Noa

Harry Miles en Williams Stafford zijn  zo’n beetje de eerste die fatale wielergeschiedenis schrijven. Op de wielerbaan van Walham Massachusetts anno 1900,  trekken  Harry en William gezamenlijk ter hemel tijdens een stayerskoers. Feitjes waar je niets mee kan, maar voor deze blog belangrijk genoeg om Harry en William en al die andere gesneuvelde renners op dit digitale veld van eer bij te zetten (zie ‘verongelukte renners’).

Sinds de jaren tachtig  verzamelt Stuyfssportverhalen  feiten van renners die tijdens de training dan wel in de koers zijn gesneuveld.  Bizar en morbide? Eerder een vorm van dwangneurose van schrijver dezes. Een neurose die explodeert sinds hij de hand wist te leggen op de complete uitgave van de jaargangen  Sportalbum der Radwelt uitgegeven tussen 1902 en 1928 waarin met griezelig Pruisische precisie de feiten van de vele dodelijke stayersongelukken tijdens de belle epoque compleet met foto’s, zijn beschreven. Verslagen met een dramatische lading, enfin klik de link ‘stayeren’ links van dit verhaal aan.

En nog even de feiten want deze blog heeft inmiddels tweehonderdvijfenvijftig dodelijke ongevallen genoteerd in  een tijdspanne honderdvijfentwintig jaar. Of daarmee de wielersport gevaarlijk is..? Zeg het zelf maar.

Wél een gegeven dat 2025 de sport niet goed gezind is met vijf gesneuvelde renners waaronder het laatste slachtoffer. Tijdens een jeugdkoers afgelopen weekend gehouden in het Franse Courcemont, wordt in de finale Noa Sartis 16 jaar jong getroffen door een fatale hartaanval.

Foto: Tijdens een stayerskoers in november 1917 verreden in het Parijse sportpaleis d’Hiver verongelukt tweevoudig wereldkampioen Louis Darragon.

Walter

‘De sprinters voorop’ is het onderschrift van bijgaande foto. Wat een eufemisme is van heb ik jou daar. Wat de koppenmaker vergeven is want de man schrijft zijn stukje ergens in 1968 het jaar waar bijgaande  foto is gemaakt. Waar en in welke koers staat niet vermeldt.  De fotoredactie van het onvolprezen wielerblad Miroir du Cyclisme is wel vaker betrapt op dergelijke foutjes, wat ze vergeven is want de tientallen wielerfoto’s in de Miroir zijn ieder nummer  van absolute topklasse.

Terug naar de foto. Een kopgroep met acht renners. En wat voor een jachtgroep. Zes van de renners zijn goed voor eenenveertig overwinningen in een klassieker. Toegegeven op het moment dat de fotograaf zijn sluiter indrukte moeten de meesten van deze overwinningen nog komen, maar toch…

En voor de niet kenner: van links naar rechts Jo de Roo met zeven klassiekers waaronder de ronde van Vlaanderen en Parijs-Bordeaux, Jan Janssen met Parijs-Roubaix, dan Bernard Vandekerkhove (schuin achter Janssen), gevolgd door Guido Reybroeck met de Amstel Gold Race, en Ward Sels met de ronde van Vlaanderen. Helemaal rechts Eddy Merckx die  alle klassiekers meerdere keren op zijn naam schrijft.

En dan komen we bij de renner waar dit stukje aan opgedragen is: pontificaal in het midden Walter Godefroot, met twee maal de ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix en Luik-Bastenaken-Luik. Godefroot is afgelopen week op tweeëntachtig jarige leeftijd overleden.

Bron Miroir du Cyclime jaargang 1968.

Emile Georget: Eerste Renner van Col du Galibier

Die ene unieke foto. Gemaakt tijdens de Tour van 1910 en geschoten bij de tijdscontrole in L’Epinal waarin Emile Georget nog even een slok wijn neemt. Heerlijke romantische ongedwongen tijd, en voor eeuwig vastgelegd door die ene onbekende fotograaf die daardoor niet genoeg geprezen kan worden. En dan over Emile.

De man is de eerste renner die de col du Galibier bedwingt. De toenmalige Galibier met z’n kiezel- en geitenpaadjes waar de weg eindeloos de hemel in gaat. Even een héél kleine vergelijking. Schrijver dezes – een krabber in de marge van de wielersport – heeft tijdens de Marmotte een zogenaamde cyclosportif enkele malen deze helse nachtmerrieachtige col beklommen, met in tegenstelling tot 1910 over een mooi wegdek.  Evengoed was het een verschrikkelijke belevenis. Vreselijk…

Emile Georget is nog steeds niet vergeten, met dank aan zijn familie.  Georgets nazaten hebben de verschillende fietsen en andere memorabilia van hun illustere voorvader geschonken aan het Auto Moto Vélo Museum in Chatelleraut. Dat in dezelfde stad ook een straat naar Emile Georget is vernoemd is niet meer dan logisch.

Heraut

Op de Franse sportbladen kun je altijd op rekenen. Sla een  willekeurig  jaargang van een Miroir des Sports open in de maand juli en de onvermijdelijke dorpspastoor grijnst je tegemoet. Waarschijnlijk heeft de Heer dat zo beschikt óf zo’n pastoor heeft er een fijne neus voor want  de zielenherder staat altijd op dé plek paraat waar renners zijn gecrasht. Zoals op bijgevoegde foto vastgelegd door die ene onbekende fotograaf en geplaatst  in de Miroir. Tsja de gezellige dorpspastoor die waakt over de zielenheil van de beminde gelovigen een factor in een Roomse sport als wielrennen bij uitstek.

In het verleden heeft deze blog regelmatig zo’n foto geplaatst met dezelfde setting van vallende renners met een toevallig langs de weg staande pastoor. Foto’s vaak voorzien van een ironisch tekstje.

Met de ernstige valpartijen van de laatste tijd  kijkt deze blog nu anders tegen zo’n foto aan. Want het zal toch niet zó zijn dat zo’n geestelijke  gekleed in volle oorlogsuitrusting de heraut van de Dood is..?  

Om dat te begrijpen neem dan maar even een kijkje op deze blog en klik de link ‘Verongelukte wielrenners’ aan. Eerst  even vertellen dat schrijver dezes sinds begin jaren tachtig het aantal dodelijke ongelukken in de wielersport nauwkeurig bijhoudt. Met resultaat een lijst met bijna tweehonderdvijftig dodelijke ongelukken waarvan je als heden ten daagse renner bang van wordt.

Vanmorgen de laatste slachtoffer van de wielersport in deze lijst bijgezet. Twee dagen geleden tijdens de Giro della Valle d’ Aosta, een rittenkoers gehouden in het Noordwesten van Italië maakt de Italiaanse renner Samuele Privitera een zware val en komt daarbij te overlijden. Samuele wordt 19 jaar.

Voor de ‘liefhebber: lees ook mijn boeken ‘Flirt met de Dood’, over de Amsterdamse stayerslegende Piet Dickentman die een kwart eeuw in de toen levensgevaarlijke stayerssport actief is. En het vervolg: ‘Voor Geld en Glorie’, een dramatisch epos over de verongelukte stayers van voor de Eerste Wereldoorlog. Bestellen via deze blog.

Ballen

Vergeet vooral de romantiek want die is ver te zoeken in de Tour van 1906  waarin  René Pottier dé klimmer van dienst is. Pottier op z’n gietijzeren karretje ploeterend,  stumperend en stakkerend  tegen de prehistorische,  gruwelijke Ballon d’ Alsace op. Waarbi je niet in een glazen bol hoeft te kijken om te weten dat hij  tijdens de klim heeft gesproken met God of anders met Jezabel.  

Praten met Hem of met de duivel schijnt garantie te zijn voor ongekende krachten. En als dat niet helpt zijn er nog andere mogelijkheden.  Enfin René  heeft die dag ongetwijfeld z’n ballen vol gegooid met een fiks portie cocaïne, gemengd met cognac en een geklutst ei, en gelijk heeft die.

Over ballen gesproken. Die van Pottier moeten van staal zijn geweest, althans afgaande op bijgaande foto met René in z’n wollen koersbroek waar een zogenaamde zeem ver te zoeken is waarbij we er maar niet aan moeten denken om zo’n broek op de hand te wassen.

Pottier een zwijgende in zich zelf gekeerde man, die korte metten maakte met zijn liefdesverdriet. In 1907 hangt hij zich zelf op in een garage. Pottier is zevenentwintig jaar. Als  aandenken aan die ouwe klimgeit staat op de top van de Ballon d’Alsace een monument herinnerend aan zijn hoogtijdagen.

Maar we gaan nu naar de huidige Tour waarbij we meteen even een open deur intrappen, want de Giro d’Italia is véél leuker. Vooral de laatste editie waar die Sloveen Tadej Pogacar niet aan mee deed.

Pogacar in het hooggebergte is garantie op een solo. Sommigen onder ons spreken dan van pure schoonheid gezeten op een koersfiets wat natuurlijk onzin is. De man is een soort menselijke brommer en oersaai om naar te kijken. Sterker als hij weer eens op hol slaat gaat bij deze blog de televisie meteen uit.

En dan die ene prangende vraag: heeft die Pogacar tijdens zijn explosies ook z’n ‘ballen’ vol hangen? God zal het weten…

Op z’n Smeets

Mart Smeets heeft een nieuw boek geschreven – de Tour van 1956 – met als winnaar de volkomen outsider Roger Walkowiak. Ter promotie hiervan mag hij bij het middagprogramma Tijd voor MAX zijn verkooppraatje houden. Dat doet Smeets op zijn ‘Smeets’, theatraal en bombastisch.  Terwijl de presentator Mart én zijn boek aankondigt luistert Smeets deemoedig met een geboren hoofd en de vingertoppen in bidhouding tegen elkaar.  Om daarna met opgepoetste brillenglazen én een standvastige blik strak in de lens van de camera kijkend los te gaan. Mart is in vorm.

Hoewel Mart over een ‘gouden pen’ beschikt neemt hij het met de feiten niet zó serieus. Even vertellen over Walkowiak, die als outsider volkomen  onverwacht  deze Tour wint, voor hem het hoogtepunt van z’n wielercarrière maar tevens het begin van een drama.  De overwinning van Walkowiak –  een geboren en getogen Fransman met een Poolse vader – wordt door de media en het Franse volk niet serieus genomen. Walkowiak zakt daarmee langzaam weg in de geschiedenis en in de anonimiteit.

Tijdens zijn promopraatje beseft Mart niet dat op de sociale media wielerkenners waaronder verschillende auteurs van wielerboeken op dát moment hun pennen aan het scherp slijpen zijn, waarmee Mart wordt gefileerd. Mart stapelt namelijk fout op fout.

Zo beweert hij onder meer dat Walkowiak een soort kluizenaarsbestaan leidt en onbenaderbaar is voor de pers. Zeker niet voor journalist Bennie Ceulen die ergens in de jaren negentig Walkowiak opzoekt en gastvrij wordt  ontvangen. Ceulen schrijft daar een twee pagina groot verhaal over in De Limburger. In 2006 is Walkowiak ook gast bij de Tour de France die in Limburg is, Walkowiak is dus op uitnodiging van dezelfde Bennie Ceulen.

En dan is er ook nog de Franse auteur Jean-Paul Olivier met zijn in 1995 uitgegeven boek La vèridique histoire de Roger Walkowiak. Ook is Walkowiak  enthousiast eregast in 2003 in Parijs bij het honderdjarig bestaan van de Tour met alle nog levende Tourwinnaars aanwezig.

Nog één: Smeets beweert dat hij tien jaar bezig is geweest om alle feiten van deze treurige ex-winnaar boven water te halen.  Naar welke bronnen Mart heeft gezocht is niet duidelijk maar zeker niet in de jaargangen van Le Miroir des Sports of Miroir Sprint uitgegeven in de jaren vijftig, waar je over de naam van Walkowiak met foto’s en al struikelt. Daarin lees je dat Roger Walkowiak niet zo’n  loser is.  De man eindigt onder meer in etappekoersen als de Tour de L’Ouest als tweede,  wordt een jaar later derde in Parijs-Nice, en tweede in de eindklassering van de Dauphiné Libéré.

De Tour van 1956. Auteur Mart Smeets, Paperback, 256 pagina’s. 19,99 euro.

Gira

Je hebt stadsheilige, patroonheilige, weerheilige, schijnheilige, ijsheilige, allerheiligen  én wielerheilige. De laatste zijn vooral in Italië te vinden. Om in dat land tot heilige te worden verklaard is niet mis. Want wil je als simpele Italiaanse dorpspastoor een gooi doen naar een door de paus uitgeroepen heiligverklaring dan dien je minstens één mirakel te verrichten, moeilijk maar te doen.

En daar zit nou nét de kneep voor de beminde gelovige, want een beetje wielrenner beheerst dat kunstje ook, weliswaar met behulp van de ploegsoigneur maar toch… Resultaat dat de naam van zo’n renner generatie op generatie eerbiedig wordt uitgesproken.  Dat er tevens een foto van de lokale wielervedette in de kroeg naast die van de  Heilige Vader hangt is logisch.

En voor de Latijnse geheelonthouder is er  de  sportpers die dat hiaat moeiteloos opvult. Vooral tijdens het interbellum de gouden jaren van de Italiaanse sportkranten. Extra bijlages rolden met honderdduizenden van de pers. Ook die over Costante Girardengo uitgegeven in 1932, en voor twee lire te koop. Giradengo dus met bijnaam Gira een vedette van vóór de Tweede Wereldoorlog.

Even Giradengo’s sportdoopceel: de man wint twee keer de Giro de Italia, zesmaal Milaan-San Remo en drie keer de ronde van Lombardije. Ook wordt hij negen keer kampioen van zijn land. Een erelijst met garantie voor eeuwige roem in de Laars.

Enfin, Gira leverde voor de modale sportjournalist genoeg munitie om een tweeëndertig pagina’s tellende bijlage vol te schrijven, opgeleukt met tientallen foto’s.  

Terzijde, had ik jullie al vertelt dat de vorige paus in diens privévertrekken rond liep met een wielerpetje op? Bij deze dan…

Luidruchtig

‘…het eerste dat je verliest is je voetenwerk, dán je reflexen en vervolgens je vrienden’, onthulde Willie Pep in zijn nadagen als bokser.  Willie Pep  tweevoudig wereldkampioen vedergewicht tijdens de jaren veertig beschrijft realistisch de teloor die iedere champ op leeftijd staat te wachten. Een onthulling waarbij Willie een belangrijk detail vergeet: het geheugen.

In 1903 is Harry Lewis afkomstig uit New York als bokser geestelijk fruitig en fris van voetenwerk én reflexen. Harry is dan ook zeventien jaar als hij zijn debuut maakt als profbokser. Of dat gezond is voor een onvolgroeide puber? Nee natuurlijk niet. Enfin tijdens de belle epoque kijkt men niet zo nauw. Met overmoed aan jochies eigen, wint Harry Lewis zijn eerste vijftig partijen en verliest er twee. Waarschijnlijk omdat Lewis nog amper droog achter z’n oren is wordt hij obsessief begeleidt door z’n vader een man die nogal  hinderlijk en verbaal aanwezig is, en die steevast op de eerste rang aan de ring zit, wat de agressie oproept bij de manager van z’n zoon. Enfin terug naar Harry een joodse bokser die in 1908 wereldkampioen bij het weltergewicht wordt door Frank Mantell in de Edgwood Athletic Club in New Haven in de derde ronde knock out te slaan. Dat Harry de titel drie jaar weet te verdedigen is aardig maar meer ook niet.

Maar we houden ons even aan de fijne details en daarom gaan we terug naar zestien november 1906, ongetwijfeld een datum die ondanks Harry’s latere geheugenverlies in zijn brein is gebeiteld. Op die zestiende november staat Harry in de ring tegen ene Mike Ward wiens ouders ongetwijfeld de dag hebben vervloekt dat hun zoon besluit te gaan boksen. Want het ergste scenario voor pa en ma Ward komt dan ook uit als Harry in de achtste ronde hun Mikey tegen het canvast slaat.

Mike Ward staat niet meer op en sterft de volgende dag. Dan gebeurt er iets bizars waar alleen Amerikaanse justitie een patent op heeft. Harry Lewis wordt door justitie beschuldigt van doodslag en krijgt een boete van duizend dollar ‘voor het aangaan van een prijsgevecht..’  Harry’s vader aanwezig bij het bewuste gevecht krijgt ook  een boete van het zelfde bedrag omdat hij zijn zoon té luid had aangemoedigd…

Lewis een man met een groot vechtershart maakt ook z’n fouten zoals in 1913 toen hij een partij aangaat tegen Joe Borrell. Harry  enkele weken eerder door een taxi in Philadelphia aangereden waarbij hij een hoofdwond over houd. Een beetje manager geeft dan zijn bokser rust. Niet die van Harry, want die ruikt geld. Een kans die Borrell niet laat lopen. Borrell slaat Harry Lewis twee keer neer waarna hij versuft richting het lokale ziekenhuis is afgevoerd. Met een bloedstolsel in z’n hersenen lijdt Harry Lewis de rest van zijn leven aan een gedeeltelijke verlamming.

En voor de cijfertjesfreaks: Harry Lewis staat zevenenzestig keer in de ring, wint zestig partijen waarbij hij zevenenveertig tegenstanders knock out slaat, en verliest zeventien keer. Een uitslagenlijst waarmee hij zijn plekje in de grote bokshemel mee heeft gereserveerd. Harry Lewis wordt zevenenzestig jaar.

Bron: La Vie au Grand Air jaargang onder meer 1906 en 1909, Boxrec.

Natuurlijk gelul

Zeg Stuyf val je ons nou nog steeds lastig met die horrorverhalen over die doodgevallen stayers? Jazeker! Want er worden regelmatig  van die unieke oeroude foto’s op diverse ansichtkaartenveilingen aangeboden. Zoals bijgaande foto gescoord door deze blog. En geloof het spreekwoord maar niet dat ‘één foto meer zegt dan duizend woorden’, want dat is natuurlijk gelul. Daarom moeten jullie even door bijgaand tekstje heen worstelen.

Goed daar gaan we: foto gemaakt in 1926 vlak na afloop van het Frans kampioenschap en verrassend gewonnen door Gustav Ganay links, die er allesbehalve vrolijk uitziet met zijn titel. Waarschijnlijk voelde de man luisterend  naar de bijnaam de Elektricien van Alcazar de bui al hangen. Want vier weken na zijn gewonnen Franse titel  maakt hij letterlijk een doodsmakkerd wat zijn eigen schuld is.

Tijdens een stayerskoers op het Parc des Princes, geeft Ganay de kreet met ‘een Franse slag’ een extra dimensie door met een voorwiel te starten waarvan de tube niet goed aan de velg is vast gekit. In de veertiende kilometer springt de band van de velg. Ganay stort neer, wordt naar het hospitaal gebracht waar hij dezelfde nacht de geest geeft.  Ganay krijgt een heldenbegrafenis. Aan het graf staat zijn weduwe met twee jonge dochtertjes.

Die andere rakker is George Sères bij wie de verse fluimen snot en zweet nog aan zijn magere lijf zijn geplakt. George is zo’n stayer die het van zijn doorzettingsvermogen moet hebben. De man overleeft de bloedbaden vóór de Eerste Wereldoorlog,  die fijne tijd toen stayers bij bosjes doodvallen. George tilt zijn carrière over De Grote Oorlog heen en wordt zowaar in1920 wereldkampioen.  Een titel waar een behoorlijke lucht aanzit. Althans volgens het wielerblad OrgaanRijwiel-en Motor jaargang 1920, uitgegeven door George Hoogenkamp dé pionier van de wielerjournalistiek.

Tijdens dat genoemde kampioenschap zit Georg Sèrés in de slag met  gedoodverfd titelfavoriet Victor Linart, waarmee hordes gokkers worden misleidt en waargenomen door de ouwe Hoogenkamp, een man met een scherp oog en vileine pen.

Ach ja dat kun je George Sèrés niet eens kwalijk nemen. De man die alle blaam treft  is die Linart die ‘het spel’ beter heeft  moeten spelen en niet theatraal naar zijn rug moeten grijpen tijdens de koers. En wat maakt het allemaal uit, George Sèrés, Gustav Ganay en George Hoogenkamp zijn allang in de krochten van de geschiedenis onder gestoft. Wat overblijft is die ene prachtige foto.

Bron: onder mee Orgaan-Rijwiel-en Motor, jaargang 1920, La Vie au Grand Air jaargang 1909.

Postzakken

Santa  Maria di Sala in Noord-Italië, een dorpje van nog geen vijfduizend inwoners maar wél met een naam waarvan het donkerbruine vermoeden bestaat dat het begrip ‘heiligverklaring’ altijd op de loer ligt. Raar is dat niet want in dergelijke roomse dorpen  is er altijd wel ergens een goddelijk mirakel te bespeuren, of anders een lokale wielrenner die daar voor in aanmerking komt. In  Santa Maria di Sala en omstreken worden dorpshelden  namelijk gekoesterd al zijn bun botten op het plaatselijke kerkhof al bijna tot stof vergaan.  Ook  lokale held Antonio Bevilacque een hardrijder met weinig sjoege maar wel  met dijbenen als postzakken komt in aanmerking om zijn plekje in de dorpsheiligengalerij op te eisen.  

Eerst even vertellen over Antonio bijgenaamd Toni, een profrenner tijdens de jaren veertig én vijftig, met een erelijst waarvoor een gemiddelde coureur bereid is om  daarvoor een vinger te laten amputeren.  Antonio wint in diverse Giro d’ d’Italia  elf etappes, allemaal met voorsprong én een stuk of wat Italiaanse klassiekers. Dat de man op de piste tot het selecte groepje hardrijders behoort komt tot uiting met drie wereldtitels op de achtervolging wat aardig is voor hem én zijn supporters maar het is het nét niet…

Tót het moment dat Antonio een onuitwisbare kras geeft in de wielergeschiedenis.  Dat gebeurt tijdens Parijs-Roubaix editie 1951 waarin Antonio eindelijk zijn finest hour heeft  Geheel eigen aan een jachtrijder dendert hij midden in de Hel weg van Louis Bobet en Rik van Steenbergen wat tevens de einduitslag is.   

Antonio’s overwinning in de kasseienklassieker is tevens het begin van de legende ‘Antonio Bevilacqua’ die in 1972 een tragisch hoogtepunt krijgt. Op 29  maart van dat jaar tijdens een fietsritje door zijn geliefde streek komt Antonia ten val. Met zijn  hoofd tegen een stoeprand sterft de held van Santa Maria di Sala en omstreken. Antonio Bevilcaqua wordt drieënvijftig jaar  oud. De hemelgang van de voormalige jachtrijder is de opmaat tot heiligverklaring, enfin laat dat maar aan die Latijnen over.  

Op de plek van het ongeluk verschijnt een herdenkingsplaquette. Waarbij het gemeentebestuur van Santa Maria di Sala – ook niet de lulligste – de hal van het gemeentehuis opleukt  met actiefoto’s van de vroegere wereldkampioen, compleet met zijn regenboogtrui en andere door hem gewonnen trofeeën.  En net als je denkt dat daar niet meer overheen gegaan kan worden is daar opeens ene  Sergio Sanvido die in het dorp een wielermuseum opent met de naam ‘Toni Bevilacqua’.

Bron onder meer: Miroir Sprint jaargang 1951.