Het zijn niet de patserige, glimmende bokalen, bekers en schalen, die synoniem zijn voor sportgeschiedenis. In de clubhuizen en de sportmusea struikel je erover. Voor Stuyfssportverhalen zijn de kleine, anonieme, en verborgen parafernalia dé echte sportschatten.
Vanuit het slaapkamerraam zag je ze. En als je voordeur uitstapte, was het maar één blik naar links werpen. Dominerend boven Betondorp stonden de lichtmasten van Stadion De Meer. Je wist dan dat het goed was, je dag kon niet meer stuk. Het Ajax-Stadion, dertig jaar mijn buurman. Aan het eind van de straat grijnsde de ingang van de Diemerzijde je toe. Het begrip ‘Ajax’ ging voor ons verder dan een voetbalclub. Voor Stuyfssportverhalen was het pure nostalgie. Als stadionspeaker Willem Steenbergen de opstellingen van beide teams afriep, was het of hij in mijn kamer stond te brullen. Het reclamedeuntje van sigarettenmerk Caballero (‘Ai, ai, ai, dat is pás een sigaret’!) zong mijn toen tweejarig dochtertje feilloos mee. En telkens een verrassing dat het serviesgoed in de keukenkastjes zo hard kon rinkelen als bij een doelpunt. Ajax, brandend middelpunt van de buurt. Hele ploegen Betondorppensionado’s staken in de middag de Middenweg over. Geen training werd overgeslagen. 
En in de winter stond Stuyfssportverhalen op de Diemerzijde in vak G: en was na de wedstrijd binnen vijf minuten weer thuis. Dat is allemaal verleden tijd. Megalomane idioten hadden andere plannen. Op het terrein van het gesloopte Stadion verscheen een zielloos nieuwbouwwijkje. Waar Stuyfssportverhalen, meer dan acht jaar lang met een grote boog om heen fietste, want het deed té veel pijn. Betondorp zal nooit meer Betondorp zijn zoals het was. Maar toch…toch gloeit er nog een heel klein lichtpuntje van het glorieuze verleden. Met dank aan die ene supporter in de Ploegstraat. Uit de puinhopen van het inmiddels gesloopte Stadion redde hij drie stoeltjes, ooit op de Reynoldstribune, en schroefde dat in zijn gevel. Zelden stonden drie simpele stoeltjes symbool voor zoveel sporthistorie.


Gesneuveld in de loopgraven van het stayeren. En zijn herinnering bestaat uit één alinea en twee foto’s. Op het bloederige slachtveld van de Duitse wielerbanen stierf Hans Lange precies een eeuw geleden. Hans was het zevenendertigste slachtoffer. Na hem volgden nog drieëntwintig collega’s. Hans Lange, inmiddels totaal vergeten. 
Dat de Dood een wrede rakker is werd in Halle maar weer eens bevestigd. De ‘Theile-Gedächtnis’ een koers waarbij de twee jaar eerder dodelijk verongelukte stayer Fritz Theile werd herdacht. Fritz, mateloos populair, stierf voor de ogen van zijn op de tribune zittende moeder. Als Fritz geweten had wat er op zijn ‘feestje’ in Halle gebeurde had hij zich in zijn graf omgedraaid. Halfwege koers kreeg Hans Lange een klapband. Met een gebarsten schedel stierf Hans Lange, 26 jaar, op het middenterrein.
Zijn eerste grote profkoers. Een lakmoesproef. Een jaar daarvoor was Alfred Görnemann wereldkampioen bij de amateurstayers geworden. Alfred stond nu aan het vertrek van de prestigieuze Golden Rad van Friedenau, een koers over honderd kilometer, en moest bewijzen dat hij het grote werk aankon. En zo niet… jammer dan. Voor hem in de plaats stond nog een batterij stayers te popelen. Voor Görnemann, een kruidenierszoon uit Berlijn, was het erop of eronder. Of een loopbaan in de grutterij van zijn vader óf een succesvol profcarrière én een gevulde bankrekening.
Maar dan is het elf oktober 1903. De dagen werden korter, en bomen geler. Alfred was moe, het seizoen lang, de koersen slopend en zwaar. Nog één koers in Dresden. Nog één keer vlammen. De Honderd Kilometer van Dresden was halverwege. Alfred Görnemann, op de tweede plaats, vuurde gangmaker Willy Wolf aan nog harder te gaan. Zover kwam het niet. Op de vochtige baan slipte het achterwiel van de motor weg. Alfred Görnemann, met verse wonden van eerdere valpartijen, botste tegen de zijkant van de rol en sloeg over zijn stuur. Met een gebroken nek én verbrijzelde schedel werd de kruidenierszoon naar het ziekenhuis afgevoerd. Alfred Görnemann, 26 jaar, stierf enkele uren later.











Willy Stinson flikte het toch maar. Terwijl ze in het Europa van rond 1900 nauwelijks vijftig kilometer in het uur haalde, jakkerde Willy, achter de motortandem, bemand met stuurman Harry Miles en gangmaker William Stafford naar vierenzestig kilometer: tevens een nieuw wereldrecord. Willy’s record, gevestigd in Boston, was hét startsein voor een krankzinnige wedloop om dat aan te vallen. Het werelduurrecord achter de zware motor, krantenpersen werden daarvoor stop gezet, en als renner had je daarmee een ‘binnenkomer’. Een prestigieuze aangelegenheid dus waarvoor renners bereid waren daar héél ver in te gaan. Maar er was wel dat ene vervelende probleem: de Europese motoren waren niet zó snel als de Amerikaanse. Piet Dickentman, handige knutselaar, loste dat uiterst creatief op. De Amsterdammer plaatste de buddyseat van de motor tot boven het achterwiel. Waarmee de renner optimaal in de zuiging van de motor zat. Had wél wat vervelende gevolgen. In volle snelheid begon het voorwiel van de motor te zweven. Blokken lood, aan het stuur gehangen, moest dat voorkomen: het leven van renners, gangmakers én publiek was niet zóveel waard. 
Met gangmaker Stafford liep het ook niet fijn af. De journalist van dienst beschrijft tot in de meest gruwelijke details Williams laatste momenten op dit ondermaanse, want zijn schedel was verbrijzeld, zijn neus gebroken en door de val was zijn kunstgebit in zijn keel geschoten. Dat Stafford, 25 jaar, daaraan overleed was ter kennisgeving.

