De vier grootste sporthistorische monumenten van Amsterdam? Het Olympisch Stadion, het graf van wielrenners Piet en Klaas van Nek, de Apollohal én RIH-Sport, een fietsenzaak ergens in hartje Jordaan. De eerste drie, ternauwernood uit de klauwen van slopers gered, hebben inmiddels een beschermende status. Voor RIH-Sport, Nederlands meest roemruchte fietsmerk, zijn de dagen geteld. Toch wordt eind deze maand het negentigjarig bestaan gevierd.
Het voorspel begint al met een blik in de etalage. In de uitstalkast staat de stayersfiets waarop Joop Kunst vlak na de oorlog Nederlands kampioen werd. Alleen sporthistorici herkennen die lekkere gevoelens. Want één stap over de drempel en je staat midden in onvervalste wielergeschiedenis. Bij RIH, aan de Amsterdamse Westerstraat wordt je vanaf de muren bekeken door voormalige en al lang vergeten wereldkampioenen. Meer dan vierenzestig mondiale en Olympische titels werden op een RIH behaald. En dat mag iedereen weten. Geen valse bescheidenheid voor eigenaar Willem van der Kaaij.
Waarom zou hij ook? Welk fietsenmerk kan bogen op zulke palmares? Van der Kaaij, al meer dan vijfenvijftig jaar werkzaam in de ‘winkel’ heeft ze allemaal zien komen en gaan. Namen? Te veel om op te noemen. Jan Pronk, Jan Derksen, Arie van Vliet, Gerrit Schulte, Guilerimo Timoner, Leontien van Moorsel, Fedor den Hertog, Gerrie Knetemann, Leijn Loevesijn en Peter Post rollen soepel van Van der Kaaijs tong.
De tijd dat een renner een half jaar van tevoren zijn frame moest bestellen is ook historie. RIH, ooit een magische klank in het peloton, is inmiddels ingehaald door framebouwers afkomstig uit Taiwan en China. In de Oriënt worden massaal, voor bodemprijzen, frames in aluminium of kunststof in opdracht voor de grote Europese merken gemaakt. Probeer daar maar eens als kleine Amsterdamse constructeur tegen op te boksen. Aluminium of carbon, dat is op de Westerstraat vloeken in de kerk. Bij RIH worden de kaders nog gewoon gesoldeerd met de vertrouwde stalen Reynoldsbuizen. En voor het gewicht hoeven de renners het niet te laten.
Volgens Van der Kaaij, nooit verlegen om een superlatief, waaien de buizen met tocht zo de ramen uit om het lichte gewicht maar even aan te geven. In het peloton zie je nog nauwelijks een RIH. Toch wordt er op het Jordanese atelier volop gebouwd. Doelgroepen? Recreatie én voor de baansport. RIH-Sport, opgericht in de jaren twintig door de gebroeders Bustraan, en begonnen in de Eerste Boomdwarsstraat, verhuisde niet veel later naar zijn huidige onderkomen op de Westerstraat. Eind deze maand bestaat de zaak negentig jaar. Dat RIH het eeuwfeest meemaakt is hoogst twijfelachtig. Geen opvolgers maar ook een ingewikkelde juridische constructie met de merknaam RIH liggen hier ten grondslag. Voor Stuyfssportverhalen heeft Willem van der Kaaij, 74 jaar, zijn relaas gedaan. Zijn tijd zit erop. Op de framebouwerij wacht nog een hoop werk.
Op punt van afscheid komt de eigenaar van Nederlands allerbekendste racefietsenmerk nog met een verrassing. Als
een goochelaar tovert Van der Kaaij een vuurrode, duidelijk gedateerde baanfiets, van meer dan vijftig jaar oud, te voorschijn. Aan het fietsje hangt letterlijk een prijskaartje van zeventienhonderd euro. Duur? Klopt! Maar dan heb je ook wél wat. Het baankarretje is historie op twee wielen en hoort eigenlijk in een wielermuseum thuis. Het is de fiets waarop voormalige zesdaagsekeizer Peter Post zijn triomfen behaalde. Post, na zijn afscheid als renner, gunde zijn fiets rust op de enige juiste plek. Bij RIH-Sport.
Foto1: De fiets van Peter Post.
Foto 2: Advertentie van RIH in ‘Sportwereld’ 1924.
Foto 4: Hoogstwaarschijnlijk de oudste RIH-fiets ter wereld. Gebouwd in 1928 en in het bezit van Stuyfssportverhalen.
Foto 5: Het koppel Frits Wiersma, links en Joop Bustraan 1923.

![fietser3[1]](https://i0.wp.com/stuyfssportverhalen.com/wp-content/uploads/2011/02/fietser31.jpg?resize=300%2C226)
Weet je nog, vroeg hij zichzelf in gedachten af, 1906 en 1910, toen je alle koersen waaraan je meedeed, won? En dan het Oberweltmeisterschaft gehouden in het Berlijn van 1910, waar acht voormalige wereldkampioenen gingen uitmaken wie de allersterkste stayer ter wereld was. De mooiste race van zijn leven. Dertigduizend moffen braken de tent af nadat hij Ryser, Theille en al die anderen geklopt had. Wat een heerlijke herinneringen… Of de koersen in het buitenland waar het goud hem letterlijk toestroomde. Die keer in Parijs dat hij won en als extra premie een staafje goud met edelstenen kreeg. Geld. Kapitaal. Hij had het allemaal. En was het ook weer kwijt. Die verdomde geldontwaarding na de Eerste Wereldoorlog. Had hij zijn geld maar niet op die Duitse banken gezet. Ach, dat was maar geld, hield hij zich manmoedig voor. De herinneringen aan zijn carrière zijn onbetaalbaar. Zoete mijmeringen.







In Nederland werd ze bespot, nageroepen, uitgelachen en gediscrimineerd. Eenmaal de koersen in België ontdekt, werd ze als wielrenster wél uiterst serieus genomen. Op Vlaamse wegen waar iedere week dameskoersen verreden werden, was zij één van de beteren. Ze had de vaderlandse sportgeschiedenis in kunnen gaan als zesvoudig wereldkampioen op de weg. Uiteindelijk bleef de teller op ‘slechts’ twee titels bleef steken. Mien van Bree moest in de jaren dertig niet alleen afrekenen met vooroordeel maar ook met een foutje van de natuur…
Vanuit Den Haag vertrok Mien op de fiets naar Deurne, waar ze direct haar eerst grote wedstrijd won. Mien fietste niet voor de kat zijn ‘derde oog’. In 1937 werd ze Europees kampioen. De honderd kilometer reed ze met een gemiddelde van zevenendertig in het uur. Binnen een jaar gold Mien bij de gokkers als favoriet.

De Zesdaagse van Berlijn 2011 zit er weer op. Met een kleine puntenvoorsprong ging de winst naar thuisrijders Robert Bartko en Roger Kluge: twee brave jongens in een fatsoenlijke zesdaagse. Honderd jaar geleden draaide het Berlijnse spektakel ook al om een thuisrijder…
Met twee ronden voorsprong op het Nederlands-Amerikaanse koppel Stol-Walthour, was de uiteindelijke overwinning van Walter Rüth en Jackie Clark voor de baard van de vader van de kroonprins.
Den Haag had de primeur! Op 31 oktober 1915 stonden in de residentie meer dan honderddertig renners aan het vertrek voor de eerste grote veldrit uit de geschiedenis. En in het peloton was blote arm noch been te ontdekken. In het calvinistische Nederland van negentig jaar geleden zwaar verboden. Het land van kruideniers en dominees, waar, in de alkoof, de liefde bedreven werd met de borstrok aan, en katten per definitie in het donker te grazen genomen werden, had een speciale wet aangenomen die wielerwedstrijden op de openbare weg verbood.
Om dat gebod te omzeilen gaven organisatoren hun koers de titel ‘betrouwbaarheidsrit’. Of de laatste kreet opging in Den Haag is hoogst twijfelachtig. De N.W.B., de toenmalige wielerbond, verordende hun onderknuppel Karel Last tot parcoursbouwer: en die had daar zo zijn eigen ideeën daarover. Lust liet de renners, opgesteld in zeven startrijen van twintig man, direct na de start over een groot ijzeren hek klauteren. Voor Lust was dat nog niet genoeg. Na het hek stormde de meute af op een sloot die alleen genomen kon worden met behulp van een smalle plank. Aangezien een beetje renner alleen aan zichzelf denkt , gold bij de sloot het recht van de sterkste. In de opstopping werd gevloekt, gedrongen, materiaal verkreukeld en werden petten afgeslagen. Hier en daar viel een klap. ‘De eersten zullen de laatsten zijn’, wordt al honderden jaren van de kansel georakeld. Vergeet dat maar! Zeker niet in Den Haag. Daar loonde het wel degelijk om vooraan te staan. Bij de eerste tien in de uitslag waren acht renners die op de eerste rij waren gestart.



Vijftig jaar stond de fiets in een berging verscholen. Onder een dikke laag stof en vuil, met platte tubes én het stuur omhoog werd hij ontdekt door Stuyfssportverhalen. Volgens hedendaagse maatstaven is het een hopeloos, ouwerwets, gedateerd geval. Maar bij sporthistorici doet het het hart op hol slaan. Aan de racefiets van het merk ‘Nieuwenhoff’, kleeft namelijk een stukje onvervalste Amsterdamse wielergeschiedenis. Het is de koersfiets van tourlegende Hein van Breenen, zoon van een groentenman en geboren en getogen in de Nieuwmarktbuurt. Voor de niet kenners: begin jaren vijftig was Van Breenen dé meesterknecht van Wim van Est en Wout Wagtmans, en reed meerdere keren de Tour de France.

‘Jungen, doe het asjeblieft niet. Mutti maakt zich zo bezorgd over je, ik heb er slapeloze nachten van’. Ondanks de smeekbede van zijn moeder deed hij het tóch! Willy Schmitter, leerling apotheker, liet de pillen, potjes met zalf en hoestdrankjes voor wat ze waren en koos voor de levensgevaarlijke stiel van stayer. Willy, een jochie van nog geen twintig, tekende daarmee zijn eigen doodvonnis.
Willy Schmitter, het ventje met een babyface, net droog achter de oren, werd stayer. Voor het komende succes werd geïnvesteerd. Een peperdure gangmaakmotor, – betaald door pa en ma Schmitter, die zich hadden neergelegd bij Willy’s bloedlinke sport – werd gekocht. Eerst met jeugdvriend Peter Eiffels en vervolgens met Charles Pequi op de motor, werden de wielerbanen bestormd.
Foto 1: De jeugdvrienden Peter Eiffels en Willy Schmitter.