Dat in het mooi verzorgde graf een voormalig bokskampioen rust is duidelijk. Zijn palmares én actiefoto sieren de steen. En dat het graf zich bevindt ‘in de hoek’ van het kerkhof heeft een prachtige verborgen bokssymboliek. Op de Nieuwe Oosterbegraafplaats, daar waar twee paden elkaar snijden, bevindt zich de laatste rustplaats van zwaargewichtkampioen Wim Snoek.
Snoek, geboren en getogen Jordanees, stond meer dan 633 rondes in de ring, wat staat voor 93 gevechten, was dertien keer nationaal kampioen en behoorde in de jaren vijftig tot de Europese top.
In 1962, de nadagen van zijn carrière, kwam de Mokumse pugilist uit tegen voormalig wereldkampioen Ingemar Johansson: die hij prompt in de eerste ronde knock-out sloeg. Door een arbitrale dwaling verloor Snoek uiteindelijk dat gevecht. In datzelfde jaar zag ik Wim Snoek live aan het werk.
Op de Singel, nabij de Heiligenweg, was de boksschool van Ome Piet ter Meulen waar Wim dagelijks zijn spieren staalde. Voor ons, de jongens uit de Nieuwmarktbuurt was de sportkeuze niet zó groot: voetballen of boksen! De buurt had één voetbalclub want WMHO, maar wel drie boksscholen.
Dat uit de stegen, straatjes en grachtjes rondom de Nieuwmarkt goede boksers kwamen, was dan ook gewoon de macht van het getal. Tijdens de Olympische Spelen van 1952 vertegenwoordigde vlieggewicht Heintje van der Zee, de Nieuwmarktbuurt, Amsterdam en Nederland: in die volgorde. Acht jaar later, bij de Spelen in Tokio, was het de beurt aan bantamgewicht en buurtgenoot Jan Huppen.
Ik koos ook voor boksen. Veertien jaar jong, met een bleek stakerig lijf, meldde ik mij bij Ome Piet. In Ter Meulens sportschool hing de juiste lucht van verschraald sportzweet, groene zeep en leer. Conditietraining werd gegeven door een jongen met spierwit stekeltjeshaar die aangesproken werd met Tom Poes, hetgeen niet zijn echte naam was…
Als wij bezig waren met touwtjespringen of andere oefeningen, gebeurden in de boksring de meest verschrikkelijke dingen. Snoek was dan aan het sparren met Harco Kokmeier. Die vreselijke, angstaanjagende, weemakende klappen op warm vlees…
Hoewel mij dringend verzekerd was dat het niet om het ‘echie’ ging, stopte ik mijn bezoekjes aan Ome Piets sportschool. Het idee dat ik op een dag ook in die ring moest staan…
Wim Snoek heb ik sindsdien nooit meer gezien. Tom Poes wél! Later, véél later zag ik hem terug als directeur en eigenaar van de Kwantumhallen.
Joop Steenbergen had het als bokser niet gemaakt. Wel als zakenman…
De marathon van Rotterdam? Voor een langeafstandloper uit de Watergraafsmeer is dat vloeken in de kerk. Die stad is iets te veel ‘010’, om maar in voetbaltermen te blijven. Theo Stelling rent liever in ‘eigen huis’ waar hij de marathon van Amsterdam mee bedoelt. En met succes, want in de laatste versie verbrak hij het nationale record voor veteranen in een niet misselijke tijd van 2.37 uur.
Waar maak je iemand blij mee wiens leven bepaalt wordt door rennen, rennen en nog eens rennen? Met deelname aan de marathon van New York! The Big Apple is het Nirvana van de marathon! Rennen door New York en dan sterven, in die proporties.
Voor marathonloper Theo Stelling, 51 jaar, kwam zijn droom uit. Op zijn vijftigste verjaardag kreeg hij van vrouw en zoon een geheel verzorgde reis én startnummer naar New York als cadeau. Voor Stelling, technisch medewerker bij de gemeente, werd dat een marathon met een heel emotionele lading.
‘Twee weken voor New York werd mijn vrouw ziek. Er was kanker bij haar geconstateerd. Wij hadden toch besloten te gaan. Het was voor mij een race met twee gezichten. Het idee dat mijn vrouw zo ziek was maakte mij heel emotioneel . Maar aan de andere kant, de marathon van New York, wát een belevenis’, verzucht de tot het bot afgetrainde Stelling. Voor een hardloper die gewend is aan Amsterdamse verhoudingen was hardlopen door New York een cultuurshock. Ren je in Amsterdam voor twee man en een paardenkop dat is dat in New York wel andere koek. Driehonderd foto’s
‘Twee miljoen mensen langs de kant,’ vertelt Stelling. ‘Vooral de doorkomst door de verschillende wijken was één groot feest. Maar ook de tegenstellingen. In de Harlem en de Mexicaanse wijk kreeg je een heldenontvangst. In Brooklyn, de joodse wijk, deden die orthodoxe joden net of ze je niet zagen. En overal bandjes en live muziek. Normaal ben ik tijdens een marathon heel fanatiek en serieus maar in New York liep ik als een toerist. Ik had mijn camera meegenomen en meer dan driehonderd foto’s gemaakt’.
De marathonsfeer in Amsterdam mag dan de gevoelstemperatuur van een vrieskist hebben, het neemt niet weg dat Stelling daar zijn ultieme loopmoment meemaakte. Het hele vorige seizoen had Stelling het rubber van zijn loopschoenen getraind. Storm, regen en kou werden daarbij op de koop toe genomen. Op de atletiekbaan van AV23 werd de snelheid aangescherpt. En allemaal onder één motto: de tijd begint te dringen. Wil je als vijftigjarige marathonloper nog één keer de stopwatch uitdagen, dan moet er gewerkt worden.
Stelling, klein, levendige ogen, ras-Amsterdammer, vertelt. ‘In juni begon de vorm te komen. Tijdens de Senior Games, een sportspektakel in Zeeland, won ik de halve marathon. Het begon bij mij te dagen dat het in oktober wel eens heel hard kon gaan.’ Goud of blik
Najaar, de tijd dat de blaadjes van de bomen vallen, maar ook dé tijd voor de grote stadsmarathons. Begin oktober beet de hoofdstad de spits af. In het wedstrijdvak, tussen de Afrikaanse loopwonderen, ook Theo Stelling. Voor de laatste was het erop of eronder. Goud of blik. Het parkoers kon hij wel dromen. Vooral het gedeelte langs de Amstel, daar had hij wakker van gelegen. Als het daar maar niet al te hard waait. Dat helse open stuk vanaf Buitenveldert naar Ouderkerk, waar de Amstel overgestoken wordt en weer terug langs de rivier richting Amsterdam.
Hoe vaak had hij daar niet getraind? Speurend naar de ideale looplijn, opletten hoe en waar de wind stond. Nog even een verse rochel achter de huig vandaan trekken, en de polsstopwatch voor de zoveelste keer controleren. Stelling was er klaar voor. Na het startschot waren de eerste tien kilometer door Zuid een kwestie van volgen, je hart niet boven het theewater jagen, opletten waar de concurrentie zat. Maar dan kwam het beruchte pad langs de Amstel.
‘Alles op die dag zat mee, vertelt de kampioen. ‘Voor een marathonloper was het schitterend weer. Met weinig wind. Langs de Amstel, in de buurt van Ouderkerk kreeg ik het heel moeilijk. Mijn directe concurrent was er van door. Ik heb langs die hele Amstel in mijn eentje lopen jagen. Terug in de stad, voor de Bijlmerbajes, kreeg ik hem te pakken. In mijn buurt, de Watergraafsmeer, rekende ik met hem af.’ Plakkie
De rest was geschiedenis. In een tijd van 2.37 uur kwam Theo Stelling, over de streep. In het Olympisch Stadion werd hij gehuldigd als nieuwe veteranenkampioen maar ook recordhouder. Kregen de winnaars bij de mannen en heren een vet bedrag op hun rekening gestort, Stelling moest genoegen nemen met een ‘plakkie’. De Watergraafsmeerder is daar zelf nogal nuchter over. Wat kan hem dat geld nou schelen. Gezondheid is veel belangrijker. Dat het met zijn vrouw weer goed gaat, daar is de hardloper uit Oost zielsgelukkig mee. Geld verdampt maar herinneringen blijven en die zijn voor hem véél belangrijker, die pakken ze hem niet meer af. Op zijn falie
Als hij der dagen zat is, de urinestraal zwak, en de benen dienst weigeren, dan kijkt hij met voldoening naar zijn rijk gevulde prijzenkast en zakt weg in mijmeringen. Hij ziet zich dan weer langs het Amsterdam-Rijnkanaal ijlen, waarbij hij zijn schrale, afgetrainde lijf op zijn falie gaf, en hij ziet zichzelf rennend over Queensborobridge in New York, hoort de echo van de aanmoedigingen en telt dan zijn zegeningen.
Maar zover is het nog lang niet. Begin maart startte de Stelling in de ’20 van Alphen’ de openingsklassieker van Nederland. ‘Wat ik werd? Tweede in een tijd van 1.10 uur’. Theo Stelling wiens leven bepaald wordt door hardlopen, kent ook zijn zwakheden. ‘De afgelopen winter ging het moeizaam. Met die maandenlange kou vroeg ik mij wel eens af waar ik mee bezig was. Dan lag ik liever op de bank met een zakkie chips.’
Het schrijven was het probleem niet. Waar de meeste tijd in ging zitten was het onderzoek. Want om de carrière,maar vooral het sociale leven, van een wielrenner die meer dan een eeuw geleden actief was, in kaart te brengen, is bijna onbegonnen werk. Piet Dickentman, stayer, en Amsterdams allereerste internationale sportheld is in het collectieve sportgeheugen compleet weg gezakt. Ten onrechte!
Met het schrijven én uitzoeken van Dickentmans levensverhaal was ik, met tussenpozen, een jaar bezig. De diverse archieven zoals van het Persmuseum, dagbladen als De Tijd, Vaderland, De Telegraaf, Het Parool maar ook het wielerarchief van Wim van Eyle, brachten uitkomst, waar ik een heel eind mee kwam.
Maar er bleven nog steeds té veel vragen open zoals wat hij verdiende, hoeveel koersen hij verreden had, zijn bijdrage aan het internationale wielrennen, maar ook hoe hij als mens geweest was. Nergens kon ik daar de hand achter steken.
Totdat ik bij boekenantiquariaat Kok binnen liep. ‘Kok’, gevestigd in een voormalig warenhuis in de Oude Hoogstraat, is een nering van drie verdiepingen barstensvol en afgeladen met boeken over de meest idiote onderwerpen. En tussen de honderdduizenden titels vond ik waar ik zo lang naar op zoek was: de complete jaargangen 1903 tot 1928 van het Duitse wielerblad Radwelt.
Broze geschriften, bij elkaar gehouden door roestige nietjes, maar wél vol met wedstrijdverslagen, feitjes en andere ‘ditjes en datjes’, geschreven met Deutsche Gründlichtheit. Volgens Van Eyle een uiterst zeldzame aanbieding.
Fietsen achter zware motoren, waanzinnig populair bij de oosterburen, werd uitvoerig behandeld waarbij topstayer Piet Dickentman niet vergeten werd.
Nadat Dickentmans dochter Lotti, 91 jaar, en twee kleinzoons opgespoord waren, kwam de mens Dickentman ‘tot leven’.
Lotti vertelde het ontroerende, dramatische verhaal over het leven van haar vader, waarbij het fotoalbum wagenwijd openging. Het eindresultaat werd het boek ‘Flirt met de Dood’. Uitgever Bert Hulleman nam het boek onder zijn hoede en na de meer dan positieve recensies in de pers kwam niet alleen de loop in de verkoop maar kwamen ook de reacties.
Tientallen mailtjes volgden met dikwijls dezelfde strekking: ‘Nooit geweten wie Piet Dickentman was, maar wat een fantastisch, ontroerend verhaal, en wat een lef had die man.’ Eind april vindt in het Olympisch Stadion de verkiezing van het beste sportboek 2009 plaats . Mochten jullie ‘Flirt met de Dood’ op zijn waarde inschatten, stem dan daar op via: http://nicoscheepmakerbeker.nl/index.php?module=boeken&s=lijst#WIELRENNEN
Wat het meeste opviel? Het totaal ontbreken van clubparafernalia, wat weer goed gemaakt wordt met het uitzicht. Er is geen clubhuis in Nederland dat zo’n mooi panorama heeft als dat van roeivereniging Willem III, want uitziend over de bocht van de Amstel.
Roeien dus, of beter gezegd het Kampioenschap van de Amstel, voor ‘vieren en achten’, het grootste en jaarlijkse roei-evenement van dit land. Alles en iedereen die maar aan een roeiriem kan trekken was deze zondag naar de Amstel gekomen, wat staat voor meer dan vierduizend roeiers.
Gestart wordt ter hoogte van de Ceintuurbaan en finish in het acht kilometer verder gelegen Ouderkerk. Het epicentrum van het roeispektakel bevindt zich in de bocht van de rivier bij de Utrechtse Brug.
Op een oppervlakte van drie roeihalen, om maar even de juiste term te gebruiken, bevinden zich de clubhuizen van roeiverenigingen RIC, Poseidon, Skoll en Willem III. Terwijl, met een ingestampte choreografie, boten van trailers worden getild en korpsballen met roeiriemen sjouwen, zoeven over het water de ‘achtten’ voorbij, luid aangemoedigd door meisjes met staartjes én een Gooise ‘r’.
Het is de wereld Jan-Willem, Kees-Jan, Marjorie en Mijntje, waar een local black, net zo zeldzaam is als een zwarte steelband op het jaarfeest van de Ku Klux Klan. Roeivereniging Willem III, meer dan honderddertig jaar oud, is één brok hoofdstedelijke sportgeschiedenis: wat in het clubhuis bepaalt niet af te lezen valt.
De maagdelijke witte muren zijn kaal, leeg, steriel. Waar zijn de tastbare clubparafernalia, zoals historische boten, de foto’s, de prijzenkast, de affiches? Waar is het het ingelijste shirt van roeilegende en clubicoon Nico Rienks, (het liefst met zweetvlekken én opgedroogde neusfluimen), waarin hij goud won op de Spelen van Seoel of Atlanta? Kijk eens bij hoofdstedelijke wielerclubs als Ulysses, Olympia en WVA maar ook boksschool Albert Cuijp waar het begrip ‘clubhistorie’ van de muren af spat!
Het clubhuis van Willem III mag dan Spartaans zijn, de liefelijkheid hebben van een aula, maar het roeivolk is wél weer gezellig. Terwijl een man een vers biervat binnen rolt schuimt de bierpomp volop….
En net als je denkt dat ze bij Willem III de historie in de Amstel hebben gegooid wordt je getroffen door die ene muur in het monumentale trappenhuis. Onder elkaar hangen marmeren borden waarop de namen in goud zijn uitgebeiteld van WillemIII-leden die ooit aan de Olympische Spelen hebben meegedaan.
Dat waren dus zevenentwintig roeiers, mannen en vrouwen, waarbij de naam van Nico Rienks, tweevoudig Olympisch kampioen, eruit springt.
Wat medailleleverancier betreft kan niet één sportclub in Amsterdam tippen aan Willem III…
En nee, het parkoers kent geen kasseien, heuvels of macadamwegen. Ook zijn er geen staminees, noch een frituurkot. En toch… met een beetje fantasie heeft het kampioenschap van Amsterdam voor veteranen een heel hoog Vlaams gehalte.
Op wielerparkoers Sloten hangt namelijk het juiste volkse koerssfeertje. Alsof het een staminee in Dendermonde betrof voor aanvang van de lokale Grote Prijs, staan in het clubhuis van Wielervereniging Amsterdam ook tafels aan elkaar geschoven met daarachter officials die rugnummers uitdelen. En net als in zo’n Vlaamse volkskroeg staan de renners in een rij om zich in te schrijven.
Het kampioenschap van Amsterdam voor veteranen dus. Meer dan honderddertig ouwe fietstijgers aan de start wat een fascinerend gezicht is. ‘Oudere jongeren’ naast echte oldies. Duizenden keren hebben ze hun rugnummer afgehaald maar nog steeds even nerveus als betrof het een nieuwelingenkoers. Het koersen blijft trekken, ‘jongens’ onder elkaar, dat werk dus… Dat lekkere gevoel van kolkende adrenaline door de aderen laten gaan: tot hun dood willen ze dat voelen. In hun carrière hebben ze alles meegemaakt of juist weer niet. In de rij ook Jan de Nijs, een gewezen wereldkampioen stayeren, met voor hem Jan van der Horst, in de sixties een begenadigd beroepsrenner.
Het is een kwartier voor de start. Uit de kleedkamer komt een lekkere pittige lucht afkomstig van masagemiddelen. Op een stoeltje Herman van Bruggen (foto rechts) die zich mentaal zit op te laden. Van Bruggen, 75 jaar, al meer dan vijf decennia op de koersfiets, en nog even fanatiek als betrof het de Hartjesdagronde in 1959. Ook Theo Oudshoorn, (foto links) van wie ik, meer dan 45 jaar geleden op de Haarlemmerweg, fietsles kreeg. Theo, scherp van geest, weet niet meer hoeveel koersen hij gereden heeft wat hem te vergeven valt. Het moeten er duizenden zijn geweest…. De vlaggen staan strak, grijze donkere wolken vliegen langs het zwerk, en buitjes ijskoude regen kletteren op rennersruggen.
Kortom, ‘wolvenweer’, om maar even een Vlaamse wieleruitdrukking van stal te trekken. Het peloton wordt door de sterkere renners op de kant gezet en breekt in vier stukken. Koersen op het ‘kantje’ want iedereen met zijn snufferd in de volle storm. Hangend in de bochten van het stuur met opengesperde monden wordt afgezien, geleden. Maar ach, wat maakt dat voor ze uit, dat willen ze, dat is pas het echte leven.
Dat was dus het kampioenschap van Amsterdam, tevens de opening van het hoofdstedelijke wielerseizoen.
Laat de Giro ‘d Italia maar komen. En als die duurbetaalde profs net zo’n koersinstelling hebben als die ouwe knakkers op Sloten gaan we, begin mei, een paar leuke fietsdagen meemaken…
In het rijtje populaire sportbeoefening staat hardlopen soeverein bovenaan. Honderdduizenden zijn dagelijks op loopschoenen actief om vetrollen weg te werken en longen op spanning te brengen. Op verjaardagen tel je pas mee als je een marathon volbracht hebt. Toppunt van status is deelname aan de run door New York. Maanden voordat het startschot gegeven wordt is de Dam tot Damloop volgeboekt. Maar er was een tijd dat rennen langs de weg niet zo’n pretje was. In de jaren zestig was je als hardloper een uiterst verdacht sujet. Vrouwen omklemden hun tasjes en mannen scholden ze uit als ze door zo’n ‘halfgare’ loper werden gepasseerd…
Daarom dubbele hulde voor dié atleten die daar maling aan hadden en toch iedere dag hun loopschoenen aandeden. Pioniers waren het die aan de wieg stonden van de halve marathon van Egmond of de hele van Amsterdam: inmiddels klassiekers én kaskrakers voor hedendaagse organisaties. Amsterdammer Louis Vink was zo’n pionierende hardloper. Gestopt als wielrenner en nog tjokvol energie begon Vink begin jaren zestig met rennen. Met succes. In 1970 werd Vink nationaal marathonkampioen.
Ook op de middenafstand was Vink succesvol. Als veteraan behoorde hij tot de beste ter wereld. In zijn imponerende carrière brak hij verschillende records en raffelde meer dan vijftig marathons af waarin hij vaak ‘prijs’ liep.
Gestopt als actief atleet begon Vink als trainer bij het Amsterdamse ATOS. Vink, inmiddels 75 jaar, is zo’n sportdier die nog regelmatig een stukkie mag rennen of fietsen. Met zeven kruisjes achter de naam verliest de urinestraal de kracht en spieren worden slapper. Hoewel hij dat als géén ander beseft, neemt hij zijn hedendaagse sportleven zoals het is. Een enkele keer wordt hij besprongen door het idee dat hij als marathonloper te vroeg geboren is. Maar dat is maar voor héél even. Het is mooi geweest.
Zijn imposante prijzenkast heeft hij opgeruimd, en alleen de belangrijke medailles worden in een oude schoenendoos bewaart.
Naar Louis Vink, tanig, pezig en afgetraind, wordt geen straat of plein vernoemd, terwijl hij in het Mokumse sportwereldje héél belangrijk was. Of hij toch waardering krijgt…? Ja! Eén van de populairste loopevenementen van Amsterdam is naar hem vernoemd.
Zondag gaat weer de jaarlijkse ‘Louis Vinkloop’ van start. Een ren van tien kilometer door het wonderbaarlijke mooie Waterland. Terwijl honderden mannen en vrouwen hun best doen om het persoonlijke record te verbeteren staat Vink, bescheiden als altijd, ergens langs de kant te kijken…
Willy Alberti en Johnny Jordaan hadden er patent op want niemand kon de Westertoren zo sentimenteel bezingen als het duo. De gemiddelde Jordanees moet iedere dag even een blik werpen op hun geliefde toren.
Zonder de Wester schijnt het leven een uitzichtloos, depressief bestaan te zijn, maar zolang de lepel voor een Jordanees in de brijpot staat treurt hij niet, waar ook een keer een eind aan komt…
Als de ogen definitief dicht gaan mogen ze rusten op begraafplaats Vredenhof aan de Haarlemmerweg, gelegen op een flinke boogscheut van hun geliefde buurt.
En daar liggen ze dan, rij op rij, schouder aan schouder, de omes en tantes, de toffe jongens en meiden. Vredenhof, waar ondeugende buurtjongens als Cor van Hout en Gijs van Dam begraven zijn maar ook Johnny Jordaan én Johnny Meijer.
De laatste was met afstand de beste accordeonspeler ter wereld. IJlie, om maar even een buurtuitdrukking te gebruiken, had Meijer niet. ‘Ik deed maar wat’ staat op zijn steen. Meijer, geestig tot in het graf…
En tussen de eenheidsworst van dezelfde grafstenen opeens een prachtig, totaal vergeten, onbekend wielermonumentje. Boven een eenvoudige marmeren steen staat een bronzen wielrenner al zesenzeventig jaar te wachten op het startschot.
Het is het graf van Sam Hoevens, een beroepsrenner uit de jaren dertig. Op een mistige treinoverweg ergens in Noord-Holland werd Sam uit het leven gerukt. Terugkomend van een koers in Leeuwarden botste de auto van Klaas van Nek, samen met Flip Reijnders en Sam, op een trein met noodlottige afloop voor de drie.
Dat het goed verzorgde graf van Hoevens nog bestaat is een klein wondertje! In Mokum mag je niet langer dan veertig jaar van je rust ‘genieten’ want dan verdwijn je in de knekelput.
Is het monumentale familiegraf van Klaas van Nek uitgeroepen tot beschermd monument dat laatste geldt niet voor Hoevens’ groeve.
Eeuwige roem wacht voor die bestuurder van het Stadsdeel die dat voor elkaar krijgt.
Sam en zijn graf zijn namelijk tastbare geschiedenis, zoiets als de Kroon op de Westertoren…
Het Amsterdams schoolbasketbalkampioenschap, is ongetwijfeld het aller-leukste sporttoernooi van de stad. Over verschillende sporthallen strijden meer dan driehonderd teams voor de titel. Een week voor kerst vindt in de Apollohal de ultieme climax plaats want de finale.
Het basketbaltempeltje zindert, kolkt en bruist van de meegekomen supporters. Ouders, opa’s oma’s, complete scholen met spandoeken schreeuwen hun team naar de overwinning. En voor de spelers staat er meer op spel dan een titel: prestige. Op het schoolplein wacht de winnaars namelijk ‘eeuwige roem.’
Simon Fluks, Mattijs Hak, Jirrian Roodheuvel en Bas Butler, (foto: links) vier vriendjes van de Wielewaalschool waren daar goed van doordrongen. Dat het kwartet ook nog eens gezegend was met een flink portie talent was mooi meegenomen. Met kwikzilver, hartstochtelijk aanvalsspel werden tegenstanders opgerold, en kregen ‘patje’ zoveel ze wilden. De Wielewaal werd kampioen en basketbalclub Mosquito’s lijfde het talent onmiddellijk in, waar het verder werd geslepen, en gepolijst.
De ‘slijper’ was de Amerikaanse oud-prof Tree Marianoux, trainer bij Mosquito’s. In de loop van de jaren bezorgde het kwartet hun club meerdere nationale titels. Voor het grotere werk waren ze door Marianoux klaargestoomd. Laat de de betaalde clubs maar komen, want heel basketballend Nederland wist welk talent in de Apollohal aanwezig was. Behalve profclub Amsterdam! Wat je van ver haalt moet veel lekkerder zijn, dacht de hoofdstedelijke basketbaltrots, en trok maar weer een blik Amerikanen open… Waarmee het wanbeleid van deze club duidelijk werd.
Terwijl ‘abc Amsterdam’ op het randje van faillissement zweeft en vecht voor hun bestaan, hebben andere hun slag geslagen.
Zo speelt Mattijs Hak bij de Giants in Bergen op Zoom wekelijks de spijkers uit de vloer. De pointguard is met zijn tomeloze aanvalsdrift de lieveling van het thuispubliek.
Simon Fluks werd gecontracteerd door basketbalclub Weert waar hij eind vorig jaar zijn contract inruilde om in Spanje te spelen. Avantmedic Lleida een ploeg in de Spaanse vierde divisie, heeft grootste plannen om de Iberische top te halen en daarin mag Fluks zijn bijdrage leveren.
Jirrian Roodheuvel, misschien het grootste talent, speler onder meer bij profclub Omniworld, revalideert momenteel van een langdurige blessure. Bas Butler de twee meter lange guard had het allemaal wel gezien en koos voor een studie econometrie aan de UvA.
Tijdens doodstille en gure winternachten, wanneer de wind uit het noordoosten komt én de maan vol is, schijn je het wel eens te horen. Het zijn horrorachtige geluiden van scherp geslepen schaatsen op keihard ijs, ritmisch getokkel van razende fietsen over klepperende houten latten, flarden van geroezemoes, én het gejuich van duizenden mensen. Stephen King weet daar wel raad mee, en mediums staan begrijpend te knikken want het is dan ook sporten in de twilightzone. Daarvoor moet je dan wél op het Museumplein zijn: honderd jaar geleden hét magische middelpunt van de vaderlandse sport. Komende mei gaat dat zich herhalen als het startschot klinkt voor de Giro d’Italia.
Dat had hij nou nóóit kunnen denken dat hij geschiedenis ging schrijven. Zelfs niet in zijn meest woeste fantasieën. Niet dat hij ook maar één seconde tijd had om ook maar érgens over ná te denken. Pieter Bijlsma had het veel te koud, want die twintigste januari 1881, wachtend op het open stationnetje van Medemblik, vroren zijn oren bijna van zijn hoofd. Met onder zijn armen een paar Friese doorlopers én een zak brood belegd met spek, stond Pieter op het punt in te stappen in de hijgende, dampende en pruttelende stoomtram. Pieter was op weg naar Amsterdam, om precies te zijn naar het Museumplein, waar de Amsterdamse IJsclub een internationale schaatswedstrijd had uitgeschreven. Samen met vierenzestig andere schaatsers ging de Westfries een gooi doen naar de hoofdprijs van tweehonderd zilveren guldens.
Met zekere spanning keek het bestuur van de Amsterdamse IJsclub uit naar de komst van Bijlsma en zijn collega’s. Na jaren wedstrijden te hebben georganiseerd op onder meer de Buitensingel, tussen het Raam- en Zaagbolwerk, wat staat voor het Raamplein, en de Weteringschans, was het bestuur er in geslaagd een vaste wedstrijdbaan te vinden. Op het Museumplein, achter de P.C. Hooftstraat werd in 1880 een terrein onder water gezet van 760 meter bij 22 meter. ‘Noordelijke koeltjes’
Door een vorstloze winter kon pas een jaar later het eerste startschot gegeven worden, waarbij wedstrijdrijders maar ook recreanten de nieuwe baan de hemel in prezen. Beschut door de huizen van de P.C. waren rijders namelijk gevrijwaard tegen ‘noordelijke koeltjes’: negentiende-eeuws jargon voor een noordoostenwind.
Megalomanie én arrogantie horen bij het Amsterdamse gemeentebestuur als een bijbel bij een dominee. Dat is nu, met de bouw van de Noord-Zuidlijn, maar was ook honderdtwintig jaar geleden. Hadden steden als Londen, Parijs en Wenen een wereldtentoonstelling, Amsterdam moest en zou dat ook hebben. En kreeg dat ook. Of de ijsclub met zijn lullige baantje maar even wilde ophoepelen want die tentoonstelling werd, in 1882, onder meer gepland op hun terrein. Kat knijpen
Na eerst elders op het plein een ijsbaan te hebben gehad werd begin november 1890 een nieuwe baan geopend. Net op tijd. Twee weken later begon het te vriezen en tot eind januari lag er ijs. Maar liefst 51 dagen én 21 avonden werd er geschaatst. En bij avond, als de weinige gaslantaarns de strijd aan gingen met de duisternis, bleek de kat stevig geknepen te worden. Want ‘menig Amsterdamse juffer leverde al zwierend een aangenaam schouwspel op’ noteerde een journalist in het Algemeen Handelsblad, verlekkerd.
Er waren ook decadente avondfeesten waarbij mannen de voorkeur voor ‘den travesti’ bleken te hebben. ‘Een enorm breed geschouwerde juffrouw bleek geweldig beentje over te rijden’, noteerde dezelfde journalist. Tot zijn genoegen maakte een Amsterdamse ‘smeris’, al schaatsend, daar een eind aan. Komende revolutie
Terwijl de elite van Amsterdam zich zwierend en zwaaiend vermaakte, liep Jelle Pieter Troelstra zich warm voor de komende revolutie en was het proletariaat op Kattenburg, Wittenburg, Oostenburg én de Jordaan bezig om te overleven. In de volksbuurten werd geleden want honger, kou en ziekten als tuberculose eisten hun tol. In strenge winters lag de haven, bij uitstek de werkgever, plat en het begrip ‘bijstand’ was onbekend. Sommige geluksvogels konden op het Museumplein terecht, maar niet als schaatser. De barre winter van 1890 zorgde voor een flinke portie werkgelegenheid.
Op topdagen, als de bourgeoisie aan het zwieren was, was er werk voor 135 man. Baanvegers en ‘schaatsenbinders’ streken die winter bij elkaar zevenduizend piek aan fooien op. Naast recreatie waren er ook wedstrijden. ‘Kolf’ op schaatsen
Op 6 én 7 januari 1891 was er een internationale hardrijderij voor liefhebbers: gewonnen werd door Jaap Eden. Voor de aanvang van deze wedstrijd beleefde een ander wintersport zijn première: de allereerste ijshockeywedstrijd van Nederland (foto links boven) vond plaats. Een bijeengeraapt team van Haarlemse schaatsers nam het op tegen een Engelse club. Het Algemeen Handelsblad noemde de sport een soort ‘kolf op schaatsen, waarbij de spelers met een kolfstok een bal van de eene zijde van het veld naar de andere geslagen wordt’, om er aan toe te voegen dat ‘de regels geheel overeenkomen met die van het voetbalspel.’ Geschaatst werd op houten doorlopers.
Het succes van de ijsbaan was de Internationale Schaats Unie niet ontgaan. Die liet dan ook, op 13 en 14 januari 1893 het allereerste wereldkampioenschap in Zuid verrijden, waarbij Jaap Eden met de wereldtitel aan de haal ging. Op het zelfde plein maakte Jaap Eden ook furore als wielrenner (foto’s rechts en links beneden). In 1886 werd, op de toenmalige paardenrenbaan achter het Rijksmuseum, de eerste Amsterdamse wielerbaan aangelegd. Een vlakke baan van vierhonderd meter met een breedte bij vijf meter. Waskaarsenfabriek
Een van de eerste profkoersen van dit land vond op deze locatie plaats. De Engelse broodrijders Temple, Woodside en Allard namen het, in een race van veertig kilometer, op tegen hun landgenoot James Rellew. De laatste streed niet op een fiets maar op een paard. Jockey Rellew én zijn knol kregen klop. De wielerbaan, die geen lang leven was beschoren, werd in 1895 vervangen door een houten baan met steile oplopende bochten. De allereerste race op deze piste, een koers over tien kilometer, werd gewonnen door Eden. Een jaar later werd de baan verplaatst naast het Concertgebouw om in 1900 te verhuizen naar de Zeeburgerdijk (nu hoek Makassarstraat).
Voor patiënten met luchtwegaandoeningen gaf sporten op het plein een extra dimensie. Vlak naast de baan aan de Hobbemakade stond een grote waskaarsenfabriek waarvan de schoorstenen de hele dag een vette walm uitstootte. In 1903 werd de fabriek gesloopt.
Het Amsterdamse proletariaat had op het Museumplein dus niets te zoeken. Die kon de jaarcontributie van 7,50 gulden, toegang inbegrepen, niet ophoesten. De toffe, sportieve Amsterdammer zocht zijn heil wel op de grachten en sloten rondom de stad, want gratis baantjes trekken. Het Museumplein was voor de elite. Juppen
Dat de Amsterdamse IJsclub, uitbater van de baan, goed in de slappe was zat, bewees ze met de bouw van het clubhuis. Aan de Van Baerlestraat, recht tegenover het Concertgebouw, verrees in 1903 een prestigieus gebouw. In het clubhuis werd niet alleen genoeglijk gekeuveld over de verrichtingen van de schaatsers maar het gaf tijdens de Eerste Wereldoorlog ook onderdak aan Belgische vluchtelingen: dat dan weer wel. Het gebouw werd in 1950 gesloopt. De ijsbaan zelf werd midden jaren dertig gesloten en verplaatst naar een terrein achter het Olympisch Stadion.
Het Museumplein is nu domein van juppen, concertgangers, museumbezoekers, demonstranten, skaters en basketballers. Maar met de start van de Giro d’Italia staat het plein in het middelpunt van de mondiale sport. En voor de winnaar van de tijdrit gaat het journaille superlatieven te kort komen. De pers zal het ongetwijfeld over een historische winnaar hebben: en dat hebben ze dan mooi mis.
De man die de primeur had, zijn plaatsje in de sportgeschiedenis van het plein als allereerste innam, was een simpele boer uit Medemblik. Met een zak vol rinkelende, zilveren guldens, keerde Pieter Bijlsma honderddertig jaar geleden als winnaar terug naar West-Friesland.
Bronnen: Gemeente-Archief Amsterdam, ‘Een halve eeuw wielersport, George Hoogenkamp 1917’
Tot in de uithoeken van Europa was zijn populariteit ongelofelijk. Als hij aan de start stond waren de tribunes afgeladen en voor zijn kleedkamer stonden massa’s volk geduldig te wachten om maar een glimp van hem op te vangen. Keizers, prinsen en koningen wilde met hem op de foto. Thaddeus Robl was een topstayer die met wapperende haren, zwarte kleding, fietste achter een vuurrode motor als de duivel op de wielerbaan. Drie keer wereldkampioen stayeren, houder van snelheidsrecords, hield van vrouwen, gokken, én gevaar. De dood was voor hem maar een voorbijganger. Precies honderd jaar geleden stierf Robl.
Als de pijn té erg was en de verse wonden begonnen te schuren en te schrijnen, liep hij naar de woonkamer. Dan keek hij even in een vitrine waar twee aftandse en kapotte fietsschoentjes lagen alsof het kostbare kleinoden betrof. Steevast moest hij dan denken aan die ene dag in 1898 toen hij mee deed aan de monsterrace Bordeaux-Parijs.
De regen kwam toen met bakken uit de hemel en na tweehonderd kilometer koers over erbarmelijk slechte wegen, waren zijn schoenen zó doorweekt dat de punten van de pedalen door de zolen heen in zijn voeten prikten. Thaddeus Robl leed helse pijnen maar koerste door en kwam als derde aan in Parijs. Rock ’n roll
Die dag was zijn grote leerschool, daar leerde hij wat pijn was, wat afzien betekende. Ervaringen die hem later van pas kwamen. Thaddeus Robl geboren in het München van 1876 had twee jaar eerder zijn debuut als stayer gemaakt, een lugubere, levensgevaarlijke, maar lucratieve sport waar veel geld en roem mee te verdienen viel, maar waar de dood of blijvende invaliditeit nooit ver weg waren. Hoewel geen mens van het woord gehoord had was Robl rock ’n’ roll op de wielerbanen. Met zijn wapperende zwarte haar, bruine kop en ijlend achter een vuurrode motor, liet hij menig meisje op de tribune smelten. In tien jaar tijd werd hij drie keer wereldkampioen won tientallen grote stayerskoersen en verdiende daar ruim driehonderdduizend Goudmark mee. Over zijn rijkdom behoefde niemand jaloers te zijn, want er is geen renner zó vaak en zó hard achter de motor gevallen als de Münchener. Medaillon
Angst voor valpartijen noch de dood konden hem deren. Vlak voor de start van een race, als de motoren brullend door het stadion reden, betastte Robl even het medaillon met de beeltenis van de Heilige Maagd dat aan zijn nek hing. Voor de diepgelovige Beier kon de race dan een aanvang nemen. Robl nam de kracht van dat medaillon uiterst serieus. Tijdens een race ontdekte hij tot zijn ontsteltenis, dat hij dat amulet in de kleedkamer had laten liggen. Ondanks protesten van zijn gangmaker Brettschneider stapte hij af, rende naar de kleedkamer, deed hem om, en hervatte de koers om die nog te winnen.
Ondanks zijn vertrouwen in God en de Heilige Maagd brak Thaddy, zoals hij liefkozende werd genoemd, zeven keer zijn sleutelbeen, twee keer zijn enkel en zat regelmatig met zware hoofdwonden op de fiets. Fatalistische leefstijl
Om honderden keren je leven op het spel te zetten dan verandert er iets in je geest. Robl, gekleed naar de toenmalige laatste mode, hield er dan ook een vrij fatalistische leefstijl op na. Zo mocht hij, tussen het fietsen door, graag aan autoraces meedoen, waarin hij diverse zware crashes overleefde. Door de vele contracten, voornamelijk in Duitsland, was Robl maanden lang van huis. In zijn Opel, in gezelschap van manager Kühbander, reed hij van wielerbaan naar wielerbaan.
Om naast een adrenalinejunk in een auto te zitten, was geen pretje. Voor Kühbander moeten die autoritten dan ook een helse ervaring zijn geweest. Ook in het toenmalige verkeer ging Robl ‘los’. Op weg naar de Grote Prijs van Dresden 1907 gebeurde het onvermijdelijke. De stayerskampioen vloog met zijn Opel de bocht uit waarbij zijn manager een schedelbreuk opliep. Thaddeus zelf mankeerde niets. Broertjes Wright
Het Berlijnse uitgaansleven was voor hem geen onbekende. Regelmatig zakte hij door en aan vrouwen geen gebrek. Erger was zijn goklust waar hij grote sommen geld mee verspeelde. De erudiete Robl, die meerdere talen waaronder Deens en Russisch vloeiend sprak, had het in 1909 wel gezien. Fietsen achter de motor kon hem niet meer die adrenalinekick bezorgen waar hij dagelijks naar snakte.
Gelukkig voor hem kozen de broertjes Wright in 1903, in een zelf geknutseld vliegtuigje, voor de eerste keer het luchtruim. In het spoor van de Wrights volgden tientallen waaghalzen. Terwijl met angstige regelmaat de wrakkige tweedekkertjes als aangeschoten ganzen op de grond te pletter vielen, koos Thaddeus Robl (foto rechts) óók voor het bloedlinke vliegen. Hoewel geen snars verstand van vliegtuigen besloot de gewezen fietskampioen een eigen toestel te ontwikkelen, wat het begin was van zijn financiële neergang. Uiteindelijk ging zijn hele kapitaal, maar ook het kapitaaltje die hij voor zijn oude moeder had gereserveerd, op aan zijn nieuwe hobby. Levensgevaarlijke combinatie
De eerste beginselen van het aviateurschap kreeg hij van de toenmalige topvlieger Frey. Na een paar lessen verklaarde Robl tegen de pers dat vliegen ‘heel gemakkelijk was en dat elke dappere man dat zou kunnen leren.’ Dapperheid én zelfoverschatting is en blijft een levensgevaarlijke combinatie.
In de morgen van 18 juni stopte op het vliegveldje van Stettin een gloednieuwe auto, enige dagen daarvoor door Robl aangeschaft. Kwiek stapte de eigenaar uit, zoog zijn longen vol en gaf een aanwezige mecanicien de opdracht om een foto van hem zelf, mét een door hem geschreven tekst, (foto links) op de post te gooien. Thaddeus Robl was er klaar voor, het zwerk lachte hem toe. Bij het aanzicht van de proestende, ploffende en hoestende tweedekker, voelde hij weer dat lekkere gevoel dat de haarwortels op zijn hoofd deed knetteren en de adrenaline door zijn aderen liet kolken. Hij dacht aan vroegere races, zag weer de brede rug van gangmaker Bretschneider voor zich, hoorde het publiek massaal zijn naam juichen. Scherend langs de randen van het leven, dát was voor hem een manier van leven. Rechterhand verkrampt
Nog even een nonchalante armzwaai naar het grondpersoneel, de stofbril op, de pet stevig aangedrukt en de gashendel naar voren. Na een korte aanloop steeg de Farman-tweedekker met Duitsland’s eerste sportheld op. Een vlucht die een ‘enkele reis naar de hemel’ zou zijn.
Of de kracht van het Mariamedaillon uitgewerkt was of dat Vrouwe Fortuna het nu wel welletjes vond, is nóóit te achterhalen wél dat na een kwartiertje een doffe klap te horen viel. Thaddeus Robl was met zijn vliegtuig neergestort. Toen het lijk van Robl uit het wrak gehaald werd zat het medaillon mét ketting in zijn rechterhand verkrampt.
Robls hemelgang werd door de pers groots gebracht. Berlijnse kranten wisten te vermelden dat na zijn ongeluk een onbekende vrouw, zijn grote liefde, zich onmiddellijk naar het Berlijnse Stettin haastte en alle kosten van de begrafenis en vervoer naar München voor haar rekening nam. Wetende dat ze niet de liquide middelen had, beleende ze daarvoor al haar sieraden. Vier dagen later, op het Alten Südfriedhof in Munchen werd, Thaddeus Robl begraven. Op de lokale Münchener wielerbaan werd twee maanden later de Robl Memoriam gehouden, een groot wielergala waarvan de opbrengt voor zijn armlastige moeder was.