De verse ramsj van Scheltema

Tweeënhalf miljoen boektitels. Verdeeld over vijf etages, wat staat voor 3200 vierkante meter literatuur. Boekhandel Scheltema, de grootste boekhandel van Nederland. Met  op iedere etage, leeshoekjes- en tafels om  ongestoord te lezen. Scheltema, één  groot lezersparadijs. Vooral de tweede etage, met de zogenaamde ramsjafdeling, met honderden titels, rug aan rug,  hoog opgestapeld, en iedere week ververst. Bij  de afdeling  ‘sportboeken’ is het scoren voor de liefhebber, met boeken, die  niet eens zó lang geleden lyrische recensies kregen. En nu staan ze bij Scheltema  in de ramsj voor een schamel bedrag. Tussen de tientallen stapels sportboeken, ook het boek ‘Mien’, van schrijfster Mariska Tjoelker.
 
In ‘Mien’ beschrijft Tjoelker het dramatische leven van wielrenster  Mien van Bree, die tijdens de jaren dertig niet alleen moest knokken om als vrouw te mogen koersen, maar ook worstelde met haar seksuele geaardheid. Prachtig beschreven door Tjoelker, die daarvoor tientallen bronnen raadpleegde. Een verhaal dat  gelezen moet worden. Ondanks dát  staat ‘Mien’, prominent bij de verse ramsj, en afgeprijsd van 20. 99 euro naar  het schamele bedrag van 7.90. Sommigen dingen zijn niet uit te leggen. De ramsjafdeling van boekhandel Scheltema, een absolute aanraaier.
Boekhandel Scheltema, Rokin 9, Amsterdam, 1012 KK.

De HAV-Bank

Het stayerskampioenschap van  Nederland, anno 1928. Gehouden op de houten wielerbaan van Rijswijk, die uitermate geschikt was voor  stayerskoersen. Aan het vertrek de oude Piet Dickentman, Jan Snoek, Koos Storm, ene Asberg en Leo Leene.  De zondagen van eind jaren twintig, overvolle kerken, donderpreken vanaf de kansel, en vooral dodelijke saaiheid. Dan is een stayerskampioenschap garantie voor een volle bak. Ook op de ‘Rijswijk’. Waar behalve de hoofdrolspelers achter de zware motor, ook  de ongevallenverzekering van de HAV-Bank  prominent aanwezig was. Weliswaar op een groot reclamebord, maar toch.  Hoe cynisch wil je het hebben? Een ongevallenverzekering aanbieden bij een sport, waar op dat moment de teller van verongelukte stayers en gangmakers op drieënzestig stond.
De pr-man van de HAV-Bank zat daar duidelijk niet mee. ‘Rijden jullie je maar letterlijk te pletter jongens’, moet die gedacht hebben, nadat hij  z’n tekst aan de reclameschilder door gaf. Jan Snoek was dé favoriet voor de titel. Streekfavoriet Leo Leene, gegangmaakt door Stan Ceurremans junior, mocht knokken voor de resterende medailleskruimels. Leo Leene dus, een stayer van nét niet. Te licht bevonden voor de Duitse wielerbanen, maar goed genoeg voor de vaderlandse pistes.
Leo, duidelijk niet beschikkend over de gave van het Derde Oog. Anders was hij direct gestopt met dat malle koersen achter zo’n motor. En de opbeurende  boodschap van de HAG-Bank was hem ook ontgaan. Twee jaar na dat genoemde kampioenschap, want 1930. Leo  Leene gecontracteerd voor een stayerskoers op de Groningse Wielerbaan. Waar hij tijdens de koers ten val komt en niet veel later sterft. Leo Leene, dertig jaar, werd begraven op de Haagse begraafplaats Nieuw Eik. En dan was er ook nog Leo’s gangmaker Stan Ceurremans, die weliswaar niet stierf in het harnas. Maar wél zijn vader, ook Stan genoemd. Ook het  broertje van Stan junior, Frans genaamd, vertrok op jonge leeftijd naar de Grote Stayershemel.
Even vertellen over Stan senior. Als gangmaker een overlever van het grote bloedbad die plaats vond op de Duitse banen tijdens  de Belle Epoque. Bij de Grote Prijs van Elberfeld, gehouden in mei 1931 was het geluk van ouwe Ceurremans op, want  Stan Ceurremans senior, verongelukte   dodelijk.   Twee jaar later, want 1933 verongelukte ook z’n zoon Frans. Die trainend achter z’n broer Stan junior op die zelfde Rijswijkse wielerbaan, een klapband krijgt.  Vader en zoon rusten in één graf op de Algemene Begraafplaats in Den Haag. Wat dit dramatische verhaal wel weer mooi maakt.

Bron: Illustrierter Radrenn-Sport, Stuyfssportverhalen.

De fotocamera van Piet Dickentman

Op de facebookpagina, Wielrennen, Anekdotes én Verhalen, kortweg WAF,  gerund door André Jansen, publiceerde Ron Couwenhoven onlangs twee korte stukjes over de Amsterdamse stayerslegende Piet Dickentman. Couwenhoven, gepensioneerd  wielerverslaggever van de Telegraaf, en nog steeds actief met de schrijfpen, beschreef daarin de tournee van Piet Dickentman door Australië. Dickentman bezocht dat continent in 1902, en nam behalve zijn fiets,  gangmaakmotoren ook zijn fotocamera mee. Ruim een eeuw later, in 2008, dook deze bewuste fotocamera op. Wat voor Stuyfssportverhalen het begin werd van een speurtocht door Amsterdam, die uiteindelijk eindigde bij Ebo Dickentman, de kleinzoon van Piet.

Piet Dickentman, tijdens de Belle Epoque één van de sterkste stayers, zo niet de sterkste  ter wereld. In 1903 bevestigde  Dickentman dat, om tegen alle verwachtingen in wereldkampioen te worden. 1903, was ook één van zijn beste seizoenen. De basis hiervoor werd gelegd in Australië, waar Dickentman, samen met concurrent Taddy Robl de winter doorbracht.  Dickentman, vorstelijk gesponsord door  Brennabor, een fiets- en motorengigant afkomstig uit Brandenburg, was voor een serie demonstratiewedstrijden gecontracteerd. Met  Taddy Robl,  manager Rudolf Lehr, de gangmakers en het materiaal werd  ingescheept op het stoomschip Grossen Kurfursten.
Piet Dickentman, man in bonus, had de geniale ingeving om vlak voor z’n vertrek een fotocamera aan te schaffen. Enkele van door Dickentman gemaakte foto’s, verschenen maanden later in het  Duitse gezaghebbende Album der Radwelt. Eén van die foto’s  is de inmiddels bekende groepsfoto van Dickentman,  Robl en de vier gangmakers, en gemaakt bij aankomst in Australië. Terzijde: tussen de Australische koersen door werd Dickentman verliefd op Cilian Brasker, een lokale schoonheid. Bij deze Cilian verwekte Dickentman een dochter Victoria genoemd. De geboorte van deze dochter was tevens het begin van een groot familiegeheim. Enfin, lees,  ‘Flirt met de Dood’, de biografie van Piet Dickentman, geschreven door Stuyfssportverhalen. Latere gevonden feiten én onbekende foto’s van deze stayerslegende, worden regelmatig op deze blog gepubliceerd.
Dan is het maanden na het verschijnen van ‘Flirt met de Dood’, als zich iemand  meldt. Deze persoon,  de biografie van Dickentman gelezen, besefte dat hij iets in bezit had wat persoonlijk eigendom geweest was van Piet Dickentman, namelijk de  fotocamera van Piet.  Het verhaal daarachter was er één van toevalligheid. De man was indertijd  werkzaam als rijwielhersteller bij fietsenzaak Karel Kat op de Amsterdamse Albert Cuijp.

Deze Kat kocht begin jaren zeventig de inboedel op van de fietsenzaak die Dickentman in 1928 had geopend in de Scheldestraat. Na het overlijden van de stayerskampioen in 1950, ging deze zaak over op diens zoon ook Piet genoemd. Na diens  overlijden  werd de inventaris van zaak overgenomen door de eerder genoemde Kat. Bij het uitruimen van de kelder van de fietsenzaak, goed opgeborgen in een doos,  kwam de fotocamera tevoorschijn. Kat schonk deze aan zijn werknemer, die het fototoestel, na bijna veertig in bezit, schonk aan Stuyfssportverhalen.
Bij de fotocamera zat ook een tiencentimeter lange  filmrol,  in originele verpakking. Het begin van een speurtocht. Vrijwel alle  fotolaboratoria werden bezocht met die ene vraag: of dat filmrolletje  te ontwikkelen was. Wat door de grote afmetingen niet kon.  Behalve bij de firma Silver Hands Atelier, een analoog werkend vakatelier op de Herengracht. Eigenaar Wim Dingemans, hoorde het verhaal ‘Dickentman’ aan, en was meteen bereidt om actie te ondernemen. Aangezien het een niet meer gebruikte filmrolmaat was,  moest Dingemans  eerst   een raamwerk maken, waar deze rol inpaste.

De spanning was groot nadat deze in het ontwikkelbad ging. En helaas… het was een nooit gebruikt filmpje.
Blijft over de antieke camera, ooit in het bezit van Piet Dickentman. Waarvan Stuyfssportverhalen vond dat deze terug moest na de erven Dickentman. Inmiddels pronkt het fototoestel in de vitrinekast van Ebo Dickentman, kleinzoon van de stayerslegende. Wat overblijft  voor dit  verhaal zijn deze twee, nooit eerder gepubliceerde foto’s van Dickentman’s trip in Australië, hier geplaatst.

Foto 2: Piet’s gangmakers fungeerde tevens als mecanicien. Thormann, De Regt, Wolf en Schwartzer bezig met een wiel van de gangmaakmotor. Piet Dickentman rechts.

Foto 4: Gangmaakmotoren en de fietsen werden in kratten verscheept richting Australië. Waarschijnlijk in de haven van Sidney zit Piet met zijn equipage voor deze kratten. Zittend van links naar rechts: gangmaker Willy Wolf, Piet Dickentman, en Jozef Schwartzer. Liggend op de kist gangmaker Gerrit de Regt. Hoogstwaarschijnlijk is de foto gemaakt door Adolph Thormann, de vierde gangmaker.

Het eeuwige leven

Leef wild en sterf jong, het liefst in het harnas. Je naam zingt rond en de status van cultheld lonkt. Fausto Coppi , James Dean, en Marco Pantani gingen voor. Stan Ockers overkwam dat ook. Stan, wielrenner tijdens de fifties. De tijd van tubes om de schouder, steenpuisten op het zitvlak, soigneurs met koffers vol dope en louche ploegleiders. Wat volgens sommige de romantische tijd van de koers was. Over Ockers, afkomstig uit Antwerpen hadden sportschrijvers in de loop der jaren schrijfmachines en vulpennen op versleten. Toch even een kleine samenvatting over Stanneke, zoals zijn bijnam was.
Ockers, geen toevallige voorbijganger in het peloton, won onder meer de Waalse Pijl, Luik-Basenaken-Luik en werd in 1955 wereldkampioen op de weg. Dat Stan ook nog twee keer tweede werd tijdens de Tour van 1950 en 1952, en ook twee keer de groene trui won in 1955 en een jaar later,  is aardig voor de statistici onder ons.
Op 29 september klopte Stan op de poort van de Cultstatus door tijdens een dernykoers, gehouden in het Sportpaleis van Antwerpen ten val te komen. Twee dagen later stierf Stan, zesendertig jaar.
Ockers, volksheld uit Antwerpen, kreeg  een vorstelijke begrafenis, door meer dan twintigduizend  trouwe bewonderaars, bijgewoond. Volkshelden als Stan moeten blijvend geëerd worden. Iets dat ze in Antwerpen goed hadden begrepen. In de Antwerpse wijk Borgerhout werd een straat naar Stan vernoemd.
Culthelden hebben het eeuwige leven. Vandaag 3 februari, de honderdste geboortedag van Stan Ockers.

Moord in Londen

Klein, afgetraind, gespierd én tanig. Even hard blazen en hij lazerde om. Kleine mannen… onderschat ze nooit.  Deze zitten tjokvol compensatiedrift.  In de bokslokalen van Chicago en omgeving waren ze daar van doordrongen. Jimmy Barry, vlieggewicht, en watervlug in de ring. Met een dodelijk knock out. Letterlijk.
Jimmy, bijgenaamd de Kleine Tijger, met op z’n conduitestaat eenenzeventig  gevechten. Waarvan hij er negenendertig op knock out won. Jimmy’s carrière speelde zich af eind negentiende eeuw, de wildwesttijd van het boksen. Waar argeloos over de  gezondheid van een pugilist werd beschikt. Als er maar spektakel kwam. Garantie voor volle bokszalen, én de portemonnee van de organisators. Zeker met  De Kleine Tijger op het programma. Zoals het gevecht Barry tegen een zekere Jimmy Shea, gehouden in  juli 1893.
Hoe Shea na de partij er uit zag, daar moeten wij maar niet aan denken. De man werd door Barry in de vierde ronde vier keer tegen het canvas geramd. En dat was er ook nog Casper Leon die zijn leven te danken had aan de aanwezigheid van de politie. Casper tegen Jimmy Barry. Een partij met als decor het New York van 1895.  Om de agressie van het publiek binnen de perken te houden waren bij het gevecht een aantal agenten aanwezig. Tot groot geluk van Casper. Want die kreeg van Jimmy Barry, tijdens de tweede ronde een vreselijke afstraffing.
De Chicago Tribune had het over een mishandeling. Dat was ook de overtuiging van de aanwezige politie. Die stapten vervolgens in de ring om het gevecht te stoppen.
Dat was nog niets vergeleken wat Walther Croot, kampioen van Engeland, te wachten stond. Walther Croot,  bokser uit Londen daagde Barry uit. Een partij, gehouden in het Londense Covent Garden. Croot,  23 jaar, tijdens zijn detiende gevecht, werd hard door Barry geraakt, viel  achterover en werd bewusteloos uit de ring weg gedragen. Niet veel later stierf Walther  aan hersenletsel. Een incident dat bij  de Kleine Tijger diepe indruk maakte. Na dat gevecht durfde Barry niet meer tot het gaatje te gaan, en sloeg nooit meer een tegenstander  knock out. Jimmy Barry, die als één van de weinige nooit  één gevecht verloor, meldde zich op drieënzeventig jarige leeftijd bij zijn Schepper.

Met dank aan de wonderbaarlijke database van John Brouwer de Koning.
Bron: onder meer BoxRec, en het digitale archief van de Chicago Tribune.

Karel kletste uit z’n nek

Om in één seizoen  de Ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix én Bordeaux-Paris te winnen dan ben je met recht een groot kampioen. Volgens Karel van Wijnendaele dus niet.  Van Wijnendaele, – nestor van de Vlaamse wielerjournalistiek en stichter van de Ronde van Vlaanderen, – deed Romain Gijssels, de betreffende renner, hem eerder  denken aan een ‘winkeljuffrouw dan aan een dwangarbeider van de weg’.  Je moet maar durven.  Iets waar  Van Wijnendaele  duidelijk niet mee zat. In zijn boek, ‘Het Rijke Vlaamsche Wielerleven’ werd Gijssels door  Karel flink afgefakkeld.
Gijssels, een jonge Vlaamse stoemper afkomstig uit Denderwindeke, flikte dat heroïsche kunstje in 1932. Zelden  nagedaan. Drie van de zwaarste koersen winnen in een paar weken tijd, is tevens  de opmaat voor een gesloopt lijf. Helemaal voor een coureur van maar amper vijfentwintig jaar. ‘Vlaanderen’ en Parijs-Roubaix had misschien nog gekend. Maar een monster als een Bordeaux-Parijs, een prehistorische, draak van een koers over bijna zeshonderd kilometer, is voor een jonge renner een gereguleerde zelfmoord.
Bordeaux-Parijs, tijdens het interbellum een tweestrijd tussen Frankrijk en België. De weken voor deze koers, maakten de sportredacties overuren. Waarbij de rotatiepersen recordoplages  draaiden. Het nationalistische bed flink werd opgeschud. Wat alles met de Vlaamse taalstrijd te maken had. Voor de winnaar van B-P,  de  nodige vette contracten, én de ‘eeuwige roem’: dat nogal rekkelijk was.
Editie 1932, waar de gangmaakmotor voor het eerst zijn opwachting maakte. De eerste tweehonderd kilometer regulier koersen, om dan vierhonderd kilometer achter zo’n motor rossen. Urenlang naar het achterwiel van die motor loeren. Die geen seconden uit het oog verloren werd. Eén moment onachtzaamheid…
Bordeaux-Parijs, 1932, wat stond voor  achttien helse uren koers, met winnaar Roman Gijssels,  die de zeshonderd kilometer aflegde met een gemiddelde van vierendertig kilometer.
Een jaar later trok Romain op herhaling. Met een derde plaats in Parijs. En dat was het. De wielercarrière van Gijssels zat er op. Er werd niets meer gewonnen. Hedendaagse inspanningsfysiologen knikken begrijpend. In 1935, net achtentwintig jaar, stopte Gijssels met koersen.

Bron: Het Rijke Vlaamsche Wielerleven, Le Miroir des Sports jaargang 1932.

Aan vingertoppen boven de afgrond

Voor gokkers viel er geen cent te verdienen. Een kampioenschap zonder outsiders. En maar één favoriet. Kortom, een uitgemaakte zaak.  Het nationale stayerskampioenschap, gisteravond gehouden in het Alkmaars Sportpaleis,  was wat bezetting betreft een tikkeltje gedevalueerd. Dat Reinier Honig zijn achtste nationale titel ging ophalen was  zeker. Wat restte waren de tweede en derde plek, die  enige spanning opleverde. Stayersliefhebbers maakte dat evengoed niets uit. Blij dat ze waren met een  koers achter zware motoren.
Wat dat betreft kan het Alkmaars Sportpaleis, én de groep enthousiaste gangmakers niet genoeg geprezen worden. In tegenstelling tot  het Apeldoornse Omnisport, dé wielerbaan van Nederland. Als er één baan geschikt voor het stayeren is dan wel die van Apeldoorn. Maar dat gebeurd niet. Verboden door de leiding. Met als enige rede dat men bang is dat er een druppeltje motorolie op hun mooie  baan terecht komt.
Terug naar het stayerskampioenschap, een koers over tweehonderd ronden. Waar Reinier Honig precies halfkoers op stoom kwam. Interessanter waren de jonge nieuwkomers onder de stayers. Jongens als een Robin Rol, en Tom Wijfje (foto). Vooral de laatste. Tom Wijfje, broer van schaatster Melissa Wijfje, en  pas eenentwintig jaar. Wijfje, gegoten aan de rol, maar wél op  iets te lichte versnelling, mist nog  de inhoud, wat goed gemaakt werd met doorzettingsvermogen. Rondenlang zat Wijfje ‘op breken’, en hing aan  z’n vingertoppen boven de afgrond. Volgens z’n  gangmaker Hans van Klaveren, zat z’n renner op het laatst te schreeuwen van ellende. Als er dan toch spanning én verrassing  was, gebeurde dat letterlijk in  de laatste meter van de koers. Ocko Geserick, met de tweede plaats als zekerheid, liet zich de laatste dertig meter van de koers uitbollen. Zowel Geserick als z’n gangmaker Willem Fack letten daarbij niet goed op. Waar Steven Steneke, gegangmaakt door Richard Konijn,  handig gebruik van maakte.

Uitslag nationaal stayerskampioenschap: 1: Reinier Honig, 2: Steven Steneke, 3: Ocko Geserick, 4: Tom Wijfje.

Bep van Klaveren draait zich om in z’n graf

Alsof de Nederlandse Boksbond een bom had gegooid. Met de mededeling  dat Badr Hari als  kandidaat  voor de Olympische Spelen was genomineerd, ontplofte de sociale media. Vooral op de bokssites waar  de zogenaamde kenners flink stoom afbliezen. Maar de beste  meningen waren die van  de jongens ‘uit het veld’, zoals die van trainer én  ‘kampioenenmaker’, Henny Mandemaker.

‘In één woord; schandalig!’, fulmineert Hennie Mandemaker, over de kandidaatstelling van Badr Hari. ‘Een klap in het gezicht van al die bokstrainers die dag in dag uit, jonge boksers trainen. Om zo’n jongen op te leiden voor de Spelen, daar ben ik minstens acht jaar mee bezig. En dan komt de boksbond van uit het niets met die Badr Hari, een vechter van vijfendertig jaar,  op de proppen. Nogmaals een grof schandaal, alsof er geen jonge talenten zijn’.
Hennie Mandemaker 68 jaar, gelouterd bokstrainer bij Respect Gym, die diverse latere kampioen opleidde, waaronder drie met een wereldtitel. Een trainer met een gietijzeren status in de internationale bokswereld. Wat zich  rond zong.  Drie jaar geleden kreeg  Mandemaker de uitnodiging om de Olympische boksselectie van China onder z’n hoede te nemen, wat hij drie maanden deed. Maar terug naar ‘Badr’.
‘Een belachelijk besluit’, foetert Mandemaker verder, ‘Kickboksen is totáál anders dan het klassieke boksen’. Iets wat Zacky Derouich als geen ander kan bevestigen. Derouich,  sterk en talentvol bokser, afkomstig uit de stal van Mandemaker, maakte zo’n drie jaar geleden, louter uit financiële overwegingen, de overstap naar het kickboksen. Derouich had minstens een jaar van harde trainingen nodig, om de technieken van het kickboksen eigen te maken. Op de sociale media liet  Derouich, bijgenaamd Hitman,  dat ook weten. ‘Hij kan beter blijven kickboksen, maar blijkbaar wil hij een pak slaag krijgen’, aldus Hitmans boodschap richting Badr Hari.
Ook voormalig Europees kampioen Pedro van Raamsdonk liet van zich horen. ‘De jeugd heeft schijnbaar  geen toekomst bij onze boksbond’. Om te besluiten dat de boksbond ‘Totaal geen verstand heeft van de edele bokskunst’.
Terwijl de digitale discussie ‘Badr’, verder raast, is één ding zeker: Bep van Klaveren, de laatste Nederlandse Olympische kampioen, draait zich om in z’n graf. Met dank aan de Nederlandse Boksbond.

Tourvedetten sponsoren stayerskampioen

Van dat pokkenweer, waarin je geen hond buiten laat. Regen, gemengd met een kille, harde wind. Je moet wel bezeten van de sport zijn, als je daarin uren gaat trainen. Reinier Honig, inmiddels 36 jaar zit daar niet mee. Drijfnat thuis gekomen, klinkt de hij positief zoals altijd.  Waarom iemand van die leeftijd  daar nog trek in heeft?  Simpel, hij vindt het leuk. De man heeft nog steeds courage, en geniet iedere dag weer van zijn sport.   En wie zijn wij dan wel om daar iets over te zeggen..?
Honig vorige maand nog actief in het Midden-Amerikaanse  Costa Rica waar hij op de deelnemerslijst stond van de ronde van Costa Rica.  Een etappekoers over tien dagen met beklimmingen tot drieduizend meter. Volgens Honig, professional met dertien dienstjaren, was het de leukste koers waar hij ooit van start ging. Met winst in de tweede etappe en vierde in het eindklassement was de Noord-Hollander geen meerijder. Reinier Honig bekijkt het ieder jaar, en zolang zijn lijf goed blijft, plakt hij weer een seizoen aan vast. Goed gaat het nog steeds. Vooral met stayeren, zijn belangrijkste stiel.

Koersen achter de motor is en blijft zijn hoofddoel. Honig behoort tot de stayerstop. Afgelopen zomer werd hij Europees stayerskampioen. De verse kampioen is  geen veelvraat, en is met weinig te tevreden. Met minimale sponsorondersteuning wist hij het ieder seizoen uit te zingen. Met zijn   Europese titel diende ook spontaan, een schaar sponsors zich aan.
Vooral uit z’n vriendenkring, zoals  Laurens ten Dam, Niki Terpstra en Woutje Poels, die hem financieel ondersteunen. Zoals het bij een kampioenschap hoort zijn daar ook de contracten. Met het Europese kampioenshirt aan, reed de Noord-Hollander meer dan twintig stayerskoersen vooral in Duitsland.
Samen met gangmaker René Kos richting Duitse wielerbanen. Waar Honig, zestig kilometer voor de plaats van bestemming, uit de auto stapt, om vervolgens op  z’n wegfiets richting stadion, zich warm te rijden.

Dan is het komende dinsdag 21 januari, het nationale stayerskampioenschap. Gehouden in het Alkmaars Sportpaleis, en inmiddels een vaste traditie. Een kampioenschap waar Reinier Honig dé favoriet is. Of het voor de Europese kampioen een kwestie is van even een nieuwe kampioenstrui ophalen? Dat valt nog te bezien. Voor het publiek te hopen dat het komende kampioenschap het zelfde scenario krijgt als in 2017, De laatste was van begin tot eind bloedspannend. Zie filmpje..

Nationaal stayerskampioenschap. Dinsdag 21 januari, aanvang voorprogramma 19.30 uur. Toegang 3 euro.  Locatie Sportpaleis van Alkmaar.

Discussie beslecht

Ga naar het kerkhof en je ziet meteen het verschil. Waarmee hopelijk het jaarlijkse geneuzel, ‘ wie de beste was’, is beslecht.  Want je kunt de klok er op gelijk zetten. Is het twee januari, de sterfdag van Fausto Coppi, dan barst de discussie op de sociale media  los, of Fausto Coppi, dan wel zijn tijdgenoot Bartali, tot de beste renners ooit behoorden.  
Het levensverhaal van Coppi is inmiddels totaal uitgemolken. Ook dat van Bartali. En wie de beste van de twee was? Ach, dat zal wel. Laten we het er maar op houden dat het twee kampioenen waren. Voor wie beter het fenomeen, ‘cultheld Coppi’ wil begrijpen, die dient  af te reizen naar Castellania, zijn geboorteplaats.   Over de verlaten  weggetjes van de wondermooie Apennijnen, ooit het trainingsgebied van Coppi, richting  Castellania, waar je een kanon af kon schieten zo stil.
 Eén grote belevenis. Een aanrader, ook voor niet Coppi-adepten. Castellania, een openluchtmuseum, waar vanaf iedere blinde muur, of schuurdeur de vroegere kampioen op bilboardformaat in actie is. Met als theatraal hoogtepunt, het  pompeuze mausoleum, midden in het dorp, waar Fausto mét zijn verongelukte broer Serge, op de jongste dag liggen te wachten. Een monsterlijk groot grafmonument. Een regelrechte heiligverklaring, gevangen in marmer.  Hoe Rooms wil je het hebben? En dat voor een atheïst die regelmatig zijn middelvinger opstak tegen de paus en diens schijnheilige clerus.
Wat dat betreft kan de tegenstelling tussen Coppi en Bartali niet groter zijn. Want reis af naar Ponta a Ema in Toscane, het geboortedorp en laatste rustplaats van Gino Bartali.  Dat Bartali ondanks zijn affectie met de Roomse kerk, een eenvoudige, bijna calvinistische man was, is te zien op de lokale begraafplaats. Doe maar gewoon, dan doe je gek genoeg. Dat is wat het graf van de oude Gino uitstraalt.
Waar Coppi  in een soort Hollywoodsetting is begraven, daar rust Bartali in een eenvoudig graf. Gino Bartali werd drie hoog in de muur geschoven. Met op de afsluitsteen alleen zijn naam, geboorte- en sterfdatum. En nét als je denkt dat Bartali’s tifosi hun kampioen zijn vergeten, doemt daar opeens het Museo del Cyclisme Gino Bartali op. Bartali’s museum, als een moderne kathedraal tussen de eenvoudige Toscaanse huisjes van Ponta a Ema,  gevuld met fietsen, shirts en andere parafernalia, gelinkt aan  Bartali.

error: Content is protected !!