‘Verrek Kurt, ben jij dat?’ ontmoetingen aan het front

Project1Tijdens zoektochten in de digitale archieven stuitte Stuyfssportverhalen op een merkwaardig én curieus krantenartikeltje geplaatst in  december 1939. Wat voor deze blog tevens een mooie aanleiding is om  even bij de oorlog ‘stil te staan’.

 Terwijl Neurenberg volstroomt voor de partijdagen, de Hitlerjugend stampend en zingend door de straten trekt,  het leger zich opmaakt voor de naderende Blitzkrieg, en Joseph Goebbels het sinistere scenario voor de Kristalnacht uitwerkt, wordt er ook nog  gekoerst.
De ronde van Duitsland 1938. Met als topfavoriet Kurt Stöpel. De oude Kurt, in de herfst van zijn carrière, bezig met zijn laatste wedstrijd. Voor Kurt zat het fietsen er op. De oproep voor militaire dienst was al binnen. Nog één keertje vlammen op de fiets voor hij het feldgrau van de Wehrmacht aantrok.
Kurt Stöpel,  wielrenner, en dan niet in de anonieme rangen,  had met Frankrijk een speciale band al was het alleen maar om de Tour de France. Dé koers waarin hij  geschiedenis schreef door als eerste Duitser de gele trui te dragen. Het was maar een pfenning op zijn kantje of Kurt bracht deze trui tot aan Parijs. De editie van 1931 was daarvoor een opwarmer.stopelsmoel
De onbekende Stöpel  knokte zich vijf keer bij de eerste vijf in een etappe.  Om een jaar later definitief door te breken. Wat niemand voor mogelijk hield, flikte der Kurt in 1932 toch maar. Na winst in de tweede etappe naar Nantes, eindigde Kurt Stöpel in het eindklassement op de tweede plaats.
Een Duitser koersend tijdens het interbellum in Frankrijk. Dat was dubbelop strijden tegen een heel peloton Franse renners die allemaal wel een geliefde verloren hadden tijdens de Eerste Wereldoorlog. Kurt Stöpel  kon met iedere Fransoos het duel aangaan. Ook met Robert Oubron, een jonge prof. In de Tour van ’32 was het de piepjonge Oubron die het de Pruisische renner lastig maakte. Maar dan is het zes jaar later: de ronde van Duitsland. Met zijn laatste krachtinspanningen weet Kurt  als derde op het erepodium te eindigen: één plek voor Robert Oubron.
Robert Oubron zal niet veel later wraak nemen, maar dan niet in een wielerkoers.  Een donkere, koude decembernacht 1939, de vooravond van de Tweede Wereldoorlog.
oubronsmoelIn het niemandsland aan de Duits-Franse grens stuit een Franse legerpatrouille op een aantal geïnfiltreerde Duitse soldaten. Het komt tot een kort vuurgevecht. Soldaat Robert Oubron laat zijn mitrailleur ratelen. Bij de inmiddels gevangen genomen Duitse patrouille is één soldaat in zijn hand geschoten.
Meegenomen naar de Franse stellingen valt het licht op de gezichten van de krijgsgevangenen. Er klinkt er een verbaasde kreet. ’Verrek, Kurt, ben jij dát?’ Sport verbroedert, doet ideologieën wegvallen. Ook voor Robert Oubron die direct de  hand van zijn vroegere sportmakker én rivaal verbond.
Kurt Stöpel, 89 jaar geworden, heeft ongetwijfeld in zijn lange leven over die bijzondere nacht na gemijmerd. En Robert Oubron? Na de oorlog nam hij zijn carrière weer op en koerste tot begin jaren vijftig. Oubron stierf op zesenzeventigjarige leeftijd.

Foto’s 1 en 2: Kurt Stöpel. Foto 3: Robert Oubron.
 Bron: Sport Revue jaargang 1933. Het Volk (United Press),  december 1939.

Beul van IJburg het hele jaar op scherp

jouke 007Weinig gewonnen. Maar tóch top. Een schaatser die zijn sponsor nooit teleurstelt.  Zo’n kerel voor wie het begrip ‘’aanvallen’ een tweede natuur is. Rossend en rammend in helse natuurijsklassiekers tot het kots tegen de huig borrelt. Behoort tot het elitaire groepje dat geacht wordt een  Elfstedentocht te winnen. En dat allemaal dankzij tramlijn 1. Had Jouke Hoogeveen op de Amsterdamse Overtoom skeelerend nooit het duel aangegaan met deze  tramlijn, dan was zijn duurvermogen nooit aan het licht gekomen. Niet veel later, zo  rond 2007 maakte Hoogeveen zijn debuut op het ijs. Dat laatste móest gewoon gebeuren, was genetisch bepaald. Want stond je wieg in het Friese IJlst, één van de Elfsteden, dan is daar geen ontkomen aan.
Jouke Hoogeveen al meer dan tien jaar wonend in Amsterdam. Behoorde de laatste drie seizoenen tot de smaakmakers op het natuurijs. Met dat bijna twee meter lange lijf altijd met zijn snufferd in de volle wind. Hoogeveen, vierendertig jaar, in de kracht van zijn leven, is semiprof  met alle voor- en nadelen. Als het in de winter zó koud en guur is dat een Marianne Thieme een wegtrekker krijgt bij het idee om een hond naar buiten te sturen, stapt hij op zijn racefiets. Ga daar maar even aan staan, duurtrainingen van vijf uur. joukejuichen
Voor een man als Hoogeveen, taai als een steppewolf, staat het sportverstand altijd op nul, gewoon maar niet aan denken dat vlak bij je huis zich de Jaap Edenbaan bevindt. Jouke, wonend op het Amsterdamse IJburg, wordt geacht meerdere keren per week op de Thialfbaan in Heereveen te trainen. Schaatsprofessor Henk Gemser slijpt dan aan zijn techniek.
Als je zoals Hoogeveen, niet over snelle benen beschikt  moet je andere middelen in de strijd gooien. Daar is niets geheimzinnigs aan, maar doodgewoon nog hárder de finale van en wedstrijd ingaan. Zorgen dat niemand naast je komt. Hoogeveen met de sprint van een gemankeerde schildpad, eindigt daarmee wel regelmatig bij de eerste tien. Na een loodzwaar seizoen, met als apotheose de kampioenschappen en klassiekers op natuurijs, moet je als professionele schaatser het ‘zwarte ijs’ zien. Heb je er even schoon genoeg van, krijg je lichte braakneigingen bij het zien van trainingsschema’s. 
joukekarperNiet Jouke Hoogeveen. De man, liefhebber pur sang, schakelt moeiteloos over op zijn allereerste liefde: het skeeleren. Iedere avond is hij op zijn spacy uitziende rollers te vinden in het Diemerpark, een boogscheut van zijn huis. Jouke Hoogeveen, de Beul van IJburg, traint dat lange, tanige en schrale lijf voor de komende skeelerkoersen. Zoals de ‘Klim van Steenwijk’, een klassieker met lugubere bijkomstigheid dat in het parkoers een heuvel zit. Omhoog gaan op rolschaatsen is één, maar dalen in een vol peloton met zestig in het uur is doodgewoon heel eng.  Hoogeveen, een gewezen winnaar van ‘De Klim’, haalt zijn schouders daarover op, gewoon niet aan denken. Dat Jouke Hoogeveen alleen maar leeft vanuit een sporttas, is niet waar. Regelmatig verruilt hij zijn schaatsen en skeelers om voor die andere passie. De snoeken en karpers rondom Diemen en IJburg weten dat als geen ander.
En dan is er nog die ene onbeantwoorde vraag: wie won nou hét ultieme duel tussen die twee tramhaltes op de Overtoom? Er is maar één Amsterdamse Fries die dat kunstje kan flikken.

Gespierde kopspijker in de kreukels

maasvanbeekbedBarneveld, bruisend hart van de bible belt. Dorp waar op de zevende dag des Here, de kerken drie keer massaal bezocht worden. Waar vanaf de kansel mijnheer de dominee met  duistere, angstaanjagende hellepreken de gemeente geselt. En waar de rest van de week in het zweet des aanschijns, om maar even in Bijbelse sferen te blijven, keihard wordt gewerkt. En nét op het moment dat je die Barnevelders het etiketje ‘saai’ op hun zwarte kousen wilt plakken, zijn daar ook Jan en Maas, die de uitzondering op de regel maar even bevestigen. Want Jan van Schaffelaar, om van zijn belagers af te zijn, sprong in 1482 van de Barneveldse kerktoren. De uit elkaar gespatte Jan werd daarmee trendsetter, én lichtend voorbeeld, voor een stoet  kamikazepiloten, Jihadstrijders, bomgordelterroristen en andere halfgare zelfmoordrakkers. 
En Maas van Beek dan? Nou, die deed ook het onmogelijke. Op een leeftijd waarop hij op de poorten van het lokale bejaardentehuis geacht werd te kloppen om zich alvast in te laten schrijven, pakte hij het werelduurrecord achter de derny: waar alleen gereputeerde profs het patent op hadden.maasslecht
En dat was meteen het begin van een fascinerend proces. De nationale sportpers legde  direct een cordon sanitaire om Van Beek heen. Maas van Beek, die gespierde, uitgebleekte kopspijker met de longinhoud van een Zeeuws trekpaard, werd niet serieus genomen. Van Beek tegen de zestig jaar, verbrak prompt nog maar een keer zijn eigen record. Het vaderlandse journaille had die Van Beek namelijk behoorlijk beledigd.
Maar dan is het begin maart 2013:  het  kampioenschap van Amsterdam. Wat voor de recordhouder een aardig trainingsritje moest worden, eindigde in een nachtmerrie. Van Beek met vijftig in het uur ten val gekomen, werd met gillende sirenes naar het Slotervaartziekenhuis gebracht. Waar voor zijn leven werd gevreesd. Maas Van Beek, held én voorbeeld van geriatrisch Nederland, verworden tot een zielig hoopje mens met een gescheurde dunne darm, gekwetste lever en andere enge aandoeningen, tussen het witte linnen. Met als extra dimensie dat het  hoofdstedelijke Slotervaart een soort medisch Fort van Sjako bleek te zijn. Dwars door de  morfine en tranquilizers heen zag Van Beek haarscherp de misstanden in het ziekenhuis. Stofnesten op de vloer, bloedspatten op infuushouders,  poep op plekken waar dat niet behoorde. En als uitsmijter ook nog een vijfhonderd piek uit zijn portemonnee gejat. Met de boodschap van twaalf  weken niet fietsen mocht Van Beek na een paar weken eindelijk naar zijn gezin.
maas3Drie maanden niet fietsen? Voor de Barnevelder, een gedrevene, tegen het randje van bezetenheid aan, een kennisgeving. Nog maar amper thuis, kroop hij met zijn uitgemergelde lijf op de hometrainer. Foto’s daarvan roepen meteen dejavu’s op van veldlazaretten aan een oorlogsfront. Je hoeft geen medicus te zijn om te zien dat dat  niet zó verstandig was. Van Beeks lichaam mag dan gebutst, en geknakt zijn, de  geest is nog optimaal. Over vijf maanden vertrekt hij naar Bolivia, waar de hooggelegen wielerbaan al gereserveerd is. Maas van Beek gaat dan voor de dood of de gladiolen want voor de derde keer zijn eigen record aanvallen. Ongetwijfeld staat Jan van Schaffelaar, in betere oorden, goedkeurend en enthousiast te knikken.

Foto’s: Maas van Beek, Rob Duin.

Records, en gebarsten schedels als rijpe meloenen

Stinson, Will (1)Willy Stinson flikte het toch maar. Terwijl ze in het Europa van rond 1900 nauwelijks vijftig kilometer in het uur haalde, jakkerde Willy, achter de motortandem, bemand met stuurman Harry Miles en gangmaker William Stafford  naar vierenzestig kilometer: tevens een  nieuw wereldrecord.  Willy’s record, gevestigd in Boston, was hét startsein voor een krankzinnige wedloop om dat aan te vallen. Het werelduurrecord achter de zware motor, krantenpersen werden daarvoor stop gezet, en als renner had je daarmee een ‘binnenkomer’.  Een prestigieuze aangelegenheid  dus waarvoor renners bereid waren  daar héél ver in te gaan. Maar er was wel dat ene vervelende probleem: de Europese motoren waren niet zó snel als de Amerikaanse. Piet Dickentman, handige knutselaar, loste dat uiterst creatief op. De Amsterdammer plaatste de buddyseat van de motor tot boven het achterwiel. Waarmee de renner optimaal in de zuiging van de motor zat. Had wél wat  vervelende  gevolgen. In volle snelheid begon het  voorwiel van de motor te zweven. Blokken lood, aan het stuur gehangen, moest dat voorkomen: het leven van renners, gangmakers én publiek was niet zóveel waard.  
Sommigen stayers wilden nog dichter tegen de motor zitten, en lieten een ultrakort fietsje bouwen. Zo één waarbij de pedalen naast het voorwiel kwamen. Spektakel in steile bochten als het  pedaal in het voorwieltje kwam. Een risico dat graag genomen werd, per slot van rekening moest je voor eeuwige roem, het geld en de bijbehorende lekkere meiden, wat voor over hebben. Binnen een aantal jaren werd Willy’s record meerdere keren uit de boeken gereden,  om in 1910 te eindigen bij honderdtien kilometer per uur.krantenkop
En Willy Stinson met zijn gabbers Stafford en Miles? Het trio ging hun record verzilveren en waren gecontracteerd voor de L.A.W. RaceMeet, een koers in Walham, Massachusetts. Nadat het startschot klonk, de renners waren weggeduwd,  ging het  meteen vreselijk mis.
Bij het uitkomen van de bocht raakten drie motoren in een slip en een catastrofe was een feit. De achteropkomende motortandem van Willy Stinson klapte er vol bovenop. Stuurman Harry Miles en gangmaker William Stafford werden letterlijk gelanceerd.  
Miles, die met zijn hoofd tegen een elektriciteitspaal kwam, werd zwaar gewond naar de rennersboxen gesleept en op een stretcher gelegd. Volgens de streekkrant The North Adams Evening Transcript, was Harry’s schedel gebarsten als een overrijpe meloen waarbij zijn hersens op de stretcher lagen. Binnen enkele minuten blies Harry, 25 jaar, zijn laatste adem uit.
tommyhall99Met gangmaker Stafford liep het ook niet fijn af. De journalist van dienst beschrijft tot in de meest gruwelijke details Williams laatste momenten op dit ondermaanse, want zijn schedel was verbrijzeld, zijn neus gebroken en door de val was zijn kunstgebit in zijn keel geschoten. Dat Stafford, 25 jaar, daaraan overleed was ter kennisgeving.
Voor het aanwezige publiek moet het ook een helse, traumatische en onvergetelijke avond zijn geweest! De op hol geslagen motortandem vloog over de balustrade en kwam middenin tussen de toeschouwers terecht. Dat daarbij geen doden vielen maar ‘slechts’ gebroken botten was een wonder.

Foto 1: Willy Stinson, foto 2: Tommy Hall, brak het record in 1903.
Bron: the Boston Globe, Radwelt jaargangen 1903 t/m 1910.

Met een schep zoekend op de slachtvelden

bertinweisEen straffe, gure noordooster huilt door kale bomen. Ramen rinkelen in sponningen. In het doodstille, donkere huis kraken spontaan planken. Het is ver na middernacht. De duisternis in de  werkkamer van Stuyfssportverhalen wordt doorbroken door één klein bureaulampje. Perfecte omstandigheden  om op zoek te gaan naar de ‘onbekende gesneuvelde stayer’. De digitale  internationale krantenarchieven worden met een schep minutieus doorploegd.  Op de slagvelden van het, voorheen, levensgevaarlijke stayeren worden de nodigen namen opgedolven: wat tevens een dosis frustraties bezorgt. Bij namen hoort immers ‘het verhaal’ en, heel belangrijk, een foto. En daar zit nou net de kneep. Van de meeste, vaak piepjonge renners, aan het begin van hun loopbaan, is in de diverse archieven, niet veel te vinden. Jammer! Zo’n onbekende jongen, lang geleden doodgevallen heeft wél recht op naamsbekendheid, behoort bijgezet te worden op het digitale begraafplaatsje van  Stuyfssportverhalen, waar inmiddels zesenvijftig verongelukte stayers en gangmakers voorgingen.

Twee jaar later valt voor de Duitse stayer Haeser de laatste korrel door de zandloper.  Haeser waarvan niet meer bekend is dan zijn naam, verongelukt in 1903. Twee jaar later is het de beurt aan  Paul Dunkel. Paul, gangmaker stond samen met zijn vriend én renner Bruno Demke op de affiches van de  Grote Prijs van Berlijn op 19 oktober 1906 wat de afsluiting was van het seizoen: en tevens zijn leven. In gewonnen positie met nog één ronde te gaan, krijgt de motor van Paul een klapband. Gangmaker en renner stuiteren over de baan. Dunkel, zwaargewond met paard en wagen afgevoerd naar het ziekenhuis, overlijdt niet veel later.Copy of demkedunkel2
Ondanks het drama met de  Nelsonbrothers  waren er in Amerika genoeg jongens die op de wielerbaan lijf en leden in de waagschaal stelden. Ook Lewis Trettling waarvan niet meer bekend is dan dat hij in het Boston van 1908 tijdens een honderd miles koers viel en op slag dood was. 
In de archieven van de Amsterdamse politie bevindt zich ongetwijfeld nog een stoffige, vergeelde proces-verbaal over hem. De Duitse gangmaker Wronker was ooit betrokken bij een kolossale knokpartij op de hoofdstedelijke Zeeburgbaan (zie verhaal elders op deze blog). In het archief van  Stuyfssportverhalen duikt zijn naam regelmatig op, om opeens spoorloos te  verdwijnen. Nu is duidelijk waarom. Wronker in Keulen betrokken bij een valpartij, reed als een razende tegen de balustrade en vloog mét motor, vervolgens tussen de opeengepakte mensenmassa en gaf de geest, wat gebeurde begin augustus 1926.
wronEn dan is er ook nog gangmaker Bertin, ook op zo’n geheimzinnige manier verdwenen uit de archieven. Logisch. Bertin, gangmaker van de eerder dodelijk verongelukte Brécy (zie: verhaal elders op deze blog), ontdekte dat hij als aviateur een nog grotere adrenalinekick kon krijgen. In 1909 stortte Bertin, én zijn toestel, als een dodelijk aangeschoten meeuw uit de lucht .  

Gaat vervolgd worden.

Foto 1: Achterop de motortandem gangmaker Bertin, Foto 2: Dunkel met Demke, Foto 3: Gangmaker Wronker.
Bron: digitale archieven: New York Times, Boston Globe, diverse Nederlandse en Duitse krantenarchieven.

Journalist met talent voor horror

rennbahnkatastropheBram Stoker, Edgar Allan Poe, Stephen King  en andere grootmeesters van het griezel- en horrorgenre konden er een puntje aan zuigen. De journalist van de Berliner Lokalanzeiger  had dan ook een scherp oog voor het lugubere detail.  Zondagmorgen 18 juli 1909, nam hij, in  blije afwachting, zijn plaatsje in op de tribune van de  hagelnieuwe wielerbaan gebouwd in de Botanische Garden van Berlijn. Verkneuterend op wat ging komen, controleerde hij nog maar even de scherpte van zijn potloden. Voor hem kon de openingskoers van start gaan. Zo’n leuke stayerskoers waarvoor het stadion met ruim zesduizend toeschouwers was uitverkocht.  Op de aanplakbiljetten Contenet, Ryser, Stellbrink en Stol. Jongens, die de rol van de zware motortandem lieten sissen.  En heet ging het zeker worden. 
Nadat de zware motortandem van Fritz Ryser door een klapband midden in de volle tribunes was beland ontplofte de benzinetank: tevens het moment  dat het   horrortalent van die onbekende journalist van de Lokalanzeiger ontwaakte. De man zat er boven op.  IJverig noteerde hij zijn gruwelijke verslag, wat menig lezertje een dag later bij de ontbijttafel zijn  bordje deed wegschuiven. Zijn opening mocht er zijn. ‘Een plotselinge gil uit duizenden kelen’, schrijft hij punctueel, om er op te volgen dat hij tevens twee lichamen door de lucht zag suizen. Terwijl de houten tribune in de hens stond bleef de scribent bij de les. Gelukkig wel. Want zijn verslag leest weg als een spannende horrorthriller.fritzryserschwartser
Een dame gekleed in een zwart kanten jurk staat in vuur en vlam, pent hij neer.  Het inferno van Dante is  kinderspel bij wat hij vervolgens noteert.  De opeengepakte mensenmenigte, sommigen zwaar verbrand, verdringt en vertrapt elkaar om door de kleine uitgangen weg te komen. Om achteloos te vervolgen dat de zwaargewonde gangmakers Emil Borchardt en Porte naar het middenterrein werden gesleept. Van alle kanten klonk gekreun en gekerm, vervolgt hij zijn infernaal verslag. Verbrande mensen worden naar buiten gedragen en onder de restanten van de motor komt een verkoold en onherkenbaar geworden lichaam te voorschijn.
Had hij zich nou alleen maar tot de koele en kille cijfers beperkt, want negen doden en vijftien zwaargewonden  ­-  erg genoeg – dan was er niets aan het handje. Maar de man weet van geen ophouden, gaat helemaal los. Hij  moest ook zo nodig buiten het stadion even polshoogte nemen. Waarmee zijn verslag meteen een nóg verschrikkelijker wending aanneemt. De kreunende, schreeuwende zwaargewonden, observeert hij vol bloederige details, werden volgens hem stuk voor stuk op baren gelegd en naar het ‘Unfallstation’ gebracht. 
Terwijl het nieuws in Berlijn langzaam doordringt, de wagens van de brandweer, op de Potsdammer-Strasse met luide schellen af en aan reden, werkt hij zijn verhaal naar een nachtmerrieachtige, gruwelijk climax toe. Want van de andere kant, zo schrijft hij, kwam langzaam een rijtuig aangereden, waarin twee mannen gezeten die het bloederige lijk van een man op hun knieën hadden liggen.  startkatastroofOm  zijn verslag onheilspellend te beëindigen met de vraag, waar de volgende dodenrit plaats zal hebben.

Foto 1: Een kwartier na de ramp. Foto 2: Fritz Ryser achter de motortandem, Foto3: De start voor de dodenrit. Links Fritz Ryser, Henry Contenet, John Stol, en Europees kampioen Arthur Stellbrink. Op de pas geopende wielerbaan reden Contenet en Stol reden met een bril, want hadden last van de carboleumdampen  waarmee het hout van de baan was  bewerkt.

Geheimzinnige Goethart opgelost in de geschiedenis

fielgoethartVolkómen onbekend. Eén brok mysterie. In de analen van de Nederlandse wielersport komt zijn naam zelden voor. In het digitale krantenarchief zwerven wat uitslagen, en in de jaren dertig schreef Bosch van Drakestein in de Zutphense Courant een verhaal over hem. En daar bleef het bij. Ondanks dát behoort hij tot dé  wielerpioniers van dit land. René Louis de Fielliettaz Goethart, omhuld met geheimzinnigheid, heeft niet veel sporen nagelaten. Zelfs voor zijn eigen familie is hij dé grote onbekende. De mysterieuze de Fiellittaz Goedhart was omstreeks 1900 een stayer, zoveel is zeker, en reed zijn koersen voornamelijk in Duitsland, België en de Nederlandse banen. Stuyfssportverhalen ontving een maand geleden een mailtje van Josephine Isaacs, kleindochter van René Louis, met het vriendelijk verzoek om het sportlacune van haar opa in te vullen. Helaas, in zijn archief komt hij ook niet voor. Dat laatste heeft Goethart aan zich zelf te wijten. De man is nooit beroepsrenner geweest! Het toenmalige journaille had alleen maar oog voor het beroepswielrennen en schreef daar de kolommen mee vol.
De Fiellittaz Goethart was en bleef een amateur. Vrijwel alle stayers waren afkomstig uit zeer eenvoudige milieus. Voor die jongens was het vaak levensbelang om met hun sport aan de armoede te ontsnappen. Wat nog een helse klus was. Om stayer te worden moest, tussen 1898 en 1908, een renner  zelf over zijn motoren beschikken. Om deze te bekostigen werden schulden gemaakt, leningen aangegaan. Of  anders waren het supporters die met de pet rond gingen. Piet Dickentman, zojuist zijn talent ontdekt, kreeg van de in Amsterdam woonachtige en puissant rijke Duitse zakenman Salzman zijn twee motoren. Fielliettas Goethart had dat allemaal niet nodig want was telg uit een rijke familie. goedhartmotor
Dat  René Louis een gedreven wielrenner was, bewijst het familiefotoalbum. Unieke, nooit eerder gepubliceerde, adembenemend mooie foto’s waar niet alleen de sportman Goethart naar voren komt maar ook een mooi tijdsbeeld van het wielrennen anno 1900. 
goedharttandemOp wielerbanen  gemaakt van dwarsliggende, slordig gelegde, grof houten planken reed Josephines illustere opa zijn koersen.  De Fielliettaz Goethart, opgegroeid  op het  Apeldoornse landgoed De Pasch, zoon van een grootgrondbezitter, was niet alleen stayer maar zat samen met vriend en collega-renner Viruly op de tandem.
De laatste afkomstig uit hetzelfde milieu, werd burgemeester van het Zeeuwse Westkapelle. Goethart was net als tijdgenoot Jaap Eden een fervent schaatser. In 1904 vertrekt de landjonker naar Davos om daar te trainen: tevens de laatste signalen van zijn sportieve bestaan.  Zijn wielercarrière eindigde een jaar later en was meteen het begin van de grote verdwijntruc. De Fielliettaz Goethart, omhuld met raadselen en opgelost in de sportgeschiedenis, overlijdt in 1928, op zevenenveertigjarige leeftijd.
Foto 1: Baankoers in Breda omstreeks 1898, rechts De Fielliettaz Goethart. Foto 2: De Fielliettaz Goethart. Foto 3: Voorop de tandem Viruly.

Adolf nam ook zijn pistool mee

demkethormanvliegDe man had lef, zoveel is zeker. Of was anders een tikkeltje knots. Misschien wel beide.  Adolf Thormann, adrenalinejunk vér voor het begrip bekend was, had een merkwaardig  leven. Voor de man was geen dag hetzelfde. Als hij heelhuids de avond haalde moet hem zelf het meest verbaasd hebben. Adolf was namelijk stuurman, op de levensgevaarlijke motortandem. Adolf Thormann, een naam waarbij visioenen van pickelhelmen, en laarzen met spijkers opdoemen,  kon alleen maar sturen. Niet remmen. Dat moest hij over laten aan Ernst Wolf, achter op de motor.
Adolf en Ernst, twee ijzeren Heinen uit Berlijn, de gangmakers van Piet Dickentman. Het kán gewoon niet anders dan dat Adolf, tijdens zo’n race regelmatig kreetjes van pure doodsangst uitstootte. Voor  hem was het altijd maar de vraag of Wolf, met negentig op de teller, wel op tijd remde. Adolf, voorop, zag met griezelige regelmaat links en rechts renners en gangmakers zich de pletter rijden. Adolf nam het leven dan ook maar niet zó nauw: voor de Berlijner smaakte dat naar meer.  Drie jaar nadat de broertjes Wright in Amerika als eerste het luchtruim hadden gekozen, knutselden Thormann met kameraad Bruno Demke hun eigen vliegtuigje, gemaakt van bamboestokken, een motorblok gemonteerd op het onderstel van een kinderwagen. Copy of pietdubbelmooi
Na een vlucht van enkele kilometers stortte het toestel neer. Bruno, tevens topstayer en Adolf overleefde de crash. Tien jaar later, 24 augustus 1916,  moet Bruno, in een split second ongetwijfeld aan zijn makker Adolf gedacht hebben. Bruno Demke, oorlogspiloot bij der Kaiserliche Luftstreitkräfte, gezeten in zijn rode Fokker dubbeldekker, was bezig neer te storten, en nam even later zijn plekje in de Grote Pilotenhemel in. Adolf Thormann had toen al een mooie carrière achter de rug.
Als der Adolf op de man was gevraagd wat zijn mooiste overwinning was, dacht hij ongetwijfeld aan 1903, het wereldkampioenschap gehouden in Kopenhagen waar hij Piet Dickentman naar zijn enige wereldtitel voerde. Adolf had in Denemarken niet alleen zijn Brennabormotor meegenomen maar ook zijn Lügerpistool: altijd handig. Terwijl Taddy Robl, de grote concurrent van Dickentman, de avond voor de race al zijn vrienden op champagne trakteerde voor zijn komende titel, sliep Adolf, met getrokken pistool bij de gangmaakmotor: bang dat de concurrentie die zou saboteren.
Copy of adolfpietDe titelrace behoort inmiddels tot de vaderlandse wielerklassieken. Piet Dickentman reed Robl op negen ronden en nummer drie Alfred Görnemann op vijftien ronden. Net als zoveel van zijn wielerkameraden mocht en moest Adolf Thormann in de Grote Oorlog een uniform aantrekken. Na de oorlog was Thormann nog actief en vierden in 1923 zijn zilveren jubileum als gangmaker om dan langzaam op te lossen in de geschiedenis.

Foto 1: Bruno Demke, rechts en Adolf Thormann, links voor hun zelf gemaakte vliegtuigje. Foto 2: Piet Dickentman achter Wolf en Thormann met links zijn reservemotor bemant met Gerrit de Regt en Josef Schwarzer. Bij koersen over honderd kilometer was halverwege de benzine op. Dan kwamen De Regt en Schwarzer in de baan waarna Dickentman, in volle jacht, even overwipte. Twee jaar na dat de fotograaf afdrukte vielen Schwarzer, 27 jaar, en Wolf 28 jaar, dood. Foto 3: Kopenhagen 1903, Dickentman, zojuist wereldkampioen geworden met naast zich Thormann.

Bron: Revue der Sporten jaargang 1907, Radwelt jaargangen 1903 t/m 1923. Vlaamse SportRevue jaargang 1933, interview met Piet Dickentman.

El Cañón sneuvelde in de drieënveertigste ronde

nicolaumotorDe status van held werd bereikt. Een beloning nadat hij zijn  geboortegrond op de  wereldsportkaart had geplaatst. Josep Nicolau, geboren en getogen op Mallorca. Razend populair op zijn eiland, kon daarom iedere Mallorcaan tot supporter rekenen. En die laatsten zagen hun held dagelijks op zijn fietsje voorbijkomen. Prompt hielden moeders hun vruchtbare dochters angstvallig en strak in de gaten. Jonge mannen keken hem jaloers na. Josep Nicolau, bruine, mooie kop, felle arendsblik,  had alles aan de koersfiets te danken. Dank zij het wielrennen werd ontsnapt aan een treurig bestaan als visser of herder. Josep won als jonge prof etappes in de ronde van Mallorca en van Catalonië. De koersende Mallorcaan met de bijnaam het Kanon van Llorito, greep tijdens het Spaans wegkampioenschap ook nog eens de derde plaats. Voor  El Cañón, gloorde een  prachtige loopbaan als wegrenner. De grote omlopen van Frankrijk, Spanje en Italië  lonkten naar hem.nicolau
Josep Nicolau, pragmaticus, keek verder dan de contouren van de Spaanse kust, en maakte een kleine calculatie. Fietsen op de weg, zwaar, vies en nog eens slecht betaald.  Ongetwijfeld wist Nicolau dat op de Europese wielerbanen het grote geld lag. Josep, komend uit het dorpje Lloret de Vistalegre,  maakte vervolgens de overstap naar het stayeren. Voor Nicolau kat in bakkie want getraind kon worden op het Velodrome van Palma. Achter gangmaker Miquel Llompart werden lange dagen gemaakt.
Nicolau en Llompart, als stayerende  don Quichot en Sancho Panzo, gingen de windmolens op de wielerbanen van Europa bestormen. Maar pas nadat de Spaanse stayerstitel binnen was gehaald: altijd een lekkere binnenkomer voor nieuwe contracten.  Als voorproefje mocht het eilandsduo in 1930 naar het wereldkampioenschap in Parijs. Josep Nicolaus, de eerste renner van Mallorca die op een mondiaal kampioenschap de eer van zijn eiland mocht verdedigen. In de lokale tavernes, met volle kruiken Cabernet op de tafeltjes, waren de verwachtingen hoog gespannen. Helaas. Jong en onervaren terechtgekomen in het professionele stayerswereldje waar flikken de mores was. El Cañón sneuvelde in de series.
bustenico
Net als de wijn van zijn eiland moest de jonge stayer rijpen, wat gebeurde op Spaanse en Franse wielerbanen. Koershard geworden breekt 1934 aan. Het jaar waarin euforie en verdriet samen optrekken. Na meer dan dertig stayerskoersen gewonnen te hebben is het 18 november: de dag dat de nationale stayerstitel verreden werd. Plaats van handeling het Velodrome van Palma. Thuiswedstrijd met volle tribunes, die één man als favoriet hadden. Het werd de koers van het grote afscheid. In de drieënveertigste ronde komt Mallorca’s hoop en trots ten val. Een dag later sterft Josep Nicolau, 27 jaar, aan de gevolgen van een zware schedelbreuk.
Josep is in de wielergeschiedenis al lang en breed vergeten. Maar niet op Mallorca! Daar wordt sinds zijn dood ieder jaar de Grote Memorial Josep Nicolau, een wielerkoers voor amateurs, gehouden.  De winnaars worden gehuldigd, hoe kan het ook anders, bij Joseps  borstbeeld in zijn geboortedorpje Lloret de Vistalegre.

Foto 1: Josep Nicolau met kampioensjerp samen met gangmaker Llompart. Foto 2: Josep Nicolau. Foto 3:  Huldiging prijsrijders van de ‘Memorial  Josep Nicolau’ bij diens borstbeeld.

Met dank aan Club Ciclista Lloret de Vistalelegra voor de foto’s.

Het bloed blijft voorlopig nog stromen

deslegte 003De Boekenweek raast in volle snelheid door de media.  Stuyfssportverhalen gaat even mee in de waan van de dag. Wanneer zijn verhalen en columns in boekvorm verschijnt, een vraag die regelmatig wordt gesteld. Drie jaar geleden werd in eigen beheer de biografie van Piet Dickentman, oplage zeshonderd, uitgegeven. Binnen anderhalf jaar was vrijwel alles verkocht en nog steeds druppelt de verkoop van de allerláátste exemplaren door. Een mazzeltje achteraf. Bevestigd door een bevriende uitgever die  opmerkte dat het commercieel een goed resultaat was. De  oplage van een gemiddeld Nederlands sportboek schijnt, uitschieters daar gelaten,  niet zó hoog te zijn, ondanks het dikwijls prachtige aanbod. De boekenmarkt, maar vooral die van de sport, is volgens kenners helemaal verzadigd. Wat pijnlijk bevestigd wordt bij De Slegte, in de Amsterdamse Kalverstraat. In dé boekenramshzaak van Nederland liggen de schappen vol met rijen titels van topauteurs als een Erik Brouwer, Arthur van den Boogaard, Peter Winnen en edities van De Muur. Boeken, prachtig vorm gegeven, een must voor iedere wielerliefhebber, vol met schitterende  verhalen, en nog niet eens zólang geleden met lovende recensies ontvangen. Ontmoedigend voor aankomende sportschrijvers. Stuyfssportverhalen, inmiddels zijn eigen digitale platformpje  gaat dan ook maar niet op ‘papier’. De liefhebbers van het morbide sportverhaal  zijn nog steeds hier van harte welkom, op de site waar  het bloed voorlopig nog even blijft stromen.

Bezoek ook regelmatig http://stuyfssportverhalen.com/category/verongelukte-wielrenners/ het digitale begraafplaatsje, dat regelmatig ‘aangeharkt’ wordt.