Pronte meiden én fietskoeriers…

Het blijft wennen, de nationale baankampioenschappen tussen de feestdagen in. Maar zet je daar over heen en je krijgt drie dagen lang topsport in het sportpaleis van Alkmaar. Met op het middenterrein de klassieke dwangneurotische rituelen van wielrenners vlak voor een titelrace wat staat voor ritmisch geraas van dansende fietsen op rollenbanken, gapende renners lurkend uit bidons of hangend op een bankje: slaafse ouders in de schaduw.
De tijdrit over vijfhonderd meter voor vrouwen neemt een aanvang en dat betekent twee rondjes razen over het hout. Aan de start pronte, stevige meiden, met volle derrières. Een holle stem roept  renster Willy Kanis (foto) aan het vertrek.
Trainingsjack gaat uit, de muts achteloos opzij gegooid, de spacy helm  op, en de armen liggend op het ossenkopstuur. Van kop tot aan haar tenen is Kanis gemotiveerd. Ze is kwaad, zeg maar gerust razend. Ze voelt zich namelijk door de wielerbond genaaid, gepasseerd, in de steek gelaten.
Maandenlang had ze van de KNWU niets vernomen, moest ze het helemaal alleen uitzoeken. Voor de goede orde: Kanis is één van de weinige medaillekanshebbers bij de volgende wereldkampioenschappen. Razernij én gebrek aan waardering is de beste dope voor een wielrenner, daar kan geen pil, spuit of wat voor preparaat tegen op.
Met imposante én gespannen dijen gaat ze van start. Twee ronden rammen, het hart tot angstaanjagende hoogte jagen, de verzuring door de spieren voelen kolken. De rondebel klingelt en een kaalhoofdig  jurylid met gekwelde blik slaat het rondebord om, alsof de renster in kwestie niet tot twee kan tellen…
Als  Willy Kanis bezig is het baanrecord te verpulveren, wat weer goed is voor een nationale titel, verschijnt op het middenterrein Amsterdams aller-snelste fietskoerier: Levi Heimans, heeft zijn entree gemaakt…
Heimans zien is, altijd, bij jezelf de vraag stellen of hij niet op de verkeerde sportlocatie is beland. Met zijn baard van een week oud, op zijn rug een fietskoerierstas oogt hij meer als een skateboarder die zichzelf vertwijfeld afvraagt in wat voor rare halfpipe hij nou is beland. In plaats van een board hangt er aan zijn hand een ‘tijdritmachine’.
Levie Heimans, student, fietskoerier, tijdrijder, én de machinist van de nationale achtervolgingsploeg, kijkt rond, knikt, maakt een praatje, schudt een hand, en loopt met dromerige oogopslag, uiterst relaxt naar een bankje: als een panter die klaar is voor de beslissende, dodelijke  sprong.
Nadat Willy Kanis haar zoveelste kampioenstrui op het schavotje aangereikt kreeg, worden rollenbanken ingeklapt, fietsen gedemonteerd, tassen ingepakt. Na twee rondjes fietsen verlaten de meiden het sportpaleis en is het wisseling van de wacht. Heimans en zijn collega’s maken hun opwachting voor de kilometer-tijdrit.
Dat waren dus de nationale fietskampioenschappen tussen kerst en oud en nieuw in. En nu maar hopen dat het een traditie wordt…

Foto: bf-one.com

‘Ik vind het fijn om diep te gaan’

Stralende lach, geëpileerde wenkbrauwen, de nagels strak in de lak en gekleed naar de laatste mode. Gewoon een mooie, goed verzorgde meid. Maar er zijn van die momenten dat het uiterlijk haar niks kan schelen. Dan loopt het snot uit haar neus en rollen vette fluimen soepel tussen haar lippen. Kimberly Muusse, studente bewegingswetenschappen aan de VU, maar ook een bikkel in het marathonschaatsen.
Voor een duursporter is er maar één credo: pijn is fijn. Alleen de geestelijk allersterkste kunnen dat opbrengen. Neem schaatster Kimberly Muusse, die in een marathonwedstrijd het gevoel heeft drie keer dood te gaan. Om alléén maar het peloton te kunnen volgen dat schijnt véél pijn te doen. Hoewel Muusse, 24 jaar, regelmatig het gevoel had voor de poorten van de hel te glijden, heeft ze nóóit maar dan ook nooit het idee gehad om uit een koers te stappen. ‘Ik laat mij niet naar de kloten gaan’, opent de studente bewegingsleer haar relaas. ‘Ik ben geen masochiste maar vind het wel fijn om elke keer weer zo diep te gaan dat mijn wereld lijkt in te storten. Ik heb die uitdaging nodig om te leven.’
Een leven dat bestaat uit schaatsen en ’s zomers skeeleren, en tussen het trainen door studeert ze aan de VU bewegingswetenschappen. ‘Ik heb eerst psychologie gestudeerd waar ik mijn bachelor in haalde. Deze studie combineer ik nu met bewegingswetenschappen. In mijn vrije tijd doe ik het huishouden van bejaarde mensen. Met het zuur verdiende geld betaal ik mijn sport’.
Oorbellen
Om iedere dag urenlang je lijf af te beulen, daar zit een bepaalde neurose achter. Duursporters staan dan ook bekend om hun dwangneuroses. Voor de start gebeuren in het geheim de meest bizarre rituelen. Kimberly Muusse, schaatsster maar ook nuchtere psycholog, gunt ons een blik in de kleedkamer. ‘Mijn eerste koers reed ik, met onder mijn schaatspak een groen-gele string. Ik reed prompt een heel goede wedstrijd. Aan deze string dichtte in direct magische krachten toe. Iedere week zit die, gewassen, in mijn sporttas. Ook ontdekte ik een keer dat ik heel goede wedstrijden reed als ik s ‘morgens mijn oorbellen indeed. Totdat iemand mij erop wees dat deze bij wedstrijden op natuurijs vast kunnen vriezen. Voor een wedstrijd kan ik al in de war raken als ik de veters van mijn schaatsen in verkeerde volgorde strik. Het is de psycholoog in mij die zorgt voor dit zelfbewustzijn.’
Open knieën
Dat ze er van houdt om bij trainingen mannen er af te rijden en dat ze bij de gevaarlijke skeelerkoersen als een gek sprint voor een premie van twee euro, daar staan collega psychologen ook begrijpend bij te knikken. Het woord is gevallen: skeeleren, de zomerse variant van het schaatsen. ‘Op wieltjes rij ik ook mijn koersen. Best gevaarlijk hoor. Als je op ijs uitglijdt, dat is dan jammer maar heeft geen consequenties. Op de weg is dat heel anders. Vooral in de gevaarlijke, maar bij het publiek heel populaire straatrondjes in het oosten van het land. Ik heb daar vaak een glijer gemaakt. Dan stond ik een paar dagen later, in een kort rokje, mét open gereten knieën, in een ijssalon een ijsje te kopen. Kinderen wezen verschrikt op mijn benen. Met afkeurende blikken keken moeders beschaamd weg.’
Muusse is in haar sport geen ‘weggooier’, geen figurant, want in de vele klassen die het marathonschaatsen kent komt ze uit op het hoogste niveau, zeg maar gerust met en tegen de wereldtop. Ga daar maar eens aan staan, met een lengte van 1.63 en een gewicht van amper 55 kilootjes. Ze oogt frêle, maar een sportkenner ziet onder haar strakke jeans een paar gespierde benen sluimeren.
Afgewaaid
‘Ik rij op het hoogste niveau. In een schaatsland als Nederland met zijn overvloed aan rijders is het al moeilijk genoeg daar te komen. Ik kan goed meekomen, rij mijn prijsjes maar een podiumplek zat er nog niet in. Mijn gewicht speelt mij wel eens parten. Bij een natuurijswedstrijd werd ik, met wind aan de zijkant, er zo tussen uit gewaaid. Maar met wind op kop heeft ook zijn voordeel, want ik kan mij goed verschuilen achter de rug van een voorganger.’ Het vereist enige fantasie om bij de aanblik van Muusse zo’n stoere bikkel van een schaatsenrijdster te ontdekken. Van die meiden die de indruk wekken met hun tanden een wak in het ijs te bijten. Muusse zien is denken aan een meisjesblad als de Tina maar ook K3, en je houdt je hart vast hoe dat moet aflopen in de barre natuurijskoersen. Nou, we hoeven ons geen zorgen te maken.
Rochelen
‘Voor een topsportende vrouw is het heel moeilijk het onderscheid tussen vrouw zijn én sportster te maken. Ik heb daar een goede balans in gevonden. Bij het schaatsen ben ik een bikkel en dan maakt uiterlijk mij niks meer uit. Bij de alternatieve Elfstedentocht op de Weissensee rochel ik erop los, laat voor de start scheten en hangt het snot met slierten langs mijn gezicht. Na de koers stap ik onder de douche en ben dan weer ‘vrouw’.
Het is onomkoombaar want praten met een schaatsster eindigt, hoe dan ook, over natuurijs. Want wekelijks je kunstjes op een kunstijsbaan doen is aardig maar niet meer dan dat. Voor de ‘eeuwige roem’ moet je toch zijn op bevroren water van meren, sloten en plassen. ‘Mijn eerste optreden op een tweehonderdkilometerkoers ging direct heel goed’, onthult ze. ‘Dat was twee jaar geleden op de Oostenrijkse Weissensee. Ik werd tiende. Maar daarvoor moest ik wel tot het gaatje gaan. Ik had het gevoel helemaal kapot te gaan.’Ook bij het nationale kampioenschap, dat, vorig jaar, voor het eerst in tien jaar weer eens in Nederland gehouden werd, ging het goed. Op die koers, op Oostvaardersplassen, waren veel supporters waaronder mijn ouders, afgekomen.’
Vragen naar Kimberly Muusse’s plannen is een voorzet geven voor open doel. ‘Ik hoop deze winter af te studeren en ga dan met schaatsen er vol tegen aan. Dat laatste heeft toch mijn prioriteit.’

Geplaatst: Mug, januari 2010. Foto’s: Hilco Koke

Hoe Maas van Beek zijn record mis liep

Op een leeftijd ver voorbij de houdbaarheidsdatum, fiets je als wielrenner een wereldrecord achter de derny. Dan verwacht je wel dat je je plaatsje in de recordboeken kan innemen. Dat laatste kan Maas van Beek, 53 jaar, voorlopig vergeten. De UCI is nog bezig met onderzoek of het record conform de regels verreden is.
Hard fietsen achter een derny is het probleem niet. Voor Maas van Beek zit de kneep dat hij niet op een millimeter achter het spatbord durft te rijden. Doodsbang als hij is voor een valpartij. Veertig centimeter zit hij achter het brommertje te harken. Gelouwerde dernyspecialisten zakken snikkend van het lachen door de knieën al zij daar getuigen van zijn.
Maar het lachen is ze vergaan want ondanks Van Beeks angst voor een kukel verbeterde hij, op de Olympische wielerbaan van Moskou, het werelduurrecord achter een derny: dat op naam stond van profrenner Matthe Pronk. En dat wekte, volgens de inwoner van Barneveld, bij sommigen de nodige frustraties. Criticasters waren er als de kippen bij, om maar even een lokale uitdrukking te gebruiken, om Van Beeks record bij de UCI, de internationale wielerbond, ter discussie te stellen. Maar Maas van Beek weet wel wie dat zijn, waar het chagrijn zit. Van Beek gaat onthullen.
Koninkjes
‘Waarom sommigen afgunstig zijn op mijn record? Niet zo moeilijk hé. Mijn leeftijd van 53 jaar.’ Deze ‘opa’, zoals hij zich zelf noemt, reed wel het record van een Matthe Pronk, een jonge beroepsrenner, uit de boeken. ‘Met mijn record schijn ik bepaalde koninkjes van hun troon te hebben gestoten.’ Wie die ‘koninkjes’ dan zijn? ‘Niet Pronk, maar zijn gangmaker Joop Zijlaard én de organisator van Pronks recordrace, Harry Mater’, vertelt Van Beek.
Voordat Van Beek gaat onthullen, vertelt hij eerst hoe zijn opzienbarende race tot stand kwam, en wat voor logistieke en andere problemen opgelost moest voordat er ook maar één meter gereden was.
‘Omdat er in Nederland geen grote wielerbaan is moest ik uitwijken naar Moskou. Daar ligt een baan met een lengte van 333 meter. Voor die hele onderneming was ik meer dan vijfendertighonderd euro kwijt. Inclusief de kosten van drie Russische officials, een lid van de internationale wielerunie, de huur van de baan én de dopingcontrole.’ Geen kattenpis, maar daar kreeg Van Beek wel wat voor terug.
‘Die Russen waren geweldig’, roept hij enthousiast. ‘Samen met mijn gangmaker Van der Hoorn en mijn sponsor Klaas Balk, werden wij van het vliegveld opgehaald. We hoefden niet eens onze koffers te dragen. En die wielerbaan was een openbaring, zo groot.’
Maas van Beek heeft het over een ‘snelweg’, want gewend als hij is aan de kleine vaderlandse banen. Bij de training op zaterdag reed de Barnevelder al een gemiddelde van 69 kilometer. Volgens hem ging het allemaal heel gemakkelijk. Maar er was wel een probleem: Van Beek reed harder dan de derny aan kon.
Catacomben
‘Ze gingen niet harder dan 66 kilometer,’ roept hij licht onthutst. ‘Na lang zoeken vonden ze er eentje in de catacomben onder de baan die de tachtig haalde.’ Dat Van Beek zich zelf de recordboeken in reed, is inmiddels geschiedenis. Voor een renner ver over de houdbaarheidsdatum want 53 jaar, een meer dan geweldige prestatie. Dat vond Van Beek dus ook. Om de wereld kond van zijn prestatie te doen hield de verse recordhouder, bij thuiskomst, een persbijeenkomst. En daar liep hij tegen de feiten op. De UCI heeft zijn record nog niet erkend, en Van Beek weet wel wie daar achter zit.
‘Die bijeenkomst werd gehouden op het Velodrome van Sloten, waar een televisieploeg van SBS-6 bij was. Na mijn interview probeerde de aanwezige Mater en Zijlaard mijn prestaties te bagatelliseren. Ze begonnen direct mijn materiaal af te kraken. Volgens hen voldeed mijn fiets niet aan de UCI-normen. Nou, ik reed op dezelfde standaardfiets als toentertijd Pronk. Ik reed op crancken van 195 millimeter die gewoon in de winkel te verkrijgen zijn. Alles was conform het reglement verlopen. Ze probeerden mijn record echt in het diskrediet te krijgen. Ik verdenk ze er ook van dat ze hun grieven bij de UCI gedeponeerd hebben, want mijn prestatie is niet bijgeschreven op de recordlijst. De UCI is een onderzoek begonnen of het wel volgens de regels verlopen is. Weet je wat het is’, roept hij verongelijkt. ‘ Pronk moet in de boeken blijven. Het is één grote kliek.’
‘Dat is beslist niet waar,’ roept één van die ‘koninkjes’, Harry Mater, als hij met Van Beeks beschuldigingen geconfronteerd wordt.
‘Niks geen afgunst. Sterker, die man verdient alle lof. Ik heb diep respect voor Maas, dat je dat op zo’n leeftijd kunt doen. Ik was inderdaad op die persconferentie. Stom toevallig was ik in het Velodrome voor een of andere wielerhappening waarvoor ook Joop Zijlaard aanwezig was. Wij vielen met onze neus in die persconferentie. Aangezien ik de recordpoging van Matthe Pronk georganiseerd had, wist ik wat er allemaal voor kwam kijken. Wij hadden Maas gefeliciteerd met zijn record, maar vertelden ook dat het reglement heel streng is. Zo zag ik direct dat Maas’ fiets niet aan die bewuste eisen vol deed. Zijn zadel stond vóór het bracket wat verboden is. Hij reed met een dicht wiel, verboden, en hij trapte met véél te lange, en daardoor verboden cracks. Wij de UCI ingeseind? Nee hoor! Wij hebben internationaal jurylid Martin Bruin gebeld om de reglementen op te vragen. Ik heb op YouTube Van Beeks recordpoging gezien. En weet je wat mij opviel? Er was maar één officieel UCI-lid aanwezig. Toen Pronk dat record aanviel, moesten wij van de UCI acht officiële juryleden hebben. Voor de rest heb ik veel respect voor Van Beek. Hij verdient alle lof. Maar de regels moeten wel in acht gehouden worden.’
Mocht de UCI Van Beeks record niet erkennen, dan zint de Barnevelder op wraak.’Ik ga dat record meteen weer aanvallen. Waar dat gebeurt? Op de wielerbaan van Mexico-Stad. Die baan ligt heel hoog, zodat je minder luchtweerstand hebt. Als ik dat record haal trek ik een lange neus.’

Wordt ongetwijfeld vervolgd…!

Foto’s: bf-one.com

Raymond Kreder kampioen maar toch geklopt…

‘Mijn opa, mijn opa, niemand zó goed als hij’, zong Leen Jongewaard al in ‘Ja zuster, nee zuster’. Wielrenner Youri Havik zal dat volmondig beamen. Gegangmaakt door zijn opa, Cees Stam, greep Youri, (foto: links) afgelopen zondag, het zilver bij de nationale titel achter de derny.
Het kampioenschap van Nederland achter de derny, gaat niet de analen in gaat als zijnde het aller-spannendste. Maar geen liefhebber van het metier die daarom maalt. Die was al lang blij dat hij weer eens rondrazende motoren mét renners kon zien.
Maar om daar getuige van te zijn moest wel wat gedaan worden. De organisatie want de K.N.W.U. én het Velodrome had haar uiterste best gedaan om dit evenement geheim te houden. In niet één krant of blad stond een aankondiging. Dat de tribune én het middenterrein redelijk vol waren,  was een wonder op zich. Dat onder het volk ook Peter Post, in gezelschap van zijn hondstrouwe butler Willem Faber, zich bevond was een aardig detail.
Ondanks tegenwerking van de bond blijkt fietsen achter motoren nog steeds een aantrekkingskracht op de renners te hebben. Dertien coureurs kwamen hun rugnummers afhalen, waarvan er acht naar de finale gingen.  Volgens ‘kenners’ werd er in de eindstrijd niet op een ‘briefje’ gereden, wat staat voor onderlinge afspraken.
Er werd recht voor volk en vaderland gekoerst. Raymond Kreder, strak gegangmaakt door Joop Zijlaard, en fietsend op een millimeter van het spatbordje, ging met de titel aan de haal. Zilver was voor de piepjonge Havik en brons voor Christiaan Kos. De laatste werd gegangmaakt door Willem Fack. Even voor de cijfertjesfreaks: de koers, over veertig kilometer, werd afgelegd met een gemiddelde van tweeënzestig kilometer per uur.
Kreder, een aanstormend talent met een grote toekomst, heeft voor het komende seizoen een profcontract voor de prestigieuze formatie Garmin op zak…
Of  Kreder van zijn vers gescoorde titel veel moraal overgehouden had is nog maar de vraag!  Een dag later verbrak Maas van Beek, op de wielerbaan van Moskou, het werelduurrecord achter de derny. Na een uur razen achter de rug van gangmaker Van der Hoorn liet Van Beek de teller stilstaan op 66 kilometer en 343 meter.
Maas van Beek is dus 53 jaar…

Foto: Wessel van Keuk

Vrouwen rijden voor lege tribunes

Topsport eist opofferingen maar als je ook nog eens studeert heb je het dubbel zwaar, en dan  niet om gebrek aan tijd maar om gebrek aan financiële ondersteuning. Wielrenster én studente internationale betrekkingen Eva Heijmans weet met bijbaantjes, hulp van ouders én sponsoring van een fietsenzaak de eindjes aan elkaar te knopen.
Op een lullige maandagmorgen in het Velodrome van Amsterdam. Op het middenterrein maakt   gangmaker Jan Jonker (foto: rechts) zijn derny, een lichte motorfiets,  bedrijfsklaar, als een paar meter verder een metamorfose plaatsvindt. Met het opzetten van een fietshelm verandert een lief ogende jonge vrouw in een stoere wielrenster. Achter Jonker’s, inmiddels  knetterende derny,  gaat  Eva Heijmans, 24 jaar, een uur lang, trainen, of zoals zij dat formuleert, ‘lekker gassen’.   Maar eerst onthult Heijmans, een  baanrenster mét aspiraties, haar verhaal, en dat is een story  van een topsportster die tegen de verdrukking zich omhoog werkt want als ‘vrije’ rijdster is ze  niet opgenomen in een selectie of poenige sponsorploeg en  moet ze het allemaal zelf uitzoeken. Dat betekent improviseren, doorzettingsvermogen en laveren tussen studie en dagelijkse trainingen. Opofferingen die niet voor niets waren: vorige maand deed Heijmans mee in het voorprogramma van de Zesdaagse van Amsterdam.
Zak geld
De Zesdaagse, topsport in de ambiance van een bruine kroeg, want bruisende, schuimende bierpompen, de lucht  van  vers gebakken friet, worstebroodjes, massageolie, snoeiharde muziek, en overvolle tribunes.  Hoe een modale baanrenster daarin terechtkwam, vertelt Heijmans.
‘In september werd ik niet alleen tweede op het kampioenschap van Nederland puntenkoers maar ook bij het onderdeel scratch. Tot mijn verrassing kreeg ik een uitnodiging om mee te doen aan de ‘six’ van mijn stad. Ik werd gekoppeld aan een Amerikaanse renster die ik nooit eerder gezien had’.
Tijdens   de Zesdaagse, waar renners in koppels fietsen, valt er  een flinke zak geld  te verdienen. Maar niet voor de vrouwen. ‘Wij reden in het voorprogramma van de mannen,’vertelt Heijmans, ‘We hadden zes avonden lang volle bak gereden en werden uiteindelijk tweede. Wat dat opleverde? Driehonderd euro. Dat bedrag moest ik nog delen met mijn ploeggenoot. Vrouwen verdienen minder dan de mannen.’
Heijmans beklaagd zich niet, als arme studente is voor haar iedere cent er één. En ondanks die fooi heeft ze een geweldige week gehad. ‘Normaal rijden wij onze koersen voor lege tribunes. Bij de Zesdaagse was het iedere avond afgeladen. Een heel bijzondere sfeer, heel gezellig, waarbij de speaker een heel belangrijke rol in vervulde. We vlogen er iedere avond in. Ik ben een temporijdster en moest steeds de gaatjes dicht rijden of de sprint aantrekken voor mijn ploeggenootje. Op de laatste avond wonnen wij de koppelkoers.’
In alle sporten geven vrouwen heel  aantrekkelijke topsport, wat niet altijd beloond wordt met de nodige mediabelangstelling en waardering. Ook niet bij het wielrennen. ‘Het niveau van het damesfietsen is nergens zo hoog als in Nederland’, begint Heijmans, ‘Er zijn hier heel veel koersen waar rensters uit de hele wereld op af komen. In Nederland, maar ook Vlaanderen, staan honderdvijftig rensters aan de start waarvan er honderddertig de koers uitrijden. Dat is nergens anders zo. Maar de mediabelangstelling én de geldelijke beloning  is nihil en dat is behoorlijk frustrerend.’ Als voorbeeld noemt ze de Ronde van Vlaanderen voor dames die vlak voor de herenversie verreden wordt. ‘Ieder jaar een geweldige koers om te zien. Ze kunnen toch het laatste half uur uitzenden? De camera’s zijn er toch,’ roept ze wanhopig.
‘Zuiverend’
Terwijl in de hemel Joke Smit, de voorvechtster van de vrouwenemancipatie, haar hoofd schudt, maakt de studente internationale betrekkingen haar verhaal af. ‘Ik rij ook koersen op de weg. Afgelopen  seizoen had ik nog een koers gewonnen maar mijn voorkeur gaat uit naar de wielerbaan. De hele winter blijf ik door trainen, niet alleen op de baan maar ook buiten. Gisteren had ik nog vier uur op de weg gefietst. Koud? Welnee, ik ben goed gekleed’. Volgens sommigen is pijn fijn, want kastijding schijnt ‘zuiverend’ te werken op ziel en lichaam, maar daar moet wel iets tegenover staan: de hemel of de top in de sport. Heijmans’ progressie is de bondscoach van de nationale selectie niet ontgaan. Deze maand mag ze als stagiaire een week meetrainen op de baan van Apeldoorn. ‘Ik wil een goed winterseizoen rijden. Begin februari is het Nederlands kampioenschap omnium. Dat zijn de gelegenheden waar ik mij in de kijker kan rijden. Ook heb ik een contractje gehad voor de Zesdaagse van Rotterdam, die eind februari gehouden wordt’.
Met een investering van pak beet vijftig euro komt een tafeltennisser al een eind want  een batje en een balletje. Kom daar maar eens aan bij een wielrenner. De sport is een financieel bodemloze put waar je aan materiaal en reiskosten kapitalen kwijt bent. ‘Ik woon bij mijn moeder waar ik niets voor betaal. Samen met een bijbaantje bij Ger Bike, een racefietsenzaak in Betondorp én mijn studiefinanciering red ik het net. Ik ga nooit uit,’zegt de aantrekkelijk en goed verzorgde Heijmans. ‘Dat kan ook niet in mijn sport. Maar nogmaals, ik klaag niet want ik kies hiervoor. Dit is mijn leven waar ik mij gelukkig in voel’.
Eva Heijmans heeft genoeg verteld, klikt haar schoenen in de pedalen en fietst de houten baan op. Geroutineerd brengt ze haar fietsje op snelheid en sprint achter de motor van Jonker aan. Scherend tegen het spatbord van Jonkers  motortje rijdt ze, in een  akelig hoog tempo, de spijkers uit de baan. Eva Heijmans  is dan ook een vrouw met een doel.

Geplaatst: December 2009,  Foto: Hilco Koke

Laat eerbetoon aan Joe Jeannette

Reizigers die in  Amerika zijn geweest kennen het fenomeen van de zogenaamde ‘Historical Marker’: een bronzen bord geplaatst door de overheid om een historische plaats of  gebeurtenis aan te geven.
In the Deep Dark South struikel je erover, want slagvelden van de Burgeroorlog met de bij behorende begraafplaatsen. Maar ook op totaal onverwachte locaties kom je ze tegen. Rijdend over de US70, diep in de woestijnen van Arizona en ver weg van de bewoonde wereld waar auto, mens noch bewoning te bekennen zijn, zag ik er ooit één staan. Het bord stond op de plek waar in 1894 Apache-chief Geronimo na een guerrilla van tientallen jaren, zich overgaf aan de federale troepen.
Hoewel zeer selectief krijgen ook burgers die hun plekje in de geschiedenis hebben ingenomen, zo’n Marker. Ook Joe Jeannette, een zwarte zwaargewicht bokser.
Op 17 april 1909 kwam Joe, in Parijs,  uit tegen landgenoot Sam McVea. Het werd een gevecht dat de geschiedenis is ingaan als de langste bokspartij ooit, want 49 ronden. Jeannette won! Aan de hand van een wedstrijdverslag in de Revue der Sporten van 1909, schreef Stuyfssportverhalen daar een verhaal over.
In Union City, de geboorte én woonplaats van Joe Jeannette, was dat niet ontgaan. Bokstrainer Joe Botti, eigenaar van de lokale boksgym, reageerde op dat verhaal: in Union City, New Jersey, zijn ze de voormalige boksheld nog lang niet vergeten.
Botti maakte melding dat op de stoep, voor de deur waar Jeannette jarenlang zijn boksschool bestierde een Historical Marker over Jeannette werd geplaatst.
De onthulling op 17 april jl. exact honderd jaar na Joe’s ultieme gevecht, werd gedaan door Sabrina Jeannette, de achternicht van de bokslegende.

 

Voormalige dakloze knokt zich omhoog

Iedere dag traint hij zes uur, maand in maand uit. En dat zijn slopende sessies van hardlopen, slaan tegen bokszakken, en natuurlijk de onvermijdelijke sparringpartijen in de ring. Al die inspanningen, gezweet en geploeter waren niet voor niets: als profbokser is hij al  twintig keer ongeslagen.  Maar de nodige mentale hardheid werd niet gevormd in de boksschool maar op straat.  Als voormalig illegale dakloze heeft bokser Innocent niet alleen zijn plaatsje veroverd op de ranglijsten maar ook in de maatschappij.
Er was niks! Géén stromend water, géén elektra, géén school noch een ziekenhuis. Wat er wel was? Honger! Voor een beter leven verliet hij Nigeria en vertrok naar het naburige Gabon, wat ook niet opschoot want dat was terechtkomen in de spreekwoordelijke drup. Als verstekeling op een schip liet Innocent Afrika achter zich.
‘Ik wist niet eens wat de bestemming van dat schip was’, begint hij zijn levensverhaal. ‘Zonder reispapieren of documenten kwam ik aan in  Amerika. Als illegaal bega je daar een misdrijf en ik werd voor een jaar opgesloten in de gevangenis’. Hoe raar ook maar achter de tralies ontdekte hij iets dat zijn latere leven ingrijpend zou veranderen. ‘In de gevangenis zag ik op de televisie bokswedstrijden van Mike Tyson. Dat had ik nooit gezien, prachtig man. Dat wilde ik ook. Om sterker te worden begon ik met opdrukken. De hele dag door’. Gespierder maar nog even berooid werd hij een jaar later op het vliegtuig gezet. Op Schiphol werd hij achtergelaten, en aan de genade van de autoriteiten overgeleverd. Na twee maanden opsluiting werd Innocent de straat op geschopt. Wat zijn huis was? De hele stad! Als dakloze, zonder één cent, moest hij het zien te rooien.
‘Ik moest letterlijk overleven. In de Bijlmer kon ik wel eens in een kerk slapen, maar dat hield ook niet over. Ik vroeg iedereen om werk. In Nigeria was ik automonteur. Als ik een gulden had was ik heel blij’. Van vijftig gulden, verdiend met een reparatieklusje, kon de latere champ twee maanden leven, want een beetje rijst, dat  hij iedere dag at, kost niet veel. En toen kwam het keerpunt in zijn leven. En waar dat plaatsvond? Op de Albert Cuijp! Want daar bevindt zich de boksschool van gelijke naam, toentertijd  geleid door Ruud van de Linde. Innocent, dakloos, illegaal, mét een lege knorrende maag, liep gewoon naar binnen en vertelde dat hij bokser wilde worden.
‘Als jij dat wilt’, antwoordde Martin Jansen, de trainer van dienst, ‘dan leer ik jou dat’. En dat was het begin van een unieke samenwerking. ‘Martin maakte voor mij een trainingsprogramma. We trainden keihard. Dat was wel een rare tijd. Na de training sliep ik gewoon op straat of in die kerk. Via Martin kreeg ik wat geld en kon een kamer huren’.  Martin Jansen, in zijn vrije tijd bokstrainer, maar van beroep advocaat, begon structuur in het leven van de Nigeriaanse dakloze te brengen. Niet alleen maatschappelijk ontfermde Jansen zich over de supervedergewicht. Ook in de jungle van het boksen waar  Jansen ieder paadje weet, gidst hij zijn poulain overal door heen. Mede daardoor heeft Innocent tot nu toe de ‘boel’ heel kunnen houden. En  dat laatste komt ook op rekening van  dagelijks zes uur keiharde trainingen.
‘Mijn conditie is letterlijk van levensbelang. Ik ben prof, vecht vijf partijen per jaar en geloof me, die zijn héél zwaar. Dat zijn gevechten over twaalf ronden van drie minuten elk. Wat voor trainer Martin is? Ik kan geen betere hebben.  ’s Morgens om zes uur begin ik met een duurloop. Ik ben dan niet alleen. Martin is er dan bij. Ik zie hem meer als mijn grote broer dan als trainer. Ik heb nooit iemand gezien die zo goed is. Ondanks zijn drukke advocatenkantoor staat hij altijd klaar. De man is heel betrouwbaar. Afspraak is bij hem afspraak.’ Sinds de samenwerking tussen trainer en bokser stijgt niet alleen de  sportieve maar ook de maatschappelijke curvelijn van de voorheen dakloze illegaal. Als professioneel is Innocent, 28 jaar, al twintig partijen ongeslagen, is kampioen van dit land maar ook van de Benelux, en staat op de Afrikaanse rankinlist als derde genoteerd. Maatschappelijk heeft de 1,64 meter grote  en 58 kilo wegende pugilist ook geen klagen.
‘Ik heb een vriendin, ben vader geworden en heb ook de Nederlandse nationaliteit verkregen. Ik ben een heel gelukkig mens.’ Zijn geluk en succes heeft de nu Amsterdamse vuistvechter niet alleen aan zijn trainer te danken. Er is volgens hem nog iemand die veel invloed op zijn leven heeft: God! Want zonder Hem zag het leven er iets anders uit. Innocent gaat uitleggen. ’Toen het minder ging vroeg ik mij altijd af of ik de enige was. Maar God had een plan met mij. Ik moest vol houden en dat heeft mij sterk gemaakt. Tussen de trainingen door studeer ik in de bijbel’.
In de bokswereld is Innocent een bekende verschijning. Tijdens de grote toernooien, zoals afgelopen maand in Carré, vormt hij de hoofdmoot. Alleen daarom al kent de gemiddelde Amsterdamse sportliefhebber hem. In de Bijlmer zal hij ongetwijfeld de grote held zijn, wat dus niet zo is. ‘Ik heb nooit contact met de Nigeriaanse gemeenschap gehad. Veel voormalige landgenoten kennen mij niet eens. Ik wil dolgraag dat ze naar mijn wedstrijden komen kijken.’
En als afsluiting nog even een paar stichtelijke woorden, want indachtig de woorden van Hem dat je je naaste lief moet hebben is Innocent een maatschappelijk project gestart. ‘Ik ben bezig met een stichting, _ be Innocent Foundation _ waar ik, naast het boksen, al mijn energie in stop. Want weet je wat nou dé rede was dat ik mijn land verliet? Waarom ik mijn leven op het spel zette?  Géén vers water, géén medische zorg en géén school! Deze drie basisvoorzieningen wil ik daarom realiseren in mijn geboortedorp. We hebben geografisch onderzoek gedaan en er is water waar je niet eens diep voor hoeft te boren. En als alles mee zit, komt dat  ziekenhuisje én dat schooltje er ook. Ik ben op zoek naar financiële steun. Iedere cent is welkom’.

Geplaatst: Mug, november 2009. Foto Bert Kops

‘Flirt met de Dood’

kaft andreStayeren in de oertijd was Russische roulette op twee wielen! Horror op de wielerbaan! Want de veiligheid was net zo zeldzaam als een ijsschots in de Sahara.  Het werd een bloedbad. Binnen korte tijd vonden bijna veertig renners de dood. Het aantal ongelukken waarbij stayers het nog na konden vertellen bedroeg een veelvoud.
Renners gingen niet lang mee, want als ze al niet verongelukten, was de angst voor valpartijen té groot.

Amsterdammer Piet Dickentman was, vanaf 1900 tot 1928 actief achter de motor! Een prestatie die niet genoeg geroemd kan worden. ‘Flirt met de dood‘ beschrijft het fascinerende leven van Piet Dickentman. Stuyfssportverhalen dook hiervoor in de archieven. Een duik die bijna een jaar duurde. Maar niet alleen in stoffige en dorre archieven werd gezocht, ook werd gesproken met Lotti Dickentman, Piet’s negentigjarige dochter, én Pieter Dickentman, de kleinzoon van de stayerslegende.  Voor ‘Flirt met de dood’ stelden Lotti en Pieter tientallen nooit eerder gepubliceerde foto’s beschikbaar.

● Maar meer, want de zoektocht naar sporen van Amsterdams eerste sportheld voerde ook naar de Scheldestraat: de straat waar Dickentman, tot zijn dood, gewoond had. En daar blijkt de ‘ouwe krijger’ nog steeds niet vergeten te zijn…
● Bij het onderzoek naar Piet Dickentman werden ook de namen van de verongelukte stayers boven water gehaald. Wie waren die jongens? Wat bezielde ze om wekelijks hun leven op het spel te zette? Hoe zagen ze er uit? Wat was hun maatschappelijke afkomst? En tot slot waar beëindigde ze hun korte leven…?
● Neem Willy Schmitter, in dagelijks leven drogist in het vreedzame dorp Mühlheim aan de Rijn. Willy had met zijn nerinkje in pillen en poeders rustig oud kunnen worden. Totdat… totdat Willy begon te stayeren…! Willy zal nooit meer het water door de Rijn zien stromen!
● Of neem de  ‘de schooljongen van Roxbury’, wiens leven én dood zich laten beschrijven als een heuse smartlap…!

‘Flirt met de dood’ is een monumentje voor Piet Dickentman, een al lang vergeten sportheld,  en telt honderd pagina’s vol ‘leesplezier’ met tientallen unieke foto’s.

Uitgave: Stuyfssportverhalen
Het boek, onder vermelding van naam en adres, is te bestellen door overmaking van
14.95 euro, (incluis  verzendkosten) op ING-rekening 2828253
t.n.v. A. Stuyfersant.

Het boek is ook te verkrijgen bij:

Ger Bike’s
Brink 15 Watergraafsmeer/Amsterdam (Betondorp)

Stadsboekenwinkel
Vijzelstraat 32 Amsterdam

Beekhoven Bikes
Zuideinde 477 Amsterdam-Noord

Info: stuyf@msn.com

Basketbal is mijn leven

Jesse Voorn , sportpaginaDoor het faillissement van de hoofdsponsor heeft de creditcrisis ook bij basketbalclub de Astronauts toegeslagen. De vedetten, waaronder een handvol Amerikaanse spelers, hebben de kampioen van Nederland de rug toegekeerd. Voor het nieuwe seizoen moet trainer Arik Shivek nu een beroep doen op de jeugd. Aan Jesse Voorn zal het niet liggen want die zit barstensvol moraal.

Met een soepele, bijna sluipende pas maakt hij zijn entree in het café behorend bij Sporthallen Zuid. Dat het een leuke jongen is was de barjuffrouw niet ontgaan. Met kirrende geluidjes begroet zij Jesse Voorn die verlegen terug knikt. Iedere dag is Voorn, 19 jaar, op het parket van de sporthal aan het trainen. Jesse Voorn is dan bezig met het realiseren van zijn ultieme jongensdroom het worden van een goede basketbalprof. Maar het was maar een dubbeltje op zijn kant of Voorn was bokser geworden. En dat is nou ook weer niet zó verwonderlijk. Op piepjonge leeftijd kreeg hij van zijn vader, een voormalig profbokser, al bokslessen. De boksring was een kwestie van tijd.
Maar het leven kent van die verrassende wendingen. Laat die ‘Ouwe’ Voorn ook nog eens helemaal lijp van het basketballen zijn. Op de sportzender werd urenlang naar wedstrijden uit de Amerikaanse NBA gekeken. En Jesse liet de bokshandschoenen voor wat het was. ‘Dat vond ik toch zo prachtig,’ begint hij. ‘Die lange kerels die met de bal alles konden. Die hele entourage, die spanning. Dat wilde ik ook gaan doen. Met een bal deed ik alles na wat ik op de buis zag.’ Als jochie van tien jaar meldde hij zich in de Apollohal waar basketbalclub Lely hem de beginselen van het spel bijbracht. Maar als je talent hebt en je wilt in die sport verder komen dan ben je aangewezen op het eveneens in de Apollohal huizende club Mosquito’s. De jeugdteams van de ‘muggen’ behoren tot de sterkste van het land en de bijbehorende nationale titels zijn niet meer te tellen.
Contractje
‘De Mosquito’s zijn een kweekvijver voor basketbaltalent’, bevestigd Voorn de reputatie van de club. ‘Ze hebben een trainingsstaf van oud-profs die alles uit je halen wat er in zit. Jaarlijks stromen spelers door naar de betaalde clubs in het land’. En daar zit hem nou ook de kneep: jonge, aankomende basketballers, spelen overal behalve bij eredivisieclub de Astronauts. In de Sporthallen Zuid wordt jaarlijks het welbekende blik met Amerikaanse spelers open getrokken. Dat Voorn, 1.92 meter lang, ondanks dát, vorig jaar tóch een contractje kreeg, zegt alles over zijn talent. Maar al kan je nog zó goed spelen, mik je de bal van uit alle standen in het netje en heb je een illusionistische dribbel in huis dan wacht je toch maar één plek: de bank.
‘Ik ben als bankspeler begonnen. Wat zeggen wil dat je af en toe kan opdraven. Maar ondanks al die Amerikaanse sterspelers kreeg ik vorig seizoen genoeg kansen. Op belangrijke momenten mocht ik meedoen. Trainer Shivek heeft vertrouwen in mij. Trouwens het ligt ook aan mijzelf,’laat hij realistisch erop volgen. ‘of ik een basisplek verover’. Maar ook op de bank doet hij ervaring op, gaat zijn leerproces door. ‘Vorig seizoen speelde wij Europacup. Die wedstrijden in het buitenland met een bomvol stadion zijn fantastisch. Daar leer je wel met spanning om te gaan.’
Tering naar de nering
Hoewel de club er iets anders over zal denken komt de creditcrises voor Voorn niet ongelegen. Door het faillissement van de hoofdsponsor moet de ‘tering naar de nering’ gezet worden wat voor de Astronauts betekent dat, onder andere, de Amerikanen de club hebben verlaten. Voor het nieuwe seizoen, dat begin deze maand start, moet Arik Shivek een beroep op de jeugd doen. ‘Ik heb tegenstrijdige gevoelens over het vertrek van die Amerikanen,’nuanceert Voorn zijn debuut. ‘Van jongens als Terry Gibson, Orion Green en CC Harrison heb ik veel geleerd. Het zijn echte profs die in hun land op een hoog niveau hebben gespeeld. Als je ieder dag met die jongens traint wordt je daar echt beter van. Maar ik ben ook wel blij dat ik nu deze kans krijg. Op het veld staat nu het jeugdteam met allemaal héél jonge spelers. Maar de trainer weet er wel iets van te maken.’
Vorig seizoen streed de Astronauts tegen concurrent Den Bosch om het kampioenschap. In een kolkend en compleet uitverkochte Sporthallen Zuid grepen de Amsterdammers de titel met de bijbehorende deelname aan de Europacup. ‘Wij gaan inderdaad Europa in. In feite zijn wij maar een jeugdteam en moeten tegen geroutineerde profs spelen. Als team moeten we beseffen dat dit geen grap is,’ neemt Voorn zijn verantwoording.
Jesse Voorn is jong, werkt hard, leeft voor zijn sport en wil alles uit zich zelf halen. ‘Als ik drieëntwintig jaar ben wil ik als speler compleet zijn. Dan hoop ik op een redelijk internationale carrière. En als dat niet lukt blijf ik altijd basketballen. Dat is mijn leven.’

Geplaatst: Mug oktober 2009 Foto: Hilco Koke

De begrafenis van Jong Klaasje

grafpiet9 009De bladeren van de zwarte walnootbomen  ruisen zacht,  vogels kwinkeleren en met een   zacht ritmisch getik is een tuinman bezig een heg te knippen. Het is ’s morgens elf uur,  op een doordeweekse dag. Op de Nieuwe Oosterbegraafplaats in Amsterdam is het met recht doodstil. Deze maand, precies vijfenzeventig jaar geleden, was dat wel even anders. Op 20 september 1934 werd een jonge wielrenner begraven. Duizenden Amsterdammers dromden rond zijn graf, en ondanks de uitgebreide politiemaatregelen was de menigte niet in het gareel te houden. De begrafenis van ‘Jong’ Klaasje van Nek werd er één in Siciliaanse stijl.

Het levensverhaal van de wielerfamilie Van Nek laat zich beschrijven als een smartlap van de Zangeres Zonder Naam, want één groot drama. Neem  Klaasje van Nek. Net een seizoen als  profwielrenner bezig, had hij al  een aardige palmares opgebouwd. Twintig lentes jong  behoorde hij tot de beteren van het land. Klaas had als aankomende renner totaal geen ontzag voor de gevestigde namen. Op hun thuisbaan Tilburg klopte hij  Slaats én Pijnenburg, dé baancracks van die tijd. Klaas, een goede achtervolger, had een voorkeur voor de koppelkoers.  Als je Van Nek als koppelgenoot had, zat je snor. Voor de Zesdaagse van Amsterdam, eind  1934 gehouden,  had hij al een contract en was gekoppeld aan Jan van Hout.
Thuis  kreeg hij alle medewerking. Zijn ‘natje en drogie’ stonden altijd klaar. Daar zorgde  moeder Van Nek wel voor. Hij mocht koersen zo veel hij wilde, maar één ding mocht hij nóóit doen! Klaas van Nek mocht nooit, maar dan ook nóóit, stayer worden. Dat had hij zijn moeder plechtig moeten beloven. En zijn vader had daar nog aan toegevoegd dat hij hem ‘de benen zou breken’…
Monumentaal graf
Stayeren was bij de familie Van Nek een traumatische aangelegenheid, want twee maanden na de geboorte van Klaas viel zijn oom Piet dood. Tijdens de Leipzigger Ostpreis, een stayerskoers in het gelijknamige Leipzig,  verongelukte Piet van Nek. Van ‘dankbare’ supporters kreeg Piet een monumentaal graf op de Nieuwe Oosterbegraafplaats: twintig jaar later werd zijn neefje bij hem te ruste gelegd…
De oekaze van moeder van Nek was niet voor niets. Had de familie net de rouwverwerking van Piet achter de rug maakte diens broer, ook Klaas geheten, een bijna doodsmakkerd, en natuurlijk weer achter die vreselijke motor. Dat gebeurde in 1921, op de Raaiberg, de lokale baan van Bergen op Zoom.
Zijn neefje, door iedereen Jong Klaasje genoemd, (foto rechts, gestart door zijn vader) bleef ver weg van de gangmaakmotor, maar kreeg daardoor toch niet een schriftelijke bevestiging dat hij ongeschonden uit de strijd kwam. In 1933 tijdens de Zesdaagse van Amsterdam, op de eerste avond, brak de  de jonge Van Nek de voorvork van zijn fiets, en vloog daar door de baan uit. Geruime tijd werd voor zijn leven gevreesd. Hersteld begon voor hem het seizoen 1934, dat ook zijn laatste zou worden. In september van dat jaar verongelukte Jong Klaasje. Maar niet op de racefiets…
Stoomtram
Zaterdagavond 15 september. Op de wielerbaan van Leeuwarden had Klaas van Nek een achtervolging gereden tegen Flip Reynders afkomstig uit Breda. Na de koers ging Van Nek direct naar huis. In zijn auto, een Ford Coupe, lagen niet alleen de overwinningsbloemen bestemd voor zijn verloofde, maar zaten ook Sam Hoevens, een coureur uit Amsterdam, ene  Ridel, een soigneur, én Flip Reynders, (foto links) eerder op de avond geklopt door Klaas. Flip die een dag later in Alkmaar moest rijden, kreeg van Van Nek een lift.
Foto Flip Reijnders-2In de doodstille polders rondom Warmenhuizen klonk een keiharde klap. Op de onbewaakte overweg was Klaas’ auto frontaal op de stoomtram vanuit Alkmaar gebotst. Uit  het wrak van de auto, die vijfenzestig meter werd meegesleurd, werden de ontzielde lichamen van Sam Hoevens, 29 jaar, Flip Reynders 25 jaar én Jong Klaasje gehaald. Soigneur Ridel overleefde de klap. Na Klaas’ hemelvaart brak  in Amsterdam een soort massahysterie los,  ongetwijfeld veroorzaakt door de tragiek die de familie Van Nek achtervolgde. Het heengaan van Jong Klaasje was een hype avant la lettre, de hele stad wilde bij zijn uitvaart aanwezig zijn. Niets  fijner dan collectief een traantje wegpinken, wat al begon  bij het sterfhuis van Klaas op de Amsterdamse Weg.
Kruislaan
Vijftien volgauto’s en duizenden volgden de kist op weg naar de Nieuwe Oosterbegraafplaats. ‘De bloemenkransen, afkomstig van talloze vereerders van den jonge keerel, waren zo talrijk dat de lijkkist er onder bedolven werd’, schreef Het Nieuws van de Dag. Maar dat was maar een voorproefje van wat op het kerkhof te wachten stond. Alsof het verderop spelende Ajax een thuiswedstrijd had: de Kruislaan was zwart van het volk, en op het ‘Ooster’ was er geen doorkomen aan. ‘Uitgebreide politiemaatregelen mochten niet baten’, schreef Het Algemeen Handelsblad, ‘om de duizenden mensen in het gareel te houden. Mensen drongen op naar het graf’, gaat de journalist hijgerig verder, om te vervolgen dat het voor de voorste rijen een hachelijke zaak werd want dreigden verdrukt te worden anders wel in het gedolven graf te vallen.
Dat ‘een elk eerbiedig het hoofd ontblootte’ toen de stoet het kerkhof opkwam, was niet meer dan logisch want zonder pet of hoed was, vijfenzeventig jaar geleden, een vorm van naaktloperij.
Bij het graf gekomen ging het volk pas echt los, want ‘velen barstten in snikken uit’. Tijdens gestaag neervallende regen werd de kist neergelaten. In de hectiek bleek de scribent van de krant een scherp oog voor details houden, want, zo schrijft hij, ‘De vader van Klaas moest ondersteund worden’. Aan het graf ook collega’s van Jong Klaasje zoals Jan Pijnenburg, Wals, Slaats en Jan van Kempen maar ook de Duitse gangmaker Josef Käser. Voor de laatste moet het een déjà vu geweest zijn. Twintig jaar eerder stond hij aan dezelfde groeve. Toen Piet van Nek dodelijk verongelukte, zat Josef op de motor…
Sam Hoevens, begraven op Vredenhof, liet een weduwe en dochtertje Dientje na. Met Dien, later getrouwd met gangmaker Joop Stakenburg, speelde de Engel van het Noodlot een wreed spel.  Vijftig jaar na de tragische dood van haar vader was Stakenburg betrokken bij een auto-ongeluk. Op de Duitse autobahn, onderweg naar een stayerskoers in Wenen, liet Joop het leven.…
Het is nu september 2009. Klaas én Piet van Nek zijn weggezonken in de krochten van de geschiedenis. Geen mens in Amsterdam die nog weet wie ze waren. Maar op het ‘Ooster’ liggen oom en neef, gezamenlijk, nog steeds te wachten op de jongste dag. Hoewel de zwarte letters op de grafsteen door weer en wind verdwenen zijn en daardoor de tekst, nauwelijks te lezen,  als een reliëf op het graniet liggen wordt het graf nóóit ‘geruimd’. Door de historische, én monumentale waarde is het graf namelijk uitgeroepen tot beschermd monument.
Na een leven vol pech en tegenslag hebben Piet en Klaasje dan toch een klein mazzeltje…

Bronnen: het Gemeentearchief Amsterdam