Je moet wel volslagen blind zijn om het niet te zien want het is prachtig geworden: na de renovatie van het Olympisch Stadion kom je superlatieven te kort. Van een bouwval is het verworden tot een bruisend sporthistorische arena dat niet meer uit Amsterdam weg te denken valt.
Maar toch… toch blijft het een verkracht, geamputeerd én verminkt monument! Want waar eens de wielerbaan lag gaapt nu een holle leegte. Voor de wielerliefhebber blijft dat schrijnen, pijn doen. Dat de finish van de Giro, aanstaande zaterdag, vlak voor de poorten van het Stadion plaats vindt is een schrale troost.
Mocht een Italiaanse coureur het roze tricot ‘pakken’ dan volgen er ongetwijfeld emotionele, Latijnse taferelen. Niks nieuws dus! Tweeëntachtig jaar geleden gebeurde dat ook!
Tijdens de Spelen van 1928, op een gloednieuwe pas geopende baan, grepen Italiaanse renners ‘van den staat van Mussolini’, zoals sportjournalist Leo Lauwer dat schreef, ‘Den overwinning in de Course Poursuite over den afstand van 4 km, waarbij de Engelschen en Hollanders werden geklopt. Er heerschte vreugde,’ zo leutert Lauwer door, ‘In het macaroni-kamp. Dat ziet men aan de bijgaande illustratie waarbij den manager van het Italiaanschen team den captain van de ploeg in triumf ronddraagt.’
Volgens Lauwer spraken ook wij, Hollanders, een woordje mee. ‘Twee stoeren knapen van het stalen ros hadden daarvoor gezorgd. Leene (links) en Van Dijk wonnen de tandem-race. In het midden trainer Piet Aandewiel’.
De laatste is een Amsterdamse wielerpionier. In de jaren dertig begon Aandewiel op de Admiraal de Ruijterweg een racefietsenzaak die anno nu, bestiert wordt door zijn kleinzoon.
Bron: Sport in Beeld, nummer 35, 10 augustus 1928.
Of ik even meekwam want iemand had iets voor mij. En dat ‘iets’ bevond zich in een halfduistere schuur, waar in een hoekje, als een hoopje cokes in elkaar gefrommeld, een zwart lederen, beschimmeld, en uitgeslagen motorpak lag!
Dat het niet de outfit van een gemiddelde motormuis was, was te herkennen aan dat ene woord op het pak: ‘Vredestein’! Een magisch woord in de stayerssport van weleer, want sponsor van de banden! Een oud leren stayerspak dus, de werkkleding voor een gangmaker.
Raar, maar er doemden direct beelden op van mijn eigen armetierige stayerscarrière (foto: rechts): fietsen achter zware motoren, dat blijft je levenlang bij. Bij het aanraken van het leer voelde ik weer adrenaline door de aderen kolken, veroorzaakt door de angst die ik steevast had vlak voor het startschot. Niet dat ik nou zo’n grote rolrijder was. Welnee, ik was maar programmavulling. Maar evengoed toch drie jaar achter die ijzingwekkende motor gereden…
En dan de geur die uit dat motorpak opsteeg. Een ‘gewoon’ mens rook een onfrisse, penetrante kelderlucht. Maar dat zijn natuurlijk gewone stervelingen! Want wie ooit gestayerd had, ruikt de aroma van motorolie, verbrand rubber, een vleugje angst, de geur van elkaar ‘flikken’ en de stank van de combine…
En verdomd, hoorde ik in die schuur niet heel zachtjes de sound van brullende motoren, het gegier van de meedraaiende rol, en de stem van stadionspeaker Wim van Steenbergen, die zo mooi kon roepen ‘zware motoren in de baan’? Dat was ooit. Want het stayeren leidt nu een marginaal bestaan, kapot gemaakt door de malafide praktijken van de gangmakers….
Het beschimmelde, stinkende motorpak staat dan ook symbool voor de teloorgang van het stayeren…
Afgelopen dinsdagavond vond in het Olympisch Stadion de prijsuitreiking plaats van de Nico Scheepmaker-beker wat staat voor het beste sportboek van 2009. Bij de Publieksprijs eindigde ‘Flirt met de Dood’ op de zesde plaats. Winnaar werd Gerrit-Jan van Heemst met het voetbalboek ‘de dag van Pim en Pierre’.
Uitslag Publieksprijs:
1. Gerrit-Jan van Heemst: De dag van Pim en Pierre (648 stemmen)
Menno Haanstra: Jan Ykema Pikstart, verslaving en comeback van een hypersprinter (610)
M. Dubach en A. Renders: Mijn PSV DNA (597)
Friso Schotanus: Desespereert Nimmer (339)
Wilfried de Jong: De man en zijn fiets (288)
André Stuyfersant: Flirt met de Dood (287)
Nico Dijkshoorn: De tranen van Kuif den Dolder (276)
Karl van Nieuwkerke: Merckxissimo (238)
Joop Holthausen: Fedor, Eenzaamheid in de school van het genie (212)
Job van Schaik: Hardloper Huizenga het verhaal van een vergeten wonderatleet (182)
de vakjury beoordeelde Spartacus van Eric Brouwer als het beste sportboek.
Met de komst en de daarbij behorende commotie van de Giro d ‘Italia zijn we bijna vergeten dat er ook nog Amsterdammers zijn die deze koers gereden hebben. Stuyfssportverhalen sprak met Appie Donker, 80 jaar, deelnemer aan de Ronde van Italië 1957.
Het was de tijd dat een renner nog met een tube om de nek reed, en pijnlijke steenpuisten op de kont werden veraangenaamd met een biefstuk in de broek. Dwangarbeiders van de weg werden ze genoemd. Vanuit een ploegleidersauto een drinkbus aangereikt krijgen? Dat kwam alleen voor in koortsige visioenen.
In 1957 ging dat iets anders aan toe. Dorst? Dan stormden de gregario’s, dat prachtige Italiaanse woord voor ‘knecht’, een kroeg binnen en plunderden de drankvoorraad. Tot wanhoop en woede van zo’n kroegbaas die alles deed om zijn nering te beschermen. Appie Donker, knecht, hobbelde wel mee. Wist hij veel. Vermoedelijk daardoor kreeg hij van een kastelein, als één van de weinige renners, een klap met een knuppel in zijn nek. Niet dat het hem iets kon schelen. Groot avontuur
Voor Appie Donker was de ronde van Italië één groot avontuur. Nóóit een berg gezien, sterker, nóóit in een vliegtuig gezeten, kwam opeens de almachtige wielerbaas Kees Pellenaars naar zijn werk. Of hij zin had om de Giro te rijden. Dat kwam zo: Appie, loodgieter in dienst van zijn eigen vader, was een verdienstelijk beroepsrenner. Pikte zijn prijsjes mee, maar kende ook dagen dat hij vloog. Dan was de kleine Amsterdammer voor niemand te houden Ook niet in de Ronde van Vlaanderen voor B-professionals. Van Est en Wagtmans
‘Ik had een heel goed voorjaar’, begint Donker (foto: rechts) zijn relaas. ‘Ik won die ronde, die ging over hetzelfde parkoers als nu.
Op Kees Pellenaars, toentertijd ploegleider van de Locomotiefploeg, maakte dat de nodige indruk. Ik was dan wel prof, maar verdiende daar niet genoeg mee. Ik werkte gewoon bij mijn vader en ‘s middags na vieren kon ik pas trainen. Op een gegeven moment werd ik ergens van een dak gehaald waar ik aan het werk was. Pellenaars stond beneden. Of ik mee wilde naar de Giro, met de bedoeling om te knechten voor Van Est en Wagtmans. Ik moest daar toch over nadenken, want verdiende buiten mijn loon toch lekker bij in de criteriums. Pel haalde mij over met de belofte dat ik voor ieder dag in Italië vijfentwintig gulden kreeg, toentertijd een redelijk loon.’ Giradengo
En daar ging Appie, samen met zijn ploeggenoten met een vliegtuig op weg naar Milaan. In zijn bagage zat niet alleen rennerskleding, maar ook een stuur én zadel.
‘Van de organisatie kregen wij een fiets van het merk Giradengo, waar dat stuur en zadel opgezet werd. Die fiets was iets te groot, ook hadden ze er een voorblad van 52 tanden op gemonteerd terwijl iedereen met een tand méér reed. Ik was veel te bescheiden en liet het maar zo’.
Voor Appie Donker volksjongen uit Mokum begon een avontuur dat hij zich meer dan 53 jaar later nog goed kan herinneren. Nooit een col gezien, wél van stadsgenoot én Tourrenner Hein van Breenen daar de verschrikkelijkste verhalen over gehoord. Jan Nolten
‘Na een paar dagen van redelijke vlakke etappes waarin ik een paar keer bij de eerste twintig zat, kwam Daan de Groot naast mij rijden. Kijk Appie, zei hij, daar liggen ze. In de verte doemden de Dolomieten op. Tot mijn verrassing ging ik goed omhoog. Ik hoor Jan Nolten toentertijd dé klimmer van Nederland, achter mij nog roepen dat ik het rustig aan moest doen want hij kwam in moeilijkheden. Ik had een duidelijke rol, moest de kopmannen helpen en meer niet. Door mijn mindere trainingen heb ik erg afgezien. Evengoed eindigde ik vijfenvijftig plaatsen achter winnaar Gastone Nencini (foto: links).’
Appie Donker koerste veertien jaar bij de profs, was daarvoor topamateur en won meer dan zestig koersen. In zijn geheugen zijn dat feitjes, getallen, dat hij inmiddels wel ‘gelooft’. Maar laat hem vertellen over de Giro en je ziet hem zichtbaar genieten van herinneringen die onbetaalbaar zijn. Voor geen geld had hij dat Italiaanse avontuur willen missen, zelfs niet dat ‘geeltje’ per dag, dat hem belooft was door Pellenaars.
‘Of ik veel verdiend heb in de Giro? Ik heb geen cent ontvangen.Ik was de zoveelste renner die door Pel geflikt werd.’
In het Theater van ’t Woord vond gisteravond de Gala de Giro plaats. Sportjournalist Marcel Rözer leidde de gesprekken en Bertus Raats, Henk Faanhof en Wim van der Kaaij namen de toehoorders mee in de geschiedenis van het Amsterdamse wielrennen.
Die foto van bijna zestig jaar geleden en die oude man op het podium, de biologische aftakeling van een sportman kon niet mooier gesymboliseerd worden. In de spotlight van het theater zit een hoogbejaarde herinneringen op te halen over zijn jonge jaren als beroepswielrenner. Wielerlegende Henk Faanhof, krachtige stem, scherpe geest, had dan ook iets te vertellen. Ondervraagd door Marcel Rözer verhaalt Faanhof, 87 jaar, over zijn relatie met Fausto Coppi. Om zijn verhaal kracht bij te zetten verschijnt achter hem een metersgrote foto gemaakt tijdens de Tour van 1952 met Faanhof, in gezelschap van de illustere campionissimo. Aan Coppi heeft de Amsterdammer alleen maar goede herinneringen. ‘Hij was een mens’, antwoordde hij op de morele vraag hoe het nou zat met de Witte Dame, de minnares van Fausto. Nee, Faanhof leeft niet echt toe naar de start van de Giro d ‘Italia. Als renner heeft hij al zo vaak aan een start van een wielerkoers gestaan. Niet dat het hem niet interesseert, verre van dat. Er gaat geen grote wielerklassieker voorbij of Henk Faanhof wereldkampioen op de weg 1949, winnaar van touretappes, zit voor de buis. Waar hij zich wél zorgen om maakt, zijn de tramrailsen in het Amsterdamse parcours. Het is de avond van de Gala de Giro maar ook van de geschiedenis van het Mokumse wielrennen. Hoewel nooit gekoerst, maakt Wim van der Kaaij daar degelijk deel van uit. Van der Kaaij is eigenaar van RIH-Sport, het roemruchte merk waar in de loop van 89 jaar meer dan 63 wereldkampioenschappen op zijn behaald. Met de komst van het carbon en aluminium is zijn ‘fiets’ naar de achtergrond geschoven. Een klein drama? ‘Nee hoor’, antwoordt de fietsenbouwer. ‘Ik ken mijn plekkie’, onthult hij nuchter. ‘Kunststof’ waar hij de carbonfiets mee bedoelt, kan hij niet betalen. Die mallen waar dat in gegoten wordt zijn voor een fietsenbouwer uit de Jordaan, onbetaalbaar. Niet dat hij werkloos is geworden. Verre van dat, zijn atelier bouwt nog steeds moderne koersfietsen. ‘Wij zijn de staalmeester’, roept Van der Kaaij met verwijzing naar het materiaal waar de RIH-fiets mee gebouwd wordt. ‘Staal blijft lopen’ vervolgt hij. Zijn hand rust op het Brookzadel van een meer dan vijftig jaar oude RIH-fiets, een etalage pronkstuk in zijn zaak. ‘Hier win je nog steeds Parijs-Roubaix op. De symmetrie van deze fiets is nog perfect’. Fijntjes merkt hij op dat Peter Post, óp een RIH, nog steeds de snelste tijd heeft in Parijs-Roubaix (Post won de helleklassieker in 1963, A.S.). Wim van der Kaaij is een vakman, weet waar hij het over heeft. Iets wat de pers ook goed beseft! Suf is hij gebeld de laatst weken met allemaal dezelfde vraag: hoe komt het dat zoveel Raborenners vallen. Wim van der Kaaij weet het. ‘Die fietsen zijn veel te kort, maar ook veel te stijf. Ik vermoed dat die fietsen niet op maat gemaakt worden maar gewoon uit het rek komen. En volgend jaar? Dan bestaan we negentig jaar dat vieren wij gewoon in de zaak met een gebakkie.’ Gala de Giro, dinsdag 27 april, feestelijke avond met Wilfried de Jong, Theo Dijkshoorn en Renaate Verhoofdstad. Presentatie Marcel Röser. Theater van ’t Woord, Openbare Bibliotheek, Amsterdam Toegang 10 euro.
Afgelopen zaterdag was het precies honderdvijftig jaar geleden dat het eerste gevecht om de wereldtitel zwaargewicht plaatsvond.
De ochtend van 17 april 1860 was het perron van het London Bridge Station afgeladen! Kroegbazen, journalisten, aristocraten, en dokwerkers vochten voor een plaats in één van de wagons. Uiteindelijk waren er twee volle treinen nodig om de meer dan achttienhonderd boksliefhebbers te vervoeren naar het dorpje Farnborough, dertig mijl ten zuidwesten van Londen.
Op een grasveldje buiten het dorp vond het allereerste gevecht om de wereldtitel zwaargewicht plaats tussen de Amerikaan John Heenan (foto: rechts) toen 27 jaar, en ‘thuisvechter’ Tom Sayers 34 jaar. Hoewel boksen bij de wet verboden was, zong de locatie van het gevecht zich rond in de Londense kroegen. De Britse kranten verbraken de boksboycot en schreven openlijk over de tweekamp. ‘Fight of the Century’ kopte de Times, een kreet die later nog honderden keren gebruikt zal worden. De bokspartij, waar flink op gewed werd, moet iets vreselijks zijn geweest. Gevochten werd met blote vuisten wat het gras al spoedig deed rood kleuren.
Wat een niets vermoedende journalist geschokt deed opschrijven ‘dat dit zijn eerste en tevens laatste getuige was van een dergelijk barbaars ritueel’. Zijn collega van de Times bleek een liefhebber van het ‘blotevuistengevecht’ te zijn. Vermoedelijk stond de man op de eerste rij. Met veel gevoel voor details noteerde hij hoe Sayers neus in de eerste ronde werd verbrijzeld. Volgens hem was het geluid van krakend neusbeen over het hele veld te horen.
Bij het ontbijt moeten zijn lezers over een sterke maag hebben beschikt. Kolommen vol gedetailleerde geweldadigheden stortte de scibent uit over zijn lezers. De partij die uiteindelijk meer dan twee uur duurde eindigde in chaos toen iemand de touwen van de geïmproviseerde ring doorsneed.
De op de achtergrond aanwezige politie greep in toen de beschonken menigte met elkaar op de vuist wilde gaan. Scheidsrechters verklaarde de match onbeslist. Zowel Heenan als Sayers kregen een zilveren kampioensgordel.
Of ze die direct omdeden is hoogst onwaarschijnlijk. Heenan wiens ogen helemaal dicht geslagen waren was een week blind en Tom Sayers kon een maand lang zijn rechterarm niet gebruiken want gebroken.
Met blote vuisten op je gezicht en lijf laten rammen doet ‘iets’ met je gezondheid. Zowel Heenan als Sayers werden niet oud: de eerste stierf op achtendertigjarige leeftijd en Sayers werd maar een jaar ouder.
Met dank aan John Brouwer de Koning en zijn geweldige database die de tip gaf.
Bronnen: wikipedia.
Wereldwijd loopt de populariteit voor het amateurboksen terug. Volgens de Internationale Boksbond allemaal de schuld van de dikke hoofdkap die de bokser moet beschermen tegen blessures of nog erger. Want het publiek wil de bokser in zijn gezicht kunnen kijken, zien waar de stoten aan komen, kijken of er angst dan wel moed uit zijn ogen spat. In een poging het tij te keren, besloot de internationale bond de kap af te schaffen. De Final Four, een bokstoernooi gehouden in Purmerend, had de wereldprimeur waarbij halfzwaargewicht Danny Smit absolute boksgeschiedenis schreef.
Razend was hij! Het liefst had hij de complete jury én de scheidsrechter een ‘linkse hoek’ willen verkopen. Voormalig bokser Peter Zwezerijnen (foto: links), honderddertig partijen gevochten en nu coach, voelde zich bestolen. Gelijk had hij. Een visueel gehandicapte kon zien dat Zwezerijnens pupil, Scot Duncan, met een straatlengte voorsprong de partij tegen Robert van Nimwegen op zak had.
Maar zowel Zwezerijnen als Duncan maakte een kapitale fout. Want hoe luidt die ene ongeschreven boksregel ook alweer? Is dat niet dat als je tegenstander een lokale favoriet is, je deze voor minstens tien minuten tegen het canvas moet rammen? ‘Puntendrukker’ Duncan vergat dat: een dure fout. Hoewel Purmerender Van Nimwegen een straatlengte achterstond, werd hij door scheidsrechter Cen Dunbar tot overwinnaar uitgeroepen. Geschoren torso’s
Tot ongenoegen van een kolkende afgeladen zaal. En dat was pas de eerste partij, dat belooft nog wat, én het publiek gaat er nog maar even goed voor zitten. En de boksers? Die hebben er duidelijk zin. Met afgetrainde, geschoren torso’s wordt met een opvallende gretigheid de ring ingeklommen. Voor het eerst in lange tijden kunnen ze hun vuistkunsten weer vertonen voor een groot publiek.
Dat laatste waren de organisatoren niet meer gewend. Na jarenlang amateurwedstrijden te hebben gehouden in achteraf zaaltjes, voor een handjevol liefhebbers, waren pers én toeschouwers massaal komen opdagen voor de Final Four, waar veertien boksers om de hoofdprijs vochten. Aan entertainment is ook gedacht. Voor een verbijsterd publiek van geharde mannen klimt Peter-Jan Rens met zijn gitaar de ring in. De Grote Mijnheer Kaktus show kan beginnen. Barre, donkere winter
Als eindelijk ringspeaker Jakhals Erik, bekend van DWDD, de partijen aankondigt, staat elders in het gebouw halfzwaargewicht Danny Smit (foto: rechts) te sparren met trainer Raymond Joval. Smit heeft er zin in. Na een lange, barre, donkere winter van trainen in de sportschool van Bert Kops staat de Amsterdammer op de poort van het beroepsboksen te kloppen.
Met ritmische dreunen slaat Smit op de handschoenen van de voormalige wereldkampioen. De bloedvaten staan wagenwijd open, de hartslag is ver boven de honderd en zweetdruppels vallen op de vloer.
‘Gevaarlijk zonder kap?’, echoot hij tussen een serie schijnstoten door. ‘Ik ken mijn grenzen, ben nooit knock-out geweest en heb dertig gevechten gedaan. Samen met Joval heb ik mij heel goed voorbereid. Maar welke sport is niet gevaarlijk? Kijk naar wat er met die rodelaar op de Spelen gebeurd is. Ik heb veel ervaring, ben vlug en sterk, heb een snelle linkse die ik goed weet te plaatsen’. Maar Smit heeft óók zijn twijfels om zonder kap te vechten. ‘Ik ben wel bang om voor een blessure aan mijn gezicht’, fluistert hij bezweet: wat een profetische uitspraak zal blijken te zijn. Ophoesten
Danny Smit, 24 jaar, een geblokte Amsterdammer, houdt duidelijk van het gevecht, is gretig, staat als het even kan iedere dag in de ring, en heeft de droom om ooit K-1 vechter te worden, op wereldkampioen zwaargewicht na, het hoogste echelon in de vechtsporten.
‘Om prof te worden moet er geld zijn’, verklapt verzorgster Ilona Lenten. ‘Vijftienhonderd euro kost een gevecht. Zeshonderd voor Danny, evenveel voor de tegenstander en de rest gaat naar de bond’. Een bedrag dat in het betaalde voetbal verdiend wordt door de ballenjongen, maar dat Smit niet kan ophoesten.
De warming-up zit erop. Smit, op een stoel, wordt door de voormalige wereldkampioen geestelijk voorbereid voor het gevecht. ‘Haleluja’ Joval fluistert geheimzinnige woordjes in Smits oor, smeert zijn gezicht in met vaseline en duwt het bitje in zijn mond. Danny Smit, sportinstructeur in de Baarsjes, staat er nu alleen voor, moet het nu zelf zien te rooien.
Een van de aardige bijzaken van het boksen is dat de pugilist van dienst zijn eigen muziek mag uitkiezen waarmee hij aangekondigd wordt. Hollywoodmuziek
Wat muziekkeuze betreft had Smit op punten gewonnen. Met bombastische Hollywoodmuziek komt de Amsterdammer ‘op’, klimt de ring in en het gevecht kan beginnen. Helpers weg, eerste ronde! Voor Smit dé kans om uit de betrekkelijke anonimiteit te komen. Het gaat een proeve van bekwaamheid worden om die felbegeerde profstatus te krijgen, katalysator hiervoor is tegenstander Andaman Daku, notabene een vriend van Smit. Kopstoten
Kijkend, loerend achter zijn hoog gesloten dekking, wordt tegenstander Daku bestookt, die niet van plan is zich af te laten slachten. De eerste minuut worden gekenmerkt door bezwete lijven, trillende spieren, harde klappen en koppen die tegen elkaar slaan. En na een minuut is het opeens over! Van de wenkbrauw van Smit druipt traag een druppel bloed. Op medisch advies wordt het gevecht beëindigd. Een nachtmerrie voor een jonge aankomende bokser! Maandenlange training was voor niks, weg profcontact. Het leven voor een amateurbokser is hard en wreed. ‘Ik kreeg twee kopstoten’, vertelt Smit, eenzaam, en troosteloos zittend in een groot trainingslokaal. ‘Ik had gemakkelijk door kunnen vechten want ik had er geen last van.’
Supporters komen af en aan kloppen hem zwijgend op de schouders. ‘Kut hé’, roept zijn trainer. Na minutenlang zwijgend voor zich uit gestaard te hebben, reageert Smit. ‘Maar de muziek was goed hè?’ Geplaats in Mug Mei 2010. Foto’s Hilco Koke
Bezweet en verwaaid kwam ze binnen stormen. Haar fiets had ze even daarvoor tegen de gevel van het Stadsarchief gekwakt. Dat ze zojuist over een gedeelte van het tijdritparkoers van de Giro d ‘ Italia had gefietst ontging haar. Ze had haast! Tussen de coalitiebesprekingen deed ze snel, maar wel gepassioneerd, de opening van de foto-expositie ‘Giromania’ welke in teken staat van de geschiedenis van het hoofdstedelijke wielrennen.
Na de ontvangst van een bloemetje stormde wethouder Carolien Gehrels de trappen van het Stadsarchief af, sprong op haar karretje en raasde terug naar de Stopera.
Theo de Groot, beleidsmedewerker van het stadsarchief, kondigde vervolgens Stuyfssportverhalen, gevolgd door Steven Rooks, aan voor een lezing. Het publiek van onder meer topambtenaren, Giromedewerkers maar ook twee oud-wereldkampioenen, Piet van Heusden en Henk Faanhof, hoorde Stuyfssportverhalen een lans breken, maar ook om erkenning vragen, voor Amsterdams allereerste wielerheld Piet Dickentman. De laatste heeft door middel van zijn sport héél véél betekent voor zijn stad. De liefde bleek niet wederzijds te zijn want Dickentman is in het collectieve stadhuisgeheugen totaal weggezakt… Het minste wat Amsterdam voor één zijner allergrootste sportheld kan doen is het benoemen van een straat…
Om het Stadsarchief, een monumentaal gebouw van de voormalige Nederlandse Handel-Maatschappij, te bezoeken geeft een aparte dimensie, want een architectonische schoonheid. En in de kluizen van de voormalige bank bevindt zich de kleine maar prachtige foto-expositie over het Mokumse wielrennen.
Aan parafernalia is ook gedacht. In vitrines bevinden zich de regenboogshirts en de kampioenstruien van Piet van Heusden, vijftig jaar geleden wereldkampioen achtervolging. De weduwe van Gerrie Knetemann had de kledingkast ook opengetrokken. Onder het glas lag het ontroerendste stuk van de expositie, een door haar gebreide onderhemd zonder welke Gerrie niet op de fiets stapte. De expositie, met onder meer de thema´s ´Amsterdam: de fiets als dagelijks vervoersmiddel´ is gratis te bezoeken en duurt tot 16 mei. Openingstijden: dinsdag t/m vrijdag 10.00-17.00 uur. Zaterdag en zondag van 11.00-17.00 uur. Stadsarchief Amsterdam Vijzelstraat 32 Amsterdam.
Bijna was een groot stuk Amsterdamse sportgeschiedenis bij het grof vuil gezet. Twee overvolle dozen, afgeladen met krantenknipsels, tientallen unieke actiefoto’s, diploma’s en medailles vertegenwoordigde de complete carrière van John Schlebaum: ooit een topstayer tussen de twee wereldoorlogen in.
Na zijn overlijden in 1966 zwierf de verzameling door de familie en dan komt er een moment dat de vraag gesteld wordt wat ze met ‘die troep’ moeten. Gelukkig zijn er mensen met gevoel voor sporthistorie zoals Dorus Pronk, 27 jaar. Hoe hij aan zijn unieke verzameling kwam? Familiebezit! John Schlebaum was de oudoom van zijn moeder!
Schlebaum is nu weg gezakt in het collectieve sportgeheugen maar er was een tijd dat wekelijks de complete Jordaan de tribunes van het toenmalige Stadion bevolkte. En ze kwamen allemaal om Johnny, zoon van een schoorsteenveger uit de Lindendwarsstraat, achter de motor te zien rijden.
Stayer John Schlebaum was niet alleen de ongekroonde koning van zijn buurt, maar ook mateloos populair in binnen- én buitenland. Het was de tijd dat stayers de absolute vedetten van de wielersport waren.
Schlebaum was geen getalenteerde rolrijder wat weer goed gemaakt werd door zijn enorme vechtlust. Johnny gaf altijd waar voor zijn geld, vocht van start tot finish. De schoorsteenvegerzoon kende het woord ‘ho’ niet: wat stayers roepen naar de gangmaker als het te hard gaat. Zat vaak rondenlang los van de motor en knokte zich ook terug. Kreeg de bijnaam ‘roetmop’, naar de stiel van zijn vader en was vermoedelijk de eerste sporter die met een heuse yell werd bedeeld. Als Johnny, achter Jan Slesker, weer eens ter aanval trok brulde het hele stadion ‘hoeiii’, de aloude schoorsteenvegerkreet. Werd vier keerkampioen van Nederland en evenveel keren kreeg hij in de Jordaan een heldenontvangst waarbij het pierement niet ontbrak.
Mocht na de koers graag een sigaar opsteken wat een groot sigarenfabrikant op het idee bracht om de Schlebaumsigaar op de markt te brengen. Opende na zijn carrière, hoe kan het ook anders, een sigarenzaak.
En nu is Johnny’s hele carrière belandt bij een achter-achterneef. Dorus Pronk, zelf actief wielrenner, koestert het familiebezit, liet Schlebaums kampioensdiploma inlijsten, en heeft zijn oud-ooms medailles eerbiedig op een fluwelen doekje gespreid. Speciaal voor Stuyfssportverhalen werden de dozen geopend waaruit een stroom onvervalste Mokumse maar ook vaderlandse sportgeschiedenis tevoorschijn komt waarbij handgeschreven ansichtkaarten, verstuurd tijdens tournees aan zijn vrouw, niet ontbreken.
Dat was een heerlijk avondje ‘terug in de tijd’ met Pronk als reisgids waarbij hij verbijsterd opmerkte dat de vier kampioensshirts, zo’n tien jaar geleden, in de vuilnisbak waren verdwenen, omdat ze motgaten vertoonden….
In den beginne was er niets! Of bijna niets! Er waren wat ‘inrichters’, Vlaams woord voor organisatoren, er was een finishdoek, gemaakt van eerlijk getaand vlas, en op de kasseien was er met kalk een aankomststreep geschilderd.
En er wáren noeste kerels met een velo. Wielrenners zoals wielrenners moeten zijn met wollen shirt, zwarte koersbroek, stofbril, een tube om de schouder en op het stuur een aluminium drinkkruik gevuld met een combinatie van koffie, cognac, geklutst ei, en een pilleke cocaïne of strychnine.
Want goedverdoeme-nog-an-toe er stond die zondag de 10e april 1938 wél wat op het spel: de Ronde van Vlaanderen! Want wil je als Vlaamse coureur tot ver na je dood serieus genomen worden dan dient er wel ‘Vlaanderens Mooiste’, op je erelijst te staan. Edgard de Caluwé had dat goed begrepen!
Voor die De Caluwé hadden de mannen schrik, dat was zo’n Flandrien, taai als hondenleer, die je tijdens een koers met een voorhamer van zijn fiets moest slaan. Had hij een jaar daarvoor niet Parijs-Brussel en Bordeaux-Parijs gewonnen? De inwoner van Denderwindeke was op zijn Dilectafiets de hele dag in de aanval geweest. Lekke banden depannerend, stoempend over kasseien, kloeke kinderhoofden, straten en wegen vol, en met een zwarte, bestofte harses, scherend over assepaden kwam finishplaats Wetteren in zicht waar de bierpompen schuimden en de frietkot een topomzet maakte.
Nog een laatste slok uit de bidon, de neus leeg blazen, even kijken waar de tegenstanders zaten, en allé nog één snok op de pedalen en weg was Edgard. Hoe hard Marcel Kint en Sylveer Maas er aan trokken, De Caluwé was weg én bleef weg.
Aangemoedigd door duizenden toeschouwers, voornamelijk mannen getooid met ‘d’n klak’, de platte pet, was Edgard bezig zijn plaatsje in de wielergeschiedenis in te nemen.
Na de huldiging nog even op de schouders van de supporters, de washand over het gezicht, een droog shirt aan en op de fiets naar huis.
Dat was tweeënzeventig jaar geleden, toen er nog geen trendy zonnebrillen, pothelmen, vloeibare voeding, koerskleding ontworpen door een kleurenblinde ontwerper, ploegleiderauto’s met een fietsenstalling op het dak, dranghekken noch reclameborden, laat staan elektronische oortjes, te bekennen waren. Maar goddank zijn sommigen dingen nooit te veranderen. Want wat héérlijk dat ze er nog liggen: De Kluisberg! De Patersberg! De Koppenberg! De Berendries! En niet geheel onbelangrijk: De Muur van Geraardsbergen!
Denkend hieraan zit ik mij nu al te verkneuteren op zondag: de Ronde van Vlaanderen! Ik wens iedere bezoeker van deze blog dan ook veel kijkplezier!
O ja, vergat ik nog te vertellen: als de renners door Geraardsbergen komen, denk dan ook even aan Edgard de Caluwé! Tijdens een fietstochtje, ergens in 1985, aan de voet van De Muur, werd Edgard getroffen door een hartstilstand. Sterven in het harnas en nog wel op Heilige wielergrond: Hollywood had het niet beter kunnen bedenken…