Franz’ laatste rit

Vandaag, precies vijfennegentig jaar geleden verongelukte Franz Krupkat. Franz,  een oorlogsveteraan die drie jaar vocht aan het Westfront voor de eer van zijn megalomane  keizer, kwam in 1917 met een zware geestelijke tik uit de oorlog. Na zijn oorlogservaringen nam hij het leven dan ook niet meer zó serieus. Franz Krupkat, voor de Grote Oorlog al een verdienstelijk wielrenner, besloot daarom  achter de zware motor te gaan fietsen.  En reed vervolgens honderden koersen op de talrijke Duitse wielerbanen, waar zich wekelijks, levensgevaarlijk zaken afspeelden. Bekijk de oeroude stayersfoto’s en je ziet kerels met strakke, witte, angstige koppen aan de start. Daar tussen in staat Krupkat, ingehouden giechelend en proestend. 

De man had een vreemde kijk op gevaar, maar won tóch in twee seizoen een aantal prestigieuze koersen, waaronder het hoog geachte Preussenmeisterschaft waarbij hij onder meer de oude Piet Dickentman achter zich liet.

Op 2 juni 1927, tijdens een stayerskoers op de wielerbaan van Leipzig, krijgt De Vrolijke in de dertiende kilometer een klapband. Franz Krupkat, 33 jaar zal nooit meer lachen. Even een bizar detail: vlak voor Franz’ dodelijke val, werd de onfortuinlijke stayer samen met zijn gangmaker Walter Gedamke, op de foto gezet (zie hieronder).

Franz, door z’n collega’s Saldow, Walter Gedamke, Graue, Hoffmann en Meinhold naar z’n laatste rustplaats gebracht, waar aan z’n graf de diepbedroefde weduwe met haar vierjarig dochtertje wachtte. De oorlogsveteraan die lachend de dood opzocht, wacht op het kerkhof van de Dorotheenstädtischen Gemeind, in Berlijn, op de jongste dag. Franz, begraven onder een eenvoudige steen met de tekst, ‘Wie door beroep of plicht gestorven is, heeft met zijn dood het eeuwig leven verworven’.
Het eeuwige leven, dat is mooi mee genomen, maar je bent  pas echt dood als je vergeten bent. Wat dat laatste betreft, kan Franz Krupkat  ongestoord verder rusten. In Amsterdam wordt bij deze, zijn herinnering levend gehouden.

Bron: Kriegsalbum Radwelt jaargangen 1914 t/1918, Radwelt jaargangen 1918 t/m 1927.

Geïllustreerde Radren-Sport jaargang 1927.

Knuppel

Appie Donker: ‘Zestig overwinningen’

Kruis een piraat met een struikrover, en je krijgt een wielrenner uit de jaren vijftig. Kerels met anarchistische trekjes, geleid door een ploegleider die ontsnapt was aan de aandacht van justitie. Coureurs, ongewassen en beslijkt die de schrik waren van de rondemiss. Koersende boeven, gehaat door Franse en Italiaanse restauranthouder en kroegbazen. Was de bidon leeg en schroeide de keel? Voor de knechten hét sein om collectief een kroeg binnen te stormen, om de drank voorraad te plunderen. Tot wanhoop en woede van zo’n  kroegbaas, die alles deed om z’n nering te beschermen, want betaald werd er niet.

Appie Donker, weet daar alles van. Appie, meesterknecht van Wim van Est en Wout Wagtmans tijdens de Giro d‘ Italia editie 1957. Tijdens één van die godsgloeiend hete etappes,  hobbelde Appie met die andere Italiaanse gregario’s ook een kroeg binnen, op zoek naar drinken. Wist Appie veel. Vermoedelijk daardoor kreeg hij van de kastelein, als één van de weinige renners, een klap met een knuppel in zijn nek. Die knuppel werd Armando Peverelli bespaard. Armando een modaal knechtje, was dan ook een Italiaan. Enfin, enig chauvinisme kun je die Italianen niet ontzeggen.

Terug naar Appie’s Italiaanse avonturen. Maar eerst even vertellen dat Appie een profrenner was mét een baan. Als renner kon hij niet genoeg verdienen, vandaar. Daarom werkte Appie in de loodgietersbedrijf van z’n pa. Na een hele dag buffelen, kon Appie pas na vier uur trainen. Evengoed had de koersende loodgieter genoeg uitslagen gereden, om door  ploegleider Pellenaars gepaaid te worden voor die bewuste Giro 1957. Appie moest daar over nadenken, want verdiende buiten zijn loon om, lekker bij in de criteriums.

Armando Peverelli

Met de belofte van vijfentwintig gulden per dag, dat hij in de Giro was, werd Appie over gehaald. Vijfentwintig gulden, toendertijd een redelijk loon. Appie had een duidelijke rol, want moest de kopmannen helpen, en meer niet. Door zijn mindere trainingen had Appie erg afgezien. Evengoed eindigde hij vijfenvijftig plaatsen achter winnaar Gastone Nencini.
Appie Donker koerste veertien jaar bij de profs, was daarvoor topamateur en won meer dan zestig koersen. Voor geen geld had hij dat Italiaanse avontuur willen missen, zelfs niet dat ‘geeltje’ per dag, dat hem belooft was door Pellenaars.

Of Appie veel verdiend had in de Giro? De Amsterdammer had uiteindelijk geen cent ontvangen. Appie Donker was de zoveelste renner die door Pellenaars  geflikt werd. En Appie Donker? Die is met zijn tweeënnegentig jaar nog steeds onder ons.

‘Ik bedoel maar…’

Een sneeuwstorm geselt Amsterdam. Sneeuwduinen blokkeren kruispunten, en trams rijden niet meer. Door deze witte hel ploegen mijn broer Kees en ik. Het is een zaterdagmiddag tijdens de winter van 1962. Wij zijn onderweg naar tante Anne, de ongetrouwde zuster van mijn vader, die deze dag jarig is. Moeder is ziek, en wij nemen de honneurs waar.

Ergens in de Pijp, woont tante op drie hoog. In een woninkje volgestouwd met prularia, waaronder uitgekookte dier- en mensenschedels, door tante versierd met opgeplakte kraaltjes, worden wij neer gezet op harde houten keukenstoelen. Vrijwel direct begint tante enge verhalen te vertellen. Tante is in vorm. Tante heeft dagelijks contact met gene zijde, waarbij zij regelmatig hele gesprekken voert tegen een lege stoel, waar volgens haar de in 1903 overleden zusje Betje op zit. Oók beschikt zij over de gave van het woord, compleet met dramatisch gefluister, harde uithalen en de bijbehorende mimiek. ‘Jongens, de hele nacht had die ouwe kerel hier op de deuren lopen rammen’, opent zij de middag. Tante heeft het over haar vader, onze opa, die op dat moment al meer dan tien jaar rust in een graf op de Nieuwe Ooster Begraafplaats.

Wanneer tante merkt dat haar verhalen aanslaan, raakt ze echt op dreef. Staand met blosjes op d’r wangen, en beslagen brillenglazen stort tante een vloed aan horrorverhalen over ons heen. Dan begint de duisternis in te vallen. Tante steekt geen lamp aan. In het schemer loer ik naar m’n broer Kees. Een paar doodsbange ogen kijken terug. Eindelijk, na meer dan drie uur is tante uitgeraasd. Wij mogen gaan. Terwijl wij de trappen afstormen, horen wij tante ons nog een prettige avond naroepen.

Als tante niet bezeten was door de geestenwereld, rollen er andere verhalen over haar lippen. Tante vertelt dan over haar jeugd welke zich voor de Eerste Wereldoorlog afspeelde. Eén van haar successtory’s waar ze meeslepend over verhaalde, was de vlucht van Jan Olieslagers die in zijn tweedekkertje hoog over Amsterdam vloog. Tante was daar ooggetuige van. Tussen duizenden Amsterdammers en bevindend op landgoed Rozenburg aan de Middenweg, zag tante voor het eerst een vliegtuig over komen. Het toestelletje bestuurd door Jan Olieslagers, die tevens een primeur had om als eerste over de stad te vliegen. Wat tante, en al die anderen niét wisten was, dat aan de stuurknuppel een onvervalste adrenalinejunk zat. Het kon Jan namelijk niet gevaarlijk genoeg zijn. Zo was Olieslagers ook actief als gangmaker, op de toen als levensgevaarlijk bekend staande Duitse wielerbanen.

Ook was Jan wel te porren voor een motorrace, gehouden op een wielerbaan. Zoals op het Velo d’ Hiver in het Parijs van 1907. De race tussen Olieslagers, Bussat en Cussac waarbij Jan in de tiende ronde met honderd kilometer, zich bijna te pletter reed. Tot verbazing van het massaal opgekomen publiek,  mankeerde Jan niets. Jan en tante Anne hadden zich al lang geleden aan gene zijde vervoegd. Waar tante ongetwijfeld in haar element is. Want slaat er in m’n huis tijdens nachtelijke uren, niet met regelmaat een deur met een klap dicht? Ik bedoel maar…

Bron: ondermeer La Vie au Grand Air, jaargang 1907.

Scheur

De koersfiets uit de jaren vijftig? Veredelde bokkenkarren, van kleur voorzien door een fantasieloze en hoogstwaarschijnlijk kleurenblinde spuiter. Fietsen waarmee een ouderling op zondag wel gezien mocht worden. Om op zo’n fiets een brug over te komen, laat staan een berg, was een godswonder. Voor er één trap werd gegeven, waren onze naoorlogse renners al in het nadeel. Goddank voor die jongens, was de dope goed. Per slot van rekening moest het moraal hoog gehouden worden, waarbij ze nog maar een paar Perfetinetabletjes extra slikte. De koers kon beginnen.  Wisten ze veel. Het besef kwam met de komst van de geïllustreerde Franse en Italiaanse wielerbladen.

Dat er in Italië een andere koersbeleving was, werd pijnlijk duidelijk bij het zien van de foto’s, in fullcoleur afgedrukt. Latijnse renners met donkerbruine, afgetrainde benen, spierwitte koerssokjes, een scherpe roofvogelblik, én peddelend op hightechfietsjes. La bella Italia op z’n best, waar de racefiets oogt als een mooie, zwoele, meid, want frivool, uitdagend en sexy. En van al dat mooie materiaal was Fausto Coppi hét levende uithangbord.

Ook in 1951, het jaar dat de constructeurs  van de Bianchifabriek helemaal los gingen. Voor Il Campionissimo werd een renpaardje op twee wielen gebouwd, waar als kers op de taart materiaaltovenaar Tullio Campagnolo zijn creativiteit op  los liet. Met als resultaat een korte achtervork, stuurcommandeurs, een versnellingsapparaat én de zogenaamde uitvalnaaf, waarmee een wielwissel ‘n secondespel werd. Coppi op z’n zeegroene Bianchi, op de cover van het Franse sportblad BuddClub van mei 1951. Een iconische plaat maar wél één die ontsiert wordt door die scheur in Coppi’s shirt. En dat in een land waar het soigneren tot kunst was en is verheven.

Coppi, meer dan zestig jaar dood en inmiddels ingehaald door mystiek en romantiek was ook maar een gewone sterveling. Ondanks zijn goddelijke status bij de tifosi, had de man zo z’n eigen makkes.  Zoals een uitpuilende kippenborst, waar de kwaliteit van zijn shirt niet tegen bestand was. Zelfs niet van Italiaanse makelij.

Onkel Adolf

De Steglitzwielerbaan, gesitueerd in het Berlijn van voor de Eerste Wereldoorlog. Met directeur en eigenaar Adolf Knorr, een man die niet onderschat werd. Als manager stonden zo’n beetje alle topstayers bij Knorr onder contract. Met goed betaalde wedstrijdcontracten, zorgde onkel Adolf goed voor zijn jongens, waarbij natuurlijk ook aan z’n eigen portemonnee werd gedacht.

Het stayerscircus van Knorr stond garant voor vertier en sensatie: een succesformule om de meer dan zestig Duitse wielerbanen wekelijks vol te doen stromen. Knorr was ook een man die over weinig scrupules  beschikte, want de wielerbanen waarop zijn stayers hun duels uitvochten, waren niet bepaald veilig.  De pistes waren óf te klein, dan wel té smal. Zoals de Treptowwielerbaan in Berlijn, waar in korte tijd zeven stayers dodelijk verongelukten. Waarschijnlijk dáárom, maar vooral uit zakelijk oogpunt opende Knorr in 1905 de Steglitzbaan in Berlijn.

‘Steglitz’, een piste van vijfhonderd meter lang, twaalf meter breed én hoge bochten, met garantie op razendsnelle, maar daarom bloedlinke stayerskoersen. Vrijwel ieder weekend wisten vijftienduizend toeschouwers dat te waarderen. De kroegen in de omgeving van de baan, waren ook blij met Knorr’s razendsnelle gekkenhuis, want vóór de koers viel het bier niet aan te slepen.  

Ook op zondag 20 mei 1906, hadden de kasteleins weinig te klagen.  In ‘Steglitz’ stond de ‘Goldene Kette mit Stern’, een stayerskoers over honderd kilometer op het programma. Aan het vertrek  de Amerikaan Nat Butler, Peter Gunther uit Keulen, de lokale favoriet Bruno Demke en de Amsterdammer Piet Dickentman. Winnaar werd Dickentman, die de honderd kilometer afraasde in een tijd van een uur en twaalf minuten. Met zijn overwinning verdiende Piet niet alleen de gouden ketting, maar ook tweeduizend goudmark. Dat Dickentman in 1906 een topjaar had, maakte zijn uitslagen- en verdienstelijst wel duidelijk. De Amsterdammer won in Duitsland veertien grote koersen waarbij hij 45.300 goudmark op z’n rekening kon schrijven. (verhaal gaat onder foto verder)

Door een conflict tussen de UCI en  de machtige Duitse manager Knorr, gaf de  laatste een startverbod aan stayers bij hem onder contract, voor het  wereldkampioenschap gehouden in 1910. Knorr organiseerde zijn eigen titelstrijd: het Ober-Weltmeisterschaft, wat andere koek was dan zo’n ordinair wereldkampioenschap. Na de bekendmaking van dit kampioenschap, was de Steglitzwielerbaan  binnen enkele uren uitverkocht. Het werd de meest memorabele stayerskoers ooit. De enige koers zonder onderlinge combines, daarvoor stond er té veel eer op het spel. De honderd kilometer werd ‘rechtuit gereden’. Aan de finish lag namelijk eeuwige roem: hoe betrekkelijk dat ook is.

Dickentman als enige achter de motortandem, een loodzwaar monster bediend door stuurman Steger,en gangmaker Brettschneider.

Na afloop voelden niemand zich bekocht. Daar zorgden acht stayers wel voor, want de absolute top. Vlak voor de start. Terwijl de renners staan opgesteld, omringd door bobo’s, verzorgers en ander wielergepeupel, staan aan de andere kant van de baan de gangmakers, onder meer Werner Krüger, Franz Hofmann, Bauer en Gussy Lawson. Een kwartet dat binnen enkele jaren op de slachtvelden van de stayersbanen, het leven liet. Het was Piet Dickentman die er met de buit van door ging. De Amsterdamse stayer won met voorsprong. Volgens Piet, – die door de Duitse pers zijn hele leven lang als Herr Ober-Weltmeister werd genoemd, – was dat zijn mooiste overwinning uit zijn indrukwekkende loopbaan als stayer, die vijfentwintig jaar duurde.

Bron: Sport-Album der Radwelt jaargang 1906 en 1910.

Dodenmars

Tunis 1934, Young Perez rechts, tegen Panama Al Brown.

De dagen dat Frankie Genare zijn zegeningen telde als wereldkampioen bij de vlieggewichten, waren op de vingers van één hand te tellen. Want niet veel later, stond in het Parijse Palais des Sports z’n uitdager Victor Young Perez op scherp. Young Perez een joodse bokser afkomstig uit Tunis, sloopte met jeugdige overmoed, de eenendertigjarige Amerikaanse titelhouder, die in de tweede ronde knock out ging.

Waarmee Perez, amper twintig jaar, de jongste wereldkampioen uit de boksgeschiedenis werd. Maar dan is het drie jaar én zesenveertig gevechten verder. Niets is zo betrekkelijk als een bokstitel. Ook voor Young Perez die inmiddels van zijn bokstroon was gevallen. De koning is dood, leve de nieuwe heerser. En dat werd Al Brown, een vechter uit Panama, die voor een flinke zak geld bereid was  zijn titel op het spel te zetten. Uitdager Victor Young Perez, rook zijn kans, want had vóór de titelstrijd al een voordeel. De partij vond namelijk plaats in Parc du Belvedere gelegen in het centrum van Tunis, waar Perez’ massaal opgekomen supporters getuigen waren hoe Al Brown de sportieve regels aan z’n boksbroek lapte.

Palais des Sports 1931, met Young Perez als de verse wereldkampioen vlieggewicht.

Met vuile trucjes, werd de lokale favoriet in de tiende ronde knock out geslagen. Verrassend was dat niet. Panama Al had als bokser een bedenkelijke reputatie. Zeven maanden eerder, tijdens een gevecht tegen ene Gustave Humery, werd Brown drie keer door de scheidsrechter gewaarschuwd, voor ongeoorloofde tactieken. De vierde keer dat Al over de schreef ging, liep het uit de klauw. Een woeste en woedende menigte bestormde de ring, en sloegen vervolgens Al Brown bewusteloos,  waarbij de Panamees god mocht danken, dat de politie ingreep. Dat het dol geworden publiek ook de hele locatie verwoeste was ter kennisgeving.  

Voor Victor Young Perez ging het boksleven door. Een dag na de beruchte Kristalnacht stond Perez op het programma voor een partij in de Deutschlandhalle in Berlijn… Wat het voorspel werd, op wat hem enkele jaren later te wachten stond. Young Perez, inmiddels wonend in Frankrijk, werd in 1943 door de Gestapo opgepakt en naar Auschwitz afgevoerd. Waar de voormalige wereldkampioen vlieggewicht, gedwongen als vermaak voor de SS, aan bokswedstrijden mee deed. In anderhalf jaar tijd stond de vroegere champ honderdveertig keer in de ring waarbij hij slechts één partij verloor.

Vlak voordat Russische troepen het vernietigingskamp bevrijdden werd Victor, met de berucht geworden ‘dodenmars’ afgevoerd. Onderweg werd hij dood geschoten. Victor Young Perez werd vierendertig jaar.

Bron: Miroir des Sports jaargang 1934, Les Sports Illustres jaargang 1931, Boxrec.

Baptisten

De Amsterdamse Wielerbaan, begin september 1901. Op het programma de tweestrijd Emile Bouhours versus Piet Dickentman. Een race achter motortandems. Motoren werden aangeduwd. Harde plofgeluiden over de baan. Rillingen in onderbuiken. Natte plekken op houten banken. Voor we verder gaan, eerst even vertellen over die Emile Bouhours, een stayer afkomstig uit Normandië die ongetwijfeld voor een vet contract naar het obscure houten Amsterdamse wielerbaantje was gelokt.

Bouhours, met de trein aangekomen op het Centraal Station. Koffertje in de hand, alsof hij op weg was naar een bijeenkomst van de Zondag Baptisten. De man, voornamelijk actief op de Parijse wielerbanen, maakte in 1903 furore, op de door zo stayers gevreesde en bloedlinke Duitse wielerbanen. In 1903 won de Normandier zeventien grote koersen, wat hem zesentwintigduizend goudmark opleverde.   

Maar dat was twee jaar eerder, want in 1901 was het volk, op komen draven voor Dickentman en die Bouhours. Op de tribunes kreeg men waar voor hun stuivers. Want spektakel in de zesde ronde. De ketting van Bouhours motor vloog er vanaf, en kwam terecht in  het achterwiel. Nadat de stuurman van de wielerbaan was geschraapt, werd er over gestart. Bouhours achter de reservemotor, de geest gekregen, jakkerde ver voor Dickentman uit. Op het moment dat Piet gedubbeld werd, vloog de voorband van z’n motor van de velg.  Dickentman, én zijn gangmakers Adolf Thormann en Jozef Schwarzer, gietijzeren cowboys uit Berlijn, werden gelanceerd.

De catastrofe  was nog niet compleet. In een flits stuurde de stuurman van Bouhours zijn motor omhoog. Ontzetting op de tribune. Ga er maar even aan staan. Alsof een rijdende bom op je afstormt. Stuurman én balustrade werden verpletterd. Piet Dickentman en zijn jongens krimpend van de pijn, werden volgens het Nieuws van den Dag, ‘deerlijk gewond met bloedende wonden aan hoofden, armen, borst en beenen’, afgevoerd richting Wilhelmina Gasthuis. 

Bron: Het Nieuws van den Dag jaargang 1901, Album der Radwelt jaargang 1903.

Bouhours’ laatste ademstoot

17 Mei 1903, de Grossen Goldener Rad, gehouden op de wielerbaan van Friendenau. Een stayerskoers over honderd kilometer. Aan het vertrek van links naar rechts, Taddy Robl, Emile Bouhours, Fritz Ryser, Jimmy Michaels en Alfred Gornemann.  Dat Taddy Robl won, en daarmee tweeduizend goudmark mee opstreek is leuk voor de cijfertjesfreaks onder ons.

Aardig’ is, dat een paar jaar nadat de fotograaf afdrukte, Robl, Michaels, én Gornemann dodelijk verongelukten. Dan is er ook nog Fritz Ryser, die als stayer diverse keren wonderbaarlijk ontsnapte aan gruwelijke ongelukken, waaronder de catastrofe op de wielerbaan van de Botanische Garden in Berlijn waarbij negen toeschouwers nooit meer levend thuis kwamen. De daardoor zwaarmoedige en depressieve Fritz, besloot in 1916 vrijwillig uit het leven te stappen. Emile Bouhours, blies zijn laatste adem uit op drieëntachtig jarige leeftijd…

‘Wij Spartanen’

Wat hebben Nico Dijkshoorn, Michel van Egmond, Sjoerd Mossou, Vincent Bijlo, Willem Vissers en Özcan Akyol met elkaar gemeen? Het antwoord is simpel: hun liefde voor het voetbal. Aan de hand van hun verhalen en het verhaal van de club waar hij zelf aan is verslingerd gaat de Rotterdamse journalist Anton Slotboom in het boek Wij, Spartanen op zoek naar het hoe en waarom van het wonderlijke fenomeen clubliefde. Toen de stadions vorig jaar in coronatijd sloten raakte Slotboom, Sparta-aanhanger in hart en ziel, meer en meer gefascineerd door het fenomeen clubliefde. Opeens mochten supporters er niet meer bij zijn. Maar wat misten zij dan? En wat was hun liefde voor clubs en de sport dan opeens nog waard? Was het eigenlijk wel gezond dat zij met z’n allen zo opgaan in een spelletje waar ze helemaal geen invloed op hebben? Anton besloot op onderzoek uit te gaan met als centrale vraag: Wat bezielt de voetbalfan? Wij, Spartanen is een verslag van de zoektocht naar de antwoorden.

Anton Slotboom dook in de levens van fans, oud-spelers, trainers, clubiconen. Hij vroeg de eerdergenoemde en andere prominenten het hemd van het lijf en klopte zelfs aan bij hoogleraren, filosofen en historici. Ook dook hij in zijn eigen supportersleven en in de vele eerdere verhalen die hij over voetbal en Sparta schreef. In dit boek komt Slotboom tot een opvallende conclusie. Fanatieke liefhebbers worden weleens voor gek verklaard. Maar supporter van een club zijn – hoe vaak het ook tegenzit – heeft juist iets wonderschoons. Dat blijkt tot zijn verbazing zelfs uit medisch onderzoek.

Formaat: 13,5 x 21 cm, paperback Omvang: ca. 256 pagina’s, incl. fotokatern ISBN: 97890 8975 674 9 Prijs: € 21,99

Spijkeren

Links Albert Kaser, Heinrich Wronker en Piet de Roos.

De elite en de bourgeoisie, zag je daar niet. Wél volk dat bestond uit scheeps- en havenarbeidersarbeiders, afkomstig uit het nabijgelegen volksbuurten Kattenburg, Wittenburg en Oostenburg. Ruw en rauw volk met losse handjes. Dat er op de Amsterdamse Zeeburgwielerbaan  regelmatig knokpartijen en ander ernstige rellen voorkwamen, daar struikel je over in het archief van deze blog. Oproer en vechtpartijen, vastgelegd door de aanwezige fotograaf van dienst. Foto’s die beklijven. Waar je naar blijft kijken, die anno nu een diepere  betekenis krijgen.

Ook die ene foto van een trio gangmakers, geschoten op een zomerse en zonnige zondag, ergens in de zomer van 1914,  waarop iedereen die de kans kreeg, schaamteloos voor poseerden. De Zeeburgwielerbaan, met z’n dwarslatjes aan elkaar hangende piste. Waar regelmatig de koers  werd stilgelegd, om de timmerman de kans te geven om de losgetrilde latten vast te spijkeren. Dat de baan kapot werd gereden, door de zware gangmaakmotoren, daar trokken gangmakers Albert Käser, Heinrich Wronker en Amsterdammer Piet de Roos zich niets van aan. De Duitse gangmakers Käser en Wronker, die op eigen manier hun kleine krasjes in de wielergeschiedenis kerfden. 

Wronker, in 1915 betrokken bij een levensgevaarlijke actie op die zelfde Zeeburgwielerbaan, waar stayer Jan van Gendt als detonator fungeerde. Tijdens de koers met tachtig in het uur, verkocht Van Gendt tijdens het passeren de Vlaamse stayer Vanderstuyft een muilpeer.  Wat al een kunst op zich was. Bij Vanderstuyft’s gangmaker Wronker afkomstig uit Keulen, slaan dan de stoppen door. Op zijn zware Brennabormotor gaat hij achter Van Gendt aan, en probeert hem tot twee keer toe aan te rijden. Terwijl het publiek fijn zat na te sidderen, agenten en juryleden de dolgedraaide Wronker in bedwang hielden, zat de aanwezige journalist van De Telegraaf ijverig te noteren.
‘Het is een schande’, opent hij maandagmorgen met dampende morele verontwaardiging zijn artikel.

Ach die Heinrich Wronker, die nogal schlemielig aan z’n eind kwam. In augustus 1926, op zijn eigenste wielerbaan in Keulen, was hij betrokken bij een valpartij. Een crash waar Wronker nét langs kon glippen. Om vervolgens met motor en al uit de wielerbaan te vliegen. Tussen de houten banken gaf Hein de geest.

Bron: Revue der Sporten jaargang 1915 en 1915, Illustrierter Radren-Sport, jaargang 1926.

Flo

Gus Lawson.

Florence Nightingale dus, de vrouw die de gewonde soldaten verpleegde tijdens de Krimoorlog. Florence, ook wel de ‘dame met de lamp’ genoemd, want doolde ’s nachts door de pikdonkere ziekenbarrakken met een olielamp, waarmee ze ongetwijfeld ijlende soldaten de stuipen mee op het lijf jaagde, die Flo aanzagen voor de doodsengel. Evengoed gleed Florence de geschiedenis in, als hét symbool van de ziekenverpleging.

Dat er op de wielerbanen van vóór de Eerste Wereldoorlog een Florence Nightingalesyndroom heerste, is hoogstwaarschijnlijk. Renners die ten val kwamen, werden zwaar gewond van de baan geschraapt, en naar het middenterrein gesleurd. Hoe de behandeling van de aanwezige baanarts was, daar moeten we maar niet aan denken. Daar word je als renner hard van, zal wel de mores zijn geweest. Gelijk hadden de verzorgers en soigneurs van de belle epoque. Wat dát betreft, zal Gus Lawson zich zelf wel eens vertwijfeld afgevraagd hebben, waarom hij niet koos voor een carrière aan de biljarttafel, of een andere ongevaarlijke sport. Waarom moest hij uitgerekend op die dag, in het parc des Princes van het Parijs van 1904, op een gangmaakmotor zijn rondjes rijden. Gus een Amerikaan, wist dat eigenlijk ook niet. Maakt ook niks uit. Met renner Walthour achter zijn rug, crashte Gussie met zo’n tachtig kilometer op de teller.

Tommy Hal.

Ook voor Gus werd geen uitzondering gemaakt, en onderging de sleepbehandeling al lijdend. De  wielerbaan van het Parc des Princes waar het niet écht pluis was. Een jaar eerder verongelukte de Amerikaanse stayer George Leander daar dodelijk. En een maand na Gus, sloeg Tommy Hal bijna te pletter. Tommy, stayer afkomstig uit Londen kreeg tijdens de race een klapband. Met wat later bleek, zware inwendige kneuzingen werd Tommy weggedragen. Negen jaar later, tijdens de Grote Prijs van Keulen verongelukte Gus Lawson uiteindelijk dodelijk.

Bron: La Vie au Grand Air jaargang 1904,

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: