Van Bruggen is Kunst

Mug sept 2009 1 72Tim Krabbé-lezers kennen hem als Kunst. Zijn echte naam: Herman van Bruggen (74), de ‘lone wolf’ van de polder. Al vijftig jaar raast Van Bruggen mee in de subtop. Nog steeds goed voor een derde plaats op het WK-tijdrijden. Schrijver Tim Krabbé is zijn koersmakker nog niet vergeten.

Geen lullige fietstochtjes om de baard van Ome Klaas, maar jakkeren alsof  Beëlzebub  himself op de hielen zit. Nadat het startknopje van zijn fietscomputertje is ingedrukt, raast hij, met de ketting op het buitenblad, dagelijks door de polders, en dat al meer dan vijftig jaar. Herman van Bruggen heeft namelijk een latent erotische relatie met de tijdrit. Afgelopen week deed hij mee aan het wereldkampioenschap tijdrijden in Oostenrijk…
Of hij dat frustrerend vindt? Ja wat dacht je dan!  Heel literair én sportminnend Nederland kent hem en toch is hij nog steeds die anonieme wielrenner. Telkens moet hij uitleggen dat hij dat écht is. Dat het over hém gaat.
In het boek 43 Wielerverhalen’ schrijft  Tim Krabbé meerdere columns over Herman van Bruggen. Hij had een icoon kunnen zijn ware het niet dat Krabbé hem opvoert onder het pseudoniem Kunst. En laat die Kunst nou nog steeds koersen. Deze week werd Herman van Bruggen derde bij het wereldkampioenschap tijdrijden. O ja, Van Bruggen is 74 jaar!  Hebben zijn leeftijdgenoten spierwitte, dunne  benen met een  rivierenlandschap aan spataderen, niet bij Van Bruggen. Zijn stelten zijn die van een wielrenner, bruin, op spanning én afgetraind. Voordat alle senioren naar de sportschool rennen: Van Bruggen heeft meer dan vijftig jaar trainingsarbeid er op zitten. En altijd in zijn eentje. Een lone wolf zo zal je hem kunnen noemen maar dan wel één op de fiets.
‘Met redelijk weer train ik iedere dag vijfentachtig kilometer. Rusten komt in mijn woordenboek niet voor. Een dag niet gefietst is een dag niet geleefd. Onderweg zie ik niks. Ik ben gefocust om binnen de drie uur weer terug te zijn. Ik hou mijn kilometertellertje strak in de gaten.’
Voorhoofd tikken
74 Jaar en nog de instelling van een nieuweling.  Of dat eng is? Meer een vorm van gedrevenheid.  Dat begon al in 1957 toen hij, in Luik, meedeed aan het wereldkampioenschap achtervolging voor amateurs. Als je toen tegen Van Bruggen  gezegd had dat hij meer dan vijftig jaar later ook aan het vertrek van een wereldkampioenschap zal staan had hij op zijn voorhoofd getikt. En toch is dat zo.
In Sankt Johann, Oostenrijk, vond namelijk, deze week (eind augustus), het officiële WK voor masters plaats.  Sankt Johann, hartje Tirol, waar ze elkaar met grüss got begroeten en bier getapt wordt door struise kelnerinnen met laag uitgesneden dirndljurken, waar een duikbootkapitein in verdwaald, strijden jaarlijks de beste veteranen ter wereld om diverse wereldtitels. Twee jaar geleden stond ‘Kunst’ daar ook aan de start en kon de strijd aan met zestig concurrenten.
‘Achtste werd ik’,  verteld hij droog. ‘Ik had gehoopt op een podiumplaats. Terwijl iedereen op een tijdritfiets reed stond ik op een ‘gewone’ fiets aan de start. Dit jaar heb ik beter materiaal aangeschaft.  Ik weet ook wel dat je daar geen streep harder mee gaat, maar het zit tussen je oren.’ Van Bruggen laat zijn futuristische tijdritmachine zien die in de verste verte op een fiets lijkt.Portret Herman 2 8-2009 1 72
Eindelijk op het erepodium
Dat Van Bruggen dacht dat het tussen je oren zit daar had die het mooi mis mee. Rijdend op zijn nieuwe karretje greep hij,  afgelopen week, het brons.
‘Ik ben heel gelukkig met deze uitslag. Er deden toch maar zeventig renners mee. De eerste drie werden s’ avonds op het dorpsplein van Sankt Johann gehuldigd. Wat een happening en dat op mijn oude dag,’verzucht hij.
Zijn dagelijkse ‘jachtpartijen’ door de polder is voor de AOW-er ook een vorm van therapie. ‘Mijn vrouw is negen jaar geleden overleden. Ik fietste toen een tijd niet meer en voelde mij langzaam in een geestelijk ravijn weg zakken. Het ging heel slecht met me. Ik stond op het punt of om van een flat te springen of de koersfiets weer te pakken. Op advies van mijn dochter ben ik weer gaan trainen. In een jaar tijd trainde ik meer dan twintig kilo eraf.’
Dat  Herman van Bruggen in een boek van Tim Krabbé terecht kwam was niet meer dan een optelsom van feiten.  Van Bruggen en  Krabbé deelden de zelfde passies: koersen rijden in Vlaanderen.
‘Zo’n vijfentwintig jaar geleden reed ik alleen maar in Vlaanderen’, onthuld hij. Ik was dik in de veertig maar reed bij de amateurs regelmatig bij de eerste tien. Tim, een verdienstelijk renner, was daar ook altijd. Tientallen koersen heb ik daar met hem gereden. Later hoorde ik dat ik in zijn boek voorkwam. Ik ben daar heel trots op maar ook behoorlijk gefrustreerd, want niemand weet dat ik dat ben’.
Tim Krabbé
‘Wie Kunst is’? echoot  Tim  Krabbé door de telefoon.  ‘Herman van Bruggen natuurlijk. Ik rij nog steeds koersen bij de veteranen’, vertelt Krabbé. ‘Tijdje terug deed ik mee aan een nationale tijdrit. Aan het vertrek goed getrainde  kerels van zestig jaar. Van Bruggen deed ook mee. Hij werd derde. Herman is nog steeds die tempobeul van vroeger’.
Herman van Bruggen, strak lijf, jeugdige kop, maar toch de zeven kruizen gepasseerd, kijkt voor zich uit. Heeft nog zijn dromen. ‘Van de winter ga ik het werelduurrecord voor veteranen op de baan aanvallen. Die staat op 39.7 kilometer. Dat moet mogelijk zijn die te verbreken.’

Het Eurodynamische

Dat tijdrijden was echter het enige wat hij leuk leek te vinden aan wielrennen’, schrijft Krabbé over Kunst.  ‘Ook in gewone wedstrijden reed hij liefst alleen. Hij demarreerde net zolang tot iedere menselijke beschutting bij hem uit de buurt was’.
Zoals alle tijdritspecialisten soigneerde Kunst zich tot in de puntjes. Alles aan hem was ‘eurodynamisch’, zoals wielrenners het noemen; van zijn kapsel tot aan zijn vlekkeloze velgen. Ik heb hem  in België een uur lang bij straffe wind en met inzet van al zijn krachten een voorsprong zien verdedigen van 100 meter op een jagend peloton, tevergeefs. Het deerde Kunst niet, want tot en met augustus reed hij al zijn koersen slechts in functie van de traditionele  najaarstijdritten. ’

Uit ’43 Wielerverhalen’

Mug: september 2009. Foto’s Hilco Koke

IJskonijn Van Leeuwen maak je niet gek

maianne9Als  schaatsinstructrice op de Jaap Edenbaan mocht ze, na de lessen,  zelf ook graag een baantje trekken. Dat deed ze opvallen hard. Kenners adviseerde haar koersen te rijden. Dat was drie jaar geleden. Anno nu duelleert  Marianne van Leeuwen tegen de nationale top: op schaatsen én skeelers.

Frêle, slank en gekleed naar de laatste mode. Ze oogt alles behalve een  struise, stoere marathonschaatser die de zomer op skeelers door brengt. Maar een kenner weet wel beter.  Onder de kreet  ‘zeg mij wie de knieën zijn en ik zal zeggen wie gij zijt’, ontdekt hij direct dat de scharnieren van  Van Leeuwen  behoorlijk gestigmatiseerd zijn want dragen sporen van  verse valpartijen. Dat betekent één ding: een skeeleraarster. Zelf vindt Marianne van Leeuwen, 40 jaar,  dat niet zó erg. Pijn vindt ze niet fijn, want Van Leeuwen is altijd bang om met veertig in het uur over het asfalt te schuiven.
Voor ze ons betrekt in de wondere wereld van de zoevende wieltjes vertelt ze eerst over de geneugte van zwart ijs, snerpende kou, en wedstrijden over tweehonderd kilometer. Van Leeuwen is namelijk natuurijsspecialist. Dat snelle nerveuze, gedoe op de ijsbanen is duidelijk  niet aan haar besteed.
Waarom? ‘Ik ben een diesel’, onthult ze tussen twee happen tosti in.  ‘Ik doe pas drie jaar aan schaatsen en ontbeer de snelheid maar ook de koerssluwheid voor de marathons op de ijsbanen.’
Harde verrekijker
En wat natuurijs betreft viel ze, afgelopen winter, met haar neus in de boter: om maar een lullig gezegde uit het toetsenbord te trekken. De Oostvaardersplassen, dé hangplek voor vogelaars die een harde verrekijker krijgen bij het zien van de zeearend, was afgelopen winter het Nirvana van de schaatssport. Ondanks de stichtelijke praatjes van onheilprofeten als Erwin Krol, Helga de Leur en die malle weerman van SBS6, over klimaatsverandering, vond daar op 7 januari de hoogmis van het vaderlandse folklore plaats: het kampioenschap van Nederland. Slechts overtroffen door de Elfstedentocht.
Gans het volk,  jarenlang  kampend met afkickverschijnselen, was present.
‘Een gekkenhuis,’ laat Van Leeuwen weten. ‘Dat was ik niet gewend. Het omkleden vond plaats in een schuur van Rijkswaterstaat. We zaten op elkaar. Heel romantisch hoor. Dat was even wat anders dan het gelikte en afstandelijke gedoe op de ijsbanen. Het was nog donker. Buiten was het loeikoud. De pers, televisie en duizenden toeschouwers waren naar de polder gekomen. Iedereen was opgetogen.’
Weissensee
Die Van Leeuwen blijkt een beetje ijskonijnenbloed te hebben: om maar in de juiste terminologie te blijven. ‘Ik had geen last van spanningen, noch kreeg ik daar emoties bij’.
Onder het toeziend oog van miljoenen mensen, want live op de televisie, liet Marianne van Leeuwen zien dat ze, ondanks beperkte trainingsmogelijkheden, hard kan schaatsen. ‘Ik ben een paar keer op avontuur geweest. Maar het peloton liet mij niet gaan. Vijfhonderd meter voor de finish kwam ik in het gedrang ten val’. Een paar weken later nam ze revanche. Bij de Aart Koopmans-trofee, een marathon  gehouden in het Oostenrijkse  Weissensee werd ze derde.
Voor een  ‘vrije’, reclameloze sporter  is het verkrijgen van een sponsor zo iets als het winnen van een prijs in de Staatsloterij. Als je naam maar regelmatig in de uitslagenlijsten opduikt valt die prijs vanzelf. Ook bij Marianne van Leeuwen. Na het eerste jaar werd ze benadert voor een ploeg. Wat ze prompt afwimpelde. Gesponsord worden? Prima maar dan met drie van haar schaatsende vriendinnen. De wielerploeg van Leontien van Moorsel kon daar mee leven.
110 millimeter
‘We zijn door haar gesponsord. Ze vond het leuk om een paar marathonschaatsers te helpen. Sporten op zo’n hoog niveau kost geld dus alle beetjes helpen. Ik schaats  nu in een professionele omgeving. Alles wordt voor je geregeld. Vroeger moest zat ik te piekeren wie mij, tijdens grote wedstrijden, van bidons ging voorzien. Dat is nu allemaal geregeld’.
Maar nu is het zomer. Om het hart én longen op spanning te houden wordt door Van Leeuwen geskeelerd. En niet op huis-tuin-en-keuken rolschaatsen maar op hightechrollers. ‘Honderdtien millimeter wielen heb ik eronder gezet’, verklaard ze geheimzinnig.
‘Dat zijn grotere  wielen als standaard. Het aanzetten is zwaarder maar daar krijg ik kracht van. Ik rij de complete landelijke competitie. De seizoensopening was meteen goed. Ik werd, in een veld van meer dan zestig meiden, zevende.’
Waar ze de tijd vandaan haalt om te topsporten is een raadsel. Ze heeft een gezin met kinderen, is onderneemster, en moet ook nog strakke trainingsschema’s afwerken. Dat Marianne van Leeuwen op een agenda leeft is zeker. En daar zit nou ook de kneep. Zo’n leven is niet lang vol te houden.
Voor Marianne van Leeuwen staat het nu al vast dat ze, hooguit,  een paar seizoen meegaat.
‘Ik werk heel hard, heb een soort reclamebureau. s ‘Morgens vroeg gaat de wekker af. Ik breng mijn twee kinderen naar school. Tussen de bedrijven door train ik wat. Eén keer per week een duurtraining en daar moet ik het mee doen. Als ik een wedstrijd op woensdag heb neem ik mijn zoontje Teun mee. Die vindt dat prachtig. In de winter rij ik ook nog alle landelijke koersen. Dat kan je niet lang volhouden.’

D-Day, én het graf van Hank Williams

reis2007 028Weet je wat nou zo vreselijk is? Dat ik, na vijftig jaar,  al die namen nog moeiteloos kan opdreunen.  Max van Praag, Corrie Brokken, Teddy Scholten, de Spelbrekers, en Eddie Cristianie, ze zitten nog steeds in mijn hoofd.
Het waren dan ook zware tijden want je  kon de buizenradio niet aan zetten of daar waren ze! ‘Muziek’ van een ontstellende lulligheid. Maar het kon nog véél erger! De Selvera’s! Mijn god de Selvera’s… twee vroegoude, stoffige, en zwaar betrutte meiden met een boterzachte ‘g’ die lispelend zongen over postkoetsen of  reebruine ogen.
Zwevend langs de afgrond van een jeugdtrauma was daar opeens die reddingsboei: Radio Luxemburg.  Dé zender voor in Europa gelegerde Amerikaanse militairen. En daar hoorde ik voor het eerst, dwars door een zachtjes meehuilende Mexicaanse hond, Jerry Lee Lewis, Gene Vincent, Chuck Berry, Fats Domino, Roy Orbison en natuurlijk Elvis!
Mijn leven is nooit meer het zelfde geworden. Na vijftig jaar ben ik mijn helden nog steeds trouw. In Huize Stuyfersant staat een Wurlitzer jukebox, bouwjaar 1955, vol met de ‘juiste’ muziek, en mijn cd-kast puilt uit met hedendaagse rockabilly.
Schatplichtig als ik was heb ik ook de roots opgezocht. Mijn vele reizen door de States werden zó gepland dat ik de tastbare herinneringen daaraan kon ‘opsnuiven’. Zo stond ik, op een morsige begraafplaats, ergens in Alabama, op het graf van Hank Williams. Williams was dan niet echt rock ’n’ roll maar componeerde wél de mooiste nummers daarvoor. En buiten dat: alleen al zijn dood was een ultiem staaltje rock ’n’ roll.
Om tjokvol met dope en drank, op de achterbank van een Cadillac je laatste adem uit te blazen is slechts voor weinige weg gelegd. Er zijn slechtere manieren om te gaan ‘hemelen’…
Ook de plaatsen waar Buddy Holly, Elvis én Johnny Cash op de jongste dag liggen te wachten heb ik gecontroleerd.
In de Sun Studio, de kraamkamer van al dat ‘lekkers’, stond ik goedkeurend te knikken.
En op een bloedheet, stoffig  en zinderend landweggetje, ergens op het platte land van Tennessee, belde ik aan bij de Lewis-Ranch:  het optrekje van Jerry Lee. De Killer deed niet open. Ik had niet anders verwacht. Dan maar even een kijkje nemen bij zijn geboortehuis, vierhonderd kilometer zuidelijker. In Ferriday,  Louisiana,  mocht ik wél naar binnen. Daar  moest dan wel  tien dollar voor betaald worden aan de bewoonster. En die was niemand minder dan Frankie-Jean Lewis, de-zus-van.
Een knotsgek wijf bij wie de agressie uit d’r oren spoot. Binnen een paar minuten had ik bonje met haar en werd eruit gegooid. Er zijn toch maar weinig fans die daar prat op kunnen gaan…
Even ter kennisgeving: in Austin, Nashville en Mempis werden de nachten in honkytonktenten doorgebracht.
Maar ik ben net gek! Want zo ver hoef je niet te gaan. Amsterdam kent namelijk zijn eigen honkytonk: de Cruise Inn.
Een zaterdagavond in de Cruise? Dat is een ritje in een door adrenaline voortgestuwde vijfbaan want lekkere ‘vette’ en ruige rockabilly. En één keer per jaar gaat de Cruise Inn los want dan is het D-Day! En dat heeft niets met de oorlog te maken heeft. D-Day is de enige grote openlucht rock ’n’ rollfestival van Nederland. Dat het gratis is, is mooi meegenomen.
Zes bands uit het betere genre komen naar het Zeeburgereiland. Er is een grote fifties
markt en de liefhebbers van Amerikaanse oldtimers  lopen geheid kans op een spontaan orgasme.
Kortom, kwak wat brillantine in je haar en neem je chicky mee.
Zaterdag 13 juni. Aanvang 14.00 uur tot diep in de nacht. De Cruise Inn  Zuiderzeeweg 29, (tussen de Schellingwouderbruggen in) te bereiken met bus 37 en tram 26, halte Zuiderzeeweg. Info: http://www.cruise-inn.comflyer9

De optredende bands:
Jack Rabbit Slim
Ray Kay Trio
Domestic Bumble Bees
Rockin Bonnie & the Rot Gut Shots
Carl & Rytm All Stars
Lawen Stark & the Slide Boppers

 

‘Ik ga door tot de dood’

Sportpagina , Rietje Dijkman.In het casino van Monaco werd zij uitgeroepen tot de beste veteranenatlete ter wereld. De hele internationale atletiekwereld was daar van getuige. Om voor deze titel in aanmerking te komen moet je tot de wereldtop behoren. Rietje Dijkman, Europees kampioene, wereldkampioene én houdster van diverse wereldrecords, flikte dat.
Dan staat ze aan de start van een tweehonderd meter wedstrijd. Ze werpt even een blik op haar tegenstanders. Jonge meiden van net in de veertig jaar. En dan ziet ze duidelijk die blik in hun ogen. Een blik waarin ze leest wat dat ouwe wijf hier moet doen. Dat ‘ouwe wijf’ is dus Rietje Dijkman. En die heeft daar lekker schijt aan.
Dijkman is de oudste atlete van dit land! Nou en? De duivel is oud en zijn moer nog ouder. Op de nationale atletiekbanen treft Dijkman, 69 jaar, weinig leeftijdgenoten. Wat een verschil bij de grote internationale toernooien. Zoals in het Italiaanse Ancona, waar afgelopen winter het Europese indoorkampioenschap gehouden werd. Vijfduizend atleten, uit 39 landen  dus!
In haar leeftijdsklasse kon Dijkman strijden tegen meer dan vijfhonderd lopers. En met succes. Twee keer zilver won de Watergraafmeerse. ‘Bij de tweehonderd meter en hoogspringen’, onthult Dijkman. In de finale liet Dijkman de chronometer stil zetten in 33 seconden.
Je moet toch wel  ernstig visueel  gehandicapt zijn om Dijkman op haar leeftijd te schatten.  Wat figuur betreft is zij de ultieme droom van menig, tegen overgewicht strijdende ‘grietje’, want slank, soepel en jeugdig. Rietje Dijkman heeft met haar uitputtende trainingen het ouderdomsproces weten te vertragen. Maar genoeg geriatrisch gereutel. Terug naar Dijkman want die gaat vertellen.
‘Ik sport pas vijfentwintig jaar. Mijn zoon zat op AV23 dé atletiekclub uit Oost. Als vrijwilligster hielp ik in de kantine. Op de baan zag ik atleten bezig. Dat wil ik ook dacht ik’. Binnen korte tijd liep Dijkman het gravel uit de baan. Inmiddels heeft ze via haar sport de hele wereld gezien. En  haar ultieme momenten beleefde ze in Canada.
‘Bij de Mastergame’s, die één keer in de vier jaar gehouden wordt, won ik vijf gouden medailles’. Rietje Dijkman is topsporter, punt uit. Wie daar lacherig over doet moet maar eens een stukkie met haar gaan rennen. Criticasters bezorgt ze dan een paar ‘prettige’ momenten. In de wereld van de veteranenatletiek is zij een ‘grote mevrouw’. Internationaal wordt ze om haar prestaties geroemd.
‘Tijdens het Europees kampioenschap gehouden in Finland  werd ik door de president van de Internationale Atletiek Unie uitgeroepen tot de beste master ter wereld. Ik werd overgevlogen  naar Monaco waar de uitreiking was. Dat gebeurde tijdens een gala in het casino. Ik kreeg een complete vipbehandeling.’ Dijkman behoort mondiaal tot de top maar wie haar zoekt op de nationale titellijsten komt haar niet tegen.
“Nee logisch,’ verdedigd zij zich. ‘In mijn leeftijdsklasse zijn er in Nederland niet genoeg atleten. Ik moet dan altijd tegen jonge meiden van in de veertig uitkomen. Dat vinden ze in het buitenland heel raar. Moet je in Duitsland kijken. Daar trekken ze ieder jaar een blik met nieuwe atleten open. Daar staan bij de nationale kampioenschappen honderden deelnemers op de startlijst.’
Als je tientallen jaren volgens de ijzeren wetten van de topsport heb geleefd dan komt er een dag dat je iets anders wil. Dijkstra besloot meer van het sociale leven te gaan genieten. Trainingsschema’s werden omgeruild voor uitgaansagenda’s. Maar dat gaat zomaar niet. Het lijf van Dijkman, gewend aan de dagelijkse endorfinedosis, begon te protesteren. ‘Ik kreeg hartklopping, begon op de raarste momenten te zweten,’ verteld ze. ‘Ik voelde mij lichamelijk helemaal niet goed. Op advies van mijn arts ben ik een jaar later weer begonnen met trainen. Ik knapte zienderogen op.’
Dijkman bewees dat je met harde trainingen en goede verzorging de biologische klok kan vertragen. Maar ook voor haar staat Magere Hein zijn zeis te slijpen. Er komt een dag dat het allemaal niet meer zó makkelijk gaat. Dat het over en uit is. ‘Dat merk ik ook’ bevestigd ze. ‘Er zitten remmingen op mijn lijf. Door het verspringen is mijn meniscus helemaal naar gort. Vorig jaar ben ik daaraan geopereerd. Ook begin ik last van artrose te krijgen. Ik ga daardoor zuiniger met mijn lijf om. Ik doe niet meer mee met de springnummers.’
Doet een ‘gewoon’ mens na een knieoperatie er weken over om weer mobiel te zijn, niet Dijkman. Enkele dagen na haar operatie was ze al weer bezig met de training. Dijkman heeft zich zelf gerevalideert. Waar? In haar eigen kelder. Onder haar huis bevindt zich een krachthonk.  Een vertrek vol met ‘martelwerktuigen’, halters en drukbanken. Aan de muur honderden medailles, vaantjes, krantenknipsels en rugnummers. Memorabilia waar ze, tijdens  het trainen,  ‘moraal’ van krijgt. Een bij sporters geheimzinnig proces waar geen pil, spuit of wat voor dopingpreparaat tegen op kan.
Het is vloeken in de kerk om aan een ‘bejaarde’ als Rietje Dijkman te vragen of ze haar loopschoenen gaat inruilen voor een lidmaatschap van de lokale sjoelbakclub. ‘Ik blijf rennen tot aan mijn dood’, klinkt het strijdlustig. “Wat moet ik dan anders’?

Mug: Juni 2009  Foto: Hilco Koke

Posted in Niet gecategoriseerd. Tags: , , . 2 Comments »

De hypocrieten zijn onder ons…

perfetin9De Ronde van Vlaanderen én Parijs-Roubaix! Heilige zondagen vol met adrenalinekicks want rock ’n’ roll op de kasseien.  Maar dat werd even een behoorlijke teleurstelling. Zelden zulke saaie koersen gezien als het afgelopen voorjaar. Ik was er bij in slaap gesukkeld! En dat is een teken aan de wand. De oorzaak?Het anti-dopingsagentschap WADA (World Anti-Doping Agency) .
Die heeft ervoor gezorgd dat de dope uit het peloton verdwenen is.

Voor we het vergeten zijn: doping én wielrennen horen bij elkaar als een ouderling met een fles jenever. Waar is de tijd van de koers met de ouwerwetse ‘drog’ gebleven?
Laten we elkaar nou geen mietje noemen, want dat waren toch de leukste koersen. Gouden tijden van wielrennen. Boeken zijn daar over vol geschreven. Het was de tijd dat ploegleiders en officials nog met pillen strooiden om de renners te helpen na zo’n barbaarse rustdag. Renners kregen daar vleugels van. De concurrentie werd op tien minuten gereden om een dag later met een mysterieuze inzinking weer een kwartier te verliezen. Mannen die minuten goed konden maken.
Zoals Charly Gaul  in de ronde van Italië 1956.  Waarin Gaul in de beklimming van de Monte Bondone, tijdens een verschrikkelijke sneeuwstorm, een achterstand van een kwartier wegwerkte. Gaul won daarmee de Giro.  En dacht je nou echt dat ‘de engel van het hooggebergte’ dat deed op een suikerklontje…? Of recentelijk Marco Pantani. Marco, de Kleine Goddelijke Kale, met de verschroeiende snok…
Maar dat is niet meer. Het is één grote saaie boel geworden. Renners durven tijdens de training niet eens meer langs een apotheek te rijden laat staan een spuit te plaatsen. Dat noemen ‘ze’ dus het nieuwe wielrennen…
Met zogenaamde whereabouts-controles worden renners dag en nacht in de gaten gehouden. Waar een onschuldig preparaat als een pervetientje niet meer mag, zullen binnenkort de  genetische middelen hun intrede doen. De tijd is niet meer veraf dat de eerste renner op oudjaar gepakt wordt omdat hij drie borrels heeft gedronken
Terwijl iedere wielervolger weet hoe het in de koers toeging, krijgt een Tom Boonen, betrapt op een partydrug, van deze zelfde mensen bakken stont over zich heen. Op de diverse wielersites huilen de wolven dapper mee in het bos.

De hypocrieten zijn onder ons…

En traag klopt hij verder…

hartonderz9-0221Vijfenveertig jaar  duursport? Dan gebeuren er vreemde dingen in je borstkast. Op een dag, in september 2007, klopte mijn hart nog maar 27 slagen per minuut. Ik was verbijsterd, geloofde mijn ogen niet! Maar het was wél de realiteit. Dat aantal telde ik echt op mijn horloge! En ik had nergens last van. Totaal geen klachten!

Iets wat de cardioloog niet geloofde. Want na een onderzoek bleek dat mijn hart geregeld stil stond. Tot zes seconden aan toe. ‘U móet regelmatig flauw vallen’ vertrouwde hij mij toe. In zijn ogen smeulde een blik die geen tegenspraak duldde. Na mijn ontkenning raakte ik in een traject van onderzoeken.

In een tijdsbestek van enige maanden werd mijn ‘tikker’ helemaal onderzocht. Dat ik een zogenaamde boezemritmestoornis had was duidelijk. Maar niemand van het cardiologenteam van het OLVG begreep dat ik,  zonder flauw te vallen, met zo’n lage hartslag kon functioneren.  Dat werd mij klip en klaar verteld.

Van het begrip ‘sporthart’ wisten de specialisten aan het Oosterpark maar héél weinig van af, zeg maar gerust niets.  Mijn trage hartslag vonden ze een fenomeen, een heel interessant geval, zo vertrouwde een assistent mij toe.  En dát vond ik pás eng! Daar werd ik héél onrustig van. Want hoe zat het ook alweer met de ‘plotse dood’ bij tientallen wielrenners? En wat gebeurde er als mijn hart, al autorijdende over de Ringweg, tien seconden stil stond? Ik durfde er niet aan te denken.

Goddank was er ook die ene cardioloog met  een duursportachtergrond. En die verwees mij door naar het Maxima Medisch Centrum in Veldhoven waar Jan Hoogsteen praktijk houdt.

Sportcardioloog Hoogsteen, aimabel, laagdrempelig, gepromoveerd aan de Universiteit van Leiden op het onderwerp ‘risico’s van hartstilstand bij duursporters’ is dus een  autoriteit.

‘Je mag nog maar twee keer per week trainen en dan op vijftig procent van je kunnen,’ vertelde Hoogsteen mij in januari 2008.

Wat ze in het OLVG, na maanden onderzoek, niet vonden, had Jan Hoogsteen na één zware inspanningstest, gediagnosticeerd. De linkerzijde van mijn hart ‘atriumfibrilleerde’ traag: wat dat ook weze mag. Met een recept voor een medicijn dat mijn hartslag moest prikkelen kon ik terug naar Amsterdam. Twee keer per week trainen? Godverdegodver! Dat was even slikken. En mijn dagelijkse endorfine shot dan? Want dat betekende wél dat ik de dag nooit meer kon starten met een duurloopje door de Overdiemerpolder. En mijn fietstrainingen richting Oosthuizen, om maar te zwijgen van die survivaltochten rondom de Markerwaard?

Het is nu bijna anderhalf jaar verder. Mijn hart klopt ‘mooi’ zei het traag, want veertig slagen per minuut.

Gisteren was ik voor controle bij cardioloog Hoogsteen. Behangen met stekkers op de borst én een zuurstofmasker werd het hart uitputtend getest. Jan Hoogsteen, zelf fanatiek wielrenner die vorig jaar de Mont Ventoux in een tijd van 1.35 uur bedwong, knikte instemmend.  Over de conditie van mijn ‘pomp’ was hij heel content.

Het hart had zich helemaal hersteld en mijn lichamelijke conditie vond hij buitengewoon goed. Als beloning mag ik drie keer per week, rustig, trainen.

Vanmorgen, met de ‘kop onder het stuur’, rondje Monnickendam gefietst. Drijfnat van het zweet kwam ik thuis. Het is nu vier uur verder. Al die tijd zit ik op mijn hartslagmeter te kijken.
Onrust over een lage hartslag heeft plaats gemaakt voor een dwangneurose…

Hoe Young Otto zijn record verloor…

25 Februari 2006! Whyber Garcia was zich nog niet bewust dat hij een dag later de neuroloog een hand kon geven. In zijn partij tegen Edwin Valero ging Whyber, in de eerste ronde, knock out. Wereldwijd reageerden statistici en andere cijfertjesfreaks daar verlekkerd en opgetogen over.
Op een begraafplaats, ergens in New York, draaide Young Otto Susskind zich in zijn graf om. Garcia, uitkomende in de lichtgewichtklasse, was namelijk de achttiende opeenvolgende bokser die door Edwin ‘el Inca’ Valero in de eerste ronde knock out ging. Met zijn laatste overwinning schrapte Valero het honderd jaar oude record van Young Otto (foto links) uit de boeken.
Bokser Young Otto, geboren in het New York van 1886, begon zijn profcarrière in 1903. Twee jaar later bleek hij niet alleen trotyl in zijn vuisten te hebben maar ook over een killers instinct te beschikken: een ‘dodelijke’ combinatie.
In dat zelfde jaar vestigde Young Otto zijn legendarische serie door in zestien achtereen volgende gevechten, het licht bij zijn tegenstander, in de eerste ronde, te doven.
Een record dat meer dan honderd jaar  stand hield. Young Otto, meer dan 171 partijen gebokst, was in the winning mood. Voor een vuistvechter een linke zaak… In 1906 kwam Young Otto uit tegen de underdog Johhny Allen.

Tijdens de eerste ronde liet de aanvallende Young zijn dekking ietsje zakken. Buitenkansjes die Johnny niet liet lopen… Voordat Young Otto, zestig kilo aan de haak, dát besefte lag hij gestrekt.
Een jaar later kreeg de joodse lichtgewicht zijn revanche door Allen in de zesde rond knock out te slaan. Young Otto Susskind mocht je een ‘knock out artist’ noemen. In 71 partijen werden zijn tegenstanders wakker op het canvas. De boksengel was voor the Young niet altijd even genadig. In 1909 kreeg hij van de, eveneens joodse, Leach Cross, foto rechts, flink van Jetje.
Leach, student tandheelkunde aan de New York Universtity bleek taai als hondenleer te zijn. In de eerste drie ronden sloeg Young Otto bijkans de oren van de fighting dentist af. Maar niet hard genoeg. Want in de vierde ronde beukte de ‘tandarts’ Young Otto twee keer neer. De laatste keer voor de volle tien tellen. Even terzijde: Leach Cross had zes boksende broers. Wat moeder Cross uitgestaan heeft, daar valt alleen maar naar te gissen…
Young Otto Susskind, die bokste tot 1924, stierf in 1967.
Inmiddels is het record van Edwin Valero verbroken. Gebeurde op 29 maart 2008. Tyrone Brunson deelde die dag zijn negentiende opeenvolgende knock out uit.

Kermiskoers

vlaanderen9-0242Op keiharde stoeltjes worden bilspieren gestaald. Overvolle asbakken op kale, geschuurde, houten tafeltjes. De vloer is van hardsteen. Aan de muur een elftalfoto van Club Brugge. Buiten, op het plaatsje, bevindt zich het pissoir waar mannen de ‘aardappels afgieten’. Aan de kolkende, bruisende bierpomp, uitbater George Vandervanet.
Het is duidelijk dat staminee Mexico geen ‘grand-café’-allure heeft. Maar Mexico, een vreemde naam voor een oer-Vlaamse kroeg, heeft dan weer wél twintig biersoorten op de kaart staan…
Hoewel het een woensdagmiddag is puilt Mexico uit. Het is namelijk koersdag! En voor George’s Spartaanse kroeg bevindt zich de finishstreep. In Sint-Kruis, een gehucht ergens in West-Vlaanderen, staat de 35e Grote Prijs Visrokerij Franky Allo op punt van beginnen. Een koers voor amateurs over 120 kilometer met negentien ronden. Aan de start meer dan 240 renners.
Vrijwilligers van het Vlaamse Kruis, een EHBO-organisatie, schikken, verlekkerd op wat misschien komen gaat, verbandjes, pleisters en flesjes jodium. In frietkot ’t Smulmobieltje verdwijnt de patat met ladingen in de hete olie. Op de stoep voor Mexico, waar een pint iets meer dan een euro kost, maakt ene Maurice Dobbelaere zijn achternaam meer dan waar!
sintkruis9Met het uitklappen van een tafeltje en het plaatsen van een schoolbord opent Maurice zijn gokkantoortje. Bij Dobbelaere kan op de koers gewed worden…
Tussen de massaal opgekomen fans ook Eric Deruijck en Antoin Deckere: dikke zeventigers. Eric en Antoin (foto linksboven) zijn liefhebbers van het cyclisme en slaan geen wedstrijd in de streek over. Voor een amateur-koers worden ze niet koud of warm. Nee, dan vroeger… ‘Goedverdoeme, jong’, klapt Deruijck in onverstaanbaar dialect, ‘d’n Briek…’ In hun jeugd zagen Eric en Antoin, met eigen ogen, hoe de legendarische flandriën Briek Schotte over de kasseien knotste en botste.gokbriefjeweb12
En dan klinkt het startschot. De renners zijn vertrokken. Voor het peloton uit rijdt een wagen met knipperlichten, daarachter een motoragent, door Vlamingen ‘Zwaantje’ genoemd: poëtischer kan het bijna niet.
Negentien doorkomsten waarbij Mexico telkens leegstroomt. Met glazen bier in de hand wordt over dranghekken gehangen. Premies zijn er ook te verdienen, klinkt het uit de speakers. Zo schonk Bakkerij Dereeper een ‘prachtig handgemaakt paasei’, gewonnen door renner met rugnummer 137.
De laatste ronde! Meer dan tweehonderd renners sprinten voor de eerste plaats. Het is de Litouwer Vyautas Kaupas die ze er allemaal ‘oplegt’. Een prestatie!
Maar niet de allerbeste van de dag. Want die staat op naam van schrijver dezes… Want om bij gokkantoor Dobbelaere, uit meer dan 240 renners, op de juiste renner te gokken is een waarlijk grootste verrichting.
Ik bedoel maar…

Worstelen: zo zwaar als ballet

Kamran BakthiariAcademici trekken regelmatig het worstelpakje aan. Kamran Bakthiari, medisch analist, kan het weten. Hij is niet alleen worstelaar maar ook trainer/coach van een succesvol hoofdstedelijk team.

Een wetenschapper als worstelaar? Niet zo vreemd als je uit een land komt waar worstelen net zo populair is als schaatsen in Holland. Volgens de gewezen Iraniër is worstelen sport nummer één in zijn voormalige vaderland. In zijn geboortestad waren maar liefst zeven clubs te vinden. Noem het de macht van het getal, want op de Iranese worstelschooltjes barst het van het talent. Logisch dat het eerste Olympisch goud voor dat land door een worstelaar behaald werd.
Twintig jaar geleden besloot Bakthiari (43) Iran om te ruilen voor Amsterdam. In 1989 meldde hij zich aan bij de sportschool van Bert Kops. Met de kreet ‘iedere worstelaar uit Iran móet wel goed zijn’ werd hij door Kops met open armen ontvangen. Hoe hij het niveau vond? ,,Het peil was heel laag”, verklapt de academicus. ,,Voor mijn sport moet je over een heel goede techniek beschikken, maar ook kunnen knokken. Hier hadden ze wel knokkers maar de techniek was niet goed.”
Schrikken
Kamran Bakthiari bracht met zijn techniek meer schwung op de mat en droeg zijn kennis over. En bij Kops kreeg hij daar wat voor terug. ,,Ik sprak geen Nederlands. In het begin hoefde dat ook niet want iedereen communiceerde in het Engels met mij. Kops zag dat met lede ogen aan en verordineerde dat iedereen Nederlands met mij moest spreken. De taal had ik heel snel onder de knie.”
En wat hij aantrof in worstelend Amsterdam? Voor iemand afkomstig uit een cultuur van eeuwenoude vechtsporten was dat even schrikken en slikken. ,,Hier is worstelen een heel kleine sport, meer op hobbyniveau. Er zijn hooguit 250 worstelaars in Nederland. Amsterdam telt maar twee clubs. Wil je goed worden dan moet je iedere dag trainen. Mijn jongens hebben daar geen tijd voor. Als ik ze drie keer per week hier op de mat krijg dan mag ik mijn handen dicht knijpen. Ik moet ze constant bellen of ze komen.”
Wie geen training overslaat is Melvin Witteveen, een voormalig Nederlands kampioen. Witteveen heeft ‘wat’ met Kamran Bakthiari. ,,Kamran heeft mij leren worstelen”, vertelt de onderwijzer aan een Amsterdamse basisschool. ,,Wat zijn sterkste punten zijn? Als coach is hij onovertrefbaar”, steekt Witteveen een veer in het achterste van Bakthiari. ,,Als leraar kijk ik zelf heel kritisch naar iemands pedagogische kwaliteiten, maar hij is echt heel goed. Bij wedstrijden weet hij mijn tegenstanders goed in te schatten, wat hun kwaliteiten en beperkingen zijn. Hij is een coach die wars is van schreeuwen. Hij weet precies wat hij wel en niet moet zeggen. Als ik de mat op ga voor een gevecht dan moet ik eerst weten waar hij zit. In de hectiek hou ik zijn aanwijzingen altijd goed in de gaten.”
Kamran Bakthiari’s jongens behoren tot de beste van dit land. Meerdere keren werd de nationale titel meegenomen naar de Weesperzijde. Maar niet vorige maand! Bakthiari kan daar nóg beroerd van worden.
Domme kracht
,,We vochten in Dordrecht voor het kampioenschap van Nederland. We waren favoriet en gingen met veel supporters daar naar toe. Hoewel we favoriet waren had ik twee worstelaars met een blessure en één was te zwaar voor zijn gewichtklasse. De thuiswedstrijd in Amsterdam hadden wij met elf punten gewonnen. Maar in de finale moesten we het met maar twee punten verschil afleggen.”
Terug naar de Weesperzijde met de vraag of worstelen toch niet een combinatie van trekken, plukken én een beetje domme kracht is? ,,Nee natuurlijk niet”, reageert hij geprikkeld. ,,Worstelen is één van de moeilijkste sporten. Fysiek en mentaal moet je heel sterk zijn. Het is een heel technische sport. Je mag niet wurgen, iemand pijn doen of aan een gewricht trekken. Er zijn twee vechtstijlen, het Grieks-Romeins en de vrije stijl. Het is heel moeilijk om van het ene naar het andere over te stappen.” Hoewel de worstelsport eeuwenoud is en strak staat van tradities kan je die kerels niet meer in hun blote lijf laten vechten, zoals dat in het Griekenland van voor de geboorte van de Heer gebeurde. Maar dat lullige pakje schreeuwt om veranderingen.
Eeuwige roem
,,Ik weet ook wel dat dat worstelpakje een beetje oubollig is”, weerlegt hij handig. ,,Maar dat zogenaamde zwempakje wordt nu ook gebruikt in de atletiek, triathlon en gewichtheffen. Het is voor onze sport heel functioneel.”
Even lekker kleunen tijdens een worstelwedstrijd, met je verstand op nul, is er volgens de voormalige Iraniër niet bij.
,,In andere vechtsporten, zoals kickboksen, is het veel makkelijker om aan de top te komen. In onze sport niet, daar wordt alles van je lichaam gevergd. Worstelen kan je op één lijn zetten met turnen en ballet. Dat duurt ook jaren voor je dat beheerst.”
Worstelaars mogen dan door de eeuwen heen over aanzien beschikken, rijk wordt je er ieder geval niet van. Dat was al tijdens de antieke Griekse Spelen zo. Daar ging je naar huis met eeuwige roem én een lauwerkrans. En dat is nog steeds niet veranderd. Althans in Nederland niet.
AMC
,,Het is hier een heel arme sport. In Amsterdam lopen er genoeg goede worstelaars rond. Vooral jongens uit het voormalige Oostblok. Die hebben het idee dat er op onze sportschool flink geld voor ze betaald wordt. Maar dat is er niet, daar is het een veel te kleine sport voor. Ze komen een paar keer en dan zien we ze niet meer.”
Kamran Bakthiari brengt niet alleen de techniek van het worstelen over, maar houdt zich ook bezig met wetenschap. Binnen enkele maanden hoopt de worstelcoach te promoveren op het onderwerp ‘stolling van het menselijk bloed’. Of ze bij het AMC ook zo blij zijn met zijn sportactiviteiten valt te betwijfelen.
,,Mijn baas is ook mijn promovendus en die maakt een beetje bezwaar dat ik zoeel tijd steek in mijn sport. Maar ontspanning is ook heel goed voor mijn studie”, verdedigt hij zich. Volgens Bakthiari zit worstelen in je bloed, om maar even bij zijn vakgebied te blijven. En als dat zo is, dan maakt afkomst en opleiding niets uit.
,,Ik ben niet de enige worstelaar op universitair niveau. Ik ken verschillende artsen, advocaten, chirurgen en een patholoog die aan deze sport doen.”

Geplaatst: Mug april 2009.  Foto: Hilco Koke

‘Eene hardrijderij om poen, spek en bonen’

hardschaatsen_amstel02513Amsterdam, eind negentiende eeuw. De Jordaan, Kattenburg en andere toenmalige Vogelaarwijken werden geteisterd door honger, armoede, kraamvrouwenkoorts en andere enge besmettelijke ziekten. Gewoond werd in vochtige, koude kelders en krotten.  Pieter-Jelle Troelstra kraaide zijn revolutie, en een arbeider verdiende amper tien gulden in de week maar moest daarvoor wél zestig uur aan de bak. Máár een ijspret dat ze hádden…!

 

Neem de winter van 1879. Eind november begon het te vriezen en 16 december hield de Amsterdamse Skatingclub op de Keizersgracht, tussen de Reguliersgracht en Vijzelstraat, een wedstrijd in het schoonrijden.

 

En op twintig december schreef de Amsterdamse IJsclub ‘eene hardrijderij’ uit op het ijs van de Amstel. Vierenzeventig schaatsers, voornamelijk Friezen, gingen de strijd aan om de hoofdprijs van tweehonderd zilveren guldens.

Trijpen pantoffels

Het werd een volksfeest op de Amstel  (plaatje links boven) waarbij de aanwezige kinderen het, voor ouders altijd opbeurende, liedje over een zekere Gijs zongen: (Zeg Moeder waar is Gijs, Zeg Moeder waar is Gijs. Daarginder, onder het ijs…!)

Het was  Marten Castelein (foto rechts) uit Saarwoude, schaatsend op trijpen pantoffels mét houten ‘doorlopers’,  die met de buit naar It Heitelân toog. De Amsterdamse IJsclub had de smaak te pakken en schreef op 1 februari 1881 een ‘groote internationale wedstrijd-hardrijderij’ uit met over de duizend gulden aan prijzen. Maar met het naderen van de wedstrijddag begon het te dooien. marten-castelein1

Op 28 januari 1885 was het dan zover: de eerste internationale schaatswedstrijd in Nederland.   Plaats van handeling: de Groote Wielen bij Leeuwarden waar een baan uitgezet was met een lengte van 1600 meter met één keerpunt. De uitnodigingen waren de deur nog niet uit of daar was die brief van de Noor Axel Paulsen, de zich zelfbenoemde World Champion Speed and Figure Skater

Axel, die er duidelijk trek in had, kon een gebrek aan onzekerheid niet ontzegd worden. In zijn brief daagde hij iedere Hollander én Fries uit voor ‘match’ met inzet van 1200 piek.  Of de organisatoren dat maar even aan zijn toekomstige tegenstanders bekend wilden maken, zo besloot Paulsen. Een boodschap die je wel aan  de jongens van de toenmalige schaatsenrijdersbond kon toevertrouwen.

Brandewijn

Op 21 januari kwam Paulsen in Leeuwarden aan. Dezelfde dag vertrok hij, schaatsend, vanaf zijn herberg, naar de Grooten Wielen, waar de schrik hem om zijn hart sloeg. Op de bijbanen trainden, getergd én gemotiveerd tot in het merg van hun botten, Axels toekomstige tegenstanders, die met ‘forschen  slaagen bijna onhoorbaar over het ijs flitsen’. Hoogstwaarschijnlijk werd er getraind op adviezen van trainer De Salis: en die hield er merkwaardige opvattingen op na. Zo adviseerde hij zijn rijders hun liezen en kuiten in te smeren met brandewijn.

Axel_Paulsen.jpgTerug naar Axel Paulsen (foto links). die een dag later heimelijk Leeuwarden uitsloop. De wedstrijd, waarvoor deelnemers zes gulden inschrijfgeld moesten neerleggen, werd bezocht door duizenden bezoekers.  Winnaar werd P. Bruinsma uit Sneek die het duizelingwekkende bedrag van zeshonderd  gulden in zijn boezeroen kon steken. Tweede werd Renke van der Zee uit Workum. Renke ving driehonderd gulden. En T. Veninga kreeg voor zijn inspanningen nog altijd 120 piek. De wedstrijd was niet alleen een Fries onderonsje maar ook een uitbarsting van nationalisme. Leeuwarden stond op zijn kop en tot diep in de nacht  klonk het ‘Fryslân boppe’.

Arrenslede

En  dan  was het opeens 25 november 1890! Het begin van een winter waar Erwin Krol, Gerrit Hiemstra, Piet Paulusma en Helga van Leur superlatieven voor te kort zouden komen. Op die dag kwam de wind uit het noordoosten en binnen twee dagen was het Monnickerdammergat bevroren. Eind november was de ijslaag al tien centimeter en op 5 december lag de Zuiderzee dicht.

Op de Amsterdamse grachten reden arrensleden en op de Gouwzee bij Monnickendam werd een ijskermis gehouden, waarbij zes Markers door het ijs zakten. Hoewel het ijs in de provincie steeds dikker werd, zakten er op 17 december twaalf schaatsers doorheen en verdronken.

De orgelman

Niet alleen schaatsers liepen risico. Ook die ene orgelman, die, onbedoeld, de hoofdrol vervulde in zijn eigen smartlap. Tijdens de korte baanwedstrijden in Bergambacht had hij, met zijn vrolijke deuntjes, de boel nog opgeleukt. Zijn orgel duwend tegen een snijdende noordoosterwind, toog hij terug naar ‘huis en haard’. Een dag later, op de weg tussen Stolwijk en Gouda, werd zijn ontzielde lichaam gevonden. Met zijn  handen bevroren aan het pierement had de orgelman de geest begeven. Vader Abraham had het niet beter kunnen bedenken.

Jeroen Bosch

‘Voor niks gaat de zon op’ moeten ze in Drente gedacht hebben. De lokale ijsclub wilde best iets doen tegen de heersende honger maar daar moest wel ‘iets’ tegen over staan. Op 24 december hield de Hoogeveensche IJsclub een hardrijderij voor mannen boven de twintig jaar met inzet levensmiddelen. Hongerige Drenten kregen de kans hun voorraadkast te vullen met spek, bonen, erwten, vet en andere ‘lekkernijen.’

Meer dan tachtig stakkers die dachten te kunnen schaatsen meldden zich. Een lege maag doet gekke dingen met de mens…

Op klompen en soms op kousen werd er over het ijs gestumperd. Het moeten taferelen zijn geweest waar Jeroen Bosch patent op had. Met die sukkelaars wist de uiteindelijke winnaar, Cornelis Zwart,  een uitgevroren schipper afkomstig uit Noordbarge, wel raad.   De verliezers deden letterlijk mee voor ‘spek en bonen’ want kregen als beloning voor het volksvermaak, brood met spek en een ‘mok’ koffie.  10321

Legende

Heel wat sjieker moet het toegegaan zijn op het hoofdstedelijke Museumplein (foto rechts) waar  in het weekeinde van  13 en 14 januari 1892 het eerste officiële  wereldkampioenschap schaatsen  plaats vond. De organisatie was in handen van de Amsterdamse IJsclub. Kaartjes kosten  één gulden maar ondanks die woekerprijs passeerden duizenden toeschouwers de kassa. En niet voor niks, want ze waren getuige van de opkomst van een Legende.

Jaap Eden greep niet alleen zijn eerste wereldtitel in het schaatsen, maar brak ook nog eens het wereldrecord op de 1500 meter in een tijd van 2.35

Bronnen o.a.:  Koninklijke Nederlandse Schaatsenrijdersbond, jaarverslagen vanaf  1882-1892. ‘De barre winter van 1890/1891, Drente’