Oom en neef! De één werd wereldberoemd onder het pseudoniem Multatuli en de ander is totaal weggezakt in de krochten van de geschiedenis. Nadat Eduard Douwes Dekker, in 1859, als assistent-resident in Nederlands-Indië, zijn Max Havelaar schreef als aanklacht tegen de wrede kolonisator kon hij voor eeuwig zijn plekje in het mondiale literaire geheugen innemen. Veertig jaar later rammelde achterneef Jules Douwes Dekker ook op de poorten van eeuwige roem. Als baansprinter met zesenzestig koersen gewonnen, waaronder viermaal het kampioenschap van Java, bleef de poort voor Jules tóch stevig op slot.
Leuk hoor, die Oom Eduard en zijn boek. Maar wat moest hij daar nou mee? Naar het koude en kille Holland verkassen? Of hij daarmee het koloniale onrecht oploste. Natuurlijk niet. Uit de naburige kampong dwarrelde zachtjes krontjongmuziek en wippend op zijn schommelstoel zat Jules Douwe Dekker met zijn geweten te worstelen. Terwijl in de keuken de kokkie bezig was met de nasi goreng, de wasvrouw zijn natte, bezweten rennerskleren waste en de baboe hem een vers geperst glas sinaasappel bracht, kwam hij tot het besef dat een fietsende toean blanda het nog niet zó slecht had in Indië.
Jules, net zeventien jaar, mocht graag achter de mooie, jonge en aantrekkelijke baboes aan zitten, wat op den duur ook ging vervelen. De opspelende hormonen temde hij liever op de wielerbaan van Batavia, waar hij in mei 1897 zijn debuut als sprinter maakte. Met weinig succes. Douwes Dekker, met zijn vreemde fietshobby een beetje de risee van de familie, leerde snel. Eind december won hij in Soerabaja het kampioenschap van Java. Een titel die hij vier jaar lang wist te verdedigen.
Sjuultje Dekker mocht volgens de inlandse mores dan wel een koloniaal zijn, maar bleek toch behept met de familiegenen. Net als zijn illustere oudoom kon hij ook niet tegen onrecht. Na veertien koersen op rij gewonnen te hebben bemerkte Jules dat hij daar geen stuiver wijzer van werd. De enige die de zakken goed vulden waren de baandirecties, die met grote winsten naar hun buitenverblijven gingen. Douwes Dekker trok zijn conclusie en vroeg een proflicentie aan. Van zoveel brutaliteit was de toenmalige wielerbond niet gediend en gelaste de consul in Soerabaja om de jonge sprinter bij de volgende koersen uit te sluiten.
Vlak voor de start van het kampioenschap van Java, in 1897, kreeg Douwes Dekker een startverbod, wat een geweldige tumult veroorzaakte. Uit collegialiteit weigerden alle overigen renners te starten, wat weer tot gevolg had dat de overijverige consul allen tot professional verklaarden.
Koersen in ‘ons Indië’ was nou niet echt senang. Er werd hard en veel gekoerst. Regelmatig kwamen toprenners uit Europa over: ongetwijfeld betaald door de planters die in witte linnen pakken mét tropenhelm de tribunes bevolkten.
Eenmaal prof kwam de jonge Dekker op stoom. Tijdens de Grand Prix van Soerabaja legde hij de laatste tweehonderd meter af in 11.8 seconden. Maar in juni 1898 verbaasde het achterneefje van Multatuli zichzelf en de hele fietswereld door in Batavia het wereldrecord tweehonderd meter staande start, van de Fransman Bourillon te evenaren. Voor Jules Douwes Dekker lagen de contracten klaar. De Engelse fietsenfabriek Rover, met uitzicht op de immense Indiase markt, gaf Douwes Dekker een contact. Op de prijscourant die in een miljoenenoplage werden verspreid stond het portret van Jules.
In het moederland waren de verrichtingen van Douwes Dekker, die van de vijfenzestig koersen er vierenzestig won, niet ontgaan. Fietsfabriek Stokvis uit Rotterdam bood het overzeese sprinttalent een vorstelijk contract aan. Jules diende daarvoor wel naar Europa te komen om op het oude continent zijn carrière uit te bouwen. Zover is het nooit gekomen. Die Dekkertjes met hun gevoel voor onrecht…
Omdat in Zuid-Afrika de Boeren, het stamverwante volk, door de Engelsen afgeslacht dreigden te worden, meldde Douwes Dekker zich aan oorlogsvrijwilliger. In Transvaal vocht Jules, schouder aan schouder met de Boeren, tegen de Engelsen. Met een stijf been, opgelopen na een schotwond, kwam de voormalige sprinter na een jaar terug in de Gordel van Smaragd, om te ontdekken dat het met zijn rennerscarrière gedaan was. In 1940, op tweeënzestig jarige leeftijd vertrok Jules naar de Grote Sprintershemel.
Foto 1: Jules Douwes Dekker. Foto 2: Oom Eduard ‘Multatuli’ Douwes Dekker. Foto 3: Jules, eind jaren twintig, op vakantie in het ‘moederland’ bij het graf van Jaap Eden.
Bron: Halve Eeuw Wielersport 1867-1917, Sport in Beeld jaargang 1927.



een goochelaar tovert Van der Kaaij een vuurrode, duidelijk gedateerde baanfiets, van meer dan vijftig jaar oud, te voorschijn. Aan het fietsje hangt letterlijk een prijskaartje van zeventienhonderd euro. Duur? Klopt! Maar dan heb je ook wél wat. Het baankarretje is historie op twee wielen en hoort eigenlijk in een wielermuseum thuis. Het is de fiets waarop voormalige zesdaagsekeizer Peter Post zijn triomfen behaalde. Post, na zijn afscheid als renner, gunde zijn fiets rust op de enige juiste plek. Bij RIH-Sport.
![fietser3[1]](https://i0.wp.com/stuyfssportverhalen.com/wp-content/uploads/2011/02/fietser31.jpg?resize=300%2C226)
Weet je nog, vroeg hij zichzelf in gedachten af, 1906 en 1910, toen je alle koersen waaraan je meedeed, won? En dan het Oberweltmeisterschaft gehouden in het Berlijn van 1910, waar acht voormalige wereldkampioenen gingen uitmaken wie de allersterkste stayer ter wereld was. De mooiste race van zijn leven. Dertigduizend moffen braken de tent af nadat hij Ryser, Theille en al die anderen geklopt had. Wat een heerlijke herinneringen… Of de koersen in het buitenland waar het goud hem letterlijk toestroomde. Die keer in Parijs dat hij won en als extra premie een staafje goud met edelstenen kreeg. Geld. Kapitaal. Hij had het allemaal. En was het ook weer kwijt. Die verdomde geldontwaarding na de Eerste Wereldoorlog. Had hij zijn geld maar niet op die Duitse banken gezet. Ach, dat was maar geld, hield hij zich manmoedig voor. De herinneringen aan zijn carrière zijn onbetaalbaar. Zoete mijmeringen.







In Nederland werd ze bespot, nageroepen, uitgelachen en gediscrimineerd. Eenmaal de koersen in België ontdekt, werd ze als wielrenster wél uiterst serieus genomen. Op Vlaamse wegen waar iedere week dameskoersen verreden werden, was zij één van de beteren. Ze had de vaderlandse sportgeschiedenis in kunnen gaan als zesvoudig wereldkampioen op de weg. Uiteindelijk bleef de teller op ‘slechts’ twee titels bleef steken. Mien van Bree moest in de jaren dertig niet alleen afrekenen met vooroordeel maar ook met een foutje van de natuur…
Vanuit Den Haag vertrok Mien op de fiets naar Deurne, waar ze direct haar eerst grote wedstrijd won. Mien fietste niet voor de kat zijn ‘derde oog’. In 1937 werd ze Europees kampioen. De honderd kilometer reed ze met een gemiddelde van zevenendertig in het uur. Binnen een jaar gold Mien bij de gokkers als favoriet.

De Zesdaagse van Berlijn 2011 zit er weer op. Met een kleine puntenvoorsprong ging de winst naar thuisrijders Robert Bartko en Roger Kluge: twee brave jongens in een fatsoenlijke zesdaagse. Honderd jaar geleden draaide het Berlijnse spektakel ook al om een thuisrijder…
Met twee ronden voorsprong op het Nederlands-Amerikaanse koppel Stol-Walthour, was de uiteindelijke overwinning van Walter Rüth en Jackie Clark voor de baard van de vader van de kroonprins.
Den Haag had de primeur! Op 31 oktober 1915 stonden in de residentie meer dan honderddertig renners aan het vertrek voor de eerste grote veldrit uit de geschiedenis. En in het peloton was blote arm noch been te ontdekken. In het calvinistische Nederland van negentig jaar geleden zwaar verboden. Het land van kruideniers en dominees, waar, in de alkoof, de liefde bedreven werd met de borstrok aan, en katten per definitie in het donker te grazen genomen werden, had een speciale wet aangenomen die wielerwedstrijden op de openbare weg verbood.
Om dat gebod te omzeilen gaven organisatoren hun koers de titel ‘betrouwbaarheidsrit’. Of de laatste kreet opging in Den Haag is hoogst twijfelachtig. De N.W.B., de toenmalige wielerbond, verordende hun onderknuppel Karel Last tot parcoursbouwer: en die had daar zo zijn eigen ideeën daarover. Lust liet de renners, opgesteld in zeven startrijen van twintig man, direct na de start over een groot ijzeren hek klauteren. Voor Lust was dat nog niet genoeg. Na het hek stormde de meute af op een sloot die alleen genomen kon worden met behulp van een smalle plank. Aangezien een beetje renner alleen aan zichzelf denkt , gold bij de sloot het recht van de sterkste. In de opstopping werd gevloekt, gedrongen, materiaal verkreukeld en werden petten afgeslagen. Hier en daar viel een klap. ‘De eersten zullen de laatsten zijn’, wordt al honderden jaren van de kansel georakeld. Vergeet dat maar! Zeker niet in Den Haag. Daar loonde het wel degelijk om vooraan te staan. Bij de eerste tien in de uitslag waren acht renners die op de eerste rij waren gestart.



Vijftig jaar stond de fiets in een berging verscholen. Onder een dikke laag stof en vuil, met platte tubes én het stuur omhoog werd hij ontdekt door Stuyfssportverhalen. Volgens hedendaagse maatstaven is het een hopeloos, ouwerwets, gedateerd geval. Maar bij sporthistorici doet het het hart op hol slaan. Aan de racefiets van het merk ‘Nieuwenhoff’, kleeft namelijk een stukje onvervalste Amsterdamse wielergeschiedenis. Het is de koersfiets van tourlegende Hein van Breenen, zoon van een groentenman en geboren en getogen in de Nieuwmarktbuurt. Voor de niet kenners: begin jaren vijftig was Van Breenen dé meesterknecht van Wim van Est en Wout Wagtmans, en reed meerdere keren de Tour de France.
