De beste stayer ooit kwam uit de Jordaan

TIMONER (SPANJE) FOTO GUUS DE JONGGuillermo Timoner werd tijdens de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw zes keer wereldkampioen stayeren.  Wie hem ooit in het Olympisch Stadion in actie zagen zijn nu nóg onder de indruk. Niets beklijft beter en fijner dan jeugdsentiment. Ook op de sociale media waar een discussie gaande is met de strekking dat Guillermo de beste stayer ooit was. De Spaanse rolrijder,  inderdaad een wereldtopper, maar of hij de állerbeste was…?  Stuyfssportverhalen denkt daar iets anders over. 

Aan de hand van de jaargangen Radwelt 1902 tot en met 1928, pagina’s vol uitslagen, statistieken, staatjes, en andere jaargangen, kwam  Stuyfssportverhalen tot een  rijtje met de vijf aller grootste kampioenen in de stayersgeschiedenis.  In deze ranking staat Timoner op de vijfde plek. Helaas voor de Timoner-adepten, maar de beste rolrijders, dé kampioenen waren actief tussen 1902 en de Tweede Wereldoorlog. Ga maar even na.

Europa kenden toen over de honderd wielerbanen.  Met een overvol stayersprogramma waarbij de geldkraan wagenwijd open stond. Renners reden daarom iedere koers alsof de dood op de hielen zat, want een paar mindere uitslagen en de contracten bleven uit. De concurrentie stond  te dringen om ook een greep uit de ruif te doen. Jaarlijks knokten daar zo’n zestig topstayers  voor: kerels, stuk voor stuk potententiële kampioenen. Even ter vergelijking: Timoner hoefde jaarlijks maar met zes concurrenten rekening te houden. Om tussen 1900 en 1940 daar de beste van te zijn, meerdere keren wereldkampioen te worden, was voor weinigen weggelegd. Toch flikten vier coureurs dat kunstje.  Zoals George Parent.Copy of parent
George, Fransman met een melancholieke trouwe hondenblik, werd in 1909 en de twee daarop volgende jaren de beste van de wereld. George Parent, dramatisch jong gestorven, staat daarom op de derde plaats.  Met achter zich de Amerikaan Bobby Walthour, die twee keer de wereldtitel meenam naar the States.
Victor Linart., Belg, vijfentwintig jaar actief,  vier keer wereldkampioen, won tussen 1909 en 1933, honderden koersen. Ondanks die indrukwekkende cijfers blijft Linart steken op de tweede plaats. De nummer één, de allerbeste stayer ooit, de man over wiens naam je in zowat álle jaargangen Radwelts bijna struikelt, is en blijft Piet Dickentman. De carrière van de Amsterdammer gaat de verbeelding ver voor bij.

Dickentman, dertig jaar stayer, was maar één keer wereldkampioen. Dat de teller maar bij één stil stond had alles te maken met de starre houding van de toenmalige Nederlandse wielerbond.  Om uitgezonden te worden naar een WK moest een renner zich tijdens een nationaal kampioenschap plaatsen. Dickentman, woonachtig in Berlijn, en voornamelijk koersend in Duitsland had daar geen trek in. In zijn sterkste jaren tussen 1900 en 1914 kostte hem dat té veel geld. Ondanks die ene wereldtitel is zijn stayercarrière indrukwekkend. Dickentman meer dan duizend stayerskoersen betwist, meerdere keren Europees kampioen,  won tientallen Grote Prijzen: koersen waar de allerbesten ter wereld aan meededen.
Copy of pietdickentmankortefietsPiets ster flikkerde op bijna vijftigjarige leeftijd nog één keer door de Grote Prijs van Dresden te winnen. Dickentman, mocht dan één keer de wereldtitel grijpen, maar was dan wél Ober-Weltmeister. Door een conflict met de UCI deden de topstayers in 1910 niet mee aan het toen te houden wereldkampioenschap. Herr Knorr, dé grote wielermanager organiseerde direct in Berlijn een alternatief kampioenschap. Nog nooit stond er zo’n sterk deelnemersveld aan het vertrek voor een stayerskoers, want acht voormalige wereldkampioenen. Dickentman lag ze er allemaal op. Tot zijn dood in 1950 werd de Amsterdammer in de Duitse pers met herr Ober-Weltmeister geduid. Niet één stayer, zelfs  een zesvoudig wereldkampioen als een Timoner  viel deze eer niet ten deel.

Foto 1: Timoner gegangmaakt door Gust Meuleman, foto 2: George Parent, foto 3: Piet Dickentman: saillant detail, Dickentman reed op deze foto op een experimentele fiets. Het karretje was ultra  kort gebouwd, zat je lekker in de zuiging van de motor. De fiets had echter één nadeel. Bij steile bochten kon het pedaal in het voorwiel komen. Dickentman had dat heel snel bekeken en ging weer terug naar zijn standaard fiets.

Bron: Radwelts jaargangen 1902 tot en met 1928.

Zesdaagse als een Looney-Tunes productie

zesdaagse1Je hebt circus Elleboog, Circus Maximus, Piccadilly Circus, én het Amsterdamse Zesdaagse circus onder leiding van directeur Frank Boelé. Op het middenterrein van het Velodrome de netwerkverzorgende patjepeeër, op de tribune de echte liefhebber.
Ik neem plaats op de eerste rij bij de finishstreep en ga er goed voor zitten, want verwacht een avondje rock ’n roll op de racefiets: er is namelijk een prachtig deelnemersveld. In mijn belevingswereldje horen daarbij een hoempaorkest, broodjes worst, én een goudgele schuimende rakker. Wat allemaal dus niet zo was! De Amsterdamse Zesdaagse bleek in de handen van een ‘oppimper’ te zijn gevallen, waar ik straks op terug kom.
Maar eerst even het begrip ‘pimpen’, want  in deze krankzinnige tijd nog ‘leuker’, maller en gekker. Ik wil niet opgepimd worden en al helemaal niet bij de  monumentale traditie die de Zesdaagse is. Daar wil ik lange, felle jachten zien door razende koppels, flitsende puntenkoersen, afvalwedstrijden én duels op leven en dood achter de derny. Dat kan ik dus vergeten…
De koersafstanden blijken tot een minimum terug gebracht. Twee keer met je ogen knipperen en het is voorbij. Waar zijn die heerlijke tijden gebleven dat zo’n koppelkoers urenlang duurde?  Dat je dan gewoon even een biertje kon halen, de aardappels ging afgieten en als je terug kwam zat je meteen weer in de koers.zesdaagse2
En wat een opgepimpte Zesdaagse is? Dat is regelmatig de verlichting van het Velodrome uit doen, gevolgd door krankzinnig makende lichteffecten, huldigingen met een hysterie alsof er een lang doodgewaand familielid van een oorlogsfront thuis komt en, godverdegodver, géén hoempaorkest maar een DJ met adhd-trekjes. Vooral die laatste!
Tijdens een puntenkoers hoor ik, trommelvliesverwoestend, fragmenten van de Sabeldans, de Radetski-mars, de Ouverture Wilhelm Tell  en andere idiote tekenfilmmuziek. Voor heel even waan ik mij in een tot leven gekomen Looney-Tunes productie en verwacht ieder moment dat Daffy Duck op een baanfiets voorbij komt snellen. Dát is dus een wedstrijd oppimpen!
Ergernis nestelt zich gerieflijk op mijn schouders en fluistert in mijn oor waar ik allemaal op moet gaan letten. En dat is niet meer het wedstrijdverloop! Zo loer ik onder meer naar het middenterrein en zie rennende obers, dinerende gladjakkers met hun champagnedrinkende kakelende wijven. Ik krijg daarvan dorst en ga de tribune af op zoek naar het café.
Hoewel ik een kaartje heb van over de dertig euro, wat nog altijd zesenzestig piek is, word ík ontvangen in een spelonkachtige, grijze, kale betonnen ruimte die volgens mij dienst heeft gedaan als decor in de film Der Untergang. In die treurige kazemat staat één bierpompje, twee tafeltjes en in de hoek, staand tegen de muur, een kerel van de bewaking die mij broeierig en dreigend aan staart. De man is van het type ‘wapenhandelaar uit het Afghaanse Bora Bora-gebergte’ waar je als koper maar beter niet om korting kan vragen laat staan dat ik terug durf te kijken. Dan is het twaalf uur en ik heb er genoeg van, laat de Zesdaagse voor wat die is en zoek mijn Gazellefiets op.
zesdaagse3Fietsend door de stad peddel ik langs het doodstille Nieuwe Oosterbegraafplaats waar een  eng, luguber en hol geluid tussen de zerken vandaan komt. Raar, maar ik wéét meteen wat dat is! Dat is Klaas van Nek! De vroegere Zesdaagse renner, al meer dan zestig jaar op het ‘Ooster’ wachtend op het Armageddon, is bezig zich in zijn graf om te draaien. ‘Hou je maar rustig, Klaas’, mompel ik, ‘Want voor je het weet staat Daffy Duck op je graf te springen’.
Van die Frank Boelé kan je alles verwachten…

De Zesdaagse van Amsterdam 2013. Van 21 tot en met 26 oktober in het Velodrome.

Museo del Cyclisme Gino Bartali

Copy of texasnieuw2011 059Fausto Coppi kreeg een pompeus en kolossaal graf. Mocht de argeloze bezoeker het graf in Castelania gemist hebben, wat onmogelijk is, dan wordt hij er op een andere manier wel aan herinnerd. Iedere huis, gevel, en schuur is voorzien van metersgrote afbeeldingen van Fausto himself. Tijdens het leven een campionissimo, na het overlijden volgt de heiligverklaring.  Dat kun je wel aan Italianen overlaten. Wat dat betreft hadden de tifosi van Gino Bartali, eertijds dé grote rivaal van Coppi, daar niet voor ondergedaan. Na het verscheiden van Gino Bartali, in 2000, rees het plan om in Ponte a Ema, geboortedorp van Bartali, de illustere dorpsgenoot blijvend te herdenken.  Tussen de eenvoudige huizen van Toscaanse architectuur  verscheen een betonnen kathedraal gewijd aan de tweevoudige Tour- en Girowinnaar. Copy of texasnieuw2011 060
Het Amici Museo del Cyclisme Gino Bartali was een feit.  Het museum, gevuld met een schitterende collectie historische wielerparafernalia, fietsen en foto’s, is een must voor iedere liefhebber. In tegenstelling tot het graf van Coppi is dat van Gino Bartali, van onthutsende eenvoud. On-Italiaans eigenlijk. Bartali’s laatste rustplaats is op zijn verzoek ontdaan van Roomse pracht en luister. Dat siert de man. Gino de Vrome, zoals zijn bijnaam was, is op het lokale kerkhof op drie hoog in de muur gezet. Boven hem rust zijn vader. Op de eenvoudige stenen afdekplaat slechts zijn naam, geboorte- en overlijdensdatum.

Stuyfssportverhalen was in Ponte a Ema op reportage. Lees  het verhaal hier onder.

De schoentjes van Gino

Copy of texasnieuw2011 049Je moet er iets voor over hebben. Het vergt dan ook enige inspanning. Want een spontaan bezoekje  aan het Gino Bartali Museum is er niet bij. Je komst dien je een dag tevoren  telefonisch aan te kondigen, wat niet zo eenvoudig was. Maar is die hindernis eenmaal genomen, dan ligt de weg vrij naar Ponte A Ema, geboortedorp van de campionissimo en locatie van het museum. Ponte a Ema, ergens aan de voet van de Toscaanse heuvels,  klein, hooguit wat straatjes, gele huisjes, de gebruikelijke kroeg en wat onduidelijke middenstand. Zoeken naar het museum hoeft niet. Alleen een visueel gehandicapte medemens ziet het over het hoofd. Tussen de oude huisjes staat in Stalinistische stijl opgetrokken een monsterlijk betonnen gedrocht. Je verwacht dat er één of andere partijsecretaris naar buiten komt maar dat blijkt Andrea Bresci te zijn, directeur, archivaris en beheerder van de collectie.  Andrea, charmant, gesoigneerd, schorre stem, persoonlijke vriend van Gino, verwelkomt Stuyfssportverhalen.
Het is meteen duidelijk dat er bij de bouw niet op een euro meer of minder is gekeken. Trappenhuis en de rest van de inrichting is van degelijk peperduur Italiaans marmer. Maar wij komen niet voor stenen noch voor architectuur. Dat laten we maar aan anderen over. We willen de fietsen van Gino Bartali zien. Die karretjes waarop De Vrome, zoals zijn bijnaam was, het wielerleven van onze grote held Fausto Coppi zo zuur mee maakte. Andrea trippelt al ratelend en kwetterend de trap op, maakt een deur open en we staan in  een grote zaal. Adem stokt voor heel even. Copy of texasnieuw2011 034
We bevinden ons in een schatkamer. Aan de muren de ingelijste shirts van Gino, foto’s, en langs de zijkanten de collectie fietsen. In één blik zie je de evolutie van de racefiets. Tientallen koersfietsen van begin van de eeuw tot aan de jaren vijftig, een scala van Italiaans vakwerk, staan gerestaureerd te pronken. In het midden van de zaal staan de pronkstukken want Gino’s karretjes en ander parafernalia zoals zijn overwinningsbeker van de Tour 1948.
Andrea Bresci,  geen woord buiten de grenzen sprekend. wijst in een groots gebaar naar een glazen kast waarin de laatste fiets waarop  Bartali actief was, als een Sneeuwwitje de eeuwen gaat trotseren  Dat is het betere werk waarvoor wij zijn gekomen. De fiets, gebutst, lekke tubes, het stuurlint nog doordrenkt van het zweet van zijn berijder, is een icoon.  De beheerder van de collectie merkend van onze indruk gaat helemaal los. Met veel gevoel voor dramatiek  laat hij een fiets uit de jaren dertig zien: het karretje waarop Julio Bartali, het jongere  broertje  van Gino, in 1936 verongelukte. Julio werd twintig jaar. Veel tijd voor emoties is er niet. Andrea is druk doende vitrinekasten open  te maken. De licenties van Bartali dwarrelen over de tafel. 
Copy of texasnieuw2011 046Aandoenlijk zijn de Scarpina da Corsa,de koersschoentjes van Gino.  Na achtereenvolgens de onder de naam ‘Bartali’ uitgebrachte scheermesjes en ander klein spul getoond te hebben, troont de directore ons mee naar de bibliotheek. De laden gaan open. Rijen ingebonden jaargangen sportbladen, fotoboeken en krantenknipsels  staan in rotten van vier opgesteld.  Verzamelaars zijn bereid daarvoor hun moeder te verkopen. Andrea Bresci, kind van zijn volk en groot gebracht met opera en andere dramatiek, besluit de rondleiding met een grootse finale. Een stalen kast gaat open. Op de planken liggen honderden in plastic ingepakte wielershirts van alle profploegen die sinds de oorlog op de Italiaanse wegen actief waren. 
 Met veel aplomb beëindigt Bresci de rondleiding en laat ons beloven even naar het graf van zijn grote held te gaan. Het museum van Gino Bartali, een bezoek meer dan waard.

Door zee van onkruid op zoek graf sportheld

roblgrajsufried 011Twee totaal verschillende werelden. Gescheiden door een zes meter hoge gemetselde muur overwoekerd met klimop. Buiten raast het verkeer over de Kapucinersstrasse. Binnen de muren van het Alter Süderlicher Friedhof hangt een macabere beklemmende stilte. Ooit lag het kerkhof buiten München, maar is in de loop van de eeuwen door de stad ingehaald. Het is zo’n dodenakker waar een Edgar Allen Poe, Bram Stoker, Stephen King en andere jongens van het horrorgenre hun inspiratie opdeden, en waar je voor geen goud wilt zijn als de zon ondergaat. Het begin is goed, en de entree zet de toon. Daar zorgt het piepende,  krakende gietijzeren hek anders wel voor. Hoewel begin september vallen de bladeren massaal. Op het sombere donkere kerkhof staan zonder enige volgorde de monumentale grafstenen, in rijen van zeven,  tussen ruige hoge en wild groeiende bomen. Het is duidelijk dat er geen tuinarchitect aan te pas is gekomen. Weelderig onkruid is het gevecht met de vaak scheefgezakte graven, aangegaan. Zerken worden door boomwortels scheefgeduwd. roblgrajsufried 034
Tussen het bladerenkruin door glipt er een zonnestraal en blijft spookachtig op een graf hangen. Vaag op de achtergrond ruist het Münchener verkeer.  De jongste graven zijn van omstreeks 1918.
De dodenakker, buiten gebruik,  een monument, beetje vervallen, overwoekerd maar daarom ook weer wondermooi. Het Friedhof is de rustplaats van de voorheen upperclass van München.
En ergens tussen de honderden graven ook die van Thaddeus Robl, één der grootste sporthelden van een eeuw geleden (zie ‘link’ hieronder). Om het graf van Thaddy Robl te vinden vereist een zeker doorzettingsvermogen. Er wordt door kniehoog brandnetels gestruind en over groenbemoste grafstenen gebanjerd. Na een uur  zoeken is het resultaat  nul. Als de zon al duidelijk aan het zakken is, blijkt er goddank nog leven op het kerkhof te zijn. Een man in uniform schuifelt rond. Of hij weet waar het graf van Robl is. ‘Robl?’, is het antwoord. ‘Natuurlijk ken ik Robl. Wie niet in München. Hij is nog steeds een grote sportheld hier’, antwoordt Klaus Harde, begraafplaatsbeheerder. Klaus gidst Stuyfsportverhalen naar  de plek waar de voormalige meervoudige wereldkampioen stayeren rust. In een zee  van onkruid, mos, struiken en wild groeiende struweel, is Thaddy’s graf een  eiland van rust.
Het graf is duidelijk als één van de weinigen, onderhouden.
roblgrajsufried 042Aan de voet van zijn steen een eenzaam bloeiende rode geranium. Daarnaast een gevuld wijwatervat met kwast. Op zijn steen een foto van de vroegere sportheld. De geëmailleerde foto blijkt een kostbaar sportparafernalia te zijn. Achttien jaar geleden werd het van de grafsteen gerukt. Sinds een aantal jaar pronkt Thaddy’s konterfeitsel weer op de zerk. Thaddeus Robl, ooit miljonair met zijn sport, was straatarm tijdens zijn sterven. Zijn graf én begrafenis, bijgewoond door tienduizenden, werd betaald door een minnares. Die dat ook deed voor Robls moeder waarvan de tekst op het graf ten overvloede bewijst dat Thaddy zich mocht koesteren in de ware moederliefde. ‘Mutterliebe setzt diesen Denkmal ihren braven Sohn Robl’, liet Frau Robl in de steen beitelen.
De zon zakt, de schaduwen langer, Klaus de beheerder is in het niets opgelost en de stilte wordt beklemmend. Het wordt  de hoogste tijd afscheid te nemen van Thaddy en zijn graf. Stuyfssportverhalen, sprenkelt nog even met de kwast ingestraald wijwater over het graf en betreedt opgelucht het München van 2013.

https://stuyfssportverhalen.com/2013/09/05/thaddy-verachtte-de-dood-als-geen-ander/

Thaddy verachtte de dood als geen ander

roblkaartThaddeus Robl, de James Dean van voor de Eerste Wereldoorlog. Live fast die young, zo’n  man dus.  Robl, inwoner van München, was verslaafd aan zijn dagelijkse portie adrenaline. De  Duitser verkreeg dat door zijn leven op het spel te zetten. Het maakte hem geen moer uit: hij verachtte de dood als geen ander. Was voor de zeis Hein  niet bang. Wat kon hem dat nou verrotten. Thaddy Robl, tien jaar stayer achter de zware motor, was immuun voor angst. Robl   had té veel  van zijn collega’s letterlijk zien sneuvelen. Het bloedlinke stayeren waarin de Münchenaar zelf met verontrustende regelmatig wakker werd in een ziekenhuisbed. Thaddy Robl, mooie jongen, vrijgezel, liefhebber van snelheid, gevaar én vrouwen. Had aan vriendinnen en minnaressen geen gebrek. Een dodelijk giftige combinatie. Robl,  tussen 1900 en 1910 met 330.000 goudmark de meest verdiende sportman van Europa. Geld dat net zo gemakkelijk uitgegeven werd. Was het niet aan zijn liefjes dan wel in de casino’s. Was verslaafd aan snelheid. Reed als één van de eersten in een snelle auto. Wat voor de andere weggebruikers geen pretje was.
Thaddy Robl, topsporter, twee keer wereldkampioen stayeren, meerdere keren Europees kampioen en schreef tientallen grote koersen op zijn naam. Heel Duitsland, of beter gezegd het vrouwelijke deel, viel voor hem als een blok. Ondanks dát sloeg de verveling toe. Stayeren  was niet meer spannend genoeg. roblmaagdenburg
Met de opkomst van de eerste vliegtuigjes had de voormalige wereldkampioen zijn nieuwe passie gevonden.  Robl werd aviateur. Van triplex, zeildoek en pianosnaren voorzien van een motorblok knutselde hij zijn eigen vliegtuig.
Op 18 juni 1910 een  mooie zomerdag uitgelezen voor een vliegtochtje. Thaddy Robl had daarvoor  Piet Dickentman uitgenodigd: topstayer, vriend en rivaal van Robl . De Amsterdamse rolrijder zal zich zijn leven lang dankbaar zijn geweest dat hij uitgesproken díe morgen zich  versliep.  Taddy Robl alleen in de lucht boven Steglitz stortte neer. Robl, 33 jaar, hartendief van menig vrouw, sportheld, én wielerpionier, bankroet door zijn vliegavontuur, werd in München begraven op kosten van een minnares diedaar voor al haar juwelen beleende. (Zie het verhaal hierboven.)

Foto1: Van Robl  de populairste sportman van Duitsland gingen honderdduizenden prentbriefkaarten over de toonbank. Foto 2: 1904, voor de start van de Grote Prijs Maagdenburg. Bron: Radwelt jaargangen 1902 t/m 1910.

Posted in Stayeren. Tags: . 1 Comment »

Een hommage aan Franco Ballerini

italie2012 095Het wereldkampioenschap voor professionals op de weg, gehouden  op 29 september 2013 in de omgeving van Florence. Als hommage aan de paar jaar geleden dodelijk verongelukte Franco Ballerini, voormalige Italiaanse bondscoach en tweevoudig winnaar van Parijs-Roubaix, maar ook kind uit de streek, trekt het peloton in de openingsronde langs Franco’s laatste rustplaats in zijn geboortedorpje Casaguidi.
Vorig jaar was Stuyfssportverhalen op reportage in Casaguidi.

Lees het hele verhaal op: http://stuyfssportverhalen.com/?s=ballero+werd+in+de+muur+geschoven

Pa we zullen je missen

Copy of brecyfamilieCharles Brécy, een wielrenner op leeftijd. Had de met stayerskoersen zuur verdiende franken goed belegd in een bloemenzaak. Weg uit de linke mallenmolen van de  wielerbanen, bracht hij zijn dagen slijtend tussen potten begonia’s, viooltjes en ander siergewas. Brécy in de suffe wereld van het bloemschikken waar het grootste gevaar was zich zelf te prikken aan de doorns van de rozen was hard op weg een  droogstoppel met groene vingers te worden. Dan gebeurt er een vreemd proces wat nu bekend staat als een midlifecrisis. De man wilde zich zelf nog één keer bewijzen. Hoewel zijn lijf de beste dagen als wielrenner achter de rug had, ging Charles nog één keer voor de roem. Nog even die massale aandacht, nog één keer razen achter de rug van een gangmaker.laatstebrecy
De bloemist ging het werelduurrecord achter motoren aanvallen. Na weken van voor bereiding was het nog twee dagen te gaan voor het ‘Uur U’! Voor Le Echo des Sports een reden om bij de  toekomstige recordhouder even langs te gaan. 
Tussen de trainingen en voorbereidingen door vond Charles nog een gaatje in zijn agenda. Maar op één voorwaarde: het gezin én bloemenzaak moesten op de foto.
Copy of brecyy2De fotograaf en journalist van het sportblad kon  komen. Net thuis  van de training op de baan van het Parc des Princes, had Charles Brécy snel de rouwkransen mét linten in de etalage even geschikt. De bloemenvazen met rozen, lelies en tulpen mooi in het oog geplaatst. Gratis reclame in een sportblad met grote oplage is nooit weg, ook niet in 1905.
De familie Brécy was er klaar voor. Staand op de stoep voor zijn nering bekeek  Brécy zijn opgepoetste nakomelingen. In de winkelingang mevrouw Brécy bij wie de bezorgdheid van het gezicht droop. Voor naderend onheil hebben vrouwen een tweede zintuig. Ook de bedgenote van Charles. Twee dagen later raasde Charles achter de motor van gangmaker Bertin in de armen van De Dood. Door een breuk in de vork van de motor kwam de bloemschikker ten val. Bloedend uit vele wonden bleef hij op de wielerbaan liggen. Het gebutste lijf van Charles Brécy werd bijgezet op de begraafplaats van Montparnasse. Aan de rand van het vers gedolven graf zijn gezin. Op de langzaam zakkende kist een krans voorzien van lint de met tekst: ‘Pa we zullen je missen’. Grafkrans en lint uit zijn eigen winkel, dat dan weer wel. 

De slag om de Pajares

spanje2Jesus Lorono, perfecte naam voor een hemelbestormer. Lorono een klimmer dus, stond op punt zijn plekje in de heldengalerij in te nemen. Even daarvóór  had Jesus de Asturische horizon met dichtgeknepen ogen afgetast. Bij het zien van de huiveringwekkende Col de Pajares gehuld in een loodgrijze sneeuwstorm knikte hij goedkeurend.  Wat hem betrof mocht de vierde etappe in de ronde van Spanje 1957 van start gaan. Jesus had er zin in. De Bask kon geschiedenis schrijven. Met een beetje mazzel werd zijn naam tot het eind der wielertijden in één ademtocht genoemd met die van Charley Gaul en Johan van der Velde.spanje
Gaul, mythologische wielerheilige door zijn overwinning in een apocalyptische, helse bergetappe gehouden in de Giro d’ Italia 1956. De beelden van Van der Velde, korte mouwtjes, onderkoeld, pak sneeuw in de nek, op de Passo Gavia, behoren tot de verplichte wielerkost.
Niet alleen Jesus had goesting, ook de jongens van soigneur Ducazeaux  die de nodige voorzorgsmaatregelen had genomen. Walkowiak, Geminiani én knechten waren voorzien van met bont gevoerde handschoenen en strakke regenjasjes. De  benen ingesmeerd met verwarmende zalf. Thee en cognac in de bidon. Walkowiak en Geminiani trokken direct ten aanval. Lorono, gewezen klimkampioen van zijn land,  haakte aan, en ging er vervolgens van door. 
Twee uur klimmen in een ziedende sneeuwstorm, het maakte Lorono geen reet uit. Achter hem werd daar iets anders over gedacht. Huilende, vloekende en klappertandende renners, rillend over het hele lijf zwalkten over de hellingen. Tubes maakten op het sneeuwtapijt knerpende geluiden. Stijve, bevroren en gevoelloze handen zochten in rennersshirts radeloos en vergeefs naar de zo belangrijke perfetientjes, dexedrinetabletten en andere broodnodige oppeppers.
spanje3De Vuelta in de jaren vijftig, waar het wakende oog van mijnheer pastoor nooit ver weg was. De rondemissen, vurige meiden, zedig gekleed  met ogen als vlammenwerpers, mochten de etappe-overwinnaar níet kussen. En geheel indachtig aan de katholieke mores dat er eerst flink geleden moest worden  alvorens de hemeldeur opging, danste Jesus Lorono omhoog. Evengoed maakte  juryleden niet alleen een eind aan Jesus’ fijne lijdenstocht maar ook aan de vierde etappe. Renners, als ze al niet naast hun karretje strompelden werden van de fiets gemaand. En Jesus, de arme Jesus, had daar geen trek in, wilde dóór,  maar werd tóch  met bloeddoorlopen ogen van zijn fiets getrokken.  Voor de dramatiek had het  ‘verhaal Jesus Lorono’ eigenlijk in een tragisch sprookje moeten eindigen. Wat niet gebeurde.  De Baskische klimgeit, gefrustreerd van zijn haarwortels tot zijn rennersschoentjes aan toe, won niet alleen nog de dertiende etappe maar tevens de Vuelta 1957.

 Foto 3: Frederico Bahamontes. Bron: Miroir Sprint jaargang 1957.

Het Boze Oog van Jules Guende

Copy of fabreGeesten kun je niet oproepen. Of toch wel? Mocht er dan tóch contact aan gene zijde zijn dan mag Jules Guende het één en ander uitleggen. Jules, fotograaf in het ruige Marseille van rond 1900. Stad van hoeren, pooiers, zeelui, het Vreemdelingenlegioen én de Corsicaanse maffia. Ongure omgeving waar in stegen en sloppen de jongens van de French Connection zich al aan het warmlopen waren. Waar een mes trekken in een kroeg net zo gewoon was  als een goed glas absint achteroverslaan.
Inspiratie genoeg voor fotograaf  Guende, zal je zeggen. Nee dus. Jules, brave sul, beperkte zich tot stadsgezichten, saaie statieportretten van dorre mensen, maar maakte met zijn camera ook wel eens een uitstapje naar het wielrennen. Niet vaak. Een paar keer. Godzijdank, want om je als renner door Jules op de lichtgevoelige glazen plaat te laten zetten was een bloedlinke aangelegenheid. Jules Guende beschikte namelijk over Het Boze Oog. Studio Guende nam onbewust de term ‘vereeuwigen’ wel héél letterlijk. Albert Oreggia en Louis Fabre, twee jonge lokale stayers, lieten een foto van zich maken:  altijd leuk voor de supporters. Jules was de fotograaf van dienst.fabreknip
Oreggia en Fabre helden op de Zuidfranse wielerbanen, talenten op punt van doorbraak, wisten niet wat voor naderend onheil boven het hoofd hing. Nadat het vogeltje uit Jules’ kiekkast was ontsnapt, stierven Albert en Louis enkele weken later. Of de fotograaf een verbond met Jezabel had… In april 1904 was dat ieder geval aan de aandacht van de lokale exorcist ontsnapt.  Oreggia, Fransman van Italiaanse afkomst, in zalige onwetendheid samen met gangmaker Dantin, op het velodrome van Marseille. De macabere fotograaf,  aan de rand van de wielerbaan, hoofd onder een zwarte doek,  rechteroog voor de lens drukte op het juiste moment af.  Nadat  Oreggia, vierentwintig jaar, trots de eerste foto’s aan de fans  had uitgedeeld viel hij tijdens een stayerskoers op de plaatselijke velodroom hartstikke dood.
Copy of oregeaLouis Fabre, met zich zelf ingenomen, had zich zorgen moeten maken.  Opgetogen over de foto waarop hij verwachtingsvol, bijna aandoenlijk trots, in Jules’ lens kijkt, had een gewaarschuwd man moeten zijn. Louis, was veel te euforisch.Voor de openingskoers op de wielerbaan van Aix-les-Bains prijkte zijn naam als één van de vier stayers op de affiches. Die derde zondag van april 1905 zal ook Louis Fabres  laatste zijn op dit ondermaanse. Tijdens de koers kwam Fabre ten val en sloeg met zijn hoofd tegen de balustrade. Louis Fabre, ‘een jonge renner die veel beloofde voor de edele rensport’, zoals de krant schrijft,  werd  twintig jaar.