Aanval op wereldrecord jaar uitgesteld

maasovaalMaas van Beek schreef sensationele wielergeschiedenis door het hoog genoteerde werelduurrecord achter de derny te verbreken. Van Beek is bijna zestig jaar. Maar ook voor hem tikt de biologische tijdklok genadeloos door. Waar leeftijdgenoten dromen van een onbezorgd leventje als pensionado wil hij nog één keer zijn eigen record aanvallen. Het zal Van Beeks laatste kunstje worden. De fiets wordt daarna aan de haak gehangen. Maar de recordpoging, gepland op een hooglandbaan ergens in Amerika, gaat niet door. Het laatste op dringend advies van sportartsen én adviseur Rini Wagtmans. Een heel verstandige beslissing. Van Beek, afgelopen maart ernstig gevallen met complicaties als een geperforeerde darm, leverbeschadiging was redelijk hersteld, toen hij getroffen werd door de ziekte van Pfeiffer.  Maas van Beek, een gedreven en fanatieke sportman, wil volgend jaar nog één keer bewijzen dat hij, en niemand anders, ’s werelds snelste man achter de derny is. 

‘Een edele verkondiger der Vlaamsche wilskracht’

Copy of buyssejulienDe Tour, editie 2013 is van start gegaan. In de eeuw dat deze koers bestaat is daar letterlijk alles over geschreven en gepubliceerd. Stuyfssportverhalen gaat ondanks dát  mee in de waan van het moment en probeert de niet betreden paden te bewandelen door aandacht te geven aan de onbekende Tourhelden, zoals Jules Buysse.

 Een zielige meewarige blik, gebeiteld in een treurig hoofd.  Die je schuw aankijkt als een bedelende Labrador om een hondenkoekje. Het begrip arbeidsvreugde is ver weg. Daar zat de fotograaf  van wielerploeg ‘Automoto’ mooi niet mee. Voor een promotiefoto ‘knipte’ hij  de camerasluiter gewoon af. 
Jules Buysse, had geen  fijn bestaan, want was profwielrenner, om de harde franken en meer niet. Diep in zijn hart had d’n  Sjuul liever in het staminee van Wondergem, zijn dorp, de dagen al pinten hijsend doorgebracht. Met vrienden ‘klappen’ over de mooie dorpsmeiden. In plaats daarvan was Jules samen met broer Lucien  aanwezig in de Tour van 1926.  Waar in de eerste etappe de borst en het rennerskruis nat gemaakt werden. Al was het alleen maar om het hondenweer.  Project1
Op stapel staat Evian-Mulhausen een etappe over de monsterlijke afstand 373 kilometer, in ijskoude regen te rijden. Probeer daar maar eens vrolijk bij te blijven. Koersen over slechte wegen. Met kille gevoelloze handen zelf de lekke banden van je velg rukken en vervangen. Fietsen dwars  door het Juragebergte met als uitsmijter de klim van La Fancille, een pokkenpuist van dertienhonderd meter. Juultje, telg uit een Vlaams rennersgeslacht, net vijfentwintig jaar, een  simpelaar van het Vlaamse vlakkenland.
BUYSSE JulesNooit verder geweest dan de vlasakkers, beschikte over iets wat hij vermoedelijk in zijn meest woeste dromen kon vermoeden: de man kon dalen als een duivel. De Wondergemmer sloeg in de afzink van de La Fancille toe en sloeg op hol. Wat de meereizende journalist van Het Laatste Nieuws deed opschrijven dat Jules, ‘In een goede dag zat, en een edele verkondiger der Vlaamsche wilskracht’ was.
Op de finishstreep na veertien uur met ‘god en alleman’ aangeroepen te hebben. kon Jules zes minuten wachten op landgenoot Kamile van de Casteele, alvorens hij in de gele trui werd gehesen: die hij een dag later weer kwijt was. 
20 juni 1926 de dag dat  Jules Buysse zijn Nirvana beleefde, de vooravond van  een heldenstatus.  Wat allemaal niet door ging. Daar stak zijn broer Lucien een stokje voor door de Tour van dat jaar te winnen. De laatste blijft voor altijd in wielergeschiedenis beklijven. En mocht dat wapenfeit eventueel over het hoofd gezien worden: op het dorpsplein van Wondergem is Lucien met een standbeeld voor eeuwig in brons gevangen. En broertje Jules? Die moest het doen met die ene lullige publiciteitsfoto. Het leven van een profrenner kan wreed zijn.

Bron: Het Laatste Nieuws jaargang 1926.

Le Coup de Pistolet signal du Départ

Copy2 of wkfina1907fotograafIn zijn hand rust een startpistool, die hij achteloos achter zijn rug afvuurt. Een man met een té kleine bolhoed, waar Oliver Hardy patent op had,  had daarmee het startschot gegeven. Op een zondagmiddag  op de Parijse Vélodrome Buffalo ergens in 1905, neemt de tandemrace een aanvang. Op het moment suprême gebeuren er meerdere dingen tegelijk. Terwijl het vuurwapen een klein rookwolkje uitspuugt, renners hun beenspieren spannen, publiek nog even behaaglijk over de balustrade hangt, drukt een fotograaf de sluiter van zijn toestel in. Waarom de fotograaf van dienst dát plaatje schoot zal altijd een raadsel blijven. Had hij nog een glasplaat over? Deed hij dat uit balorigheid? Per ongeluk? Maakt ook niks uit. Met zijn actie bezorgde hij namelijk het nageslacht een aardig tijdsbeeld van het prehistorische baanwielrennen.  walthouransicht
‘Eén foto zegt meer dan duizend woorden’,  om een stoffig spreekwoord af te poetsen, wordt maar weer eens bevestigd. Want houten tribunes bevolkt met voornamelijk mannen. Tussen platte petten en andere hoofddeksels ook een vrouwenhoed.  De eigenaresse, een eigenaardig soort duivenplatje op haar hoofd,  beschikte óók over een ijzeren maag én stalen zenuwen. Baankoersen, zo’n honderd jaar geleden, een ruig spektakel, waar alleen  liefhebbers van het kaliber ‘ruwe kerels’ op af kwamen. Krakende, brekende botten en opspattend bloed hoorden er dan ook bij als de programmaverkopers aan de poort van de wielerbaan. Of anders belandde er wel een gangmaakmotor midden in de tribunes.    
In 1903 mocht dan de Tour de France zijn première beleven, dat neemt niet weg dat Bobby Walthour populairder was dan de rondrit door Frankrijk. Het grote, met de hand beschilderde reclamebord laat het volk weten dat Bobby in zeventien koersen evenzoveel overwinningen boekte. De Amerikaanse stayer, wereldkampioen in 1904 en het jaar daarop,  had dat allemaal te danken aan Cycles JC, dé fiets waarop Walthour achter de gangmaakmotor jakkerde.
Copy of buffalobaanDe maker van de foto, lang en breed bij zijn Heer, is totaal vergeten. Maar zijn product blijft voor het nageslacht ieder geval bewaard. En wie dé belangrijkste figuur op de foto is? Dat waren niet de renners, en al helemaal niet die ene zich ongetwijfeld belangrijk voelende bobo met zijn pistool. Er is namelijk maar één die de geschiedenis getrotseerd heeft. Dat is en was die andere fotograaf met zijn houten kiekkast nog in de handen. Met gefronste blik, puntsnor, en strak gesteven nekboordje van het type ‘vadersmoordenaar’ werd hij, wat Stuyfssportverhalen betreft, voor altijd gevangen op één van de mooiste foto’s ooit.

Foto 1: Le Vélodrome Buffalo

Foto 2: Bobby Walthour op zijn JC-karretje.

Foto 3: Le Vélodrome Buffalo, met onderin de stadionomroeper.

Ansichtkaarten voor renners met dubieuze populariteit

jacquelin4 januari 1903. ‘Bedankt voor je mooie herinneringen goede vriend. Ik hoop dat het goed gaat met je gezondheid en dat je terugkeert met geweldige herinneringen. De winter is bij ons vochtig. Ik hoop dat jij fantastisch weer hebt. Gisteren geweldige avond gehad met Herberlus, Bafalre en Filliette. We hadden heerlijk gegeten en daarna naar een concert en kroeg geweest’, waren de laatste handgeschreven woorden door C. Lhonailler, die niet  alleen begaan was met het welzijn van de ontvanger, maar ook een groot wielerliefhebber. Met priegelige, zwierige  letters had hij zijn boodschap, mét kroontjespen, op een foto met stayer Edmond Jaquelin,  geschreven. 
Als renner kwam je, een eeuw geleden,  niet zomaar op een ansicht te staan. Alleen het konterfeitsel van bekende en populaire stayers gleden door de gleuf van een  brievenbus. Stayers dus met de status van rocksterren. Ver voor het begrip ‘merchandising’ speelde uitgeverijen voornamelijk in Duitsland en Frankrijk daar handig op in. De drukpersen maakten overuren en oplages waren duizelingwekkend hoog. Renners mochten zich dan ook in een dubieuze populariteit verheugen. Waarvan het vermoeden bestaat dat een fotootje van zo’n jongen wel eens zijn laatste kon zijn. De ‘lijkbidder’ zat op de wielerbaan voorin de ereloge.Copy of willyschmitter
En als zo’n rolrijder verongelukte, werd de tering net zo makkelijk naar de nering gezet. Zonder scrupules werden kaarten uitgeven met een foto van de ongelukkige van dienst, compleet met graftakken en ander lugubere kerkhofparafernalia, waar de ontvanger fijntjes met het betrekkelijke van het leven geconfronteerd werd. Zoals op het laatste ansichtkaartje van Willy Schmitter, doodgevallen op drieëntwintigjarige leeftijd. Willy afgebeeld achter een motor bestuurd door Magere Hein met naast zich de Doodsengel. 
Veel kaartjes wekken de indruk geschreven te zijn vlak na een stayerskoers. Altijd leuk om andere de ogen ‘uit te steken’ dat je er bij was. Zoals ene Paul die op 28 augustus 1904 aanwezig was bij de Grote Prijs van Dresden, waar hij, zoals hij schreef  ‘een zeer spannende strijd zag, die gewonnen werd door Günther uit Keulen, met op de tweede plek Demke gevolgd door Bruni’.
Copy of rosenletterPaul, hoogstwaarschijnlijk een supporter van Dresdenaar Curt Rösenlocher, die samen met gangmaker Alfred Starke het kaartje opvrolijkte, vermeldde er gemakshalve niet bij dat zijn held, Curt, tijdens die koers laatste werd: (gevonden in de statistieken van Radwelt jaargang 1904: stuyfssportverhalen).   En wat stayer Edmund Jacquelin betreft, die had gezien zijn uitslagen er allemaal geen kaas van gegeten. En al helemáál niet hoe je moest poseren voor een fotograaf met diens houten kiekkast.  Deden zijn collega’s net alsof, Edmond liet zijn stuurman als een verbijsterd duinkonijn oenig in de lens kijken. Om vervolgens zelf met een gewone baanfiets, achter de petroleumtandem  de sugestie te wekken dat er keihard gefietst werd.
Vertaling kaartje Jacquelin: Annique Efdé.

The Lone Ranger van Wevelgem

Copy of samsonDe Onbekende Stille, zo zou je hem kunnen noemen, beoefende  decennialang de levensgevaarlijke stiel van het stayeren. Waar voor een beetje rolrijder de status van cultheld in het verschiet lag: met alle voordelen. Maar dát ambieerde hij niet, sterker, stelde niet eens op prijs dat zijn naam in de sportuitslagen circuleerde. Vond hij slecht voor zijn zaken, en koerste daarom onder de schuilnaam ‘Samson’.
Rare naam voor een jongen uit het West-Vlaamse Wevelgem. Julien Loontens kom je dan ook vrijwel niet tegen in de uitslagen.  Samson wél, of beter gezegd in de toenmalige wedstrijdverslagen, die bol staan van bloederige incidenten. Julien was dan ook regelmatig betrokken bij lugubere ongelukken op de wielerbaan.  Evengoed was hij bijna twintig jaar renner om den brode. Samson, geheimzinnige gozer waarvan alleen een paar foto’s van bekend zijn, met gespierde dijen, wapperende snor achter de zware Dürkoppmotor, was eerst wegrenner. Beëindigde in 1903 de Tour als zevende.  Was in het zelfde jaar ook nog actief op de kasseien van Parijs-Roubaix waar hij als twintigste over de meet kwam. Evengoed lagen de muizen dood in zijn broodtrommel. Julien, die de naam Samson aannam, maakte daarom de overstap naar het  lucratieve fietsen achter de motor: waar dood en verderf hand in hand gingen. Aangemoedigd door die andere Vlaming, Tuur Vanderstuyft met wie hij eind dat jaar ook uitkwam in de beruchte New Yorkse Zesdaagsen.Copy of aschipke
In de schaduw van de toppers scharrelde Samson als stayer op de Europese banen zijn kostje bij elkaar. De West-Vlaming had ook zijn uitschieters, van die dagen dat hij de rol kon laten schroeien. Zoals op 21  juli 1907, Belgiës nationale feestdag, wat gevierd werd met een grote stayerskoers over een uur. Plaats van handeling een uitverkocht en bomvol Karreveldbaan in Brussel. Op de affiches Karel Verbist, Albert Schipke én genoemde Samson. De laatste, inmiddels inwoner van Brussel, gecontracteerd om de eer van zijn stad te verdedigen, wat hij met verve deed.  Torenhoge favoriet was aankomende ster, de man die op de Duitse wielerbanen al furore maakte, Karel Verbist.  Maar die moest dan eerst afrekenen met die rare Samson. En dat koste Karel hoogstwaarschijnlijk het leven.
Na zevenenvijftig minuten koers lag Verbist, gegangmaakt door Ceurremans, een ronde achter op de import-Brusselaar. Met negentig in het uur en nog drie minuten te gaan ‘onder geestdriftig gejuich van den toeschouwers’, wist Verbist met de moed der wanhoop op kop te komen. 
Dan is het de laatste minuut, als Murphey’s Law ingaat. Alles gaat mis.  De motor van Ceurremans krijgt een klapband, Karel komt ten val, wordt aangereden door de motor van Schipke. Terwijl Karel stervend ‘met golven bloed’ over de baan glijdt, gangmaker Meinhold in coma afgevoerd wordt, wint Samson zijn enige koers.
VERBIST Charles (Karel) - 2Of Samson,  de Lone Ranger van het stayeren, na zijn loopbaan nog vaak stil gestaan had aan die gedenkwaardige race, is niet meer te achterhalen. Wél dat hij zelf in 1942 op zesenzestigjarige leeftijd tussen de witte lakens zijn laatste adem uitstoot.

Foto 1: Samson, Foto 2: De broertjes Schipke, Albert gegangmaakt door broer  Willy. Foto 3: Karel Verbist achter Ceurremans, de laatste verongelukte twintig jaar later.
Bron: Radwelt 1907, dagblad De Tijd juli 1907, Wikipedia.

Simpele stoeltjes barstensvol historie

de-meerHet zijn niet de patserige, glimmende bokalen, bekers en schalen, die synoniem zijn voor sportgeschiedenis. In de clubhuizen en  de sportmusea struikel je erover. Voor Stuyfssportverhalen zijn de kleine, anonieme, en verborgen parafernalia dé echte sportschatten.
Vanuit het slaapkamerraam zag je ze. En als je voordeur uitstapte, was het maar één blik naar links werpen. Dominerend boven Betondorp stonden de lichtmasten van Stadion De Meer. Je wist dan dat het goed was, je dag kon niet meer stuk. Het Ajax-Stadion, dertig jaar mijn buurman. Aan het eind van de straat grijnsde de ingang van de Diemerzijde je toe.  Het begrip ‘Ajax’ ging voor ons verder dan een voetbalclub. Voor Stuyfssportverhalen was het pure nostalgie. Als stadionspeaker Willem Steenbergen de opstellingen van beide teams afriep, was het of hij in mijn kamer stond te brullen. Het reclamedeuntje van sigarettenmerk Caballero (‘Ai, ai, ai, dat is pás een sigaret’!) zong mijn toen tweejarig dochtertje feilloos mee.  En telkens een verrassing dat het serviesgoed in de keukenkastjes zo hard kon rinkelen als bij een doelpunt. Ajax, brandend middelpunt van de buurt. Hele ploegen Betondorppensionado’s staken in de middag de Middenweg over. Geen training werd overgeslagen. betonbrug 004
En in de winter stond Stuyfssportverhalen op de Diemerzijde in vak G: en was na de wedstrijd binnen vijf minuten weer thuis. Dat is allemaal verleden tijd. Megalomane idioten hadden andere plannen. Op het terrein van het gesloopte Stadion verscheen een zielloos nieuwbouwwijkje. Waar Stuyfssportverhalen, meer dan acht jaar lang met een grote boog om heen fietste, want het deed té veel pijn.  Betondorp zal nooit meer Betondorp zijn zoals het was. Maar toch…toch gloeit er nog een heel klein lichtpuntje van het glorieuze verleden. Met dank aan die ene supporter in de Ploegstraat. Uit de puinhopen van het inmiddels gesloopte Stadion redde hij drie stoeltjes, ooit op de Reynoldstribune, en schroefde dat in zijn gevel.  Zelden stonden  drie simpele stoeltjes symbool voor zoveel sporthistorie. 

Fietsen in het shirt van Piet Dickentman

pietkleur 1 96Alleen bij een heel klein select groepje liefhebbers was hij bekend. Voor de massa  was Piet Dickentman totaal weggezakt in de krochten van de geschiedenis. Geen mens die wist wie hij was en wat hij deed. Dickentman, pionier van het Nederlandse wielrennen, Amsterdams allereerste sportheld, tussen 1900 en 1930 de status van bekende Nederlander. Dickentman, de eerste wereldkampioen, 1903,  afkomstig uit Mokum, dertig jaar prof geweest, werd steenrijk met zijn sport, en weer even arm. Won honderden koersen tijdens zijn indrukwekkende stayersloopbaan.
Voor Stuyfssportverhalen, één van die liefhebbers, een reden om zijn biografie te schrijven. Drie jaar geleden verscheen ‘Flirt met de Dood’ waarin Lotti Dickentman, dochter van Piet, het prachtige ontroerende verhaal over haar vader vertelde.  Om de biografie te schrijven van een sportman, actief tussen 1898 en 1928 was een heidense klus. Bronnenmateriaal was moeilijk te vinden. Aan de hand van de jaarboeken van Radwelt en het verhaal van Lotti was het toch gelukt. Na het verschijnen van Piets biografie ontdekte Stuyfssportverhalen, hartstochtelijk verzamelaar van oeroude jaargangen geïllustreerde sportbladen, in deze bladen nog veel meer details, foto’s en interviews van en over Dickentman. Als service voor de lezers worden deze met enige regelmaat geplaatst op deze blog.shirtpiet 009
Piet Dickentman dus, uniek sportman, kreeg nooit de erkenning waar hij recht op had. Helemaal niet van Amsterdam. De stad waar Piet zoveel voor betekend had. Dickentman, dertig jaar gesponsord door het Duitse fietsenmerk Brennabor, streed zijn honderden duels in een shirt met het wapen van zijn stad. Alleen dáárom al verdient deze Mokumer erkenning, en de eer. Die hij maar niet krijgt. Op het Amsterdamse Zeeburgereiland komt een nieuwe wijk waarbij de straten worden vernoemd naar historische vaderlandse sporters. Piet Dickentman zat daar niet bij. Inmiddels heeft Stuyfssportverhalen al meerdere gesprekken gehad met straatnaamcommissies van de gemeente en het Stadsdeel. Beloftes zijn er. Maar héél  langzaam begint de naam ‘Dickentman’ bij het grote publiek door te dringen. Ook bij ‘Wieleroutfits’ een internetbedrijf gespecialiseerd in retro wielershirts. Nieuw in hun collectie is het shirt model ‘Piet Dickentman’, een prachtig shirt met het wapen van Amsterdam.
Piet Dickentman, drieënzestig jaar verblijvend in de Grote Stayershemel, zal ongetwijfeld trots zijn.

Bestellen: http://www.wieleroutfits.nl/amsterdam-retro-wielershirt

 

Eindelijk scheen de zon in zijn spaken

hanslange (1)Gesneuveld in de loopgraven van het stayeren.  En zijn herinnering bestaat uit één alinea en twee foto’s. Op het bloederige slachtveld van de Duitse wielerbanen stierf Hans Lange precies een eeuw geleden. Hans was het zevenendertigste  slachtoffer. Na hem volgden nog drieëntwintig  collega’s. Hans Lange, inmiddels totaal vergeten. 
Vijf jaar was hij professional, dat waren jaren van afzien, knokken. Begonnen als b-stayer op kleine obscure baantjes, waar voor een handjevol marken bij iedere koers aan waanzin grenzende risico’s werden genomen. 
In 1911 werd Hans goed genoeg bevonden en mocht toe treden tot de selectieve divisie van A-stayers, dat nog altijd bestond uit vijftig renners. Voor Hans Lange, een leuke renner om het programma op te vullen, wachtte een hard bestaan van sappelen en hopen op betere tijden. De status van miljonair, zoals zoveel van zijn collega’s, was voor hem lichtjaren verwijderd. Konden de toppers iedere week kiezen uit meerdere rijkbetaalde contracten, Lang, samen met gangmaker Max Huttenrauch, was blij met de kruimels. In de jaargangen van het Duitse Radwelt, met Pruisische nauwkeurigheid gevuld met pagina’s vol staatjes, uitslagen, en verdiensten, bungelt zijn naam in de onderste regionen. Verdiende een topper als Richard Scheuerman in 1911 op jaarbasis bijna zevenendertigduizend goudmark, Lange moest het doen met drieduizend goudmark. Maar uiteindelijk was het De Dood die voor nivellering zorgde. Zowel Scheuermann als Lange verongelukten vlak na elkaar. Maar dat was twee jaar later.hanslange
De ster van  Hans Lange, een jongen nog, net droog achter de oren, begon heel langzaam boven het firmament uit te komen. Tijdens de Grote Prijs van Neurenberg eindigde der Hansl tot verrassing, als tweede.  In 1912 komt zijn naam niet of nauwelijks in de statistieken van Radwelt voor. Met aan zekerheid grenzende waarschijnlijk lag Hans in de kreukels want gevallen. Maar dan is het 1913. Hans en Max zijn van de partij.  Diverse keren weet het duo zich in de uitslagen te wurmen, zoals  in Düsseldorf en Chemnitz.
Eindelijk begon voor de inwoner van Erfurt de zon in zijn fietsspaken te schijnen. Niet voor lang. Voor Hans Lange ging de zon langzaam zakken, om op 21 september 1913 definitief te doven. Hans Lange gecontracteerd voor de ‘Theile-Gedächtnis-Rennen’  en gehouden op de wielerbaan van Halle: een linke baan waar twee weken eerder gangmaker Hans Bachmann ter hemel trok.
valpartijstayerDat de  Dood een wrede rakker is werd in Halle maar weer eens bevestigd. De  ‘Theile-Gedächtnis’ een koers waarbij de twee jaar eerder dodelijk verongelukte stayer Fritz Theile werd herdacht. Fritz, mateloos populair, stierf voor de ogen van zijn op de tribune zittende moeder. Als Fritz geweten had wat er op zijn ‘feestje’ in Halle gebeurde had hij zich in zijn graf omgedraaid. Halfwege koers kreeg Hans Lange een klapband. Met een gebarsten schedel stierf Hans Lange, 26 jaar, op het middenterrein.
Foto 1 en 2: Hans Lange met gangmaker Adolf Jockisch. Bron: Radwelt jaargangen 1909 t/m 1913

Kruidenierszoon reed één koers teveel

Copy of alfredgornvalZijn eerste grote profkoers. Een lakmoesproef. Een jaar daarvoor was Alfred Görnemann wereldkampioen bij de amateurstayers geworden.  Alfred stond nu aan het vertrek van de prestigieuze Golden Rad van Friedenau, een koers over honderd kilometer, en moest bewijzen dat hij het grote werk aankon. En zo niet… jammer dan. Voor hem in de plaats stond nog een batterij stayers te popelen. Voor Görnemann, een  kruidenierszoon uit Berlijn, was het erop of eronder. Of een loopbaan in de grutterij van zijn vader óf een succesvol profcarrière én een gevulde bankrekening.
Voor de Golden Rad op 17 mei 1903 in Berlijn, was de belangstelling overweldigend. Er was een schoenlepel nodig om binnen te komen. De zestienduizend kaartjes waren in een mum van tijd verkocht: en meer dan dat. Het stadion en het publiek kreunden onder het gewicht van de massa. Berliners samengeperst op tribunes kwamen in de verdrukking. De baanbalustrade knapte als het hout van een sigarenkistje. Mannen met bolhoeden stroomden over de wielerbaan op weg naar het bevrijdende middenterrein. Eindelijk kon de koers beginnen. friedenau
Motortandems in de baan. Vier toenmalige vedetten aan de start waaronder drie gewezen wereldkampioenen. Alfred uit Berlijn ging met jeugdige overmoed de strijd aan: tot razende enthousiasme van het thuispubliek. Een nieuwe topstayer ging de hemel bestormen. Met een tweede plaats én twaalfhonderd goudmark in zijn beurs vertrok Görnemann euforisch naar huis. Vijf maanden later was hij dood. 
Maar in de zomer van 1903 lachte het leven hem nog toe. Iedere week viel er wel ergens een goed contract te verzilveren. De kruidenierszoon won twaalf koersen, werd zeven keer tweede. Tijdens het wereldkampioenschap in Kopenhagen bewees hij dat zijn prestaties geen uitschieters waren. Achter wereldkampioen Piet Dickentman werd het ventje derde. De geldlade rinkelde. In het rijtje grootverdieners dat bestond uit veertig topstayers, stond Freddel op de tweede plaats met ruim twaalfduizend goudmark. Een kapitaal dat de ouwe Görnemann in zijn grutterszaak nooit bijeen kon schrapen.
alfredMaar dan is het elf oktober 1903. De dagen werden korter, en bomen geler. Alfred was moe, het seizoen lang, de koersen slopend en zwaar. Nog één koers in Dresden. Nog één keer vlammen. De Honderd Kilometer van Dresden was halverwege. Alfred Görnemann, op de tweede plaats, vuurde gangmaker Willy Wolf aan nog harder te gaan. Zover kwam het niet. Op de vochtige baan slipte het achterwiel van de motor weg. Alfred Görnemann, met verse wonden van eerdere valpartijen, botste tegen de zijkant van de rol en sloeg over zijn stuur. Met een gebroken nek én verbrijzelde schedel werd de kruidenierszoon naar het ziekenhuis afgevoerd. Alfred Görnemann, 26 jaar, stierf enkele uren later.

 

Foto 1: Alfred’s doodsmakkert.
Foto 2: De Friedenau wielerbaan in het Berlijn van 17 mei 1903.
Foto 3: Alfred Görnemann.

Bron: Radwelt jaargang 1902 en 1903. 

De blinde kip pikte zijn graantje mee

smoelwerkreneWie in 1948 de absolute favoriet was? Ferdinand Kubler en niemand anders. Gokkers hadden hun geld massaal op de Zwitser gezet want hij alleen werd in staat geacht om de Grand Prix des Nations, ’s werelds meest prestigieuze tijdrit, te winnen.
De Grote Landen Prijs, honderdveertig kilometer lang,  hét Nirvana van de tijdrijders. Roem, faam én vette contracten voor de winnaar. Van een blinde kip die wel eens een graantje meepikt lagen de bookmakers niet wakker, want dé chronospecialist bij uitstek, Fausto Coppi, had afgezegd.  Kubler, in bloedvorm, had de Ronde van Zwitserland gewonnen en van hem werd verwacht dat hij, het parcours over de heuvels rondom Parijs,   het snelst zou afraffelen. Met Ferdinand op je gokbriefje zat je wel snor… Maar niet heus!
Voor gokkers én bookmakers, maar vooral voor Dolle Ferdinand, werd de Grand Prix een verschrikkelijke nachtmerrie. Want de kenners, en iedereen die daarvoor door ging, had die ene volkomen onbekende René Berton, een broodmagere bonenstaak, over het hoofd gezien. Zelf had René er helemáál niet op gerekend dat hij, een simpele, eenvoudige prof met nul overwinningen,  geschiedenis zou gaan schrijven. berton1
Het leven als beroepsrenner was voor René een zwaar labeur. Vanaf 1946, het jaar dat hij zijn proflicentie aanvroeg, was het sappelen geweest. Het waren jaren van hard trainen, koersen rijden én weinig geld verdienen: van de opbrengt van zes gewonnen regionale koersen kon zijn kacheltje niet branden. Voor René een mazzeltje dat zijn elf jaar oudere broer Alfred in hem geloofde en hem financieel ondersteunde anders had hij allang de koersfiets opgeborgen en zijn oude stiel als automonteur weer opgepakt.
Na een redelijke voorjaarscampagne in de klassiekers van 1948, brak Berton in  Parijs-Roubaix zijn schouderblad, dat betekende drie maanden herstel en even zolang geen poen. En op 19 september 1948 zit het wegseizoen  er bijna op. Voor de Girodijn rest nog één kans: de Grand Prix des Nations .
‘Maak je niet druk, René’ fluistert Alfred, tien minuten voor de start zijn broertje in het oor. ‘Je zult zien dat het allemaal goed komt’. Het was dan ook een gok die Berton genomen had. Voor de voormalige automonteur gold het credo dat ieder grammetje op je fiets er één te veel is. Met een volkomen ‘uitgekleed’ karretje, met maar één rem, géén versnellingsapparaat, noch bidonhouder maar wél 32-spaaks wieltjes en banden zo dun als worstenvelletjes, stond de bonenstaak de  start.
Wat volgde was de meest memorabele dag uit Rene’s leven. Plat op zijn fietsje, met de handen als klauwen in de bocht van het stuur, stofbril op, mond wagenwijd open,  raasde René Berton de honderdveertig kilometer af met een gemiddelde van 39 kilometer.
berton2Berton won daarmee niet alleen de GP maar klopte Kubler met meer dan vier minuten, en verbrak het veertien jaar oude parcoursrecord van Magné met vijf minuten.
Ongetwijfeld heeft René, tot aan zijn dood in 2006 nog vaak aan die negentiende september 1948 gedacht.  Het was dan ook de enige grote internationale overwinning in zijn carrière die in 1954 eindigde. 

Foto’s: René Berton tijdens zijn enige grote overwinning.