Flo

Gus Lawson.

Florence Nightingale dus, de vrouw die de gewonde soldaten verpleegde tijdens de Krimoorlog. Florence, ook wel de ‘dame met de lamp’ genoemd, want doolde ’s nachts door de pikdonkere ziekenbarrakken met een olielamp, waarmee ze ongetwijfeld ijlende soldaten de stuipen mee op het lijf jaagde, die Flo aanzagen voor de doodsengel. Evengoed gleed Florence de geschiedenis in, als hét symbool van de ziekenverpleging.

Dat er op de wielerbanen van vóór de Eerste Wereldoorlog een Florence Nightingalesyndroom heerste, is hoogstwaarschijnlijk. Renners die ten val kwamen, werden zwaar gewond van de baan geschraapt, en naar het middenterrein gesleurd. Hoe de behandeling van de aanwezige baanarts was, daar moeten we maar niet aan denken. Daar word je als renner hard van, zal wel de mores zijn geweest. Gelijk hadden de verzorgers en soigneurs van de belle epoque. Wat dát betreft, zal Gus Lawson zich zelf wel eens vertwijfeld afgevraagd hebben, waarom hij niet koos voor een carrière aan de biljarttafel, of een andere ongevaarlijke sport. Waarom moest hij uitgerekend op die dag, in het parc des Princes van het Parijs van 1904, op een gangmaakmotor zijn rondjes rijden. Gus een Amerikaan, wist dat eigenlijk ook niet. Maakt ook niks uit. Met renner Walthour achter zijn rug, crashte Gussie met zo’n tachtig kilometer op de teller.

Tommy Hal.

Ook voor Gus werd geen uitzondering gemaakt, en onderging de sleepbehandeling al lijdend. De  wielerbaan van het Parc des Princes waar het niet écht pluis was. Een jaar eerder verongelukte de Amerikaanse stayer George Leander daar dodelijk. En een maand na Gus, sloeg Tommy Hal bijna te pletter. Tommy, stayer afkomstig uit Londen kreeg tijdens de race een klapband. Met wat later bleek, zware inwendige kneuzingen werd Tommy weggedragen. Negen jaar later, tijdens de Grote Prijs van Keulen verongelukte Gus Lawson uiteindelijk dodelijk.

Bron: La Vie au Grand Air jaargang 1904,

Vette worst

Het Europees kampioenschap stayeren, anno nu een onderonsje, gehouden op een afgelegen wielerbaantje. Was ooit een grootste koers, met garantie op een uitverkocht huis. Ook in 1903, met  decor de wielerbaan van Leipzig, waar veertigduizend toeschouwers de weg naar toe hadden gevonden. Het Meisterschaft von Europa over honderd kilometer, zoals dat op de aanplakbiljetten stond, en waarmee de kroegen van Leipzig mee vol hingen.

Aan de start de vier beste stayers van het moment. Een kwartet dat ging uitmaken wie de titel kreeg. De vette worst was natuurlijk, de drieduizend goudmark aan de titel verbonden. Waarvoor Amsterdammer Piet Dickentman, de Duitser Taddy Robl en de Fransen Paul Dangla en Henry Content als hongerige honden op afkwamen. Van het wedstrijdverloop is niet veel bekend. Wél dat Robl de honderd kilometer afraasde, in een tijd van 1 uur en 24 minuten.

Voor Robl was 1903 een gezegend jaar. De man won in het buitenland zesentwintig stayerskoersen. Tel daar nog eens zestien koersen bij op, gewonnen in z’n heimat. Robl, met ruim zesentwintigduizend goudmark was daarmee de best verdienende renner van z’n land. Even voor de statistici onder ons: Paul Dangla werd tweede, Dickentman drie en Contenet sloot het rijtje. Zeven jaar later stopte Robl met de stayerij. Hoogstwaarschijnlijk werd het hem te gezapig, ondanks de liters bloed die wekelijks over de Duitser wielerbanen vloeide.

De voormalige Europees kampioen stapte over naar de vliegerij. Om niet veel later van honderden meters hoogte in z’n tweedekkertje dodelijk neer te storten. Aardig detail: Piet Dickentman was voor dat genoemde vliegtochtje uitgenodigd. Die fatale ochtend, had Piet zich verslapen… Na Robl’s dodelijke stort was de briefkaartenfirma Franz Martin ook uit Leipzig, er als gieren bij om daar van een alleraardigst ansichtkaartje te maken. Altijd leuk om zoiets op je verjaardag in de brievenbus te vinden.

