Kanonnier

11 November, Wapenstilstandsdag. Het einde van de Eerste Wereldoorlog, in Frankrijk, België én Engeland groots herdacht. Meer dan negen miljoen jongens bliezen op de slachtvelden van Vlaanderen en Noord-Frankrijk hun laatste adem uit. Eén van hen was Marius Thé.

De Duitse pers noemde hem de Koning van de Gangmakers. Een curieuze bijnaam. Fransman, Marius Thé, wekelijks actief als gangmaker op de levensgevaarlijke Duitse wielerbanen, met zijn tientallen al dan niet dodelijke ongelukken. Marius wist daar alles van. In 1902 tijdens de Grote Prijs van Leipzig, een stayerskoers over honderd kilometer hoorde Marius die ene gevreesde, weeë klap. Zijn renner, Tom Linton had zojuist, met z’n voorwiel, de achterkant van de motor geraakt. Met gebroken botten, en ander enge, inwendige kneuzingen verbleef Tom maandenlang in een Duitse krankenläger.

Voor Marius Thé geen rede om te stoppen. Integendeel, want Paul Dangla, een voormalige boekhouder afkomstig van het Franse platte land, naam de plaats van Tom in. Op 18 juni 1904 vonden Marius en Paul, (zie foto), zich zelf terug aan de start van het Golden Rad von Magdenburg. In de zuiging van Marius’ motor, met tachtig kilometer in het uur, kreeg Paul een klapband. Een week later stond Thé aan het vers gedolven graf van zijn vriend Paul. De laatste werd begraven op het cimetiére de Dolmayrac in zijn geboorteplaats l’ Agen. Ter waarschuwing voor adrenalinejunks in spé, werd Paul’s stayersfiets op zijn graf geplaatst. Precies een eeuw later werd deze bruusk gestolen, maar dat terzijde.

Marius Thé dus. Die meer dan vijftien jaar actief was, in zijn bloedlinke stiel. Een wonder dat hij het zonder ongelukken er van af bracht. Evengoed werd Marius niet oud. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, meldde de gangmaker zich als vrijwilliger bij het Franse leger. Brigadier, kanonnier Marius Thé van het 13e Regiment artillerie, sneuvelde tijdens de slag om Arois op 10 september 1915.  Marius Thé, drieënveertig jaar, werd samen met zevenhonderd gevallen makkers, begraven in een zogenaamde kameradengraf.

Bron: Album der Radwelt jaargangen, 1902 tot en met 1915, Memorial website van de Franse Oorlogsbegraafplaatsen.

Vrijen?

De eerste twee dagen van november. Dan gaat om middernacht, de hekken van de hemel wagenwijd open. De geesten van overledenen komen die nacht op aarde, om feest te vieren met hun geliefden. In het schijnsel van flakkerende kaarsen, wordt op het  graf van de beminde de hele nacht gedanst, gezopen, gevreten en gevreeën. Kortom, het dodenfeest Dia Los Muertos, in Mexico groots gevierd.

De Dood dus, in het Velo d’Hiver, nooit ver weg. Velo d’ Hiver hét sportpaleis van Parijs tijdens de belle epoque. Waar de schaduw van Magere Hein in de spelonken geduldig stond te wachten. Op die ene avond, ergens in het november van 1904 hield hij zich gedeisd. Heins zeis was nog niet scherp genoeg. Zeker niet voor dat armzalige kwartet stayers en gangmakers, op dat moment een duel uitvechtend in dat verdoemde sportpaleis. Met Taddy Robl uit München, en lokale favoriet Louis Darragon in de hoofdrol.

Twee wereldkampioenen, ‘getrokken’ door gangmakers Franz Hoffmann, en Henri Cissac. Een viertal waarvan het lot vast lag. Zes jaar later verongelukte Robl. Robl, een cultheld avant la lettre. De man, één van de beste stayers ooit, leefde er op los. Met in zijn entourage, een stoet mooie vrouwen. Taddy, verongelukt in 1910, kreeg een heldenbegrafenis en werd bijgezet op het Alter Süderlicher Friedhof in zijn geliefde München. De begrafenis, én het graf voor de inmiddels berooide voormalige wereldkampioen stayeren, werd betaald door een rijke minnares, wat wel zó romantisch was.

Hein kreeg Louis Darragon ook te grazen. In 1918 in dat zelfde Velo d’ Hiver, verongelukte Louis. Voor Henri Cissac en Franz Hofmann had hij ook een fijn scenario. Ciccac, zijn gangmaakmotor ingeruild voor een bolide, verongelukte dodelijk tijdens een autorace gehouden in het goddeloze jaar 1908. Franz Hofmann, hoe kan het anders, verongelukte op de wielerbaan van Marseille tijdens een stayerskoers.

Dan is het najaar 2013, als Stuyfssportverhalen het Alter Sudelicher Friedhof bezoekt. Een dodenakker waar je voor geen goud wil zijn, als de zon onder gaat. Zo’n kerkhof waar Stephen King, Bram Stoker, Edgar Allen Poe en andere jongens van het horrorgenre hun inspiratie opdeden. Een sombere dodenakker, waar onkruid en scheef gegroeide bomen het gevecht zijn aangegaan met de vervallen zerken.  Na een uur zoeken en struinen door borsthoog onkruid, wordt Taddy’s graf gevonden. In een zee van groene woestenij, is zijn graf een eiland van rust. Het graf is duidelijk als één van de weinige goed onderhouden.

En dan komt die ene vraag. Of deze verhalenverteller op Taddy’s graf vervolgens had gezopen, gevreten, gedanst dan wel gevreeën? Wat dachten jullie zelf..?

Bron: La Vie au Grand Air jaargang 1904, Stuyfssportverhalen,

Sjans

De volgorde was: een flesje Perrier, daarna een glas melk. Dat laatste geserveerd door de soigneur van dienst. Per slot van rekening moest de dope geneutraliseerd worden. Melk dus, óf,  zoals het Nederlands Zuivelbureau in de jaren vijftig propageerde, ‘Met Melk meer mans’. (‘en met pik meer sjans’, zoals de jongens van de geboortegolf gevat riepen, maar dat terzijde).

Enfin de Witte Motor, waar een gemiddelde wielersoigneur wel raad mee wist. Want melk was in de fifties, hét wondermiddel om amfetamines uit het lijf te spoelen. Een twijfelachtige theorie.

Probeerde dat laatste maar eens uit te leggen aan Fausto Coppi, een melkdrinker bij uitstek. Vermoedelijk dronk Il Campionissimo, zijn glaasje melk niet voor zo’n  grappige witte snor. Wat preparatie betreft, had de man een zekere status op te houden. En dat gebeurde allemaal tijdens de koers van de jaren vijftig, die van tradities aan elkaar hing. Hoe het begon? Met dat genoemde flesje Perrier, na een Touretappe. Waarvan een beetje renner, deze in één teug achterover klokte.

De koers in de decennia na de oorlog, een tijd inmiddels  ingehaald door weemoed en romantiek. Of dat erg is? Nee. Hoewel de hedendaagse Hollywoodtaferelen, zich afspelend na afloop van een klassieker, je doen snakken naar de no-nonsense huldigingen zoals het ooit was.

Huldigingen, waarbij de winnaar gezoend werd door een lekkere, lokale del, vermomd als rondemiss. En de coureur in kwestie, door morsige kerels op de schouder werd geslagen (Goedverdoeme Pol, da’s waa’n goeie spurt). Bij de Vlaamse kermiskoers begrijpen ze dat wel. Die romantische tijd bestaat niet meer. Inspanningsfysiologen, hartslagmeterspecialisten en marketingrakkers, bij wie de woorden ‘wattages’ in de bek bestorven ligt, namen de koers over. Jammer voor de liefhebber van het ‘oude’, maar een zege voor de renner. Het woeste amfetaminetijdperk, wat óók zijn charmes had, is geweest. Renners met ogen als koplampen, tref je niet meer aan. En de vrijwel onverstaanbare, en woest kijkende West-Vlaamse stoemper, is verworden tot de ideale schoonzoon, die zijn talen beheerst.

Kortom, de koers is gepolijst. En het glas melk? Dát is vervangen door een isotonendrankje! Waarom dat laatste genuttigd wordt, doet het ergste vrezen. Leer mij die soigneurs kennen…

Werkdag

Bescheiden en vriendelijk. Sterallures is de man volkomen vreemd. Dat siert hem, want  de Keniaan Edwin Kiptoo, behoort tot de wereldtop op de lange afstand. Edwin, als haas gecontracteerd bij de laatste marathon van Amsterdam. Een contract waar de organisatie, maar vooral de latere winnaar Tamirat Tola geen spijt van had. De man volbracht zijn taak met verve.

De eerste dertig kilometer van de marathon, ijlde Kiptoo op kop van een groepje van zo’n twaalf atleten. Wie Kiptoo langs de open, winderige oevers van de Amstel zag rennen, was een bevoorrecht mens. Die snelheid, – wat de grenzen van de verbeelding vér voorbij gaat, – maar vooral zijn prachtige motorriek, lange soepele passen die amper de grond aanraken, was pure schoonheid.

Na dertig kilometer mocht Edwin uitstappen. Dat gebeurde op de stille Rozenburglaan, in de schaduw van Betondorp. Schrijver dezes – vanaf Ouderkerk aan de Amstel, tot aan Betondorp, fietsend achter de kopgroep, – was daar getuige van.  Beetje hulpeloos en aandoenlijk, stond de man van de Afrikaanse hoogvlaktes op die desolate Rozenburglaan, te wachten op het busje, die hem terug bracht richting Olympisch Stadion.

Kiptoo, onder meer twee keer winnaar van de Dam-tot-Damloop, is een man met een lage drempel. Na zich zelf eerst voorgesteld te hebben, werd voor de foto geposeerd. Voor Edwin Kiptoo zat de marathon van Amsterdam er op. Voor hem kwam een werkdag tot een eind.

Maffia

Veertien februari Valentijnsdag, dag  waar de  echte liefhebber van het macabere, begrijpend staan te knikken. Speciaal de maffia uit Chicago. In opdracht van Al Capone werd op Valentijnsdag 1929,  tijdens één actie zeven man tegelijk geliquideerd. Kom daar anno nu eens om. Valentijnsdag, óók de dag dat de goddelijke, kale klimgeit, Marco Pantani aan zijn laatste klim begon: richting hemel. Valentijnsdag, dag vol onheil, ook voor Jake La Motta, die op de dag van de liefde, op het randje van het sterfelijke balanceerde. De scherprechter van dienst? Sugar Ray Robinson!

Veertien februari 1951, het gevecht om de wereldtitel halfzwaargewicht, gehouden in het Chicago Stadium, gevuld met dertienduizend bezoekers. Uitdager Sugar Ray, versus Jake La Motta. De laatste,  vier jaar in bezit van de wereldtitel, en werd twee keer uitgedaagd, door respectievelijk Tiberio Mitri en Laurent Dauthille. Beiden werden met koppijn wakker.

Robinson, die de eerste negen ronden afwachtend bokste, kwam in de tiende op stoom. Jake La Motta, kreeg een lawine aan dodelijke slagen te verwerken. Ieder normaal mens had gaan liggen. Niet La Motta, die bleef overeind. Een bloedbad nam een aanvang. Goddank voor Jake én zijn familie, greep in de dertiende ronde, de scheids in. Een ingreep waarmee hij La Motta’s leven mee redde.

La Motta, een bokser die aan álle vooroordelen, én clichés  voldeed. De man van Italiaanse komaf, kwam niet alleen uit de New Yorkse Bronx, maar had ook connecties met de maffia. Ergens in 1947 was het de onbekende Billy Fox, die La Motta in de vierde ronde neerhaalde. De New Yorkse bokscommissie, ook niet gek, vermoedde fraude en hield niet alleen het prijzengeld van La Motta in, maar schorste hem ook.  Later gaf La Motta toe, dat hij op verzoek van de gokmaffia met opzet had verloren. Ach wat maakt dat ook uit. Met een beetje fantasie behoort dat tot de romantiek van het boksen, waar de dingen nooit zijn, zoals ze zijn.  

Jake La Motta, kerel met een granieten kop en een betonnen gestel, stierf op vijfennegentig jarige leeftijd. En nee, Jake sloot niet zijn ogen op Valentijnsdag. Wat voor dit stukje wel zó jammer is.

Bron: Miroir Sprint jaargang 1951, Boxrec.

Boom

Duursporters, per definitie onverwoestbare bedtijgers. Bedrijven de liefde tot er stoom uit het matras komt. En de meisjes, niet gek, wéten dat. Daar hoef je echt niet met balsporters,  sprinters, polsstokhoogspringers, laat staan pingpongers, aan te komen. Dat soort sporters kloppen de pijp leeg, voordat de verpakking van het condoom de grond bereikt. In  de eeuwige ranglijst van begeerde duursporters, nam Hugo Koblet een ereplaats in. Hugo had bij de vrouwen een zekere reputatie op te houden. Zeker bij de rondemissen.

Hugo Koblet, wielrenner, lange afgetrainde benen, slanke lenden, én een mooie kop. Een groot wielerkampioen, waar veel over gepubliceerd is. Koblet, afkomstig uit Zürich, als een James Dean op de koersfiets. In 1950 won Hugo de ronde van Italië, en een jaar later die van Frankrijk. Feiten die behoren tot de algemene wielerkennis. Hugo Koblet, man van de kleine versnelling. Een coureur waar de souplesse van afdroop.

Zoals tijdgenoot Gé Peters het in één zin samenvatte: ‘Niemand kon hárder fietsen dan Koblet’. Waarmee Peters de elfde etappe van de Tour 1951 mee bedoelde. Een etappe waarin een kopgroep was ontsnapt, met daarin de Zwitser, tevens favoriet voor de eindzege. Er werd enorm hard gereden om deze groep terug te pakken. Uiteindelijk gebeurde dat; op één renner na, Koblet. Hoewel het peloton een hels tempo ontwikkelde, bleef hij voorop. Met drie minuten kwam de Zwitser over de eindstreep.

Dat was in 1951, toen Hugo, zesentwintig jaar oud, éénenzeventig kilo schoon aan de haak, zijn ereronde reed in het Parc des Princes. Zes jaar later was het verval ingetreden. Koblet, zoon van een banketbakker,  woog drieëntachtig kilo. De flyer, verworden tot een ordinaire hardrijder. Wat aan zijn uitsagen terug te lezen valt.

In 1957 bleef zijn erelijst blank. Koblet koerste niet meer op de weg. Ook mooie jongens, treffen óóit een leeg bed. Getrouwd met famp Sonja Bühl, eindigde zijn huwelijk met een knal. Legendarische lovers als een Koblet, behoren te sterven in drama. Hugo’s vertrek vanaf dit tranendal ging in stijl. Twee november 1964, op een doodstille, kaarsrechte weg, en scheurend in zijn Alfa Romeo, knalde de Zwitser tegen een boom. Hugo Koblet werd nog geen veertig.

Bron: Sport et Vie, jaargang 1957, WielerExpress, jaargang 1991.

Oren

Uiteindelijk was het een gevecht teveel. Een partij waar hij in z’n verdere leven met chagrijn op terug keek. Waarom hij met z’n eenendertig jaar zo nodig weer die ring in moest, met het risico, de neuroloog een hand te geven? Had ongetwijfeld met eer en geld te maken: vooral dat láátste. Twaalf lange, slopende jaren waren het, wat staat voor honderdnegen gewonnen partijen, en zestien verloren. Wat dat aan opofferingen, pijn, zweet en bloed vergde, daar moeten wij maar niet aan denken. Een erelijst, waarvoor een gemiddelde profbokser  bereid is, om daar een vinger voor te laten amputeren. Prachtige cijfers om met bokspensioen te gaan. Maar dan staat er weer zo’n louche manager te zwaaien, met een vet contract. Dit keer voor een partij ergens in Montreal, Canada.

‘Jongen, je kan het nog. Die rechtse van jou daar zit nog steeds geen roest op!’ Met dit soort flikflooierijen werd,  Steve Belloise ongetwijfeld de gym ingeluld. Had hij dat maar niet gedaan. Want tegenstander, ene Laurent Dauthuille, een jonge Franse vechtjas stond te trappelen, om die ouwe Steve z’n oren van zijn kop te slaan. Wat ook gebeurde. De eerste ronde was nog geen dertig seconden jong of Steve, afkomstig uit de New Yorkse Bronx, werd met een verwoestende hoek neer gehaald. Dat hij opstond onderstreept ‘s man ijzeren conditie, weliswaar met koppijn, maar tóch.

.

Ach jongen, had toch blijven liggen, dat had je een hoop sores gescheeld. Steve, z’n konterfeitsel afgebeeld op Amerikaanse kauwgomplaatjes, ging door. En kreeg vervolgens een afstraffing, die zeven rondes duurde. Met zijn overwinning dacht  Dauthuille, – een Parijzenaar met de bijnaam de Tarzan van Buzenval, – dat hij een aanstormende locomotief kon tegen houden. Misschien was dat ook zo, maar niet Jake LaMotta. Niet veel later stond de Tarzan van Buzenval, tegen over Jake. Inzet, de wereldtitel bij het middengewicht, gehouden in het Olympia Stadium in Detroit, en live uitgezonden op de Franse staatsradio.

Veertien ronden lang hing LaMotta  in de touwen. De man had geen schijn van kans. Tót de laatste dertien seconden, van de láátste ronde. Waarin de overmoedige Laurent zijn verdediging voor héél even liet zakken. Meer had de sluwe LaMotta niet nodig. In Frankrijk stopte de klokken. In de wijngaarden, vielen spontaan de druiven van de stokken. Met een linkse hoek werd Frankrijks hoop in bange boksdagen, tegen het canvas geslagen. Twee jaar later bokste een mentaal gebroken Dauthuille, zijn laatste partij. Zoals het hoort bij dit soort verhalen, stierf Laurent Dauthuille, geheel berooid op zevenenveertig jarige leeftijd.

En Steve Belloise? De man ging hemelen op zesenzestig jarige leeftijd. Waarbij gezegd, dat hij zijn kist in ging, compleet met beide oren. Dat dan weer wel…

Bron: Miroir des Sprints jaargang 1950, Boxrec.

Prefect

Een oekaze. Uitgevaardigd, door het hoofdbureau van de Parijse politie. Het werd de hoofdcommissaris namelijk té gortig. Toeschouwers waren hun leven niet meer zeker. Tijdens lokale stayerskoersen, vloog er iets té vaak een motor de bocht uit. Om stuiterend tussen het opeen gepakte publiek terecht te  komen. Volgens de commissaris waren de snelheden té hoog. Het verbod gold voor de Parijse wielerbanen waar stayers, gegangmaakt door zware motoren, angstaanjagende snelheden haalden. Een zwaar ongeluk op de Buffalowielerbaan, waar zo’n motor uit de bocht vloog, liet op de burelen van het hoofdcommissariaat de stoppen door slaan: (zie het verhaal ‘Bij elkaar geveegd’, elders op deze blog).

Stayerskoersen verbieden durfde de Parijse prefect niet. Daarvoor was de sport té populair, en de Franse stayers volkshelden. Een tussenoplossing werd gevonden. Om de snelheden te verlagen werd de meedraaiende rol – vrijwel achter de motor, –  op bevel, twintig centimeter van het achterwiel geplaatst. Wat om des keizers baard was, want de snelheid bleef té hoog, en  de stayerssport bloedlink.

Ook tijdens de ‘Honderd van Parijs’, gehouden eind oktober 1906. Aan het vertrek de Amerikanen Bobby Walthour, Hugh McLean en de Franse favoriet én wereldkampioen Louis Darragon (zie, foto). Dat Darragon de koers won, vóór McLean en Walthour, zal die commissaris een rotzorg zijn geweest. Ongetwijfeld leunde de man tevreden achterover, dat de koers veilig was verlopen. Waar Hugh McLean en Louis Darragon geen boodschap aan had. Voor hen stond het lot tóch vast.

Op vier september 1909, trainend op de wielerbaan van Boston, met een snelheid van negentig kilometer komt McLean ten val, en sterft ter plekke. Hugh werd 26 jaar. Ook die arme Louis Darragon, ontsnapte niet aan de Zeis. Op vijfendertig jarige leeftijd, na een succesvolle stayerscarrière van meer dan twaalf jaar, staat Louis aan de start van een stayerskoers gehouden in het Velodrome d’ Hiver. Halfweg koers breekt zijn pedaal. Louis Darragon’s uitvaart, werd door duizenden Parijzenaren bijgewoond.

Bron: La Vie au Grand Air, jaargang 1906, Album des Radwelt jaargangen 1909, en 1918.

Standbeeld

Kleine kapelletjes, uitgestrooid over het vlakke Vlaamse land. Hangplek, waar de heilige Maagd om bescherming wordt gevraagd, en waar een gelovige  mee aan de slag kan. Tussen de vlasakkers staan nogal wat van deze roomse vehikels. Ach wat maakt dat uit, een Mariabeeld meer of minder. Helemaal niet in een streek, waar de koers nooit ver weg is. Per slot van rekening is wielrennen een roomse sport.

Een klimaat waarin een beetje coureur, snel de status van een heilige krijgt. De daden van zo’n renner wordt in de lokale staminee verheerlijkt. Als de drank in de man is, wordt met een pint schuimend bier, op zo’n kerel getoost. ‘Awel, op d’n Jef, opdat hij een standbeeld krijgt’. Goudgele rakkers klotsen tegen elkaar.  Zó moet dat gegaan zijn in de lokale kroeg van Otegem, waar Jef Planckaert z’n domicilie had.

En terecht! Jef Planckaert had niet voor niks, zijn Vlaamse ballen jarenlang geschroeid, op dat smalle harde koerszadeltje. Waarmee hij zijn hondstrouwe supporters, mee in hogere sferen bracht. Jef, wielericoon van de jaren vijftig. Held van de kermiskoers, dokkerend over de kasseien, als een Vlaams symbool van een stoemper. Een archaïsche Vlaamse prof, afkomstig uit West-Vlaanderen. Won koersen als een Omloop van het Volk, Kuurne-Brussel-Kuurne, de Vierdaagse van Duinkerken, werd Belgisch kampioen en niet te vergeten winnaar van Luik, Bastenaken-Luik én Parijs-Nice. Jef won etappes in de Tour de France, de rondes van Luxemburg, Zwitserland en Duitsland. Reed zeven dagen in de gele trui, en werd in de Tour van 1962 tweede achter Anquetil.  

D’n Jef, meer dan elf jaar actief als beroepsrenner. Won zevenenvijftig koersen, en reed voor inmiddels legendarische ploegen als een Wiel’s Flandria en Solo-Superia. In 1965 hing Jef de koersfiets definitief aan de haak. En dan zijn we waar we moeten zijn. Het is 2007, als Jef Planckaert na een slopende ziekte, van dit ondermaanse vertrekt. Twee jaar later werd in het centrum van Otegem een standbeeld van Jef Planckaert onthuld. Vlaanderen heeft zijn helden lief.

Bron: Sport et Vie, jaargang 1958.

Kruishoogte

Dát waren pas tijden! Een dwerg als mascotte bij een bokswedstrijd: kom daar nu  eens om.  En het wordt nóg gekker. Had je na een slopend gevecht de Europerse titel gewonnen, wordt je door één of andere smeris, aan je arm weg gevoerd.  Alsof je zojuist een oud vrouwtje had neergerost. Wat die politieman daar nou eigenlijk deed? God zal het weten.

Enfin de jaren vijftig,  Fijne tijden voor een Europees titelgevecht. Het volk, nog naar adem happend van de oorlog, kon je met alles tevreden houden. Ook in het Parijse  Palais des Sports, in januari 1957 waar Cherif Hamia om de vacante Europese titel in het vedergewicht vocht. Tegenstander, de Vlaamse vechtjas Jean Sneyers, die de eer van Vlaanderen hoog hield. Het publiek kreeg waar voor hun zuur verdiende franken. Vijftien ronden lang duurde het gevecht, waarbij de inmiddels door Sneyers zwaar  gehavende Hamia, nipt op punten won.

Na de gebruikelijke hysterische toestanden in de ring, staat er iets opmerkelijks te gebeuren. Hamia wordt het sportpaleis uitgeleid door ondermeer een gendarme, –  uiterlijk: een look a like van inspector Clouseau. Het oogt als het circus van Jeroen Bosch. Vóór de verse Europese kampioen uitlopend, trippelt die dwerg, ene Jimmie Karaoubi. En die laatste moeten we vooral niet onderschatten. Een paar jaar later stond Jimmie op een filmset als acteur, in de film Pierrot le Fou. Tegenspeelster Anna Karina. Jimmie, op kruishoogte van die bloedmooie Anna Karina, ónvergetelijke beelden. Waarbij we vooral niet moeten denken aan de kreet, ‘kleine mannen, hebben grote jannen’.

We dwalen af. Want amper zes maanden later stond Cherif Hamia, in dat zelfde Palais des Sports, in de ring voor een gevecht om de wereldtitel bij de vedergewichten. Tegenstander de Nigeriaan Hogan Bassey, die in de tweede ronde neerging. Bassey, taai als een hondenvel, bleef de rest van de partij staan. Sterker, in de tiende ronde sloeg hij Hamias knock out. En dat allemaal in 1957, het jaar van Hamia, Jimmie Karaoubi, en Hogan Bassey, namen weg gezakt in de loopgraven van de bokssport.

Bron: Sport et Vie jaargang 1957.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: