Snel leven en jong sterven

‘Jungen, doe het asjeblieft niet. Mutti maakt zich zo bezorgd over je, ik heb er slapeloze nachten van’. Ondanks de smeekbede van zijn moeder deed hij het tóch! Willy Schmitter, leerling apotheker, liet de pillen, potjes met zalf en hoestdrankjes voor wat ze waren en koos voor de levensgevaarlijke stiel van stayer. Willy, een jochie van nog geen twintig, tekende daarmee zijn eigen doodvonnis.

Willy was eigenlijk best tevreden met zijn leventje. Als leerling in de knusse apotheek, bij het goudgele licht van een olielamp, ontspannen, hoofdpijnpoeders in papiertjes vouwen, hoestdrankjes klaarmaken en, als de gelegenheid zich voordeed, even met de winkelmeid in het magazijn rollebollen. Zo kon hij wel honderd jaar worden. Maar Willy Schmitter maakte die ene fatale vergissing: hij bezocht, voor de eerste keer van zijn leven, de wielerbaan van Keulen.
De apothekersleerling was verkocht! Hij moest en zou ook wielrenner worden. Een koersfiets werd aangeschaft en Willy werd sprinter.
Schmitter, inwoner van Mülheim aan de Rijn, een voorstad van Keulen, was niet alleen handig met de distilleerkolven, kon als geen ander mooie, puntige zetpillen draaien, maar was ook op de piste talentvol. Net achttien jaar, ging hij, in thuisstad Keulen, met de prestigieuze Rheingold-Pokal aan de haal. In zijn eerste jaar won de jonge pillendraaier elf koersen, eindigde acht keer op de tweede plaats en pakte zeven keer het brons. Aardig maar niet meer dan dat. Als sprinter kon je wekelijks de spijkers uit de wielerbaan rijden, maar meer dan een tweekolomsberichtje in de plaatselijke Zeitung leverde dat niet op.
Nee, dan zijn stadsgenoot Peter Günther, die als stayer bakken met goudmarken verdiende, een lawine publiciteit kreeg en daardoor alle lekkere Keulse meiden achter zich aan kreeg.
Snel leven en jong sterven! Vijftig jaar voor James Dean met deze kreet aan de haal ging, was het al van toepassing op die jongens achter de zware motor. Ook voor Willy, die in 1904 zijn witte jasschort definitief omruilde voor een proflicentie.
Willy Schmitter, het ventje met een babyface, net droog achter de oren, werd stayer. Voor het komende succes werd geïnvesteerd. Een peperdure gangmaakmotor, – betaald door pa en ma Schmitter, die zich hadden neergelegd bij Willy’s bloedlinke sport – werd gekocht. Eerst met jeugdvriend Peter Eiffels en vervolgens met Charles Pequi op de motor, werden de wielerbanen bestormd.
Thaddy Robl, Piet Dickentman, Bobby Walthour, Paul Guignard, Bruno Demke, Thuur Vanderstuyft  en stadsgenoot Peter Günther, dé wereldklasse, de mannen die alle prijzen verdeelden, waar wekelijks honderdduizenden moffen naar kwamen kijken, kregen van het jeugdige duo ‘patje en klop’ waar ze maar wilden. Willy Schmitter, het jochie uit de apotheek, won vijftien koersen op rij, waarbij vijfentwintigduizend goudmark op zijn rekening werden gestort. Evenwijdig aan zijn bankrekening steeg ook zijn populariteit. Vooral in Keulen. ‘Ein Schmitter-Sieg’ was synoniem voor een Keulse uitbarsting van geestdrift als Willy weer een grote koers gewonnen had.
En dan is het 18 september 1905, het Europese kampioenschap, gehouden op de al wekenlang uitverkochte wielerbaan van Leipzig. Zenuwachtig om zich heen kijkend stond Willy naast Thaddy Robl, Paul Guignard, Louis Darragon, en Contenet. Hij kon het nog maar nauwelijks bevatten, als de motoren in de baan kwamen. Het startschot viel en Willy zal nooit meer het water door de Rijn zien stromen. Het Keulse bravourejochie dat dacht de hele wereld aan te kunnen, kwam ten val en werd door de motor van Contenet overreden. Met zware hersenletsel stierf Willy Schmitter, 21 jaar.
Nadat Willy zijn plekje in de Grote Stayershemel ingenomen had, werd hij Duitsland’s eerste cultheld. De media doken er massaal bovenop. De ansichtkaarten met Willy’s beeltenis waren niet aan te slepen: een horrorachtig plaatje van stayer Schmitter, met Mager Hein op de motor.   Willy’s laatste rit naar het kerkhof hoefde hij niet alleen af te leggen. Meer dan vijftigduizend  Keulenaars volgden de stoet, waarbij de politie de straten moest vrijhouden. Anno 2011 is Willy Schmitter in Keulen nog steeds niet vergeten. De grootste wielerclub van Rijnland draagt zijn naam.

Foto 1: De jeugdvrienden Peter Eiffels en Willy Schmitter.

Foto 2: Peter en Willy.

Foto 3: Het Europees kampioenschap, Schmitters laatste race. v.l.n.r. Schmitter, Robl, Guignard, Darragon en Contenet.

Foto’s: Archief Theo Buiting

Bron: Radwelt jaargang 1905

Het kleurrijke leven van een stripboekheld

Zo worden ze niet meer geboren. De man was namelijk zo’n ouwerwetse  held.  Amper zes jaar oud redde hij, zwemmend, vriendjes van een verdrinkingsdood, waarbij hij, en passant, nog even het Noord-Hollands Kanaal overzwom. Als stuurman op windjammers werden scheepsrampen overleefd. Werd vervolgens langeafstandszwemmer en zwom wedstrijden over de hele wereld. Verruilde zijn zwembroek voor een paar bokshandschoenen. Was zwaargewichtkampioen van Australië, Nieuw-Zeeland, San Francisco, Duitsland en Engeland. Of hij een fantast was die zijn eigen mythe creëerde is niet duidelijk. Feit is wel dat Henry Plackés leven een spannend stripboek was waar hij zelf de hoofdrol in vervulde.
De storm raasde en gierde door het want. Golven van apocalyptische afmetingen beukten op het dek. Als stuurman Henry Placké, een potige, brede  kerel van twee meter, omhoog keek zag hij dat het  grootzeil op punt van scheuren stond.  De Russische bark Atlanta, van Zuid-Amerika op weg naar Antwerpen, vocht al vanaf Schotland tegen de storm. De dertigkoppige bemanning was murw, gesloopt, maar nog even en de veilige Westerschelde was bereikt. Vaag was de Zeeuwse kust al te zien als die ene fatale golf zich op het schip stortte.
Het is najaar 1888 als de Atlanta, moe en kapot gebeukt, de strijd opgeeft en, op één man na, met man en muis in de golven verdwijnt. Na zestien uur zwemmen, spoelde stuurman Placké aan op de kust van Goeree. Placké dankte zijn leven aan zijn kracht, uithoudingsvermogen en de schoolslag. Henry, geboren in 1870, werd op negenjarige leeftijd in het Kattenburger Bad, dat niet meer was dan een afgeschut gedeelte van het IJ, zwemkampioen van Amsterdam: voor wat dat waard was.
Als zoon van een Amsterdamse scheepskapitein ging de waterrat bij de koopvaardij, werd stuurman en haalde met zijn schipbreuk alle vaderlandse kranten.  Ver voor het genre bekend was, leidde Placké het ultieme leven van een stripboekheld. Als een soort voorloper van Kapitein Rob, leed de Amsterdammer een jaar later wéér schipbreuk, ditmaal op de kust van Australië. En laat Down Under nou zijn Oom Frans wonen, de broer van zijn moeder. En laat diezelfde oom, een sportschoolhouder, Placké onder zijn hoede nemen. Henry Placké, de zoutwaterrat uit Amsterdam, werd langeafstandszwemmer, getraind door Oom Frans. Volgens hem zelf zwom hij in recordtijd van Australië naar Nieuw-Zeeland, versloeg lokale kampioenen bij de vleet, maar koos uiteindelijk, door een toeval, voor het boksen. Henry Wood, een boksende Aussie, was geïmponeerd door Plackés  reusachtige verschijning, en daagde hem uit voor een gevecht. Geheel in stijl van een stripboek, versloeg de held na een weekje trainen zijn uitdager.
Na het behaalde kampioenschap van Australië, en Nieuw-Zeeland, werd het hoog tijd om de  Australische bokskampioen William Fisher een lesje te geven. In het gevecht Fisher versus Placké  sloeg de laatste zijn opponent met één klap neer en werd daarmee twintigduizend pond rijker. Na gevechten tegen Kid McCoy, Tommy Burns, John Sullivan, en Jim Corbett, die hem voerden naar Amerika, keerde Placké terug naar Amsterdam.
Placké, die het gevoel moet hebben gehad met zijn harses aanstormende locomotieven te kunnen stoppen, begaf zich in het toentertijd  immens populaire worstelcircuit en daagde niemand minder uit dan Dirk van de Berg,  dé worstelaar van Amsterdam en omstreken.
Dirk, één van de merkwaardigste sportfiguren uit de Mokumse sportgeschiedenis, was, met zijn spierkracht, de aanjager op de fameuze ‘quint Mulder’, de vijfmanstandem die op de Europese wielerbanen onklopbaar was. Met de komst van de zware motor waarmee het stayeren een feit was, was er voor de quint geen emplooi meer, en Dirk kon zijn worstelpakje uit de mottenballen halen.
Placké begon,  naast zijn worstelactiviteiten onder ander in circussen, in de Amsterdamse Gravenstraat een boksschool waar, zoals hij in Revue der Sporten 1909 verklapte, het ‘wetenschappelijke boksen’  doceerde. Henry Placké, die op het eind van zijn leven manmoedig tegen een journalist vertelde dat hij ‘een prachtig leven gehad had en tevreden met alles was’, had het als stripheld toch niet zó goed gedaan. Eenzaam en berooid, zijn vrouw was jaren eerder met al zijn geld ervandoor,  stierf hij op vierenzeventig jarige leeftijd in het Sint Antonius Pension in Montfoort.

Foto: De ‘quint Mulder’met v.r.n.l. Jan Mulder, Jan Slesker, Dirk van den Berg, Jan van der Tuyn en Piet Dickentman.

Bron: Interview  J. Stigter met Placké 1943. Revue der Sporten 1909.

 

‘Ik ben zo Hollands als wat’

In het peloton van het marathonschaatsen, van oudsher gedomineerd door stoere, blonde, blozende kaaskoppen, valt hij met zijn tropische verschijning op. Luis Veen is niet alleen de enige rijder met een kleurtje, maar ook een talentvolle schaatser.

Hete chocolademelk komt met liters tegelijk uit een tapkraan. Aan meterslange houten tafels wordt, schouder aan schouder, zuurkool gegeten. Het bier komt uit Gulpen. Aan het plafond  honderden houten schaatsen en aan de muren schaatsparafernalia uit een ver verleden..  De Skeeve Skaes, een horecaonderneming op de Jaap Edenbaan is een unieke combinatie van café, restaurant; bruine kroeg, en schaatsmuseum.
Als het dagelijkse trainingsuurtje voor toerrijders en recreanten is afgelopen, loopt de Skaes vol met mannen en vrouwen gekleed in strakke en kleurrijke schaatspakken. Er wordt warme chocolademelk mét slagroom gedronken. Flarden van sterke schaatsverhalen dwarrelen rond. Boven monden verschijnen ‘bruine snorren’. Het is ‘Holland’, mét koek en zopie in het kwadraat.
Aan een tafel zit, gekleed in een ‘burgerkloffie’, een licht getinte jongen, door niemand opgemerkt. Dan doet hij zijn jack uit. Onder zijn kleding komt  een professioneel schaatspak te voorschijn. Uit een sporttas komen een paar hightech, spacy, schaatsen te voorschijn. Hij legt deze achteloos op tafel. De metamorfose is compleet. Onmiddellijk wordt hij door enkele recreanten herkend. Voor insiders is Luis Veen, spreek uit Louis, een talentvolle marathonschaatser.
‘Dit seizoen gaat het heel goed. Bij de laatste twee wedstrijden stond ik twee keer op het podium. Gisteren in Biddinghuizen werd ik tweede. Momenteel sta ik achtste in het algemeen klassement. Dat is een klassement over alle koersen die ik dit jaar gereden hebt’, vertelt Veen, uitkomend bij de b-rijders. Voor een schaatsknots land met ongeveer duizend marathonrijders in verschillende klasse, is de b-divisie het voorportaal tot het Nirvana, want de a-rijders met zijn profploegen. Veen, 25 jaar, kwam al een seizoen uit in de hoogste klasse maar kwam nog een maatje tekort. ‘Tussen die profs kon ik alleen maar de koers uitrijden. Het ging vreselijk hard. Heb bewust een stapje terug gedaan om lichamelijk sterker te worden. Dit seizoen eindig ik bij de koersen regelmatig bij de eerste tien. Vorig jaar, bij het nationaal kampioenschap werd ik vijfde.’
Luis Veen is als schaatser opgegroeid zonder natuurijs. Het was de periode van kwakkelwinters waarin hele generaties jonge schaatsers zich afvroegen hoe het schaatsen op Hollands en Fries natuurijs nou was. ‘Die ouwe knakkers met hun verhalen in de kleedkamers hadden er geen woord van gelogen. Man, schaatsen op buitenijs is het mooiste dat ik meegemaakt heb. Het publiek, de natuur, dat hele sfeertje eromheen. Twee jaar geleden kreeg ik, tijdens het nationaal kampioenschap, op de Oostvaardersplassen mijn vuurdoop. Onvergetelijk. Ik ben een allrounder,’antwoord hij op de vraag hoe hij zich zelf omschrijft. ‘Voor massasprints ben ik niet rap genoeg. Maar aankomst met een klein ploegje win ik. Ik ben een aanvaller. Vorig jaar heb ik twee keer een tweehonderd kilometer race op natuurijs gereden. Voor mij mag de Elfstedentocht deze winter doorgaan. Daar hoop ik vurig op. Conditioneel ben ik daar klaar voor.’
Alleen een visueel gehandicapte zal ontkennen dat Veen, in het doorgaans roomblanke peloton, niet opvalt.’Ik ben de enige rijder in het peloton met een kleurtje’, vertelt hij grinnikend. ‘Inmiddels zijn ze het wel gewend. Toen ik pas marathonrijder was, keken ze vooral in het oosten van het land daar nog wel eens raar van op. Vorig jaar, bij een criterium op de Weissensee, zat ik in de kopgroep. De microfonist riep meteen om dat Shani Davis, die zwarte Amerikaanse schaatser, in de kopgroep zat. Ik kan daar wel om lachen In principe ben ik zo Hollands als wat.’
Luis Veen, student Sport en Bewegen aan de Hoge School Holland, is geboren in Colombia. Op eenjarige leeftijd werd hij samen met zijn zusje geadopteerd door Henk en Saartje Veen. Het was vader Henk, een gedreven sportman, die zijn zoon de beginselen van het schaatsen bijbracht. ‘Mijn vader is mijn grootste fan. Maar niet op een vervelende opdringende manier. Door hem ben ik gaan schaatsen.’ Luis Veen dankt nog steeds het ogenblik dat hij geadopteerd werd. ‘Een paar jaar geleden zijn we met het hele gezin naar Colombia geweest. Ook naar Cartagena, waar mijn zusje en ik vandaan kwamen. Het was heel indrukwekkend maar ook confronterend. Ik zag kinderen van mijn leeftijd in grote armoede. Ik werd daar stil van.’
In  Colombia is het skeeleren, het zomerbroertje van het schaatsen, een volkssport. Speciale stadions zijn iedere week stampendvol en bij wereldkampioenschappen grossieren de mannen en vrouwen uit het Zuid-Amerikaanse land in de titels. Of voor Veen een nieuwe wereld opengaat? ‘Verschrikkelijk’, komt het hartgrondig uit zijn mond. ‘Van skeeleren moet ik niks hebben. Bij die sport heb ik niet alleen last van mijn enkels maar vind het ook nog eens bloedlink. Zomers hou ik mijn conditie op peil met het rijden van wielerkoersen.’

Foto’s: Hilco Koke

De dood van de fietsende boekhouder

Het was pas dertig jaar daarvoor dat Duitse troepen Parijs in brand schoten. De Frans-Duitse oorlog van 1870, bezorgde Frankrijk een collectief trauma en een brandende haat naar alles wat naar Pruis rook.  Als een Fransman de kans kreeg de mof te vernederen, werd dat in het hele land toegejuicht. Op zestien augustus 1903 werd een kleine rekening ingelost. Voor een afgeladen Parc des Princes, dé wielerbaan van Parijs, raasde Paul Dangla naar een nieuw werelduurrecord achter de motor. Met tachtig kilometer reed Dangla het onaantastbaar geachte record van de Duitser Thaddeus Robl uit de boeken.
Voor het Franse journaille, niet vies van chauvinisme, was Pauls prestatie het sein om de kast met superlatieven open te trekken. In Dangla, 26 jaar, werd de toekomstige wereldkampioen gezien, de man die landgenoot én stayer, Emile Bouhours, wekelijks strijdend in Duitsland, kwam aflossen. Voor Dangla, een voormalige boekhouder afkomstig uit l’Agen in het zuiden van Frankrijk, lagen de vette contracten al klaar. Duitsland met zijn veertig wielerbanen en jaarlijks honderden stayerskoersen lag aan zijn voeten. Maar het was een klein lefgozertje afkomstig uit Londen dat Paul’s toekomstige tournee verstoorde.
Nog geen maand later, notabene in  het zelfde Parc des Princes, reed de, eveneens  zesentwintigjarige Tommy Hall, (foto: rechts beneden) een dreumes van nog geen 1.60 meter, het record van Dangla, met vierentachtig kilometer, de Seine in.
Halls record was een opmaat voor een huiveringwekkende revanche. Met veel gevoel voor spektakel zag de baandirectie van het Parc wel iets in een duel Hall-Dangla: en die kwam ook. De fietsende boekhouder versus Londense Tommy. Inzet: een grote zak geld, maar vooral de eer. Overvolle tribunes en op de wielerbaan twee brullende motoren in volle jacht. Sensatie op de Parijse piste. Dangla en Hall, (foto boven) zonder valhelm, met de kop naar beneden, enkele centimeters jagend en jakkerend achter de motor.
Er was maar één seconde van onoplettendheid nodig. Een weemakende klap. Het publiek hield de adem in. Tommy Hall, héél even de zijkant van de motor rakend, stuiterde op het cement en werd zwaargewond naar de kleedkamers gesleept (foto: linksboven). Een week later pakte de inwoner van l‘Agen zijn record terug, vertrok vervolgens richting oosterburen, om oppermachtig de Dreistundenren von Leipzig te winnen.
Na een druk winterprogramma op de Parijse wielerbaan was Dangla klaar om definitief de Duitse wielerbanen te bestormen. Hooggespannen verwachtingen bij het Franse volk én de pers. Dangla, voordat hij stayer werd een topsprinter met meer dan zeventig overwinningen, zal zich, eenmaal in de Heimat, ongetwijfeld afgevraagd hebben waar hij mee bezig was. Frankrijks hoop in bange dagen kwam tijdens een training in Berlijn zwaar ten val en was een maand uitgeschakeld. En dan is het 18 juni, de Golden Rad von Magdenburg. Een week eerder pakte Dangla op dezelfde baan de winst.
Paul Dangla, (foto: boven) dé favoriet voor het Gouden Wiel ging van start en zal nooit meer zijn geliefde l‘Agen terugzien. Door een schedelbreuk, veroorzaakt door een klapband, stierf Dangla in het harnas. Op het  cimetiére de Dolmayrac, in zijn geboorteplaats, werd de voormalige boekhouder begraven. Ter waarschuwing aan al die snelheidsduivels werd, op het graf,  zijn ongeluksfiets geplaatst maar ook een granieten gebroken kolom met de tekst ‘Paul Dangla, 1878-1904. Record du Monde Demi Fond 84 km575. Precies honderd jaar later, enkele dagen voor zijn sterfdatum werd de fiets van het graf gestolen.
Frankrijk weet zijn sporthelden op waarde in te schatten, laat ze niet in de vergetelheid wegzinken. Het gemeentebestuur van l‘Agen vernoemde een middelbare school naar hun illustere inwoner. Het Paul Dangla-College is ook nog eens gevestigd aan de Rue de Paul Dangla.
En Tommy Hall? Tommy de Mazzelaar! De eeuwige geluksvogel uit Londen. Een tiental keer zwaar gevallen, kende een succesvolle stayerscarriere, stierf in 1949 op tweeënzeventig jarige leeftijd. Tommy, begraven op het Londense Abney Park Cementery, kreeg van zijn vrienden een  grafsteen(foto: links) waarvan de laatste regel luidt: A Great Rider and Sportsman. En zo is het maar net!

Bron: Radwelt jaargangen 1903, 1904, de website van de gemeente l ‘Augen

De Winter van 1940

Sneeuwwallen van meters hoog. Autowegen over een bevroren IJsselmeer. Twee maanden lang ijs! Schaatsen van Andijk naar Stavoren. Vingers, oren en tenen die massaal geamputeerd worden. Langlaufen op de Utrechtse Heuvelrug. Een skicentrum met ‘Zwitserse allure’ op het Kraantje Lek bij Bloemendaal. Waddeneilanden en complete landstreken voor weken onbereikbaar. Dat is de winter van 1940. Kom daar nu eens om… En, o, ja, er is ook nog een Elfstedentocht…

Het is een afstandje van niks. Durgerdam richting Uitdam, nog geen acht kilometer. Lopend doe je er een uur over en met de fiets de helft minder. Maar niet op zondag vijf februari 1940.
Zes uur in de ochtend zijn ze vertrokken. Drie Durgerdammers, met een slee geladen met vijftig kilo vlees, op weg naar het, al weken lang, ingesneeuwde Uitdam. Liggend, kruipend over metershoge sneeuwwallen, de laatste kilometers over ijs, vechtend tegen de wind, komen ze rond half elf in een hongerig dorp aan. Net op tijd want één van de drie, de twintigjarige Freek Wirsing, kampt met een bevroren been.

Of de inwoners van het eiland Urk beter af zijn is niet duidelijk. Wel dat de voedselvoorziening beter geregeld is dan in het Waterland. Over het bevroren IJsselmeer rijden wekenlang vrachtauto’s om Urk te voorzien van voedsel, brandstof en post.

Steuntrekkers

Er ligt ook sneeuw, en niet zo’n beetje… Voor de ‘beter gestelde’ het sein om massaal op de langlaufski’s te staan. In de omgeving van het Amsterdamse Vondelpark, Bosplan, de Watergraafsmeer en meerdere delen van de stad wordt volop gelanglauft. Bij het Bloemendaalse Kraantje Lek verschijnt een tijdelijk ski-centrum met ‘Zwitserse allure’. En op de Donderberg bij Leersum, worden officiële langlaufkoersen gehouden. Over een parkoers van vijf kilometer starten ruim honderd  deelnemers waarvan ene F. Hekking als eerste terug is.
Terwijl de happy vew op lange latten mal aan het doen zijn vermaakt het grauw, op Friese doorlopers, zich uitstekend. Baanvegers, ongetwijfeld steuntrekkers, blijven in volle actie. In het hele land wordt op vijvers, grachten en sloten geschaatst. Glijden tussen hoge wallen sneeuw wat nog iets anders is dan die eeuwige bevroren rietkragen bekend van koektrommels.
Op het IJsselmeer wordt ook geschaatst. Tussen Andijk, Stavoren en terug kun je schaatsten. Nadat binnen korte tijd zes mensen in wakken rijden en vervolgens verdrinken slaat de schrik erin.
Op de Gouwzee hebben ze daar niet zo veel last van. Tussen Volendam, Marken en Monnickendam wordt twee maanden lang geschaatst! Wat de Elfstedentocht voor Friesland is, is de Gouwzeetocht voor de Amsterdammer én de Waterlander. Het stoomtrammetje vanuit Amsterdam-Noord vervoert, wekenlang, tienduizenden liefhebbers naar Monnickendam. Uitgevroren Volendamse en Marker vissers doen met gebakken vis, koek en zopie, goede zaken. Ook zijn er schaatsenslijpers actief.  Volendammers, vanouds inventieve  grootmeesters om de portemonnee te vullen, heffen tol op auto’s die het ijs op gaan.  Op de weidse vlakte is één onderbroken sliert van schaatsenrijders te zien. En tussen de schaatsers door rijden arrensleden met verkleumde inzittenden. Hendrick Avercamp, de zeventiende eeuwse meester van het ijsgenre, heeft ongetwijfeld goedkeurend geknikt.

Pact van Dokkum

Terwijl in Duitsland  Generaloberst Kurt Student zijn troepen drilt en perfectioneert voor de komende Blitzkrieg op Nederland, denken ze in Friesland maar aan één ding: de Elfstedentocht. Op maandag 29 januari is het zover. Meer dan drieduizend Friezen en Hollanders hebben zich in de Leeuwardense Harmonie gemeld.  Met acht graden vorst en een  snijdende noordoosten wind wordt de meute om vijf uur in de morgen losgelaten.
Op het, door aangevroren sneeuw, slechte ijs maakt zich Piet Keijzer, Auke Adema, Cor Jongert, Durk van der Duim en Sjouke Westra, zich los. In Dokkum besluit de kopgroep, om, eenmaal in Leeuwarden, gezamenlijk over de finish te gaan. Een discutabele actie die de schaatsgeschiedenis in zal gaan als het ‘pact van Dokkum’.
Ruim elf uur na de start  glijd het pact hand in hand over de streep. Om zeven uur in de avond zijn van de drieduizend deelnemers pas achtenzestig aan gekomen wat staat voor twee procent. Door het ontstellende slechte ijs en de snerpende kou vindt het bestuur verder rijden onverantwoord. Schaatsers,  tussen Franeker en Bartlehhiem, worden van het ijs gehaald maar krijgen tóch het begeerde Elfstedenkruisje. Dat is dus de winter van 1940…

Foto 1: Op het traject Hoorn Purmerend moest door zware sneeuwval de trein met de hand uit gegraven worden.
Foto 2: Kraantje Lek, Zwitserse allure.
Foto 3: Doorkomst Gouwzeetocht bij Marken.
Foto 4: Keukenpersoneel van het Lido reden op de Amsterdamse Stadhouderskade een wedstrijd.
Foto 5: En er was ook nog een Elfstedentocht.

Bron:  Algemeen Handelsblad jaargang 1940.

Louis Couperus en de Houten Klazen

Een karikatuur,  potsenmakerij! Komieken als een Davids en Buziau kregen daar een stadion mee vol. Dat had niets maar dan ook helemaal niets met boksen te maken. Was dit nou de wijd en zijd gepropagandeerde Noble Art of Selfdefence? Jaja. Het zal wel. Het Nederlands kampioenschap boksen 1916, in het Haagse Diligentia,  was dus een aanfluiting: althans volgens de journalist van de Revue der Sporten.
De geur van azijn en vitriool, waar zijn stukje mee geschreven was, stijgt, bijna honderd jaar later, nog uit de kolommen.  Krijgt de Nederlandse Boksbond een uitgelezen kans de sport te promoten, sturen ze een stel houten klazen de ring in. Een gemiste kans! Bij hoge uitzondering zat de zaal nou eens niet vol met jongens van de ‘gestampte pot’, maar met de minister van marine, hoge officieren, politici en andere beleidsmakers. Louis Couperus was ook aanwezig. Bij de aanblik van die ‘opgewarmde lijken’ zal de schrijver ongetwijfeld aan zijn boek ‘De Kleine Zielen’ gedacht hebben.
De  reporter maakt zijn lezers duidelijk dat  boksen een combinatie van ‘moed, ausdauer, elegance, kracht, listigheid en vitesse’ is. Tot zijn verbijstering beleefde hij een avondje van ontactisch, plomp gebeuk. En dan het voetenwerk, of beter gezegd het gebrek daaraan. Alsof de zolen van hun boksschoenen met spijkers aan de vloer geramd waren. Nee, dan de tegenstanders een stel Engelse pugilisten, die lichtvoetig door de ring dansten. Dat ze van die Hollandse stumpers een pak ros kregen, maakte de Revue niet zo veel uit.
Plaatsvervangende schaamte kreeg de man. Het getoonde moest volgens hem de ‘brains onzer Couperus maar ook onzer marineminister, generaals, officieren en heel het illustere gezelschap dat in eveningdress opgekomen was, gekweld hebben’.
Wat hem betrof was Nederland, wat boksen betreft op de verkeerde weg, om af te sluiten met de geheimzinnige woorden dat boksen ‘wetenschappelijk boven alles is…’

Vergeten winnaar Elfstedentocht

Hij stond al op de drempel van eeuwige roem. Nog héél even en hij kon toetreden tot het illustere clubje IJsheiligen met de daarbij behorende garantie dat zijn  naam generaties lang rond zal zingen.  En opeens, opeens kukelde hij in het ravijn van de vergetelheid. Op acht februari 1947 won Joop Bosman de negende Elfstedentocht om achtendertig dagen later alsnog gediskwalificeerd te worden.

Hij was nou niet echt een outsider. Eerder favoriet. Bij de Elfstedentocht van 1941 werd Joop Bosman, een automonteur afkomstig uit Breukelen, al eens tweede. Op acht februari 1947, de koudste dag van het jaar, met temperaturen van min veertien met stormachtige oostenwind, was Bosman, 29 jaar, de allereerste schaatser die, na de start op de Zwette, in de aanval ging. Bosman, op het slechte ijs een paar keer gevallen, demarreerde uit het peloton van tweehonderdzeventig rijders, en kreeg vier man mee. Na  Stavoren bleef Joop er net zo lang aan rukken en sleuren tot hij alleen overbleef met Klaas Schipper, een boer afkomstig uit Steenwijkerwold.
Bosman en Schipper, kop over kop, richting Bolsward met als obstakel kluunplaats Parrega, waar het duo uiteindelijk een nachtmerrie in zal glijden. Wat voor dat laatste nodig was? Een handkar, een stel eigenwijze dorpelingen, Abe de Vries, én een verslaggever van het sportblad Sportief. Door het slechte ijs moest in Parrega, over een stuk van vijfhonderd meter gekluund worden. Nauwelijks van het ijs gesprongen, werden Bosman en zijn kompaan door een stel overijverige dorpelingen vastgegrepen, in een handkar gezet, en de kluunplaats overgereden. Reglementair verboden. Verslaggever H.J. Looman van het sportblad Sportief, de tocht volgend per auto, doet in zijn blad daar uitgebreid verslag van. In zijn verslag merkte Looman fijntjes op dat de achtervolgers daar weinig hinder van hadden want die werden achterop een fiets door Parrega geloodst.
In de verderop gelegen kluunplek Vrouwbuurstermolen was het weer raak: Bosman en Schippers werden door dorpelingen op de schouders genomen: door Looman  ijverig in zijn notitieblokje genoteerd. Joop Bosman, gekleed in drie dunne truitjes, een onderbroek met daarin ter bescherming van zijn ‘huwelijksgereedschap’, een stuk konijnenbont én een lange broek, wist na een heroïsche race door een onherbergzame Friese ijsvlakte, de negende Elfstedentocht te winnen. Op een minuut kwam Schipper binnen, derde, op tien minuten, Jeen Nauta, vierde op vijftien minuten, Jacob Wynia, vijfde Jan van den Hoorn.
Bij het traditionele feest in de Leeuwarder Harmonie kwam er geen huldiging. Door beschuldigingen van Abe de Vries, die zich in Parrega met een auto had laten overzetten, dat de race niet volgens de reglementen verlopen was, besloot het bestuur dat eerst uit te zoeken. Voor de gemiddelde schaatssupporter was Joop Bosman, en niemand anders, de man die de tocht der tochten gewonnen had. In de weken erna kreeg de automonteur meer dan honderdvijftig brieven en telegrammen. Na achtendertig dagen sloeg zijn euforie om in een trauma.  De  beschuldiging van De Vries, negende in de uitslag, én het gestook van Looman en zijn collega’s, hadden hun doel bereikt. De eerste vier werden uit de uitslag geschrapt. Nummer vijf, Jan van den Hoorn, werd tot winnaar uitgeroepen. Abe de Vries, die als negende over de streep gleed, mocht de derde prijs ophalen.
Het vertrouwen dat Joop Bosman had in Friesland én de Friezen was voorgoed verdwenen. Vertelde hij, een week na zijn overwinning, in Sportief, dat hij zo graag in Friesland reed en dat de mensen daar zo gastvrij zijn. Veertig jaar later dacht hij daar heel anders over. Volgens Bosman word je als Hollander in de Elfstedentocht altijd door die Friezen geflikt.

Veldloop voorkomt opstand

Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog bereidde Nederland zich voor op een verdedigingsoorlog en riep, tijdens de daarop volgende mobilisatie, tweehonderdduizend man op, die uiteindelijk, vier jaar mochten wachtlopen bij de grens of bij strategische doelwitten. In de donkere, vochtige spelonken van de Stelling van Amsterdam, de fortificaties rondom de hoofdstad, bivakkeerden meer dan zevenduizend soldaten. Kolkten aan de fronten in Vlaanderen en Noord-Frankrijk de adrenaline én het bloed rijkelijk, in de Stelling was verveling en ergernis troef. Probeer maar eens duizenden jonge kerels met een te hoge testosteronspiegel met vies eten, slechte huisvesting, wachtlopen, met de handen boven de dekens slapen, corvédiensten én een dubbeltje soldij per dag, rustig te houden.
Koos Speenhoff, dé Marco Borsato van vijfennegentig jaar geleden, mocht de boel opleuken. Koos trok van fort naar fort. Met liedjes als ‘Waar wordt een militair het meest verwend? Ja, in het Fort, Waar wordt een  ieder vetgemest? Ja, in het fort’, zette Koos, hoogstwaarschijnlijk, de boel nog meer op scherp. In sommigen forten braken rellen uit. Om verder oproer te voorkomen werd een Centrale Sportcommissie opgericht.
De mannen moesten de forten uit. Korporaals en andere onderofficieren, zonder enige sportervaring werden aangewezen om de boel te leiden. In het toenmalige Amsterdamse Stadion werden deze, in zes lessen, tot militaire sportinstructeurs klaar gestoomd. Eenmaal sportinstructeur hadden ze er wel zin in.
Over de jongens van de Stelling ging de ‘zweep er over’. Er werd getraind tot de knieën slap werden. De mannen van de Stelling hadden de dubieuze primeur als eerste soldaten uit de vaderlandse geschiedenis mee te doen aan de later zo gehate militaire veldloop.
Jonkheer Six, zelf vrijgesteld van militaire dienstplicht, stelde daarvoor zijn  landgoed Jagtlust  in ’s Graveland, ter beschikking. Voor de gelegenheid hadden de knechten van Six een parkoers van drie kilometer uitgezet. In december 1915 werden de voorheen lamlendige soldaten over een besneeuwd parkoers van  sloten, boomstammen, en een zandafgraving van drie meter diep, gejaagd. En ze vonden het nog leuk ook, wat natuurlijk niet zo was. Na afloop werd er, in het bijzijn van ‘hoge omes’, om het hardst geroepen dat ze het heerlijk vonden.
Leo Lauwer, sportjournalist van het sportblad Revue der Sporten, beschouwde de mobilisatie als een zege voor de lichamelijke opvoeding in het land. In zijn blad droomde Leo hardop dat de ‘psysieke ontwikkeling van ons volk zal bereikt worden bij algehele bloei van de sportmaatschappij’.
Met de  honderdduizenden hardlopers die nu, dagelijks over de wegen rennen, is  Leo’s wens beantwoord.



Revanche Elfstedentocht in Amsterdamse Bos

Het was de tijd van de buizenradio, kolenkachel, hoorspelen, ontstellend lullige muziek, spruitjeslucht, verzuiling, en burgerlijke vertrutting. Maar de jaren vijftig waren dan wél weer de hoogtijdagen van de sport. Stadions puilden ieder week uit en wielercriteriums werden bekeken door duizenden.  En als er geen sport te zien was, waren er nog sportbladen als Sportief, en Sportwereld waarin het journaille, niet gehinderd door live televisiebeelden, helden en mythen creëerde.
In de winter van 1954 hadden ze kolommen volgeschreven, waarbij de superlatieven over elkaar heen buitelden, over die onderwijzer uit Heerenveen die zojuist de Elfstedentocht gewonnen had. De media kon trots zijn: Jeen van de Berg, én de epos van de Elfstedentocht waren in één klap bekend. Het Vrije Volk en Sportwereld konden, eind februari 1956, dan ook geen buil vallen met het organiseren van de Bosrace, wat stond voor de allereerste schaatsmarathon in Amsterdam.
Liefst vijftigduizend toeschouwers trotseerden Arctische poolwinden om in het Amsterdamse Bos nou eens met eigen ogen een schaatsmarathon te zien. Op een parcours van vijf kilometer gingen meer dan honderd schaatsers de strijd aan voor een race over vijfenzeventig kilometer.
Een week eerder was de Elfstedentocht gehouden die eindigde met een fikse kater want er was geen winnaar. De complete kopgroep van vijf rijders, die hand in hand over de eindstreep kwamen, werd gediskwalificeerd. Voor het publiek maakte dat gegeven de koers alleen maar leuker want die stond in het teken van wraak en revanche. Gestreden werd er met het blanke zwaard. Vooral Maus Wijnhout één van de gediskwalificeerden, wilde zich bewijzen. Waarschijnlijk had Maus zich, na de Elfstedentocht, de haren uit zijn kop getrokken dat hij zich had laten overhalen om gezamenlijk over de finish te gaan. Volgens krantenverslagen was Maus de smaakmaker op de bevroren Friese wateren, dé potentiële winnaar .
Maar ook in het Amsterdamse Bos bleek Wijnhout niet het slimste jochie uit het schaatsklasje te zijn. De hele race had de inwoner uit Abbenes met zijn krachten gesmeten. Maus tomeloos op kop, gaten dicht rijdend, wilde alles en iedereen laten zien dat hij, Maus Wijnhout, de beste marathonrijder van 1956 was. Maus, inmiddels weg gezakt in de krochten van de schaatsgeschiedenis,  was sterk maar Jeen van de Berg de slimste want liet  in de eindsprint Wijnberg achter zich.
Volgens het verslag in sportblad Sportief was de sprint te machtig voor de toeschouwers, die politiekordons doorbraken en met duizenden het ‘gevaarlijk krakende’ ijs op kwamen gestormd om Jeen op de schouders te nemen. Het cynisme van de Amsterdamse sportliefhebber kennende zal dat laatste wel verzonnen zijn door de journalist van dienst.

‘Ik heb nooit acht tellen gehad’

In zijn burgerkleding heeft hij het perfecte uiterlijk van een student. Zo’n jongen die je op kakkineuze roeiclubs tegenkomt. Hij is dan wél student maar voor de rest gaat de vergelijking niet op. In het rauwe, harde wereldje van het kickboksen is Hafid el Boustati een zeer gewaardeerd vechter.
Opeens was daar dat telefoontje! Er was een bokser geblesseerd geraakt, of  Hafid el Boustati zijn plaats kon innemen. Een week later, vrijwel onvoorbereid,  kon de zesdejaars student business management zijn vuistkunsten vertonen in theater Carré. In het Koninklijk theater aan de Amstel werd de Memorial Ben Bril gehouden, Nederlands meest prestigieuze bokstoernooi.
Jongens als Hafid, 24 jaar, staan altijd op scherp, kun je dag en nacht oproepen voor een gevecht, maar nu was er wél een probleem. Hafid el Boustati is kickbokser! En in Carré stonden alleen maar partijen op het programma waar ‘gewoon’ klassiek gebokst werd. ‘Ik was totaal onvoorbereid’, verteld hij. ‘Een week lang werd ik klaar gestoomd door trainers Martin Jansen en Mousid Akhamrane. Ik heb zo vaak in de ring gestaan dat ik niet nerveus was van de ambiance. Ik vocht in een andere gewichtsklasse. Mijn tegenstander was zes kilo zwaarder. Ik moest mer letterlijk invechten’. De rest is geschiedenis want in een uitverkocht, Carré was de partij Schouten versus El Boustati hét spektakel van de avond.
Voor een zinderende zaal vol kenners verloor Hafid nipt, maar deed dat wél groots, dapper en meeslepend. Hoewel er keihard gekleund en geslagen werd, viel, volgens de student, de hardheid van de partij mee. ‘De trainingen in de gym van Mousid zijn veel harder’, onthult El Boustati. In de boksschool van Mousid Akhamrane, ergens in de Indische Buurt, schijnt er iedere avond op het scherpst van de snede geknokt te worden. ‘Mousid heeft in de bokswereld een heel goede naam. Iedereen wil bij hem trainen. Hier lopen allemaal kampioenen rond, allemaal vechters. Als je daar mee spart willen ze je allemaal verrot slaan.’
El Boustati, een man van twee werelden, die van de boksring en de commerciële banken. ‘Ik heb stage gelopen bij Fortis én bij de Rabobank. Directies waarderen het dat ik zo gepassioneerd ben. In december ben ik klaar met mijn studie’. De houdbaarheidsdatum van bankmedewerkers is tientallen jaren maar voor kickboksers zéér beperkt. El Boustati wil na zijn afstuderen eerst kijken hoever hij in zijn sport kan komen. Een broodvechter noemt hij zich zelf, maar haast er bij te zeggen dat hij er niet van kan leven. Hij wil graag verder in zijn sport maar niet ten koste van alles.
‘Ze komen vaak met aanbiedingen, dat zijn tegenstanders die niks voorstellen. Maar dat wil ik niet. Ik vecht alleen tegen toppers. Ik heb achtenzestig gevechten achter de rug en maar zeven keer verloren. Ik vind het heel leuk om in de ring te staan, geef mij voor honderd procent. Heb nooit acht tellen rust van een scheidsrechter gekregen, maar toch is het héél moeilijk om er tussen de gevestigde orde te komen. Er zijn weinig vechtgala’s en de organisatoren, vaak boksschoolhouders, laten daar alleen maar hun eigen vechters toe.’ Zoals een oude man nooit zijn allereerste liefje vergeet, onthoud een bokser tot aan zijn dood, zijn eerste gevecht. ‘Na mijn eerste optreden werd ik wakker onder de douche. Ik was knock out gegaan. Dat was de eerste en de laatste keer. Als ik nu de ring inga ben ik klaar voor het gevecht.’
Het woord is gevallen: vechtgala’s! Volgens burgemeester Eberhardt van der Laan een broeinest van criminaliteit. Een oekaze die bij Mousid Gym als een bom insloeg. Jongens als een Hafid el Boustati voelen zich door Van der Laan  op het hart heeft getrapt.  Hoe kan hij, Hafid el Boustati, zesdejaars student nou crimineel zijn, vraagt de vuistvechter zich vertwijfeld af. Iedere dag gaat hij naar college, studeert, en in de uren die over blijven traint hij zich het schompes. Al zóu hij het criminele pad op willen dan heeft hij daar nog geen tijd voor.

Foto’s: Hilco Koke. Op de foto Hafid el Boustati met traier Mousid Akhamrade.