Bron: Album der Radwelt jaargang 1903.

Amputatiezaag

De Grote Prijs van Brunswijk, zondag 7 mei 1905. Mooi weer, én een spetterend programma. Aan de start van de stayerskoers Hubert Sevenich afkomstig uit Stolberg, Rijnland, Richard Schröter uit Dresden, en de Amerikaan Woody Hedspath. De laatste een Afro-Amerikaan, in het kielzog van sprintlegende Major Taylor meegekomen naar Europa.

Woody, in het roomblanke Duitsland, waar een zwarte stayer net zo onbekend was als een ijsbeer in de Sahara, was allesbehalve een kermisattractie daarvoor fietste hij iets te hard. De Amerikaan, afkomstig uit Indianapolis, won dan ook in zijn eentje de beruchte Zesdaagse van Dayton.

Hedspath, ook actief op onze vaderlandse wielerbanen waar hij op de affiches aangekondigd werd met ‘den neeger’, had ongetwijfeld een flinke laag eelt op de  ziel. Waarschijnlijk dáárom, maar zeker voor het geld, bewees hij dat niet alleen witte rakkers hard konden fietsen. In Brunswijk vloog Woody er direct vol in. 

Met achter aan zich aan de jakkerende Schröter én  Sevenich. De laatste bezig Schröter te passeren, maar deed dat iéts te strak. Motorsturen raakte elkaar. In een kluwen van ontploffende en vallende motoren werd Hubert Sevenich, bezig met zijn zesde stayerskoers, verpletterd tegen de balustrade.

Richard Schröter had ietsje meer geluk. Zei het, dat voor de man uit Dresden aan de horizon flauw de contouren van een invalidekarretje opdoemden. Door de val waren zijn benen ernstig gewond. Nadat Richard naar het middenterrein was gesleept, knikte de aanwezige baanarts goedkeurend. Pruisische artsen weten daar wel raad mee. Diep weggestoken in zijn lederen doktersvaliesje, tussen de flesjes jodium, pleisters, verbandrollen, en andere voor dokters handige spullen, diepte hij zijn amputatiezaag op.

Indachtig de kreet dat zachte dokters stinkende wonden maken, werd met de zaag Richard Schröter van zijn onderstel verlost. Dat lot werd bespaard voor de arme Hubert Sevenich, 26 jaar jong. Die werd compleet mét benen, begraven op het dorpskerkhof van zijn geliefde Stolberg.

Bron: Radwelt jaargang 1905, Nieuws van den Dag jaargang 1905.

Smeris

Kenneth McArthur

Is het een vorm van zelfkwelling? Of overschatting? Van die vragen. Want het blijft een raadsel, wat  zo’n frisse, talentvolle polderatleet, bezield om voor de marathon te kiezen. Daar hebben ze helemaal niets te zoeken. De eerste dertig plekken op de uitslagenlijst, zijn per definitie gereserveerd voor de jongens van de Oost-Afrikaanse hoogvlaktes.

Wie ooit een stadsmarathon ter plekke zag, begrijpt wel waarom. Fiets maar eens achter de kopgroep aan, wat Stuyfssportverhalen deed, bij de laatste Amsterdam-marathon. De snelheid, souplesse  én het gemak waarmee die voormalige herders langs de boorden van de Amstel vlogen, dat was bizar, en ging de grenzen van het verbeeldingsvermogen vér voorbij. Voor onze Hollandse rennende houten klazen, is er geen hoop meer in bange dagen. Wat dat betreft had Kenneth Mc Arthur het gemakkelijker. Bij de Olympische marathon van 1912 ontbraken de Oost-Afrikanen.  

Langeafstandloper McArthur, een bonkig ogende politieagent afkomstig uit Johannesburg, Zuid-Afrika, rende zijn eerste marathon in 1908. Met een erelijst waarop ondermeer het nationale kampioenschap veldlopen, staat die smeris op veertien juli 1912 aan de start  van de genoemde Olympische ren, gehouden in Stockholm. Van deze marathon is niet veel bekend. Ja, dat het godsgloeiend heet was, en dat er achtenzestig atleten zich hadden ingeschreven. Van de weinige verslagen, komt er van Kenny McArthur een beeld tevoorschijn van een atleet, die het niet zó nauw nam met het begrip eerlijk. Daar kwam z’n landsman Christian Gitsham  pijnlijk achter.  

Gitsham, samen met Mc Arthur, namen een flinke voorsprong, waarbij de sterkere Christian zeker was van de overwinning. Enkele kilometers voor het eind stopte Gitsham, om even te drinken, niet nadat hij eerst met McArthur een afspraak had gemaakt, om even te wachten. Wát een groenzoeter die Gitsham. Want natuurlijk wachtte die McArthur niet. Sterker, terwijl de eerste slok water de huig van Grisham passeerde, spurtte die smeris voluit weg, en nam niet veel later zijn plekje op de Olympische eregalerij in. Politieagenten kun je dus nooit vertrouwen, en al helemaal niet uit Zuid-Afrika. Lullig voor die Gitsham, maar klein bier vergeleken bij de Portugese marathonloper Francisco Lázaro. De laatste, met een zonnesteek opgeven bij het 29-kilometerpunt, werd afgevoerd naar het lokale hospitaal. Een dag later meldde Francisco zich bij zijn Schepper.

Bron: La Vie au Grand Air jaargang 1912.

Steenpuist

Rioolaansluitingen waren er niet. Erger, het toilet, wat bestond uit een emmer stond in de keuken, waarbij één keer per week de strontkar door de buurt kwam, om deze te legen. Stegen met piepkleine krotwoninkjes, waar je de armoede van de muren kon schrapen. Schurft en luizen, gingen hand in hand.  En heet water om kleding mee te wassen, werd gekocht bij een zogenaamd ‘water en vuur winkeltje’. Over lichaamshygiëne zullen we het maar niet hebben. Welkom in de vooroorlogse Jordaan, die Amsterdamse volksbuurt, die anno nu, omgeven is met valse romantiek.

Dat Johnny Schlebaum dat allemaal meegemaakt had, is zeker. Johnny geboren en getogen in die zelfde Jordaan, als zoon van een kolenhandelaar. Loste voor zijn vader regelmatig, en in zijn eentje een schuit vol kolen. Waarschijnlijk dáárdoor kon de wereld van de antraciet en cokes hem gestolen worden. Johnny Schlebaum werd stayer. Beschouwde dat als een heus vak. En een beroep moet je leren. Volgens hem kon je dat maar in één land: Duitsland.

Johnny als nobody noodgedwongen, actief op de kleine Duitse wielerbaantjes. Een ruig circuit, waar kansloze om een plekje knokte. Een harde leerschool, waarbij de kloten regelmatig eraf werden gedraaid. Na drie jaar was de opleiding voltooid. De kolensjouwer uit de Jordaan was stayer, en koerste ook regelmatig voor eigen volk. Wat een lokale journalist, zich aan Johnny’s voormalige kolenloopbaan deed herinneren. De scribent zadelde Johnny in z’n krant op, met de bijnaam ‘roetmop’, en verzon a passant er bij, dat z’n vader schoorsteenveger was.

Johnny, uit de Lindenstraat, werd een cultheld. Als Johnny, voor de zoveelste keer woest ten aanval trok, loeide het hele stadion de oeroude schoorsteenvegerskreet ‘hoeiii’. Johnny Schlebaum behoorde tot de wereldtop, maar ondanks dát, ging het regelmatig mis. Het waarom..? Op de beslissende momenten, kreeg Johnny last van steenpuisten op z’n zitvlak. Wat natuurlijk met die genoemde hygiëne te maken had. Bekijk de foto’s van hem, en je ziet een mooie, maar morsige, onverzorgde jongen.

Johnny Schlebaum met gangmaker Slesker.

Dat hij dagenlang in dezelfde koersbroek actief was, behoort tot de zekerheden. Koersbroeken waren duur, de beloning laag en de inflatie gierde door Europa. Dat brak ook Johnny op. Tijdens één van zijn laatste wereldkampioenschappen gehouden in 1932, was Johnny dé grote favoriet.  In de series was hij ongenaakbaar, en de regenboogtrui lag voor het oprapen. Helaas voor de voormalige kolensjouwer, want vlak voor de finale, voelde Johnny in zijn onderbroek een lastige, pijnlijke bobbel. Een opkomende steenpuist, groot als een stuiter weerhield Johnny er van om z’n plekje in de mondiale sportgeschiedenis in te nemen.    

Wurgen

Antonin Magne, met rechts René Vietto.

In de koers is het begrip ‘flikken’, tot een soort wetenschap verheven. Daar kwam René Vietto ook achter. Vietto werd tijdens de Tour van 1934, op een schandalige manier geflikt door z’n ploegleider én kopman Antonin Magné. Eerst even vertellen over René Vietto, die op twintigjarige leeftijd in de slangenkuil van het betaalde cyclisme werd gesmeten. Wat op zo’n jonge leeftijd, een  misdaad op zich is. Véél erger was, dat dat onvolgroeide jochie, ook opgesteld werd in de Franse nationale ploeg voor die genoemde Tour. De verantwoordelijke hiervoor, dienen alsnog postuum gegeseld te worden.  

René Vietto dus, een door God geschonken klimtalent, die tijdens die genoemde Tour, onbekommerd en speels over het hooggebergte dwarrelde. Het Franse klimwondertje won twee bergetappes. Tijdens de vijftiende etappe, met de gele trui virtueel om de magere schoudertjes, en vér voor het peloton uit, sloeg het noodlot toe. Tijdens een afdaling, kreeg René van zijn ploegleider het bevel z’n voorwiel af te staan, aan kopman Magne. De laatste was gevallen, waarbij zijn wiel brak. Snikkend van machteloos verdriet om zoveel onrecht kon René, meer dan vijftien minuten wachten op de materiaalwagen. Waarmee z’n winst op een touroverwinning verdampte.

Met die Tourzege ging Magné er wél van door. Als troostprijs won René het bergklassement, een prijs voor de kat z’n ‘derde oog’, en door iedereen al lang en breed vergeten. Want volgens de staalharde wetten van het cyclisme, mag je alleen een plekje in de wielergeschiedenis innemen met een Touroverwinning. Magne maakte wel zijn krasje in de Tourhistorie, en werd als winnaar van editie 1934 gehuldigd in het Parijse Parc des Princes. Waarbij hij als een gebrade haan, mét overwinningsbloemen, zijn ererondje reed.

René Vietto, die nóóit meer een kans kreeg op een Tourzege, mocht hem daarbij vergezellen. Een beetje kerel had dat nooit gepikt, sterker, die had die verdomde Magne ter plekke gewurgd, het liefst met die bos bloemen. Om vervolgens die ploegleider met een pomp de schedel in te rammen. Maar tsja, dát was en is, de mores van de koers, waar niets is wat het lijkt…

Bron: Le Miroir de Sports jaargang 1934.

Familiegraf

Joe Nelson met gangmaker Stinson.

Johnny en Joe Nelson, broertjes afkomstig uit de slumps van Chicago. Desperado’s op de stayersfiets. Ere wie ere toekomt, want het was Johnny die als eerste Nelson de wielerbanen aan de Amerikaanse Oostkust onveilig maakte. Niet veel later maakte ook Parijs kennis met de oudste Nelsonbrother. In juni 1901, stond Johnny Nelson op het programma voor een stayerskoers gehouden op de supersnelle baan van het Parc des Princes. Waarbij Johnny zijn achterwiel liet zien aan Amsterdammer Piet Dickentman en Paul Dangla.

Dat was het voorspel voor de avond van vier september 1901, met als locatie het Madison Square Garden in New York. Waar een stayerskoers over vijftien mijl op de rol stond.  Een duel voor twee renners, Johnny Nelson versus Jimmy Michael. De laatste, een drankzuchtige dwerg die ondanks de drank, van die dagen had dat hij vloog. Madison Square Garden, waar Johnny, halverwege de koers, boven het gebrul van de motoren en publiek, dat ene vreemde geluid van een brekende voorvork hoorde. Johnny, gevallen, mankeerde ogenschijnlijk niets, maar maakte die ene kapitale fout. Hij vergat zijn voet terug te trekken. En die laatste verdween  tussen het voorwiel van de aanstormende motor van Michaels.
Johnny drieëntwintig jaar, opgenomen in het Bellevue Hospital  waar zijn onderbeen geamputeerd werd. Twee dagen later stierf hij aan de gevolgen van gangreen. Aan het graf zijn door verdriet bevangen moeder, die troost vond bij haar jongste zoon Joe, het broertje van Johnny.

En bij Joe stapelt het drama zich op. Want ondanks de dodelijke smakkerd van z’n oudere broer Johnny, vond Joe ook z’n bestemming als stayer. Ook Joe was actief op de Europese wielerbanen. En net als z’n oudere broer, kon Joe, ergens in 1904 de verlokking van het de als levensgevaarlijk bekend staande wielerbaan, van het Madison Square Garden niet weerstaan.

In het aangezicht van een paar duizend Newyorkers, en lekker op snelheid, raakte  het voorwiel van Joe héél even de motor van gangmaker Stinson aan. Joe Nelson,  eenentwintig jaar, werd begraven in het graf naast zijn broer Johnny.

Bron: het digitale archief van de New York Times jaargang 1901 en 1904, La Vie au Grand Air jaargangen 1901 en 1904.

‘Door hebben’

Wat het verschil is tussen Jack Johnson en Johan Cruijff? Dat is een standbeeld! Wie Cruijff is, dat weten we onderhand wel. Jack Johnson, minder bekend, was een zwarte bokser rond 1900. De man knokte niet alleen in de ring, maar ook tegen het alledaagse racisme. Dat Jack als Afro-Amerikaan in 1908 om de wereldtitel mocht vechten, was een heuse primeur. Tegenstander  wereldkampioen Stanley Ketchel, een gewezen cowboy uit Montana. De partij Jack Johnson, versus wereldkampioen Stanley Ketchel, werd een beroemd  gevecht. Het massaal opgekomen blanke publiek, als één man achter hun jongen, zag tot grote afgrijzen hoe Johnson in de twaalfde ronde, Stanley Ketchel met een mokerslag knock-out sloeg. 

Ketschel, minuten lang in een andere wereld, werd wakker met drie tanden minder. Stanley’s ivoortjes, kon Johnson later uit zijn handschoenen pulken. Met z’n zege werd Jack Johnson, geboren en getogen in Galveston Texas, de eerste zwarte wereldkampioen bij het zwaargewicht: wat een kras gaf op de ziel van blank Amerika. Jack Johnson, vier jaar in bezit van deze titel, werd in 1913 door een volledig witte jury veroordeelt tot een jaar gevangenis. Wat tevens het einde van zijn bokscarrière was. Zijn misdaad? Hij was getrouwd met een blanke vrouw.

Jack Johnson, inmiddels postuum gerehabiliteerd door voormalige president Trump, is in de zwarte gemeenschap van Galveston nog steeds een held. Als blijk van erkenning werd een aantal jaar geleden in zijn geboortebuurtje, een groot standbeeld van Jack onthuld. Deze werd, vier jaar geleden door Stuyfssportverhalen bezocht, wat gepaard ging met een zoektocht door Galveston. Uiteindelijk werd de weg gevraagd aan een stel zwarte gemeentewerkers gehuld in fluorescerende jasjes. ‘Jack’? klonk het achterdochtig, ‘Jack Johnson, the boxer?’ Gereedschappen werden ter plekke neergelegd. Een grijns verscheen. ‘Sure’, klonk het collectief. Om er op te volgen dat Jack nog steeds hun grote held is. ‘Ik breng je wel, volg me maar’, riep een fluorescerend jasje.

Rijdend achter een pickuptruck van de gemeente Galveston, werd Stuyfssportverhalen afgeleverd in een zwart buurtje vol monumentale, goed onderhouden houten huizen. En daar, op de hoek van de 26e Street en Avenue M, bevindt zich een parkje ter grote van een postzegel. Onder palmbomen, met het geluid van ritselende eekhoorns en kwetterende gaaien, gloort Jack, gevangen in brons, staand in zijn karakteristieke bokshouding.

Ook Cruijffs geboortebuurtje Betondorp, besloot om één van z’n grootste helden te gedenken. En daar stopt meteen de vergelijking met Jack Johnson. Want staat Jack voor eeuwig in brons op de hoek van zijn geboortestraatje, daar moet Johan het doen met een ondefinieerbaar stapel stenen,  waarbij direct Johans uitspraak, ‘Je gaat het pas zien als je het door hebt’, een diepere betekenis krijgt.

Bumpers

Bob Spaak was de naam. Bob was hoofdredacteur van Sport in Beeld, de voorloper van Studio Sport.  En Bob had het niet zó op met wielrennen, dat vond die maar een sport voor proleten. Dat de koers op de televisie werd uitgezonden, was dan ook een utopie. Wat wij wél te zien kregen was Sjoukje! Sjoukje Dijkstra deed namelijk aan kunstschaatsen. En dát hadden wij geweten. Alsof de jongens van de geboortegolf al niet genoeg hadden geleden. De Selvera’s, Max van Praag, Tobi Rix, Eddy Christiani, de Spelbrekers, Mieke Telkamp, en andere handlangers van het onvoorstelbare, lullige liedjesgenre, zorgde voor Noord-Koreaans aandoende terreur, komende uit de Philipsbuizenradio. Dat hele generaties jongens op de rand van een mentale inzinking bungelde, is ter kennisgeving.  

En als je dacht dat het niet erger kon, waren daar de jaarlijkse kampioenschappen kunstschaatsen. Op de televisie urenlang uitgezonden, met dank aan de genoemde Bob, die ook het commentaar verzorgde. Sjoukje, dijbenen als bumpers van een botsauto, de dubbele Rittberger zien springen, deed de theekopjes op de huistafel rinkelen. Na drie van die sprongen had je het wel gezien. Of kunstschaatsen sport is..? Hooguit variété. Dat Sjoukje na haar carrière met een clown er vandoor ging, en vervolgens een circus begon, daar keken wij niet raar van op.  

Even een steen in een rimpelloze vijver gooien: of de val van de Muur hét belangrijkste naoorlogse moment was? Natuurlijk niet. Dat was de komst van de Muur van Geraardsbergen, én bijbehorende ronde van Vlaanderen, live op de televisie uitgezonden door de BRT, mét commentaar van Fred Debruyne (zie foto). In plaats van dat geneuzel van die Bob, onvervalst Vlaams in de huiskamer uit de mond van een kenner. Fred wist waar hij het over had. Als voormalig winnaar van Parijs-Roubaix én de ronde van Vlaanderen voelde Fred, van achter de microfoon, nog steeds het gestuiter van de kasseien zijne kloten rammelen.  

Jaren later werd Fred om onduidelijke reden door de BRT afgevoerd. In de plaats van Fred kwam Michel Wuyts, ook goed. De laatste, inmiddels met pensioen, is vervangen door Renaat Schotte.  Renaat verzorgde vanaf de motor, jarenlang het live verslag van de Vlaamse kasseienkoersen. Met de losse ballen van Renaat zit het dus goed. Het is maar dat U dát weet…

Postbode

Honderdzesentwintig seconden. Meer had Marcel Cerdan niet nodig om Leon Fouquet neer te halen. Die arme Leon, afkomstig uit het Vlaamse Ronse, het dorp dat synoniem is met de Vlaamse wielerkoers. Leon koos niet voor de koersfiets, maar werd bokser. Niet eens zo onverdienstelijk. Leon Fouquet Belgisch kampioen, en beschikkend over moordende linkse, waar Luc van Dam pijnlijk achter kwam. Eind december 1945, in een uitverkocht Concertgebouw werd Van Dam, door Fouquet in de vijfde ronde knock out geslagen.

Maar dan is het februari 1947, als Leon in het Parc des Exposions in Parijs, mocht opdraven voor een gevecht tegen Europees kampioen Marcel Cerdan. Eerst even vertellen dat voor een Vlaamse sportman mét succes, er meteen een supportersclub klaar staat, die hun held in alles ondersteunen. Ook met geld.  Dat laatste kan zo’n sporter mentaal opbreken. Er wordt namelijk wel iets van je verwacht. Of Leon over een ijzeren mentaliteit beschikte, is onduidelijk. Wat wél zeker is, dat Leon niet in zijn eentje richting Parijs vertrok. Honderden supporters gingen mee om Ronse’s eigenste vechter, verbaal te ondersteunen. Als lokale sportheld moet je dan sterk in je boksschoenen staan. Hoe stevig dat voor Leon was..?

Nadat de eerste gong had geklonken, en het publiek amper had plaats genomen, was het gevecht al over. Honderdzesentwintig secondes had Cerdan nodig, om alle aspiraties uit Fouquet te rammen.  Al in de eerste minuut kreeg Leon een linkse te verwerken, die hem in de touwen deed belandde. Om vervolgens met twee ‘hoeken’ het karwei af te maken.

Ongetwijfeld had Leon de dagen na z’n Parijse echec, zijn supporters wat uit te leggen, want je bent als bokser net zo goed, als je laatste gevecht. Alsof Fouquet geen krediet had. De man zat tijdens de Tweede Wereldoorlog niet alleen in het lokale verzet, maar vocht als eenentachtig partijen waarvan hij er vijftig won. Leon Fouquet moet een bescheiden mens zijn geweest, die met weinig tevreden was. Na zijn bokscarrière werd Leon in zijn geliefde Ronse postbode.

En dan is er ook nog Marcel Cerdan. Twee jaar later op weg naar New York voor een gevecht tegen Jake LaMotta met inzet de wereldtitel, stortte zijn vliegtuig in de Atlantische Oceaan.

Bron: Miroir Sprint, Denbelleman (Onafhankelijk, kritisch Opinieplatform Ronse)

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: