De grenzen van het morbide sportverhaal

plakette 001Stuyfssportverhalen bewust gekozen voor het vaak bloederige, horror sportverhaal, maar ook de onbekende sportheld is meer dan een vorm van vrijetijd besteding. De columns, vijfhonderdvijftig woorden plus drie foto’s, in het holst van de nacht geschreven, zijn een bijkomstigheid. De bezoekjes aan de boekenantiquariaten- en markten van Amsterdam tot aan Antwerpen, dat zijn de smaakmakers. De oude sportjaargangen, en de bij behorende foto’s ­ zijn immers de olie waarop deze blog draait.
Of de lezers het genre op prijs stellen…. Voor Stuyfssportverhalen maakt dat geen verschil, wie het lezen wil is van harte welkom en zo niet, jammer dan. Er zal wel een doelgroep voor zijn want negatieve reacties zijn er niet. Wel druppelt een enkele keer een positief bericht  binnen. Soms ook stoffelijke waarderingen zoals een jaargang van Revue der Sporten, en drie andere vooroorlogse sportjaargangen, gekregen van  liefhebbers.
Vorige week viel er een grote enveloppe met een doffe klap op de deurmat. knipfinland
Opengemaakt bleek er een bronzen plaquette in te zitten voorzien van, hoe kan het anders, twee wielrenners, geschonken door lezer Hans Kramer. Plaquette en boeken staan inmiddels in de werkkamer. De bezoekers van Stuyfssportverhalen komen van de hele wereld. Veel uit België en Duitsland maar ook Finland. Voor Timo Lanki, inwoner van Helsinki, was Stuyfssportverhalen met zijn vele oude en unieke stayersfoto’s een inspiratiebron voor het bouwen van een stayersfiets, model 1910. Lanki schreef over zijn project een groot artikel, gepubliceerd in een Fins sportblad, en noemde de blog bij naam en toenaam. Leuk, aardig, misschien erkenning maar de motivatie is en blijft de donkere avonden en nachten als het huis doodstil,  is om dan bij het licht van een bureaulampje op avontuur te gaan in het archief op zoek naar de grenzen van het morbide sportverhaal. Nooit zulke fijne nachten beleefd.

Adrenaline tot in de toppen van zijn knevel

Copy of mariustheEen man met een roeping. Kreeg een stijve pik van een adrenalinekick. Liep  daarom dagelijks met een flinke bobbel in zijn knickerbocker. Het voorspel begon al tijdens Bordeaux-Parijs van 1896. Na een helse avontuur over en langs prehistorische paden finishte Marius Thé als derde in Parijs. Leuk, aardig, maar even snel weer vergeten. Pas met  de komst van de zware motoren op de wielerbanen had hij zijn bestemming gevonden. Latent, sluimerend gevoel naar woeste sensatie ging los. Thé pleurde zijn rennerskloffie diep weg in de kledingkast en  gaf zijn fiets een slinger. Marius Thé werd gangmaker en verkeerde tot zijn dood in een malle, krankzinnige achtbaan. Thé, markante harses, martiale knevel, koele oogopslag, pet achterstevoren, was niet alleen een tikkeltje knots maar ook techneut. Sleutelde net zolang aan zijn Buchetmotor tot deze de toentertijd waanzinnige snelheid van over de zeventig kilometer haalde. Dat was dus in 1902.  Thé knetterend over de wielerbanen met rollende aanmoedigingen van volle tribunes. Met de adrenaline tot de punten van zijn knevel en de gashendel open. Dat was pas genieten.  Wat voor wensen had een wilde en woeste Franse plattelandsjongen nog meer? Niet zo moeilijk. Aandacht en eer. Winnen dus, het liefst zoveel mogelijk. Copy of 800px-TheContenet105
Franse en andere topstayers wilde hem graag als trekker. Marius Thé had ze voor het uitkiezen en ging met Tom Linton een samenwerkingsverband aan. Tom en Marius verbraken het werelduurrecord tot ruim eenenzeventig kilometer. Voor de Duitse pers een reden om hem met de titel der König der Schrittmachers te bestempelen.  Marius de koning, de man op een motor zonder remmen, levend op de toppen van de zenuwenbanen hoorde boven het geluid van zijn motor, met enge regelmaat ook van die weeë  zachte klappen achter zijn rug. Zoals tijdens de Grote Prijs van Leipzig in 1902. Voor zestienduizend toeschouwers raakte Tom Linton héél even de achterkant van de motor. Met gebroken botten en andere inwendige vreselijke kneuzingen verbleef Tommy maanden in het hospitaal. Opportunisme is niet alleen van deze tijd. Voor Tom kwam Paul Dangla in de plaats. Paul en Marius, twee Franse ambitieuze plattelandsjongens, stonden op de aanplakbiljetten voor het Golden Rad van Maagdenburg, verreden op 18 juni 1904.  Een week later stond Thé aan het vers gegraven graf van zijn vriend en poulain. Achter Marius’ motor kreeg Dangla een klapband en vertrok naar de Grote Stayershemel. Marius Thé, meer dan vijftien jaar actief geweest als gangmaker, reed honderden van die levensgevaarlijke koersen en bracht het wonderbaarlijk zonder kleerscheuren er vanaf. Maar toch…, toch zal hij niet in zijn bed sterven.
thegrafBij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog meldde de woeste motorrijder zich als vrijwilliger aan bij het leger. Brigadier, kanonnier Thé van het 13e regiment artillerie, de man die de loop van zijn kanon een jaar lang rood gloeiend liet staan, de man van honderdduizend bommen en granaten, een gewone Franse jongen die vijftien jaar uit de klauwen van Hein wist te blijven  sneuvelde, twee weken voor zijn verjaardag, bij de grote slag om Artois op 10 september 1915. Marius Thé, drieenveertig jaar, werd samen met zevenhonderd gevallen kameraden begraven op de militaire begraafplaats van Saint-Pol-sur-Ternoise. Thé rust in graf nummer 322.

Foto 1: Marius Thé, pet achterstevoren, de snor omhoog gekruld, Foto 2: Thé, peuk losjes in de mond, met achter hem Contenet, Foto 3: Het herinneringsmonument van de Slag om Artois gelegen bij het soldatenkerkhof waar Marius Thé op de jongste dag ligt te wachten. 

Bron: Radwelts jaargangen 1902 t/m 1915, Dagblad De Telegraaf, juni 1904, Memorial Gen-Web, de site van de Franse oorlogsbegraafplaatsen.

Een fijne sportdag in Scheveningen

Copy of darragonboosOp het strand worden bomschuiten gelost, en in het rulle zand, sjouwende jongens en meiden met manden vol haring richting visafslag. Op de boulevard staat de onvermijdelijke stumper, – type  Kniertje –  de horizon af te turen naar schepen ‘op zee gebleven’, en op dat zelfde moment laat in het Kurhaus de bourgeoisie en de nouveau riche zich de champagne goed smaken. En het volk? Die zitten op de tribunes van de Scheveningse Wielerbaan. Zomaar een zaterdag in mei 1913, waar een koers  achter zware motoren gaat beginnen.

Wat een leuke simpele stayerskoers had moeten worden, zo een die een dag later al weer vergeten was, blijft heel lang in het collectieve geheugen hangen. Aan het programma heeft het niet gelegen. De baandirectie had daarvoor flink de beurs opengetrokken. Vier renners waaronder een voormalige wereldkampioen, een werelduurrecordhouder, een Berlijnse semitopper en een aankomende ster uit Amsterdam, prijken op de affiches.  Als noviteit is er iets aardigs bedacht. Er wordt anders gestart dan gebruikelijk. En dát hadden ze nou niét moeten doen.  Staan de renners voorheen achter elkaar te wachten op het startschot, nu staat de Parijzenaar Louis Darragon, Frits Bauer, Paul Nettelbeck twee jongens uit Berlijn, en Piet van Nek  schouder aan schouder. Direct na de start vliegt de vlam in de pan, om maar even in vistermen te blijven. Bij het aanpikken van de motor stuurt Van Nek té veel naar rechts. Wat nu een domino-effect genoemd wordt, gebeurd een eeuw geleden in Scheveningen. Door Van Neks manoeuvre moet niet alleen Darragon uitwijken maar ook de aanstormende gangmaker Willy Porte. Copy of nettelbeck

Willy’s motor verwoest de houten reling van ‘den eerste rang’ waarbij het opgepropte publiek over de baan ‘rolde en bolde’ zoals Courant het Nieuws van den Dag zo mooi formuleert. Alle ingrediënten voor een spannende inferno te makenzijn aanwezig. Wereldrecordhouder Paul Nettelbeck slaat over de kop, Van Nek voelt de motor van Darragon over zijn rug rijden, en Willy Porte vliegt met motor en al in het publiek.

Voor Porte een heuse dejavu. Tijdens zijn vlucht richting tribune moet hij in een splitseconde gedacht hebben aan die stayerskoers in Berlijn, vier jaar eerder. Toen belandde de motortandem met Porte als stuurman ook in het publiek: negen doden. 
Copy of pietjeposenek

Dat de lijkkoets in Scheveningen niet besteld hoeft te worden was zo’n niet te verklaren mirakel. Er is slechts één zwaargewonde. Volgens de  Courant bleek het slachtoffer ‘een machtig liefhebber van den wielersport’ te zijn. Moet ook wel. De man wordt met een afgescheurde linkerwang van net onder het oog tot aan de kaak in allerijl naar het ziekenhuis vervoerd. Om een uur later met een  ingezwachteld hoofd weer plaats te nemen op de tribune. Dat de koers na een oponthoud uiteindelijk door Berlijner Paul Nettelbeck wordt gewonnen, is aardig voor de statistieken. Luguber is  het feit dat een jaar later Piet van Nek niet ontsnapt aan de maaiende Zeis van hein. Vier jaar na Piet verongelukt Louis Darragon. Enfin, dit is dus een doodgewone fijne stayerskoers op een zaterdag in mei 1913.

Foto 1: Darragon, foto 2: Paul Nettelbeck achter Willy Porte, foto 3: Piet van Nek

Bron: De Courant Nieuws van den Dag jaargang 1913.

Water doet palen rotten

zwemmassaErger kon het niet worden. Dieper kon ik letterlijk niet zinken. De badmeester van het Sportfondsenbad had gewikt, gewogen en beslist. Vriendelijk doch dringend verzocht hij mij om voortaan in baan één te zwemmen Ik hinderde namelijk de recreatieve zwemmers.  Baan één dus, bestemd voor het R.I.M., wat staat voor Revalidatie Instituut Muiderpoort. Te midden van herstellende hartpatiënten en andere duidelijk kreupelen stumperde ik gemankeerd voort. 
 Na  een ‘carrière’ van twintig jaar als wielrenner had ik de  overstap naar de triatlon gemaakt, incluis dat verschrikkelijke zwemmen. Maar ik ga eerst vertellen over de ‘hele triathlon van Almere’, een driekamp over monsterlijke afstanden. Want voor ik het wist stond ik daar tussen negenhonderd atleten op een strandje. Het startschot klonk. Een horde zwemmers dook het water in. Als één van de laatsten kwam ik terug.  Gefrustreerd tot op het merg van het bot begon de grote inhaalrace. Met de ketting op een zware versnelling werd negentig procent van de concurrentie ingehaald. Totale euforie. Voor de laatste tien procent werd ik lid van een zwemclub ergens in Amsterdam-Noord. En daar viel ik in de handen van trainer Willem V: een hardvochtige feldwebel mét stopwatch en fluitje.  Willem sprak niet op normale toonhoogte. Naar Willem luisteren was denken aan een op hol geslagen misthoorn. Willem gaf brullend in staccato  zijn instructies. Slaafs opgevolgd door vreugdeloze jongens en meisjes, met vierkante schouders, die ik als een geamputeerde kikker probeerde te volgen. Overbodig te vertellen dat ik steeds de laatste was.zwempaars
Willem kreeg de pik op mij en blies met bolle wangen bijkans de erwt uit de fluit. Schreeuwend met maaiende armen deed hij voor de zoveelste keer de zwemslag voor. De haat die ik voor hem begon te koesteren deed het chloorwater sissen. Anno nu heb ik diepe spijt dat ik toen niet het water uit was geklommen om hem voor het front van dat zwemclubje die fluit diep in zijn strot te stampen.
Ondanks de traumatische zwemervaringen had ik één favoriete triatlon:  de ‘Kwart van Texel’. Fijne wedstrijd met zwemmen in de Waddenzee. Met extra dimensie dat je honderden meters uit de kust tot je middel in het water stond. Rennend door het zilte sop haalde ik de eerste zwemmers in. ‘Dat is niet eerlijk’, schreeuwden deze proestend, hijgend en half stikkend. Achter beslagen zwembrilletjes gloeiden blikken vol duistere woede. Het was ook niet fair, maar ik was dan ook een gewezen wielrenner. Geen topper, meer een aanklamper, maar beheerste wél het grote trukenboek.  Het jaar daarop werd mijn inschrijving geweigerd.
Na acht jaar gespartel was het mooi geweest. De triatlon van Oostzaan was de laatste. Na weer een zwemmende marteltocht stapte ik niet eens meer op de fiets.
zwemmutsTerwijl mijn zwembrilletje én badmuts met een grote boog in de vuilnisbak belandden deed ik de plechtige eed om tijdens mijn leven nooit meer dieper dan de knieën in water te stappen. Niemand kan beweren dat ik geen man van zijn woord ben: ik heb mij al meer dan twintig jaar aan mijn eed gehouden. En zó moeilijk was dat ook weer niet, want  luidt het oeroude Hollandse spreekwoord niet dat ‘palen water doen rotten, en wie daar in verkeren zijn alleen maar zotten’?
Ik bedoel maar…

Ook de Lepe kon niet zonder meesterknecht

maeskusGlorie en roem voor de Tourwinnaar, wiens naam prijkt op de eeuwige ranglijsten. Maar wél dankzij diens helpers. En dan blijkt maar weer eens hoe wreed het wielrennen is. Als dank voor bewezen diensten wacht voor de knechten de grote leegte van het niets, om vervolgens weg te glijden als anonymus in de wielergeschiedenis. Onrechtvaardig. Alleen dáárom trekt Stuyfssportverhalen, uit zijn archief  Cyriel Vanoverberghe voor één keer uit de grauwe anonimiteit.

De gregario’s, waterdragers, en knechten, de kastelozen van het peloton. Werken in het zweet des aanschijns tot zij  van hun karretje lazeren. Geen hondser bestaan dan een professionele wielerknecht. Urenlang met je kop in de wind zitten, gaten dicht rijden, regenjasje halen en de kopman voorzien van zijn natje en droogje. Je moet het maar willen. Doen ze het werk goed dan krijgen ze een natte zoen, van de kopman: het liefst in het zicht van het journaille. De patron laat zich zelf, met gevoel voor publiciteit, door de rondemiss af zoenen. Met dank aan het ondankbare vuile werk van zijn helpers. Bij de laatsten komt geen klacht over de lippen, hopend dat ze financieel wat wijzer worden.  Dapper noemen ze het zelf ‘een dankbare job’. Onzin natuurlijk. Dat is gewoon niet waar. Diep van binnen wil iedere renner voor eigen kansen rijden.
Sylvere Maes won de Tour anno 1936, een gegeven dat beklijft. Dat hij zijn overwinning onder meer te danken had aan een jonge knecht, weet hooguit de familie van de laatste. Cyriel Vanoverberghe, een eerstejaarsprof van net vierentwintig, reed voor Maes zijn nog jonge lijf aan flarden. Aan Cyriel had Lepe Peer, een duistere bijnaam van Maes, twee Tourzeges te danken. Over de rode loper die  Cyriel, afkomstig uit het Vlaamse Bellegem, legde won de Lepe de Tour van 1936. Dat hij die drie jaar later ook nog eens op zijn naam schreef is aardig voor de statistici. Maar in 1936 vond Cyriel Vanoverberghe, na al zijn beulswerk zichzelf in Parijs terug op de zesentwintigste plaats: ruim tweeënhalf uur achter Maes. 
Vanoverberghe maalde daar niet om. Zijn tijd kwam nog wel. Als zijn lijf eenmaal ouder en taaier was, zoals in 1939. Vanoverberghe, een spetterend voorseizoen met een tweede plek in Luik-Bastenaken-Luik, vijfde in Parijs-Roubaix, en vierde in de ronde van Vlaanderen, vertrok vol moraal naar de Franse rondrit. belgploeg
Om die na al zijn hand en spandiensten voor Maes, af te sluiten met een tiende plek. Met het plan om een jaar later definitief in de Franse rondrit  door te breken hield Cyriel de moed er in. Maar zover kwam het niet. Zijn ontluikende wielercarrière werd voor altijd wreed afgebroken. Daar zorgde het uitbreken van de oorlog en zijn oproep voor militaire dienst wel voor. Cyriel Vanoverberghe net drie jaar prof heeft sindsdien nooit meer op een koersfiets de Franse wegen onveilig gemaakt.

      Foto  1: Links Cyriel Vanoverberghe, rechts Sylvere Maes,

Foto 2: Vanoverberghe sleurend op kop.

 

Le Roi daalde als een gemankeerde schildpad

ezsquarklimStuyfssportverhalen had nóóit van hem gehoord. Maar een stapel  Franse sportbladen uit de jaren dertig, op de Deventer boekenmarkt gescoord, bracht uitkomst. Sportblaadjes, op slecht papier gedrukt maar met adembenemend mooie foto’s. Zoals van die ene klimmer in een duidelijk vooroorlogs decor.  Federico Ezquerra was dan ook niet zomaar een grimpeur maar de Koning van het Hooggebergte.

Hij was de wegbereider voor een heel lange rij Spaanse klimgeiten. Van die donkerharige mannetjes met strakke, uit de vel stekende jukbeenderen, donkerbruine ledenmaten en diep in de kassen weggezonken ogen. Kerels die met moeite het peloton konden volgen maar bij het opdoemen van de cols nerveus werden, van prettige opwinding wel te verstaan. Le Roi de la Montagne kopten de sportblaadjes over hem. Mooie en toepasselijke bijnaam voor Federico Ezquerra. Federico, de onbetwiste heerser van de Galibier, waarmee hij een haat-liefdeverhouding had.  Op de flanken van de meedogenloze Galibier, zevende etappe,  Tour editie 1936,  liet Federico, drie jaar achterheen  zien waarom hij in zijn land meer dan dertig zware klimkoersen had gewonnen. In het desolate landschap van de Galibier, tussen de sneeuwvelden, over met losse steenslag bezaaide slechte wegen, danste Le Roi, pompende longen vol ijle zuurstof, met minuten voorsprong alleen omhoog. Om de 2650 meter hoge top met ruim drie minuten voorsprong op landgenoot Berrendere te scheren. 
Federico Ezquerra had ongetwijfeld in het rijtje Tourwinnaars voorgekomen, als… als Federico niet die éne grote makke had: hij daalde als een gemankeerde schildpad.  Federico was bang. Trok zijn remmen aan tot de velgen roodgloeiend stonden en het rook van de remblokjes kwam. Geef hem eens ongelijk. Dalen, met doodsverachting rakelings langs enge afgronden,  over met puin bezaaide wegen was alleen weggelegd voor desolate, op roem jagende idioten. eszquicitroen
Federico Ezquerra, tragisch figuur. Stond tijdens zijn zestienjarige profcarrière die duurde van 1928 tot 1944, maar drie keer aan het vertrek van een Ronde van Frankrijk. De Spaanse burgeroorlog gevolgd door de Grote Wereldbrand voorkwam dat hij maar één etappe in La Douche France won. En wie de bewuste etappe over de Galibier gewonnen had? Dat was een kerel die nooit van zijn leven één berg gezien had. In Zeeuws-Vlaanderen is de steilste beklimming die van de opgang naar de dijk van de Westerschelde, maar dat weerhield Theofiel Middelkamp niet om eeuwige roem te schrijven. Theofiel was de eerste landgenoot die een touretappe won.  

Een merkwaardige wederopstanding

blommegendarmDe Ronde van Frankrijk, altijd goed voor sterke verhalen. Het is dé koers waar heldenstatus  in het verschiet ligt, die in het collectieve sportgeheugen weer net zo snel vergeten wordt. Maar niet bij Stuyfssportverhalen, want die diepte uit zijn archief een drieënzestig jaar oud, beduimeld, aan papierzuur onderhevig  Frans sportblaadje op. Met daarin het wedstrijdverslag van de etappe Saint-Gaudens-Perpignan, met de merkwaardige wederopstanding van Maurice Blomme.

De soigneur was een waarlijk groot vakman. Zoveel is wel zeker. Een grootmeester met de injectiespuit. Een tovenaar in de ware zin des woords.  Een magiër die met de inhoud van zijn koffertje een dode  tot leven kon wekken. Zet de feiten maar even op een rijtje. Een dag ervoor lag op zijn massagetafel Maurice Blomme, een modale renner uit West-Vlaanderen. De laatste vertoonde alle kenmerken van een rigor mortis. Blomme had dan ook de meest vreselijke dag uit zijn wielercarrière meegemaakt. Iets dat je je ergste vijand niet toe zal wensen. blommelek
Als niet-klimmer moest d’n Maurice maar zien hoe hij over de Tourmalet en Aspin, cols van buitencategorie, zou geraken. Met als extraatje onderweg vier lekke banden: zelf te repareren. 
Het was de etappe Pau-Saint Gaudens in de Tour van 1950, waarin Blomme meer dan een uur achter winnaar Bartali als allerlaatste en meer dood dan levend over de streep kwam gestumperd. Wat er enkele uren daarna op die schimmige hotelkamers plaats had gevonden blijft voor altijd een raadsel. En dat is maar goed ook! Wielergeheimen zijn net als een goede fles wijn, hoe ouder hoe beter. En dat moet je koesteren. Het zijn namelijk dé ingrediënten die het koersen zó fascinerend maken. Zoals die van de mysterieuze soigneur van Blomme. De man kreeg voldoening van zijn oplapwerk. Keek een dag later goedkeurend toe hij zijn poulain, Maurice Blomme, een stoemper met overwinningen in Zottegem, Aaigen, Staden, Wingene en Koolskamp, kermiskoersen van jewelste, helemaal hersteld was.
blommekopAan  de start voor de etappe Saint-Gaudens-Perpignan over 233 kilometer, stond namelijk een herboren Blomme. Maurice liep over van goesting, had  benen als zonnetjes.
Als een paard na een winter op stal vloog Blomme er na het startschot meteen er in. Laat maar gaan, dacht het peloton massaal en collectief, die rare Vlaming rapen we straks wel op… Ze zouden hem pas terugzien na de finish. Ruim zesenhalve uur koersend in een godsgloeiende, verstikkende  hitte  met een gemiddelde van ruim zesendertig kilometer, greep Blomme zijn enige etappezege in een Tour. Na zijn merkwaardige wederopstanding moest Maurice zeven minuten wachten op nummer twee Jean Baldassari. 
Maurice Blomme, allesbehalve een slechte renner, won tijdens zijn carrière zesenvijftig  koersen waaronder het hoog aangeschreven Grand Prix des Nations, stierf in 1980 op drieënvijftigjarige leeftijd. 

 

Een betonnen lijf met ijzeren gestel

vangeneugten1953Tour de France 1953, romantische tijd van de tube om de nek, fietspomp aan het frame, mannen zonder helm en Jan Cottaar op de buizenradio. Waarin renners van de soigneur een dexedrinetablet dan wel een andere fijne amfetaminepreparaat kregen. Niemand die daar moeilijk om deed. Ook het jaar waarin een jonge Vlaamse prof zijn tourdebuut maakte. Met succes.

De Tour van 1953. Zesde etappe Caen-Le Mans over tweehonderd kilometer. Aankomst op het  beroemde autocircuit. De winst ging naar een renner van  maar net eenentwintig jaar. Eigenlijk té  jong om een Tour te rijden. Precies zestig jaar geleden dachten ze daar iets anders over. Laat maar proberen, gooi maar voor de leeuwen, en we  zien het wel. Opportunisme, is zo oud als de wielersport. Voor Martin van Geneugden maakte dat eigenlijk niets uit. Die zat daar niet mee. Sprong een gat in de lucht dat hij voor de Belgische nationale ploeg was uitgekozen.vangeneugten1953b
Van Geneugden, eerstejaarsprof met een razende sprint in de kuiten, kon zich geen betere Tour debuut voorstellen. Voor de Vlaming kwam een  jongensdroom uit. In de slotfase van de zesde etappe ontsnapt met  Louis Caput en Adolphe Delada. De laatste twee door de wol geverfde ouwe ratten. Twee dertigers die de buit onderling al verdeeld hadden. Caput en Deladda, Franse coureurs, azend op de zege. Martin van Geneugden, hondsbrutaal, trok zich daar niets van aan. Had maling aan gereputeerde namen.
Met de streep in zicht en een voluit daverend peloton hijgend in de nek, spurtte de inwoner van Zutendaal met volle bak uit het wiel. De debutant  schreef zijn eerste Touroverwinning op zijn naam.  Volgens fysiologische wetten is een jochie nog maar net droog achter zijn ogen, totaal opgebrand na een Tour. Die kan een verdere wielerloopbaan op zijn buik schrijven. Maar niet Van Geneugden. Die beschikte over een betonnen lijf en een ijzeren constitutie. Won in  zijn tienjarige carrière in totaal zesenveertig koersen. Reed zeven keer een Tour en won zes etappes.  Dat zijn lichaam geen sleet kende bewijst hij zestig jaar later nog steeds. Martin van Geneugden,  nu eenentachtig jaar, nog recht van lijf en leden, heeft zijn twee medevluchters al lang overleefd. 

Onder colbertjes schuurden de littekens

Copy of tourhelden1900Geen glamourfoto’s, noch een gelikte reclamecampagne. En het begrip merchandising was totaal onbekend. Voor de Tour de France editie 1911 moest je als sponsor maar gewoon doen, dan deed je al gek genoeg. Waarschijnlijk dáárom poseerden de renners van de  Alcyonploeg,  voor de publiciteitsfoto, doodgewoon in hun burgerkloffie. Het werd een ansichtkaart van ontroerende eenvoud.

De platte pet losjes op de kop. Tikkeltje schuw, beetje verwonderd, maar ook uitdagend  kijkend in de lens van de fotograaf. Zes kerels in hun zondagse kloffie, die met de handen geen raad weten. Zo’n foto waar godfathers in Little Italy, op lichtgevoelig glas mee werden gevangen. Hard en meedogenloos was het zestal zeker. Onder hun colbertjes en overhemden voelden ze de littekens schrijnen. Niet van de kogelinslagen maar valpartijen. De jongens van het Alcyon wielerteam, gehard en gesmeed in monsterlijk zware koersen. Renners die je bijna letterlijk met een knuppel van de fiets moest rammen. Die wisten waar Abraham de mosterd haalt. Coureurs die zich tijdens helse koersen op de been hielden met bidons geklutste eieren en cognac, en niet vies van een elixer strychnine, cocaïne en laudanum. Schransten op de fiets hele kippen weg. En wonnen bij elkaar dertig Touretappes, maar ook  drie keer de Tour de France.
Jules Masselis, François Faber, Henry Alavoin, Gustave Garrigon, Lucien Trousselier en Eugene Christophe aan de vooravond van de Tour de France 1911, die voor Garrigon eeuwige roem bracht. Een zestal nog in zalige onwetendheid van wat de toekomst ging brengen. En die zag er pikzwart uit. Drie jaar later brak de Eerste Wereldoorlog los. In plaats van een vet contract dwarrelde bij vijf van hen een  oproep voor militaire dienst op de deurmat. De loopgraven van de wielerkoersen werden verruild voor die van Verdun en de Somme.Alavoine, Henri 2
Luxemburger François Faber ontsnapte daaraan. Faber, de meest talentrijke, won  Parijs-Roubaix, Bordeaux-Parijs en de ronde van Lombardije, schreef tussendoor twintig Touretappes op zijn naam, en kwam in 1909 als eerste in Parijs aan. De man was niet alleen een grande champion, maar ook een verstokte romanticus. François, melancholieke kop, voelde zich verplicht om zijn tweede vaderland, Frankrijk, te verdedigen. De voormalige winnaar van de Tour nam dienst bij het Vreemdelingenlegioen. De Reus van Colombes, zoals zijn bijnaam was, de man die als enige tot nu toe vijf etappes op rij wist te winnen sneuvelde een jaar later. Deed dat dramatisch zoals zijn leven was.  Nadat Faber het bericht had gekregen dat hij vader geworden was, sprong hij van blijdschap op. Voor héél even stak zijn hoofd boven de rand van de loopgraaf uit. Lang genoeg voor die ene  Duitse sluipschutter. François Faber zou nooit meer zijn Alcyonkarretje bestijgen.  
Op negen mei 1915 sneuvelde korporaal Faber, achtentwintig jaar geworden.

Foto 2: Henry Alavoine, piloot geworden stortte in 1916  tijdens een vlucht neer. Henry werd zesentwintig jaar.

Met schuim op de bek de geschiedenis in

baffertsprintOndanks alle dopingschandalen ten spijt blijft de Ronde van Frankrijk, de allermooiste sportweken van het van het jaar. Zeker voor schrijver dezes blog. De Tour dat is het fijne vakantiegevoel, vier weken verlekkerd voor de buis zitten. Stuyfssportverhalen, even uit de wereld van de bloederige verhalen over dodelijke verongelukte stayers, dook in zijn archief en haalde Emile Baffert boven water. 

 Vier jaar profrenner met een erelijst zo dik als een fietsspaak. Met vier gewonnen koersen kon  je later nou niet echt grootste verhalen aan je kleinkinderen ophangen.  Voor Emile Baffert stonden de gesponsorde ploegen dan ook niet in de rij. Toch was het Mervil-Dunlop, een profploegje uit de Franse provincie, bereid Emile op te nemen. Voor een fiets, materiaal, banden, kleding en een kleine vergoeding verdedigde Baffert, zo goed en kwaad als het ging de kleuren van zijn werkgever. Een gok die voor de laatste goed uitpakte. Met drie overwinningen in het voorjaar, startte Emile fris van de lever in Tour de France van 1950. Waar succes tot de laatste etappe uitbleef. En Emile was zó dicht bij een etappezege geweest. In de één na laatste etappe, Lyon-Dijon, gloorde voor Baffert dan eindelijk die ene zo lang verwachte overwinning, waarmee hij thuis kon komen. Een zege die genoeg stof opleverde om tot lengte van dagen over te vertellen. In de laatste kilometers van de etappe was de broodmagere Emile er samen met de Italiaan  Gino Sciardis tussen uit gepiept.bafferetsmoel
Italiaanse renners, per definitie, geslepen, sluw en gemeen als putjeswater. Ook Gino die de Fransman het kopwerk liet doen om in de laatste meters genadeloos toe te slaan. Voor Emile Baffert, restte nog één kans. De laatste etappe van Dijon naar Parijs over meer dan driehonderd kilometer. Finish op de wielerbaan van Parc des Princes. Baffert, 26 jaar, in de finale ontsnapt met Albert Hendrickx. Voor Baffert, een modale profje uit Grenoble, werd het een sprint van alles of niet. Of lege handen of dé grootste overwinning uit zijn bescheiden loopbaan. Het werd alles. Voor Emile, met schuim op de bek, was het zijn eerste, en laatste Toursucces. Nadat Baffert in 1956 was gestopt met koersen, stond de teller op eenentwintig gewonnen koersen.
Editie Tour de France 2013, gevolgd door  miljoenen over de hele wereld. En ergens in Frankrijk zit daartussen ongetwijfeld een krasse grijsaard aan de buis. Zijn gedachten gaan terug naar die ene zondagmiddag drieënzestig jaar geleden in Parijs. Een zondag die hij zijn hele lange leven gekoesterd had. Albert Baffert, 89 jaar, is namelijk nog steeds onder ons. Had hij dan toch Gino Sciardis geklopt want die vertrok naar zijn Schepper op vijftigjarige leeftijd.