Voor altijd in de schaduw van Multatuli

Oom en neef! De één werd wereldberoemd onder het pseudoniem Multatuli en de ander is totaal weggezakt in de krochten van de geschiedenis. Nadat Eduard Douwes Dekker, in 1859, als assistent-resident in Nederlands-Indië, zijn Max Havelaar schreef als aanklacht tegen de wrede kolonisator kon hij voor eeuwig zijn plekje in het mondiale literaire geheugen innemen. Veertig jaar later rammelde achterneef Jules Douwes Dekker ook op de poorten van eeuwige roem. Als baansprinter met zesenzestig koersen gewonnen, waaronder viermaal het kampioenschap van Java, bleef de poort voor Jules tóch stevig op slot.

Leuk hoor, die Oom Eduard en zijn boek. Maar wat moest hij daar nou mee? Naar het koude en kille Holland verkassen? Of hij daarmee het koloniale onrecht oploste. Natuurlijk niet. Uit de naburige kampong dwarrelde zachtjes krontjongmuziek en wippend op zijn schommelstoel zat Jules Douwe Dekker met zijn geweten te worstelen. Terwijl in de keuken de kokkie bezig was met de nasi goreng, de wasvrouw zijn natte, bezweten rennerskleren waste en de baboe hem een vers geperst glas sinaasappel bracht, kwam hij tot het besef dat een fietsende toean blanda het nog niet zó slecht had in Indië.
Jules, net zeventien jaar, mocht graag achter de mooie, jonge en aantrekkelijke baboes aan  zitten, wat op den duur ook ging vervelen. De opspelende hormonen temde hij liever op de wielerbaan van Batavia, waar hij in mei 1897 zijn debuut als sprinter maakte. Met weinig succes. Douwes Dekker, met zijn vreemde fietshobby een beetje de risee van de familie, leerde snel. Eind december won hij in Soerabaja  het kampioenschap van Java. Een titel die hij vier jaar lang wist te verdedigen.
Sjuultje Dekker mocht volgens de inlandse mores dan wel een koloniaal zijn, maar bleek toch behept met de familiegenen. Net als zijn illustere oudoom kon hij ook niet tegen onrecht. Na veertien koersen op rij gewonnen te hebben bemerkte Jules dat hij daar geen stuiver wijzer van werd. De enige die de zakken goed vulden waren de baandirecties, die met grote winsten naar hun buitenverblijven gingen. Douwes Dekker trok zijn conclusie en vroeg een proflicentie aan. Van zoveel brutaliteit was de toenmalige wielerbond niet gediend en gelaste de consul in Soerabaja om de jonge sprinter bij de volgende koersen uit te sluiten.
Vlak voor de start van  het kampioenschap van Java, in 1897, kreeg Douwes Dekker een startverbod, wat een geweldige tumult veroorzaakte. Uit collegialiteit weigerden alle overigen renners te starten, wat weer tot gevolg had dat de overijverige consul allen tot professional verklaarden.
Koersen in ‘ons Indië’ was nou niet echt senang. Er werd hard en veel gekoerst. Regelmatig kwamen toprenners uit Europa over: ongetwijfeld betaald door de planters die in witte linnen pakken mét tropenhelm de tribunes bevolkten.
Eenmaal prof kwam de jonge Dekker op stoom. Tijdens de Grand Prix van Soerabaja legde hij de laatste tweehonderd meter af in 11.8 seconden. Maar in juni 1898 verbaasde het achterneefje van Multatuli zichzelf en de hele fietswereld door in Batavia het wereldrecord tweehonderd meter staande start, van de Fransman Bourillon te evenaren. Voor Jules Douwes Dekker lagen de contracten klaar. De Engelse fietsenfabriek Rover, met uitzicht op de immense Indiase markt, gaf Douwes Dekker een contact. Op de prijscourant die in een miljoenenoplage werden verspreid stond het portret van Jules.
In het moederland waren de verrichtingen van Douwes Dekker, die van de vijfenzestig koersen er vierenzestig won, niet ontgaan. Fietsfabriek Stokvis uit Rotterdam bood het overzeese sprinttalent een vorstelijk contract aan. Jules diende daarvoor wel naar Europa te komen om op het oude continent zijn carrière uit te bouwen. Zover is het nooit gekomen. Die Dekkertjes met hun gevoel voor onrecht…
Omdat in Zuid-Afrika de Boeren, het stamverwante volk, door de Engelsen afgeslacht dreigden te worden, meldde Douwes Dekker zich aan oorlogsvrijwilliger. In Transvaal vocht Jules, schouder aan schouder met de Boeren, tegen de Engelsen.  Met een stijf been, opgelopen na een schotwond, kwam de voormalige sprinter na een jaar terug in de Gordel van Smaragd, om te ontdekken dat het met zijn rennerscarrière gedaan was. In 1940, op tweeënzestig jarige leeftijd vertrok Jules naar de Grote Sprintershemel.
Foto 1: Jules Douwes Dekker. Foto 2: Oom Eduard ‘Multatuli’ Douwes Dekker. Foto 3: Jules, eind jaren twintig, op vakantie in het ‘moederland’ bij het graf van Jaap Eden.

Bron: Halve Eeuw Wielersport 1867-1917, Sport in Beeld jaargang 1927.

RIH-Sport negentig jaar oud

De vier grootste sporthistorische monumenten van Amsterdam? Het Olympisch Stadion, het graf van wielrenners Piet en Klaas van Nek, de Apollohal én RIH-Sport, een fietsenzaak ergens in hartje Jordaan.  De eerste drie, ternauwernood uit de klauwen van slopers gered,  hebben inmiddels een beschermende status. Voor  RIH-Sport, Nederlands meest roemruchte fietsmerk, zijn de dagen geteld. Toch wordt eind deze maand het negentigjarig bestaan gevierd.

Het voorspel begint al met een blik in de etalage. In de uitstalkast staat de stayersfiets waarop Joop Kunst vlak na de oorlog Nederlands kampioen werd. Alleen sporthistorici herkennen  die lekkere gevoelens. Want één stap over de drempel en je staat midden in onvervalste wielergeschiedenis. Bij RIH, aan de Amsterdamse Westerstraat wordt je vanaf de muren bekeken door voormalige en al lang vergeten wereldkampioenen. Meer dan vierenzestig mondiale en Olympische titels werden op een RIH behaald. En dat mag iedereen weten. Geen valse bescheidenheid voor eigenaar Willem van der Kaaij. Waarom zou hij ook? Welk fietsenmerk kan bogen op zulke palmares?  Van der Kaaij, al meer dan vijfenvijftig jaar werkzaam in de ‘winkel’ heeft ze allemaal zien komen en gaan. Namen? Te veel om op te noemen. Jan Pronk, Jan Derksen, Arie van Vliet, Gerrit Schulte, Guilerimo Timoner, Leontien van Moorsel, Fedor den Hertog, Gerrie Knetemann, Leijn Loevesijn en Peter Post rollen soepel van Van der Kaaijs tong.
De tijd dat een renner een half jaar van tevoren zijn frame moest bestellen is ook historie.  RIH, ooit een magische klank in het peloton, is inmiddels ingehaald door framebouwers afkomstig uit Taiwan en China. In de Oriënt worden massaal, voor bodemprijzen, frames in  aluminium of kunststof  in opdracht voor de grote Europese merken gemaakt. Probeer daar maar eens als kleine Amsterdamse constructeur tegen op te boksen. Aluminium of carbon, dat is op de Westerstraat vloeken in de kerk. Bij RIH worden de kaders nog gewoon gesoldeerd met de vertrouwde stalen Reynoldsbuizen. En voor het gewicht hoeven de renners het niet te laten.
Volgens Van der Kaaij, nooit verlegen om een superlatief, waaien de buizen met tocht zo de ramen uit om het lichte gewicht maar even aan te geven. In het peloton zie je nog nauwelijks een RIH. Toch wordt er op het Jordanese atelier volop gebouwd. Doelgroepen? Recreatie én voor de baansport. RIH-Sport, opgericht in de jaren twintig door de gebroeders Bustraan, en begonnen in de Eerste Boomdwarsstraat, verhuisde niet veel later naar zijn huidige onderkomen op de Westerstraat. Eind deze maand bestaat de zaak negentig jaar. Dat RIH het eeuwfeest meemaakt is hoogst twijfelachtig. Geen opvolgers maar ook een ingewikkelde juridische constructie met de merknaam RIH liggen hier ten grondslag. Voor Stuyfssportverhalen heeft Willem van der Kaaij, 74 jaar, zijn relaas gedaan. Zijn tijd zit erop. Op de framebouwerij wacht nog een hoop werk.
Op punt van afscheid komt de eigenaar van Nederlands allerbekendste racefietsenmerk nog met een verrassing. Als een goochelaar tovert Van der Kaaij een vuurrode, duidelijk gedateerde baanfiets, van meer dan vijftig jaar oud, te voorschijn. Aan het fietsje hangt letterlijk een prijskaartje van zeventienhonderd euro. Duur? Klopt! Maar dan heb je ook wél wat. Het baankarretje is historie op twee wielen en hoort eigenlijk in een wielermuseum thuis. Het is de fiets waarop voormalige zesdaagsekeizer Peter Post zijn triomfen behaalde. Post, na zijn afscheid als renner, gunde zijn fiets rust op de enige juiste plek. Bij RIH-Sport.

Foto1: De fiets van Peter Post.

Foto 2:  Advertentie van RIH in ‘Sportwereld’ 1924.

Foto 4: Hoogstwaarschijnlijk de oudste RIH-fiets ter wereld. Gebouwd in 1928 en in het bezit van Stuyfssportverhalen.

Foto 5: Het koppel Frits Wiersma, links en Joop Bustraan 1923.

Voor eeuwig de wielergeschiedenis in

Hij werd in 1903 wereldkampioen stayeren en was tientallen jaren  Amsterdams allereerste internationale sportheld. Reed, in een shirt met het wapen van zijn stad over een periode van dertig jaar, meer dan duizend koersen. Op 6 september 1928, nam Piet Dickentman, 51 jaar, in een splinternieuw Olympisch Stadion afscheid van zijn geliefde sport. Dickentman die na zijn loopbaan een fietsenzaak in Amsterdam begon, heeft na die gedenkwaardige avond nóóit meer een wielerkoers bezocht.

De allerlaatste koers. De Grote Finale. Nog één keer de adrenaline door het lijf voelen stromen. Voor de laatste keer toegejuicht worden. De laatste foto. En daarna is het over. Het is mooi geweest. Het fietsshirt met de Andreaskruisen, het stadswapen van Amsterdam, kan definitief de kast in. De stayersfiets, het gereedschap van zijn successen, mag uitrusten in de pas geopende fietsenzaak in de Scheldestraat. Dertig jaar lang, soms meerdere keren per week, had hij zijn leven in de waagschaal gesteld. Meer dan duizend koersen had hij achter de zware motor gereden. Iedere week waren de banen stampendvol, of hij nou in Berlijn, Maagdenburg, Dresden, Leipzig of Parijs reed. Iedere koers, ‘volle bak’ om tientallen  aanstormende concurrenten van het lijf te houden en de broodnodige contracten binnen te halen. Wát een herinneringen!
Aan sommigen wilde hij niet meer denken. Té pijnlijk. Die waren bewust opgeborgen in een plekje in zijn geheugen. Maar een enkele keer, op stille avonden, werkend in zijn werkplaats, hoorde hij toch die horrorgeluiden behorend bij valpartijen en doemden weer die afschuwelijke beelden op van stervende stayers. Jongens nog, net als hij, twintigers, doodgevallen in een race waaraan hij ook meedeed. Hoe vaak had hij wel niet achter een lijkbaar van een dood gevallen collega gelopen? Dertig keer? Of waren het meer dan veertig? Hij was de tel kwijt.
Zelf was hij ook niet ongeschonden uit de strijd gekomen. Hij dacht aan zijn debuut in Wenen in 1901: onmiddellijk trok een pijnscheut langs zijn ruggengraat. Mijn god, wat een smakkerd  maakte hij. Nog wel tijdens de training. Op volle snelheid met meer dan tachtig kilometer achter de petroleumtandem, een rijdende bom op twee wielen, kreeg hij een klapband. Met paard en wagen ijlings naar het hospitaal vervoerd, waar hij dagen lang in coma lag. De pijn overgehouden aan een gebroken schouderblad was nooit helemaal weggegaan.
Hij dacht liever aan de successen zoals zijn wereldtitel behaald in Kopenhagen 1903. Hij, die eenvoudige jongen van de Amsterdamse Westerstraat, de allereerste wereldkampioen afkomstig uit Mokum. Wat was hij toen sterk. In de kracht van zijn leven.
Weet je nog, vroeg hij zichzelf in gedachten af, 1906 en 1910, toen je alle koersen waaraan je meedeed, won? En dan het Oberweltmeisterschaft gehouden in het Berlijn van 1910, waar acht voormalige wereldkampioenen gingen uitmaken wie de allersterkste stayer ter wereld was.  De mooiste race van zijn leven. Dertigduizend moffen braken de tent af nadat hij Ryser, Theille en al die anderen geklopt had. Wat een heerlijke herinneringen… Of  de koersen in het buitenland waar het goud hem letterlijk toestroomde. Die keer in Parijs dat hij won en als extra premie een staafje goud met edelstenen kreeg. Geld. Kapitaal. Hij had het allemaal. En was het ook weer kwijt. Die verdomde geldontwaarding na de Eerste Wereldoorlog. Had hij zijn geld maar niet op die Duitse banken gezet. Ach, dat was maar geld, hield hij zich manmoedig voor. De herinneringen aan zijn carrière zijn onbetaalbaar. Zoete mijmeringen.
Terstond voelde hij zijn knieën slap worden. Dat kon hij nu niet hebben. Niet op zijn laatste koers waar veertigduizend stadsgenoten op afgekomen waren. Verrek…, luister…, het publiek scandeert al massaal zijn naam, ‘Ouwe Piet, Ouwe Piet, Ouwe Piet’. Als Johnny Schlebaum, Jan Snoek, Frans Leddy en Cor Blekemolen, de tegenstanders van die avond, grijnzend om zich heen kijken, duwt zijn gangmaker Jan Slesker de motor aan. Het startschot klinkt.
Piet Dickentman begint aan zijn laatste race en rijdt zich voor eeuwig de wielergeschiedenis in…

Foto 1: De allerlaatste foto van stayer Dickentman, genomen een paar uur voor zijn afscheidskoers.

Foto2 : Wenen 1901, Dickentman achter de petroleumtandem gegangmaakt door Jan Mulder.

Foto 3: Op stille avonden in zijn werkplaats…

Foto 4: Oosterbegraafplaats oktober 1950. Aan het graf van Dickentman nemen voormalige collega’s, v. r. n.l.  Cor Blekemolen, Johnny Schlebaum, Jan Snoek en Koos Storm, afscheid van Piet Dickentman.

‘Ik heb afgezien als een beest’

Eind maart wordt in Apeldoorn het wereldkampioenschap baanwielrennen gehouden.  Tim Veldt, student aan de Johan Cruijf Academie, maar ook professioneel baanrenner, gaat voor  de regenboogtrui. Aan zijn voorbereiding heeft het niet gelegen. Afgelopen weken werd er warm gereden in de Zesdaagsen van Amsterdam én Rotterdam. En zeg tegen hem nóóit dat Zesdaagsen één grote show is.

Of de Zesdaagse, dat bonte wielerspektakel, één grote show is? Of nog erger, dat het doorgestoken kaart is? Kapot kan hij zich ergeren aan dat soort opmerkingen. Net terug uit de loopgraven van de Rotterdamse six kan hij iedereen mededelen dat hij afgezien had als een beest. Ga er maar aan staan om zes avonden lang, meer dan vijf uur in een walm van frituur, braadworst, dampende nicotine en vers getapt bier, met een angstaanjagend hoge hartslag, op een houten wielerbaantje rond te jakkeren. Slopend vond hij dat. Die koppelkoersen! Met een bloedsmaak in de mond kon hij de vedetten volgen maar meer ook niet. Dat laatste verbaasde Tim Veldt, die, in oktober, ook aan de start stond van de Zesdaagse van Amsterdam, het meest.
‘Die specialisten  rijden een streep harder dan ik’, concludeerde hij twee weken later nog onthutst. ‘Ik heb ongelooflijk afgezien. Het gaat echt loeihard. Wij reden jachten van een uur. Kun je nagaan hoe dat voor de oorlog ging toen koppelkoersen over meer dan twee uur gingen.’ Voordat criticasters zich afvragen wat die Veldt op de Zesdaagse te zoeken had: Veldt is één van de sterkste baanrenners van dit land. Op zijn CV staat een  Europese titel op de kilometer én de omnium, vertegenwoordigde Nederland op de laatste Olympische Spelen en is nu de motor van de nationale baanachtervolgingsploeg. Werd ook nog eens afgelopen december nationaal kampioen op de achtervolging én de kilometer tijdrit. De snelheid zit in Veldts genen. Vader Lau, was een gewezen baankampioen die in zijn carrière tien keer de nationale kampioenstrui aantrok.
Junior, iedere dag trainend op de Apeldoornse wielerbaan, rijdt met enige regelmaat zogenaamde internationale wereldbekerwedstrijden maar is, ondanks dát toch géén Zesdaagsenrenner. Dat is een heel andere stiel. Maar als jonge beroepsrenner die met moeite zijn kacheltje kan laten branden pakt hij alles aan. Als je dan een paar dagen voor Rotterdamse race van de organisatie onverwacht een telefoontje krijgt dat er een startplaats voor je is  dan kom je. Je hebt dan geen pretenties, bent blij dat je mag rijden  en merkt wel wie je koppelmaat is. De laatste was een wrede grap van de organisatie.  Hij, Tim Veldt, 26 jaar, een baanrenner pursang, een flyer, werd gekoppeld aan een heuse kasseienstoemper, zo’n renner waar de vette Vlaamse klei nog onder zijn koersschoenen geplakt zit.  Bobby Traksel, negen maanden geleden nog winnaar van Kuurne-Brussel-Kuurne mocht samen met Veldt de klus klaren.
‘Traksel was een openbaring. Die man heeft als wegrenner veel inhoud. Die blijft rijden. Ik was er voor de snelheid. In de snelle nummers zoals de afvallingskoersen, de zogenaamde vliegende ronde en achter de derny, kon ik mij toch positief laten zien.’
Tim Veldt, heldere oogopslag, bescheiden, tikkeltje verlegen, ziet zo’n  Zesdaagsen  als één grote training, een investering voor het komende wereldkampioen gehouden in Apeldoorn.   Of hij eind maart met die vermaledijde regenboogtrui thuiskomt in ‘zijn’ Rivierenbuurt?  Als er iemand recht op heeft is het Veldt wel. Met zilver en brons, behaald bij de teamsprint, een tijdrace voor drie renners, zat hij, drie jaar geleden, er al akelig dicht bij. Veldt gaat vertellen: ‘Met de sprintploeg zaten wij een aantal jaren aan de wereldtop. Met Teun Mulder, wereldkampioen op de kilometer, en Theo Bos, wereldkampioen op de sprint kon ik aan de bak. Die staande start,’verzucht Veldt. ‘Ik had daar slapeloze nachten van. Bos en Mulder vertrokken als raketten en ik zat direct op twee meter achterstand. Ik moest dat gaatje dichten en vervolgens de sprint afmaken. Evengoed een heel mooie tijd gehad. We waren wereldtop maar helaas nooit kampioen geworden.’
Tim Veldt, op de Olympische Spelen nog uitkomende op de sprint had het na Peking wel bekeken. Het sprinten kon wat hem betrof gestolen worden. Dat nerveuze gedoe en dat allemaal voor twee rondjes fietsen, was niet meer uitdagend genoeg. Hij stapte over naar de achtervolging, omnium en ploegachtervolging. Met succes. Werd als niet favoriet, afgelopen december, nationaal kampioen op de achtervolging. Leuk! Mooi meegenomen. Maar lekkere gevoelens krijgt hij pas bij de achtervolgingsploeg. ‘Het trainen is fascinerend. Zo’n team moet lopen als een Zwitsers uurwerk. Alle radertjes moeten op elkaar afgesteld staan. We streven naar perfectie. De ambitie is om onder de vier minuten te rijden en wie weet de wereldtitel.’
Theo Bos, een gewezen baanadept heeft inmiddels de wielerpiste met redelijk succes ingeruild voor een carrière op de weg waar  publiciteit én het  grote geld te verdienen is. Iets voor Veldt?  ‘Helaas niet,’ verklapt Nederlands snelste achtervolger. ‘Ik heb last van een chronische rugblessure. In een wegkoers kan ik de eerste honderd kilometer goed mee komen. Daarna is het over. Dan krijg ik last van ondragelijke pijnen veroorzaakt door een lage rugwervel. Maar ik klaag toch niet. Als  baanrenner beleef ik een heel gelukkige tijd.’

Gepubliceerd in Mug februari 2011, Foto’s Hilco Koke.

Sexy Fien, een vrouw met ballen

Een bloempotkapsel, opgewonden en hitsig. Thuis wisten ze dan dat pa weer naar de kapper was geweest. Wilde je als barbier in de jaren twintig van de vorige eeuw meetellen, dan moest je naast een kam, schaar, tondeuse, scheermes én schuim ook over De Lach beschikken. De figaro die dat laatste niet in zijn zaak had, kon de tent wel sluiten. De Lach was Nederlands allereerste pikante tijdschrift met een broeierig soort, stiekeme, erotiek. Een prehistorische Playboy vol foto’s van schaars geklede vrouwen. Zéér gewaagd in de calvinistische twenties. De Lach , door wereldverbeteraars een ‘vies boekie’ genoemd, werd bij voorkeur bij de kapper ‘genuttigd’, dan wist moeder thuis niet wat voor vunzigheid pa allemaal zat te lezen. Niet vreemd dat, vér voor ze naar Europa én Nederland kwam, iedere knuppel ‘in den lande’ al wist wie Josephine Baker was.
Josephine, de Zwarte Venus, afkomstig uit het diepe donkere zuiden van Amerika, was de vlees geworden natte droom van ieder brave huisvader.  Als jonge, mooie vrouw was ze op het Newyorkse Broadway dé grote vedette. Al kontschuddend, met opzwepende bewegingen in een niets verhullend bananenrokje, liet ze het puriteinse publiek blozen. Midden jaren twintig kwam Baker, als eerste, in een lange rij van  zwarte Amerikaanse artiesten, naar Europa, en is nooit meer weg gegaan. De Folies Bergère in Parijs was maanden lang uitverkocht. Ook Nederland mocht kennismaken met het fenomeen Baker. In augustus 1928 kwam sexy Fien naar Nederland.
Als één van de eerste zwarte vrouwen in Amsterdam, flanerend over het Rembrandtplein, gekleed in een stout jurkje, veroorzaakte Josephine een kleine volksoploop van voornamelijk mannen. Dat was nog even wat anders dan de baaien rok van moeders. Josephine was hot, om maar de juiste term te gebruiken en de directeur van de Rijswijkse wielerbaan, haakte daar op in.
Voor een zak guldens loste Baker het startschot voor de wekelijkse stayerskoers. Om Cor Blekemolen, Bernard Leene en Benoits maar niet al te veel af te leiden, was ze degelijk gekleed. Josephine Baker die de Franse nationaliteit had aangenomen, beschikte niet alleen over een soepel, sexy lijf, maar bleek ook nog  over ‘ballen’ te beschikken. Tijdens de Duitse bezetting zat ze in het Franse verzet. Na de oorlog werd ze daarvoor onderscheiden met het Croix de Guerre. In de jaren vijftig adopteerde ze twaalf kinderen, zette zich in voor de rechten van de Afro-Amerikanen en overleed, op negenenzestigjarige leeftijd in 1975. Josephine overleefde de Rijswijkse wielerbaan die de poorten in 1940 definitief sloot.

Bron: Sport in Beeld, jaargang 1928 nummer 38.


De vergeten wereldkampioene

In Nederland werd ze bespot, nageroepen, uitgelachen en gediscrimineerd. Eenmaal de koersen in België ontdekt, werd ze als wielrenster wél uiterst serieus genomen. Op Vlaamse wegen waar iedere week dameskoersen verreden werden, was zij één van de beteren. Ze had de vaderlandse sportgeschiedenis in kunnen gaan als zesvoudig wereldkampioen op de weg. Uiteindelijk bleef de teller op ‘slechts’ twee titels bleef steken. Mien van Bree moest in de jaren dertig niet alleen afrekenen met vooroordeel maar ook met een foutje van de natuur…

Het is de nachtmerrie van iedere prof! Ben je aan het trainen krijg je een jong meisje op een sportfietsje, mét plat stuur, achter je aan. En hoe hard je ook rijd, ze is niet te lossen. Piet Moeskops, vijfvoudig wereldkampioen sprint vatte het sportief op. Piet, in de nadagen van zijn imposante carrière, had dat moment al aan zien komen. Ieder vrij uurtje zag hij zijn buurmeisje met rode konen op de fiets door het dorp razen. En op het duinpad zat ze opeens aan zijn wiel en volgde speels de trainende Moeskops. Mientje van Bree was voor de sprintkampioen geen vreemde. Beiden waren geboren en getogen Loosduiners. ‘Meid wat rij jij goed. Als je op een racefiets ging zitten, zou je heel veel jonge renners kloppen’, wist Moeskops zijn eer te redden.
Mientje, dat grietje uit Loosduinen, knoopte de woorden van haar illustere dorpsgenoot goed in haar oren. Na twee jaar ieder dubbeltje drie keer omgedraaid te hebben, was in 1934 eindelijk hét grote moment. De eerste racefiets, een lichtgewicht Magneet, werd aangeschaft. In Frankrijk, België, Duitsland én Engeland werd volop door meiden gekoerst. Niet in het achterbakse, zwaar verzuilde Nederland. Als vrouwen al aan sport móchten doen, was het korfballen, hockeyen of zwemmen. Meisjes op een racefiets waren behoorlijk verdacht. De conservatieve Nederlandse Wieler Unie maakte korte metten met fietsende meiden en vaardigde een oekaze uit: wedstrijden voor dames waren verboden. Voor Mien van Bree, die als een soort rariteit de Zesdaagse van Amsterdam met een rondje fietsen mocht openen, restte maar één ding: uitwijken naar België.
Bij de zuiderburen werd het damesfietsen wél serieus genomen, want iedere week meerdere koersen waar flink wat geld te verdienen viel.
Vanuit Den Haag vertrok Mien op de fiets naar Deurne, waar ze direct haar eerst grote wedstrijd won. Mien fietste niet voor de kat zijn ‘derde oog’. In 1937 werd ze Europees kampioen. De honderd kilometer reed ze met een gemiddelde van zevenendertig in het uur. Binnen een jaar gold  Mien bij de gokkers als  favoriet.
Tientallen koersen schreef de Loosduinse op haar naam. Maar de Vlaamse gokker die tijdens de officieuze wereldkampioenschappen van 1935, 1936 en 1937 zijn geld op Mien gezet had was blut. Met een tweede plek greep de Loosduinse telkens naast de winst. De frustratie  begon al in 1935 bij het kampioenschap in Schaarbeeck, een koers over honderdtwintig kilometer, waar Van Bree geklopt werd door Elvire de Bruyn.  De twee opeenvolgende kampioenschappen waren een herhaling van zetten. De Bruyn eerste en Van Bree het zilver.

Mien van Bree, afkomstig uit de Zuid-Hollandse provincie, was niet helemaal achterlijk. Over die De Bruyn had ze zo haar bedenkingen. Het was haar al opgevallen dat Elvire nogal breed in de schouders was, en de spierkracht had van een kerel. En dan die zware stem… Hoewel nog een onbekend fenomeen, bleek dat Mien van Bree geklopt was door een transgender. Een jaar na haar laatste kampioenschap liet Elvire de Bruyn, afkomstig uit Erembodegem,  zich opereren tot man en ging verder door het leven als Willy. De Bruyn koerste nog een aantal jaren bij de mannen met duidelijk minder succes.
Uiteindelijk schreef Van Bree toch nog geschiedenis.
In 1938 werd Mien, over een race van honderd kilometer,  in Rocourt wereldkampioene. Een jaar later in Charleroi deed ze het nog een keer over. Mien van Bree, pionier van het vaderlandse dameswielrennen, stopte bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, met koersen.

Bronnen: Sportief Jaargang 1954, Les Sports Illustres jaargang 1934, 1937. Nieuwsbrief De Genderstichting jaargang 2005,.

Foto 1, 2: Mien van Bree, Foto 3: Start van het Europees kampioenschap 1937, Foto 4: Elvire de Bruyn.

Deserteur moest winnen in Berlijn

De Zesdaagse van Berlijn 2011 zit er weer op. Met een kleine puntenvoorsprong ging de winst naar thuisrijders Robert Bartko en Roger Kluge: twee brave jongens in een fatsoenlijke zesdaagse. Honderd jaar geleden draaide het Berlijnse spektakel ook al om een thuisrijder…
Er stond jarenlange gevangenisstraf op. In het militaristische Duitsland van honderd jaar geleden weigerden alleen fatalistische idioten óf wielrenners hun dienstplicht. Voor Walter Rütt was de dienstplicht een optelsommetje van feiten. Of voor een paar pfenningen soldij klaar gestoomd worden tot kanonnenvlees, óf een fortuin verdienen op de koersfiets. Met de oproepkaart op zak was Walter er snel uit. Wat hem betrof mochten ze dat geweer mét uniform lekker in hun kont steken en hij verkaste naar Frankrijk.
Terwijl in de Heimat leeftijdsgenoten zich met Pruisische kadaverdiscipline lieten drillen voor de komende wereldoorlog, won de Berlijner, in 1907, als eerste mof de Zesdaagse van New York. Dat laatste was in de Duitse hoofdstad niet onopgemerkt gebleven. Om in de vaart der volkeren omhoog gestuwd te worden moest en zou Berlijn ook een Zesdaagse krijgen. Herr Knorr, een machtig wielermanager die alle toenmalige toppers onder contract had, kon dat klusje klaren. Om het sportpaleis vol te krijgen moest dan wel die scheisse Ruth aan het vertrek staan. Niemand minder dan de Duitse kroonprins zorgde ervoor dat de deserteur amnestie verkreeg.
Twintig koppels waaronder  publiekstrekker Rüth gekoppeld aan  Clark werden op 29 december 1909 weg geschoten voor de Sechstagen von Berlin.
Was het in de Newyorkse six sensatie, rock ’n’ roll, en vierentwintig uur per etmaal spektakel, veroorzaakt door een lawine van geldpremies: in Berlijn leek het wel een gebedsbijeenkomst van de Lutherse Kerk. Saaiheid troef. Dat laatste had met de gierigheid van Knorr te maken. Voor de renners geen premiespurts. Opschudding kwam toch. Tot afgrijzen van Knorr, de kroonprins en het hele sportpaleis, nam het sterke  Franse koppel Berthet-Broco, op dag vier,  de leiding met een ronde voorsprong. Om de boel te redden, want Rütt moest winnen, werd het koppel Berthet door Knorr beschuldigt van knoeierij en teruggezet naar de tweede plaats. Berthet, niet alleen werelduurrecordhouder met  41,520 kilometer, maar ook in het bezit van een scherpe tong, liet luidkeels het publiek weten dat de moeder van Knorr én trouwens van de hele jury, de hoer speelde. Exit voor Berthet die niet alleen zijn koffer maar ook de eerste trein naar Parijs kon pakken.
Met twee  ronden voorsprong op het Nederlands-Amerikaanse koppel Stol-Walthour, was de  uiteindelijke overwinning van  Walter Rüth en Jackie Clark voor de baard van de vader van de kroonprins.

foto 1: Na afloop van de Berlijnse Zesdaagse van 1910. In het midden de winnaars Rutt en Clark. Links vooraan zittend Bobby Walthour met John Stol.
Foto 2: Rutt tussen de jachten door.
Foto 3: Jackie Clark. Foto 4: Berthet.
Bron: Revue der Sporten jaargang 1910.

Blote been noch arm

Den Haag had de primeur! Op 31 oktober 1915 stonden in de residentie meer dan honderddertig renners aan het vertrek voor de eerste grote veldrit uit de geschiedenis. En in het peloton was blote arm noch been te ontdekken. In het calvinistische Nederland van negentig jaar geleden zwaar verboden. Het land van kruideniers en dominees, waar, in de alkoof, de liefde bedreven werd met de borstrok aan, en katten per definitie in het donker te grazen genomen werden, had een speciale wet aangenomen die wielerwedstrijden op de openbare weg verbood.
Om dat gebod te omzeilen gaven organisatoren hun koers de titel ‘betrouwbaarheidsrit’. Of de laatste kreet opging in Den Haag is hoogst twijfelachtig. De N.W.B., de toenmalige wielerbond, verordende hun onderknuppel Karel Last tot parcoursbouwer: en die  had daar zo zijn eigen ideeën daarover. Lust liet de renners, opgesteld in zeven startrijen van twintig man, direct na de start over een groot ijzeren hek klauteren. Voor Lust was dat nog niet genoeg. Na het hek stormde de meute af op een sloot die alleen genomen kon worden met behulp van een smalle plank. Aangezien een beetje renner alleen aan zichzelf denkt , gold bij de sloot het recht van de sterkste. In de opstopping werd gevloekt, gedrongen, materiaal verkreukeld en werden petten afgeslagen. Hier en daar viel een klap. ‘De eersten zullen de laatsten zijn’, wordt al honderden jaren van de  kansel georakeld.  Vergeet dat maar! Zeker niet in Den Haag. Daar loonde het wel degelijk om vooraan te staan. Bij de eerste tien in de uitslag waren acht renners die op de eerste rij waren gestart.
De koers werd gewonnen door beroepsrenner Jorinus van der Wiel die de eenentwintig kilometer aflegde net binnen een uur. Voor Van der Wiel  was het Haagse veldritje een fijn ommetje. De man was wegrenner en niet de minste. Tussen 1915 en 1925 greep Jorinus vijf keer het nationale wegkampioenschap. Met zijn vijf titels heeft Jorinus zich aan het moeras der vergetelheid weten te ontrukken want voert, anno nu, de ranglijst met meeste gewonnen kampioenschappen aan.

Bron: Revue der Sporten jaargang 1915


De Schooljongen van Roxbury

Het seizoen 1907 zal zijn laatste zijn. Voor een eenvoudige jongen, afkomstig uit Roxbury, een arbeidersbuurt van Boston was de aandacht, publiciteit, én de reizen naar het Oude Continent, verslavend. Maar hij liet zich daardoor niet verblinden. Louis Mettling wist verdomd goed waar hij mee bezig was. Als jochie van zeventien jaar werd Louis amateurkampioen van zijn land, wat beloond werd met contracten voor de Zesdaagsen van New York, Chicago, Atlanta, Milwaukee en Boston. De Amerikaanse Six, waar de geest van het Wilde Westen rondwaarde, waar het recht van de sterkste mores was, waar letterlijk alles was toegestaan en waar je als renner nooit wist of je heelhuids thuiskwam. Spektakel en bloed op de piste, dát werk dus.METTLING Louis - 2
Mettling, die vaak optrok met zijn stadsgenoot, stayerscollega  en vriend Hugh Mc Lean, had een stevige en soepele stamp in de benen maar een nog beter stel hersens. Ongetwijfeld is hij door McLean, een afgestudeerd chemicus,  daarop gewezen. Met de verdiende dollars werden eerst zijn straatarme ouders geholpen, waarna Louis zich inschreef aan de Universiteit van Boston. Als je geboren bent voor een dime word je nooit een dollar, om maar even de Amerikaanse munteenheid aan te houden. Na een jaar studie was het geld op. Voor Mettling, die weer in training was gegaan, kwam het aanbod, in 1907, van een Franse manager als geroepen.
In het spoor van andere Yankee-stayers als een Nat Butler, Hugh McLean en Bobby Walthour verkaste Mettling naar Frankrijk, waar hij op het Parc des Princes zijn illustere landgenoten maar ook de Franse top het nakijken gaf. Dat Mettling daarbij alle baanrecords tussen de tien en vijftig kilometer verbrak, was lekker meegenomen. Louis Mettling viel niet alleen op de wielerbanen op maar ook door zijn onberispelijke uiterlijk. Met een perfect studentenhoofd waar geen haartje verkeerd op zat, kreeg hij al snel de bijnaam de Schooljongen van Roxbury.
Bobby Walthour, afkomstig uit het diepe donkere zuiden van Amerika, had in Duitsland een grote naam op te houden. Herr Knorr, dé Duitse manager met een neus voor publiciteit, lokte de Schooljongen met een tiental contracten naar de Germaanse stadions. Niets leuker voor het volk dan een tweestrijd Mettling tegen Malle Bobby. Vrijwel direct in Duitsland ging het mis.
kistloiuisOp 9 juni, tijdens een koers in Dresden kwam Mettling zwaar ten val, brak zijn schedel en lag een tijdje bewusteloos op het cement. Om zijn studie én de toekomst van zijn ouders veilig te stellen startte de student, mét zware hoofdpijnen, twee weken later in de Grote Prijs van Dresden, waar de race wonderwel perfect verliep. Met zeven ronden voorsprong op de concurrentie ging Louis de honderdtweeendertigste ronde in. Door nooit opgehelderde reden, hoogstwaarschijnlijk een hersenattaque, kwam Mettling ten val en sloeg met zijn hoofd tegen de baan. Na niet meer bij kennis geweest te zijn, stierf de Schooljongen twee weken later. Geld om zijn lijk naar huis te brengen was er niet. Op het kerkhof van Tolkewitz, in de buurt van Dresden, mocht the Bostonian op de jongste dag wachten.

Bron: Radwelt jaargang 1906 en 1907, Boston Herald jaargang 1909

De fiets van Hein

Vijftig jaar stond de fiets in een berging verscholen. Onder een dikke laag stof en vuil, met platte tubes én het stuur omhoog werd hij ontdekt door Stuyfssportverhalen. Volgens hedendaagse maatstaven is het een hopeloos, ouwerwets, gedateerd geval. Maar bij sporthistorici doet het het hart op hol slaan. Aan de racefiets van het merk ‘Nieuwenhoff’, kleeft namelijk een stukje onvervalste Amsterdamse wielergeschiedenis. Het is de koersfiets van tourlegende Hein van Breenen, zoon van een groentenman en geboren en getogen in de Nieuwmarktbuurt. Voor de niet kenners: begin jaren vijftig was Van Breenen dé meesterknecht van Wim van Est en Wout Wagtmans, en reed meerdere keren de Tour de France.
Oudere buurtbewoners kunnen het zich nog wel herinneren dat Hein, na zo’n Tour, gehuldigd werd, voor de groentenzaak van zijn ouders, in ‘zijn’ Korte Koningsstraat. Hoewel in Frankrijk actief op een fiets van het merk Locomotief, want sponsor, koerste Hein het liefst op zijn Nieuwenhoff, gebouwd in de Tweede Boomdwarstraat, hartje Jordaan.
Framebouwer Jan Nieuwenhoff had, in tegenstelling tot concurrent RIH-Sport, vlak om de hoek gevestigd, maar twee bekende renners op zijn merk rijden: Henk Faanhof en Van Breenen. En dat mocht iedereen weten. Nadat Faanhof, óp een Nieuwenhoff,  in 1949 de wereldtitel op de weg greep, voorzag  Ome Jan, zoals hij genoemd werd,  zijn fietsen met de kreet ‘Type Wereldkampioen’. En Van Breenen’s Franse avonturen verschenen ook de Reynoldsbuizen.  Hein van Breenen, prof van 1952 tot 1962, verkocht, na beëindigen van zijn loopbaan, de fiets aan buurman én vriend Ab Frantz.
Nadat Ab, 84 jaar, scherp van lijf en geest, een aantal jaren op zijn racefiets gereden had, verdween het karretje in de berging. Frantz, heeft Hein diens hele leven meegemaakt. Was zijn supporter, stond vooraan bij de huldigingen, ging met hem mee naar de koers en was erbij toen Van Breenen in 1990, een, later fatale, hartaanval kreeg.
Hein van Breenen, zestig jaar geworden  én Jan Nieuwenhoff, gestorven in 1964, zijn geschiedenis maar dé fiets is er nog. Als het vuil weg geveegd is komt ongeschonden lak te voorschijn. De fiets, afgemonteerd met toenmalig high-tech materiaal waaronder het allereerste spieloos trapstel gemaakt door Stronglight, is een stoffelijk relikwie van een rijk Amsterdams fietsverleden.