Bloeddorstige kraaien

De doodsoorzaak? Het materiaal. Stayersbanden die bij hoge snelheden ontplofte. Voorvorken die spontaan braken. En vooral het  stuur, ook een belangrijke hemelbezorger. En het kon nog enger. De loodzware gangmaakmotor, die met twee man amper in bedwang te houden waren. Ging de snelheid boven de tachtig kilometer dan was het op de wielerbanen code rood. Waren de bochten té steil dan wel te vlak, dan werd het echt link. Dan  kwam het begrip ‘middelpunt vliedende kracht’ in werking. Motoren vlogen zomaar tussen het publiek, zoals op de wielerbaan van de Botanische Garden in het Berlijn van 1909, waar negen Berlijners nooit meer thuis kwamen. Sla de archieven open en de schrik slaat om het hart.
Tientallen ongelukken van stayersmotoren die in het publiek terecht kwamen, worden in éénkolommertjes vermeld. En als zo’n monster  de bocht niet uitvloog, dan raasde die wel als een ongeleid projectiel het middenterrein op. Stayeren tijdens de belle epoque was pure horror. Voor renner en publiek.  Zoals bij de Grote Prijs van Brunswijk op zondag 7 mei 1905. Waar motorsturen tijdens het passeren elkaar even raakte.  
In een kluwen van ontploffende en vallende motoren werd Hubert Sevenich, bezig met zijn zesde stayerskoers, verpletterd tegen de balustrade. Richard Schröter had ietsje meer geluk. Door de val waren zijn benen ernstig gewond. Nadat Richard op het middenterrein was gesleept, knikte de aanwezige baanarts goedkeurend. Pruisische artsen weten daar wel raad mee. Ter plekke werd Richard met behulp van een amputeerzaag van zijn onderstel verlost.  Dat lot werd bespaard voor de arme Hubert Sevenich, 26 jaar jong. Die werd tenminste  compleet mét benen en al begraven op het dorpskerkhof van zijn geliefde Stolberg.
Henri Contenet, een Frans topstayer had meer geluk. Tijdens een stayerskoers gehouden in het Velo d’Hiver in Parijs koerste Contenet achter gangmaker Marius Thé. Hoe het kwam? Niet meer na te gaan. Feit was, dat tijdens de race de motor én Contenet ten val kwamen. Op wat schaafwonden na mankeerde Henry niets. De gangmaakmotor wel.
De benzinetank, gemaakt van dun koper, vertoond duidelijk een gebutste indruk. Waar niemand iets van aantrok. De show moest door gaan. Voor het front van de tribune, gevuld met publiek als loerende, bloeddorstige kraaien werd met een paar grote bacosleutels  de motor opgelapt, op de handen gekeken door  Contenet in badjas.
In tegenstelling tot die tientallen verongelukte stayers had  Contenet meer geluk. Henry,  honderden stayerskoersen gereden over een periode van zeventien jaar, stierf in 1962 op zevenentachtig jarige leeftijd vredig tussen de witte lakens.

‘Utrecht Hooligans’, 50 jaar voetbalgeweld

Dit boek geeft een fascinerende inkijk in de geschiedenis van de oudste harde kern van Nederland. Vergeet Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. De absolute pioniers van het Nederlandse hooliganisme zijn de jongens van FC Utrecht. Die de aftrap namen begin jaren zeventig.  Zoals op zondagmiddag 1 oktober 1972, wanneer  Telstar uit Velsen op bezoek komt.
Ruim 9000 supporters wonen de wedstrijd bij, onder leiding van de jonge scheidsrechter Bart Ram. De laatste liet door een  grote blunder de wedstrijd helemaal uit de hand lopen. De forse spits Kees van Kooten van Telstar en zijn bewaker Co Adriaanse gaan een kopduel aan.  Beiden vallen op de grasmat. Ram fluit. Niemand in het stadion denkt op dat moment aan een penalty. Maar tot verbijstering van de Utrechters en tot grote vreugde van Telstar, wijst de arbiter naar de stip. Een beslissing waar Ram tot op hoge leeftijd een trauma had overgehouden.
Honderden woedende supporters maken vervolgens een klopjacht op Ram. Politie probeert de furieuze massa met paarden, honden en knuppels op afstand te houden. Scheidsrechter Ram wordt, na geruime tijd door een gezelschap politieagenten via een achteruitgang van het stadion weggevoerd. Zijn woning wordt tot diep in de nacht door politie bewaakt.
Europa maakte ook kennis met de jongens van de Bunnikside, zoals ze zich inmiddels noemen. Bij de uitwedstrijd tegen Eintracht Frankfurt reisde 700 man van de Bunnikside mee. Een reisje waar de gehele Duitse pers met grote chocoladeletters op de voorpagina’s verslag over deden. Vanaf de Nederlands-Duitse grens tot aan Frankfort waren de Utrechthooligans via  een spoor van vernielingen te volgen.
Een heel wegrestaurant wordt gesloopt.  Alles wat loszit vliegt door het restaurant, alles wat vastzit wordt zo onderhanden genomen dat het ook losraakt. Ruiten spatten uit elkaar door banken die dwars door het glas naar buiten worden gegooid. Borden worden door vitrines geknald. Wat gegeten wordt, wordt niet betaald. Het personeel wordt massaal gemolesteerd. Een mannelijke bediende wordt met een stoel tegen de grond geslagen. De overige gasten ontkomen evenmin aan het geweld. Mensen die aan het eten waren, worden met hun gezicht in hun bord geduwd. Met de spaghetti in het haar, staan zij doodsangsten uit. Nadat alles en iedereen is vernield en mishandeld, gaan de vandalen terug naar de bussen.
Het boek ‘Utrecht Hooligans’, leest als een spannend, verbijsterend oorlogsverslag, waarbij de lezer zelf zijn morele kompas maar moet instellen.

Utrecht Hooligans
Auteurs:  Daniel van Doorn en Evert van der Zouw
Uitgever: Just Publishers.
ISBN: 9789089752895.
Prijs: 20,00 euro.

George in olieverf gevangen

‘Le Vainqueur’ is de naam van het schilderij. Geschilderd tijdens het interbellum door Theo Bennes, een Nederlandse kunstschilder, wonend in het Parijs van de jaren dertig. Dat de afgebeelde figuren te linken zijn aan de wielersport is zeker. Aan de man in het leren pak te zien, betreft het een stayer met zijn gangmaker.  En daar zit nou nét de kneep. Wie zijn die twee? Dat was de vraag van Raymond Hensgens gesteld  aan deze blog. Voor Raymond Hensgens,  – eigenaar van Galerie Nieuw Schoten gevestigd in Haarlem, en recentelijk in bezit van Le Vaiqueur, – belangrijk om de geschiedenis van het doek te weten.
Stuyfssportverhalen had het antwoord. De afgebeelde renner is George Paillard, met gangmaker Guerin. En zó moeilijk was de oplossing ook niet. In het archief van deze blog zit een foto van deze twee, nog wel in  dezelfde setting als op het schilderij.
In de Les Sports Illustrés van 6 september 1932 staan Paillard en Guerin, zojuist wereldkampioen geworden op de piste van Rome, omringd door Italiaanse supporters, te glimmen. Dat de betreffende foto in Les Sports Illustrés voor Theo Bennes dé inspiratiebron voor z’n schilderij was, is zeker.

Dan George Paillard, dé hoofdrolspeler van deze column, en wereldkampioen profstayer in 1929 en 1932. George behoorde tot de top van het internationale stayeren.
Ondanks zijn status zaten ze op de Duitse wielerbanen, hét werkterrein van topstayers, niet op de Fransman George Paillard te wachten. Wat te maken had met het Duitse chagrijn van de Eerste Wereldoorlog. Dat George daarmee zat is twijfelachtig. Als dé best betaalde renner op de Franse wielerbanen vulde Paillard  jarenlang, rijkelijk z’n bankrekening.

George Paillard, taai als een stuk Frans hondenleer. In de herfst van zijn carrière,  streed de inmiddels vijfendertigjarige Paillard mee in de voorste loopgraven van Bordeaux-Parijs, die monsterlijke koers achter derny’s over zeshonderd kilometer.  Waar George voor een dramatische finale zorgde.
Op de wielerbaan van het Parc des Princes in Parijs en  honderd meter voor de finish raakte hij, oververmoeid, even het spatbord van z’n gangmaker. Met een schedelbreuk werd George afgevoerd.  George Paillard, gestorven in 1998 op drieënnegentigjarige leeftijd,  blijft nog steeds voortleven. Weliswaar in olieverf maar toch.

De kunstliefhebber die interesse in George heeft, kan terecht bij, Galerie Nieuw Schoten, art consultancy, Frans Halsstraat 17, 2021 EG Haarlem.

De verse ramsj van Scheltema

Tweeënhalf miljoen boektitels. Verdeeld over vijf etages, wat staat voor 3200 vierkante meter literatuur. Boekhandel Scheltema, de grootste boekhandel van Nederland. Met  op iedere etage, leeshoekjes- en tafels om  ongestoord te lezen. Scheltema, één  groot lezersparadijs. Vooral de tweede etage, met de zogenaamde ramsjafdeling, met honderden titels, rug aan rug,  hoog opgestapeld, en iedere week ververst. Bij  de afdeling  ‘sportboeken’ is het scoren voor de liefhebber, met boeken, die  niet eens zó lang geleden lyrische recensies kregen. En nu staan ze bij Scheltema  in de ramsj voor een schamel bedrag. Tussen de tientallen stapels sportboeken, ook het boek ‘Mien’, van schrijfster Mariska Tjoelker.
 
In ‘Mien’ beschrijft Tjoelker het dramatische leven van wielrenster  Mien van Bree, die tijdens de jaren dertig niet alleen moest knokken om als vrouw te mogen koersen, maar ook worstelde met haar seksuele geaardheid. Prachtig beschreven door Tjoelker, die daarvoor tientallen bronnen raadpleegde. Een verhaal dat  gelezen moet worden. Ondanks dát  staat ‘Mien’, prominent bij de verse ramsj, en afgeprijsd van 20. 99 euro naar  het schamele bedrag van 7.90. Sommigen dingen zijn niet uit te leggen. De ramsjafdeling van boekhandel Scheltema, een absolute aanraaier.
Boekhandel Scheltema, Rokin 9, Amsterdam, 1012 KK.

De HAV-Bank

Het stayerskampioenschap van  Nederland, anno 1928. Gehouden op de houten wielerbaan van Rijswijk, die uitermate geschikt was voor  stayerskoersen. Aan het vertrek de oude Piet Dickentman, Jan Snoek, Koos Storm, ene Asberg en Leo Leene.  De zondagen van eind jaren twintig, overvolle kerken, donderpreken vanaf de kansel, en vooral dodelijke saaiheid. Dan is een stayerskampioenschap garantie voor een volle bak. Ook op de ‘Rijswijk’. Waar behalve de hoofdrolspelers achter de zware motor, ook  de ongevallenverzekering van de HAV-Bank  prominent aanwezig was. Weliswaar op een groot reclamebord, maar toch.  Hoe cynisch wil je het hebben? Een ongevallenverzekering aanbieden bij een sport, waar op dat moment de teller van verongelukte stayers en gangmakers op drieënzestig stond.
De pr-man van de HAV-Bank zat daar duidelijk niet mee. ‘Rijden jullie je maar letterlijk te pletter jongens’, moet die gedacht hebben, nadat hij  z’n tekst aan de reclameschilder door gaf. Jan Snoek was dé favoriet voor de titel. Streekfavoriet Leo Leene, gegangmaakt door Stan Ceurremans junior, mocht knokken voor de resterende medailleskruimels. Leo Leene dus, een stayer van nét niet. Te licht bevonden voor de Duitse wielerbanen, maar goed genoeg voor de vaderlandse pistes.
Leo, duidelijk niet beschikkend over de gave van het Derde Oog. Anders was hij direct gestopt met dat malle koersen achter zo’n motor. En de opbeurende  boodschap van de HAG-Bank was hem ook ontgaan. Twee jaar na dat genoemde kampioenschap, want 1930. Leo  Leene gecontracteerd voor een stayerskoers op de Groningse Wielerbaan. Waar hij tijdens de koers ten val komt en niet veel later sterft. Leo Leene, dertig jaar, werd begraven op de Haagse begraafplaats Nieuw Eik. En dan was er ook nog Leo’s gangmaker Stan Ceurremans, die weliswaar niet stierf in het harnas. Maar wél zijn vader, ook Stan genoemd. Ook het  broertje van Stan junior, Frans genaamd, vertrok op jonge leeftijd naar de Grote Stayershemel.
Even vertellen over Stan senior. Als gangmaker een overlever van het grote bloedbad die plaats vond op de Duitse banen tijdens  de Belle Epoque. Bij de Grote Prijs van Elberfeld, gehouden in mei 1931 was het geluk van ouwe Ceurremans op, want  Stan Ceurremans senior, verongelukte   dodelijk.   Twee jaar later, want 1933 verongelukte ook z’n zoon Frans. Die trainend achter z’n broer Stan junior op die zelfde Rijswijkse wielerbaan, een klapband krijgt.  Vader en zoon rusten in één graf op de Algemene Begraafplaats in Den Haag. Wat dit dramatische verhaal wel weer mooi maakt.

Bron: Illustrierter Radrenn-Sport, Stuyfssportverhalen.

De fotocamera van Piet Dickentman

Op de facebookpagina, Wielrennen, Anekdotes én Verhalen, kortweg WAF,  gerund door André Jansen, publiceerde Ron Couwenhoven onlangs twee korte stukjes over de Amsterdamse stayerslegende Piet Dickentman. Couwenhoven, gepensioneerd  wielerverslaggever van de Telegraaf, en nog steeds actief met de schrijfpen, beschreef daarin de tournee van Piet Dickentman door Australië. Dickentman bezocht dat continent in 1902, en nam behalve zijn fiets,  gangmaakmotoren ook zijn fotocamera mee. Ruim een eeuw later, in 2008, dook deze bewuste fotocamera op. Wat voor Stuyfssportverhalen het begin werd van een speurtocht door Amsterdam, die uiteindelijk eindigde bij Ebo Dickentman, de kleinzoon van Piet.

Piet Dickentman, tijdens de Belle Epoque één van de sterkste stayers, zo niet de sterkste  ter wereld. In 1903 bevestigde  Dickentman dat, om tegen alle verwachtingen in wereldkampioen te worden. 1903, was ook één van zijn beste seizoenen. De basis hiervoor werd gelegd in Australië, waar Dickentman, samen met concurrent Taddy Robl de winter doorbracht.  Dickentman, vorstelijk gesponsord door  Brennabor, een fiets- en motorengigant afkomstig uit Brandenburg, was voor een serie demonstratiewedstrijden gecontracteerd. Met  Taddy Robl,  manager Rudolf Lehr, de gangmakers en het materiaal werd  ingescheept op het stoomschip Grossen Kurfursten.
Piet Dickentman, man in bonus, had de geniale ingeving om vlak voor z’n vertrek een fotocamera aan te schaffen. Enkele van door Dickentman gemaakte foto’s, verschenen maanden later in het  Duitse gezaghebbende Album der Radwelt. Eén van die foto’s  is de inmiddels bekende groepsfoto van Dickentman,  Robl en de vier gangmakers, en gemaakt bij aankomst in Australië. Terzijde: tussen de Australische koersen door werd Dickentman verliefd op Cilian Brasker, een lokale schoonheid. Bij deze Cilian verwekte Dickentman een dochter Victoria genoemd. De geboorte van deze dochter was tevens het begin van een groot familiegeheim. Enfin, lees,  ‘Flirt met de Dood’, de biografie van Piet Dickentman, geschreven door Stuyfssportverhalen. Latere gevonden feiten én onbekende foto’s van deze stayerslegende, worden regelmatig op deze blog gepubliceerd.
Dan is het maanden na het verschijnen van ‘Flirt met de Dood’, als zich iemand  meldt. Deze persoon,  de biografie van Dickentman gelezen, besefte dat hij iets in bezit had wat persoonlijk eigendom geweest was van Piet Dickentman, namelijk de  fotocamera van Piet.  Het verhaal daarachter was er één van toevalligheid. De man was indertijd  werkzaam als rijwielhersteller bij fietsenzaak Karel Kat op de Amsterdamse Albert Cuijp.

Deze Kat kocht begin jaren zeventig de inboedel op van de fietsenzaak die Dickentman in 1928 had geopend in de Scheldestraat. Na het overlijden van de stayerskampioen in 1950, ging deze zaak over op diens zoon ook Piet genoemd. Na diens  overlijden  werd de inventaris van zaak overgenomen door de eerder genoemde Kat. Bij het uitruimen van de kelder van de fietsenzaak, goed opgeborgen in een doos,  kwam de fotocamera tevoorschijn. Kat schonk deze aan zijn werknemer, die het fototoestel, na bijna veertig in bezit, schonk aan Stuyfssportverhalen.
Bij de fotocamera zat ook een tiencentimeter lange  filmrol,  in originele verpakking. Het begin van een speurtocht. Vrijwel alle  fotolaboratoria werden bezocht met die ene vraag: of dat filmrolletje  te ontwikkelen was. Wat door de grote afmetingen niet kon.  Behalve bij de firma Silver Hands Atelier, een analoog werkend vakatelier op de Herengracht. Eigenaar Wim Dingemans, hoorde het verhaal ‘Dickentman’ aan, en was meteen bereidt om actie te ondernemen. Aangezien het een niet meer gebruikte filmrolmaat was,  moest Dingemans  eerst   een raamwerk maken, waar deze rol inpaste.

De spanning was groot nadat deze in het ontwikkelbad ging. En helaas… het was een nooit gebruikt filmpje.
Blijft over de antieke camera, ooit in het bezit van Piet Dickentman. Waarvan Stuyfssportverhalen vond dat deze terug moest na de erven Dickentman. Inmiddels pronkt het fototoestel in de vitrinekast van Ebo Dickentman, kleinzoon van de stayerslegende. Wat overblijft  voor dit  verhaal zijn deze twee, nooit eerder gepubliceerde foto’s van Dickentman’s trip in Australië, hier geplaatst.

Foto 2: Piet’s gangmakers fungeerde tevens als mecanicien. Thormann, De Regt, Wolf en Schwartzer bezig met een wiel van de gangmaakmotor. Piet Dickentman rechts.

Foto 4: Gangmaakmotoren en de fietsen werden in kratten verscheept richting Australië. Waarschijnlijk in de haven van Sidney zit Piet met zijn equipage voor deze kratten. Zittend van links naar rechts: gangmaker Willy Wolf, Piet Dickentman, en Jozef Schwartzer. Liggend op de kist gangmaker Gerrit de Regt. Hoogstwaarschijnlijk is de foto gemaakt door Adolph Thormann, de vierde gangmaker.

Het eeuwige leven

Moord in Londen

Klein, afgetraind, gespierd én tanig. Even hard blazen en hij lazert om. Kleine mannen, grote ‘jannen’, maar onderschat ze nooit, want zitten tjokvol compensatiedrift.  In de bokslokalen van Chicago en omgeving zijn ze daar van doordrongen. Jimmy Barry, vlieggewicht, watervlug in de ring mét een dodelijk knock out. Letterlijk.
Jimmy, bijgenaamd de Kleine Tijger, met op z’n conduitestaat eenenzeventig  gevechten, waarvan   negenendertig op knock out gewonnen. Jimmy’s carrière speelt zich af eind negentiende eeuw, de wildwesttijd van het boksen. De tijd waarin argeloos over de  gezondheid van een pugilist wordt beschikt. Als er maar spektakel kwam, want garantie voor volle bokszalen, én de portemonnee van de organisators. Zeker met  De Kleine Tijger op het programma. Zoals het gevecht Barry tegen een zekere Jimmy Shea, gehouden in  juli 1893.
Hoe Shea na de partij er uit ziet, daar moeten wij maar niet aan denken. De man wordt door Barry in de vierde ronde vier keer tegen het canvas geramd.

En dan was er ook nog ene Casper Leon die zijn leven te danken heeft aan de aanwezigheid van de politie. Casper tegen Jimmy Barry. Een partij met als decor het New York van 1895.  Om de agressie van het publiek binnen de perken te houden zijn bij het gevecht een aantal agenten aanwezig. Tot groot geluk van Casper. Want die krijgt van Jimmy Barry, tijdens de tweede ronde een vreselijke afstraffing.
De Chicago Tribune heeft het over een mishandeling, wat ook de overtuiging is van de aanwezige politie, die de ring instapten om het gevecht te stoppen.
En dat was nog niets vergeleken wat Walther Croot, kampioen van Engeland, te wachten staat. Walther Croot,  bokser uit Londen daagt Barry uit. Een partij, gehouden in het Londense Covent Garden. Croot,  23 jaar, tijdens zijn dertiende gevecht, wordt hard door Barry geraakt, valt achterover en wordt bewusteloos uit de ring weg gedragen. Niet veel later sterft Walther  aan hersenletsel. Een incident dat bij  de Kleine Tijger diepe indruk maakt. Na dat gevecht durft Barry niet meer tot het gaatje te gaan, en slaat nooit meer een tegenstander  knock out. Jimmy Barry, die als één van de weinige nooit  één gevecht verloor, meldt zich op drieënzeventig jarige leeftijd bij zijn Schepper.

Met dank aan de wonderbaarlijke database van John Brouwer de Koning.
Bron: onder meer BoxRec, en het digitale archief van de Chicago Tribune.

Karel kletste uit z’n nek

Om in één seizoen  de Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix én Bordeaux-Paris te winnen dan ben je met recht een groot kampioen. Volgens Karel van Wijnendaele dus niet.  Van Wijnendaele, – nestor van de Vlaamse wielerjournalistiek en stichter van de Ronde van Vlaanderen, – deed Romain Gijssels, de betreffende renner, hem eerder  denken aan een ‘winkeljuffrouw dan aan een dwangarbeider van de weg’.  Je moet maar durven.  Iets waar  Van Wijnendaele  duidelijk niet mee zat. In zijn boek, ‘Het Rijke Vlaamsche Wielerleven’ werd Gijssels door  Karel flink afgefakkeld.
Gijssels, een jonge Vlaamse stoemper afkomstig uit Denderwindeke, flikte dat heroïsche kunstje in 1932. Zelden  nagedaan. Drie van de zwaarste koersen winnen in een paar weken tijd, is tevens  de opmaat voor een gesloopt lijf. Helemaal voor een coureur van maar amper vijfentwintig jaar. ‘Vlaanderen’ en Parijs-Roubaix had misschien nog gekend. Maar een monster als een Bordeaux-Parijs, een prehistorische, draak van een koers over bijna zeshonderd kilometer, is voor een jonge renner een gereguleerde zelfmoord.
Bordeaux-Parijs, tijdens het interbellum een tweestrijd tussen Frankrijk en België. De weken voor deze koers, maakten de sportredacties overuren. Waarbij de rotatiepersen recordoplages  draaiden. Het nationalistische bed flink werd opgeschud. Wat alles met de Vlaamse taalstrijd te maken had. Voor de winnaar van B-P,  de  nodige vette contracten, én de ‘eeuwige roem’: dat nogal rekkelijk was.
Editie 1932, waar de gangmaakmotor voor het eerst zijn opwachting maakte. De eerste tweehonderd kilometer regulier koersen, om dan vierhonderd kilometer achter zo’n motor rossen. Urenlang naar het achterwiel van die motor loeren. Die geen seconden uit het oog verloren werd. Eén moment onachtzaamheid…
Bordeaux-Parijs, 1932, wat stond voor  achttien helse uren koers, met winnaar Roman Gijssels,  die de zeshonderd kilometer aflegde met een gemiddelde van vierendertig kilometer.
Een jaar later trok Romain op herhaling. Met een derde plaats in Parijs. En dat was het. De wielercarrière van Gijssels zat er op. Er werd niets meer gewonnen. Hedendaagse inspanningsfysiologen knikken begrijpend. In 1935, net achtentwintig jaar, stopte Gijssels met koersen.

Bron: Het Rijke Vlaamsche Wielerleven, Le Miroir des Sports jaargang 1932.

Aan vingertoppen boven de afgrond

Voor gokkers viel er geen cent te verdienen. Een kampioenschap zonder outsiders. En maar één favoriet. Kortom, een uitgemaakte zaak.  Het nationale stayerskampioenschap, gisteravond gehouden in het Alkmaars Sportpaleis,  was wat bezetting betreft een tikkeltje gedevalueerd. Dat Reinier Honig zijn achtste nationale titel ging ophalen was  zeker. Wat restte waren de tweede en derde plek, die  enige spanning opleverde. Stayersliefhebbers maakte dat evengoed niets uit. Blij dat ze waren met een  koers achter zware motoren.
Wat dat betreft kan het Alkmaars Sportpaleis, én de groep enthousiaste gangmakers niet genoeg geprezen worden. In tegenstelling tot  het Apeldoornse Omnisport, dé wielerbaan van Nederland. Als er één baan geschikt voor het stayeren is dan wel die van Apeldoorn. Maar dat gebeurd niet. Verboden door de leiding. Met als enige rede dat men bang is dat er een druppeltje motorolie op hun mooie  baan terecht komt.
Terug naar het stayerskampioenschap, een koers over tweehonderd ronden. Waar Reinier Honig precies halfkoers op stoom kwam. Interessanter waren de jonge nieuwkomers onder de stayers. Jongens als een Robin Rol, en Tom Wijfje (foto). Vooral de laatste. Tom Wijfje, broer van schaatster Melissa Wijfje, en  pas eenentwintig jaar. Wijfje, gegoten aan de rol, maar wél op  iets te lichte versnelling, mist nog  de inhoud, wat goed gemaakt werd met doorzettingsvermogen. Rondenlang zat Wijfje ‘op breken’, en hing aan  z’n vingertoppen boven de afgrond. Volgens z’n  gangmaker Hans van Klaveren, zat z’n renner op het laatst te schreeuwen van ellende. Als er dan toch spanning én verrassing  was, gebeurde dat letterlijk in  de laatste meter van de koers. Ocko Geserick, met de tweede plaats als zekerheid, liet zich de laatste dertig meter van de koers uitbollen. Zowel Geserick als z’n gangmaker Willem Fack letten daarbij niet goed op. Waar Steven Steneke, gegangmaakt door Richard Konijn,  handig gebruik van maakte.

Uitslag nationaal stayerskampioenschap: 1: Reinier Honig, 2: Steven Steneke, 3: Ocko Geserick, 4: Tom Wijfje.