens en altijd af dat Maas van Beek en niemand anders ‘s werelds snelste man achter de derny is. Heeft Cees Maas en de complete sportredactie van de NOS dat héél goed begrepen…?

Foto’s Wilco van den Hoorn

El Negro kwam in een kist thuis

De ultieme klim én afdaling. Daar leefde hij voor. Op zijn fietsje urenlang in de bergen van Baskenland, dansend richting hemel. Francisco Cepeda, wegbereider van een heel peloton Spaanse klimgeiten. De held van zijn dorp Sopuerta. De hoop van Baskenland. Negenentwintig jaar en lichamelijk op z’n top. Francisco, donker, tikkeltje zigeunerachtig. Mooie, vrome  jongen. Had een intieme relatie met de Heilige Maagd. Stak in de San Pedro Apostolo, de dorpskerk, kaarsen op bij dozijnen en smeekte haar of ze hem genadig mocht zijn. Per slot beoefende Francisco een gevaarlijke stiel. Francisco Cepeda, beroepsrenner, of beter gezegd, klimmer. Werd twee keer kampioen van Baskenland waarin hij afrekenende met een hele kudde klimgeiten.
El Negro de Sopuerta werd hij genoemd. De zwarte van Sopuerta, een avonturier die leefde voor zijn sport. Nam begin juli afscheid van zijn moeder, zes broertjes en zusjes. Beloofde zijn supporters te strijden tot hij er bij neerviel. Smeekte de heilige maagd nog één keer om het nodige geluk en reisde af naar Parijs.  De Zwarte ging voor de vierde keer op jacht naar succes in de  Tour de France. Francisco zou nooit meer zijn dorpje én geliefden terugzien.
11 Juli 1935, de zevende etappe Aix-Le-Bain-Grenoble loodzwaar met meerdere cols waaronder de lugubere Galibier. Een dag waarop het kwik bijna uit de thermometers spatte. De roodkoperen ploert, om maar een lullige uitdrukking te gebruiken, stond genadeloos te gloeien. Het asfalt kookte, dorpspompen maakten overuren en renners naderden het kookpunt. Ook Francisco kreeg zijn deel. Het was zijn dag niet. Moeizaam klauterde hij omhoog. Het moest maar gebeuren in de Pyreneeën, riep hij naar een ploeggenoot.  Op de top van de Galibier zat de Bask alleen achter de kopgroep. Voor Cepeda, tiende jaar prof, een ouwe klimgeit met de nodige ervaring, was de afdaling een kwestie van je laten vallen en proberen het gat te dichten. En daar ging het mis. Hoe het precies gebeurde weet niemand. Vermoedelijk sprong door de hitte de tube van zijn voorwiel af.
De Zwarte stortte in een ravijn en werd met een zware schedelfractuur afgevoerd naar het ziekenhuis in Grenoble. Veertien juli nationale feestdag. Niet voor Sopuerta, noch voor de familie Cepeda. Het was de dag dat Francisco stierf. In zijn geboortedorp kreeg hij een heldenbegrafenis. Op de schouders van zijn kameraden werd El Negro naar de begraafplaats gedragen. Francisco Cepeda, 29 jaar geworden schreef toch geschiedenis, al was het van een bedenkelijke soort: hij was de eerste renner die sneuvelde in een Tour de France.

Foto 1: Kampioen van het Baskenland. Foto 2: Het sterfbed van Cepeda. Foto 3: Begrafenis van Cepeda. 

Bron: Sport Revue jaargang 1935, de site van Club de Portivo de Bilboa.

Posted in Niet gecategoriseerd. Tags: . Leave a Comment »