Halfgare

De zondagen van april, héilige dagen,  in gepaste devotie voor de televisie door gebracht. Een flesje Hertog Jan onder handbereik. De ronde van Vlaanderen, Parijs-Roubaix  en méér staat namelijk op de kalender. Dat was vroeger. Voor dat dat  enge virus toesloeg. Geen klassiekers dit voorjaar. Laat staan de Giro d’ Italia, met afstand  de allermooiste koers.  
Nostalgie naar de Ronde van Vlaanderen, zoals die van  1965. Verreden in helse, Bijbelse weersomstandigheden.  Een koers voor onbarmhartige kerels, met als credo ‘pijn is fijn’. Mannen die opleven  bij dat soort wolvenweer, zoals voormalige kasseienstoemper Dirk de Wolf dat zo mooi kon verwoorden.
Kerels als een Jo de Roo en Ward Sels. Vooral de laatste. En nee, er volgt  geen wedstrijdverslag, noch wordt de  doopceel van Sels en De Roo gelicht. Daar is al zoveel over gepubliceerd. Hier gaat het om de foto. Met Sels en De Roo, op stalen koersfietsen, zoals een koersfiets behoort te zijn.  
Sels en De Roo koersend voor lijf en leden, zónder helm, maar wél met een koerspetje, achterstevoren. Stoere kerels met magere koppen, waarvan je haast zeker weet dat ze bij een valpartij de kasseien kusten, om vervolgens hun fiets op te rapen.
Was  het niet diezelfde Sels, die ooit een week voor een ronde van Vlaanderen, grasmaaiend op de boerderij van zijn vader, met een vlijmscherpe zeis in zijn kuit hakte? Om een week later van start te gaan in Vlaanderens mooiste. Ik bedoel maar. Sels en De Roo, om hun pols het klokje, verkregen bij de eerste plechtige communie, of van een liefde. 
Jo de Roo,  inmiddels tweeëntachtig jaar, maakt op z’n stalen koersfiets nog dagelijks zijn rondje.  Zonder valhelm. Wat dat betreft is de man strak in de leer.
Sportschrijver Frank Heinen denkt daar anders over. Volgens hem behoren renners zonder valhelm tot de categorie ‘halfgare’. Heinen had dat onlangs gepubliceerd in HP/De Tijd.  Jo de Roo, man vele veldslagen gehouden op de kasseiwegen van Vlaanderen en Noord-Frankrijk, en ook nog eens winnaar van – inderdaad boven genoemde – ronde van Vlaanderen, maar ook Bordeaux-Parijs én de ronde van Lombardije, heeft daar natuurlijk geen boodschap aan. Helden laten zich namelijk niet de les lezen.

Grandeur

Geen rangen en vooral geen standen. De Tour de France is voor het volk. Ook  die van 1960, wat tevens een mooi jaar was. In Frankrijk wel te verstaan. De Franse Republiek, aangevoerd door monsieur le president De Gaulle, bij wie enig nationalisme niet vreemd was. ‘Frankrijk kan Frankrijk niet zijn, zonder zijn grandeur’, was één van zijn uitspraken. Dat was wáár.
Want opeens was daar Brigitte Bardot, ontworsteld aan de benauwende jaren vijftig en zojuist de sixties binnen gehuppeld. Bardot,  een frivole, sexy stoeipoes, met als bijnaam BB, waar hele generaties  potente  jongens, ontsnapt aan de aandacht van ouders én mijnheer pastoor, met overdreven ijver haar afbeelding aan de muur van hun jongenskamer prikte. Garantie voor  woeste fantasieën. Wat er vervolgens in die jongensbedden gebeurde moeten we maar niet aan denken.
Frankrijk 1960,  waar de leden  van terreurorganisatie  OAS, voor het eerst het handboek ‘Hoe knutsel ik een plasticbom in elkaar’, ter hand namen:  beoogde doel,  president Charles de Gaulle. De jongens van de OAS, duidelijk aanleg voor het helse, brachten een jaar  later hun geleerde in de praktijk. In september 1961 ontplofte in een wegberm een dertig kilo zware bom, gevuld met vijftien liter napalm. Waaraan De Gaulle, in zijn Citroën wonderlijk en ongedeerd aan ontsnapte.
In dat geharnaste lijf van monsieur le President, een gewezen oorlogsheld, bleek ook maar een gewoon jochie schuil te gaan. Dat hij Brigitte aan de muur van z’n slaapkamer  had hangen is onwaarschijnlijk. Wél  dat hij via de media de Tour volgde. Zaterdag 23 juli 1960, had hij in zijn agenda met rood omcirkeld. Op deze door God aan de president geschonken dag, trok de Tourcaravaan door zijn dorpje Clombey-Les-Deux-Eglises, en langs het huis van Frankrijks eerste burger.
‘De Tour is genadeloos en wacht op niemand’, wat een stoffig, maar waar cliché is.   Laat staan dat er zomaar gestopt wordt. Behalve voor de eerste man van de Vijfde Republiek. De Gaulle tussen het volk, en beschermd door twee gendarmerie nationale, die je onbewust aan films van Inspector Clouseau doen denken, audiëntie verlenend aan de renners. Waarvan sommigen, uit misplaatste eerbied hun koerspetje voor af deden, door De Gaulle duidelijk gewaardeerd. Met een Vive La France  zegende hij vervolgens het koersende volk.
Met enige fantasie is Charles De Gaulle met een geharde Tourrenner te vergelijken. De man overleefde maar liefst eenendertig moordaanslagen. Probeer dát maar eens te evenaren.  De Gaulle stierf uiteindelijk, zittend in zijn lievelingsstoel op tachtig jarige leeftijd. 

Bron: Le Miroir des Sports, jaargang 1960, Biografie Charles de Gaulle.

Gaat ongetwijfeld goed komen

Afgelopen januari tekende Enzo Leijnse  18 jaar, een contract bij de prestigieuze opleidingsploeg van  Sunweb. Een jongensdroom kwam uit. De scouts van Sunweb,  een scherp oog voor talent, zien in hem een ongeslepen diamant. Met dank aan de snoeiharde tijdrit die Leijnse in de benen heeft. Zijn optreden tijdens het Europees- én wereldkampioenschap, vorig jaar, zorgde voor de nodige sensatie. Bij de strijd om de wereldtitel tijdrijden, had hij heel lang zicht op de wereldtitel.  Om met een paar seconden verschil, uiteindelijk met de zilveren medaille naar huis te gaan.
Enzo Leijnse, sinds het vroege voorjaar intern in Limburg, waar hij samen met zijn ploeggenoten wordt voorbereid op het komende wegseizoen. Voor tijdrijder Leijnse is een speciaal trainingsprogramma opgezet met doel de Nederlandse titel tijdrijden.
De uitbraak van de coronacrises gooide alles in de war. Koersen zijn tot eind augustus opgeschort.  Leijnse, evenals al zijn ploeggenoten werden naar huis gestuurd. Waar hij inmiddels in de polders rondom zijn woonplaats iedere dag op zogenaamde wintertrainingsschema’s zijn conditie op peil houd.   Enzo Leijnse houd evengoed zijn moraal op peil.  Al was het alleen maar het fietsmateriaal waar hij nu op rijdt. Reed hij vorig jaar nog op een oude, opgelapte koersfiets, nu staat  de garage van zijn vader vol met hightech materiaal.
Dat het profbestaan hard en onvoorspelbaar is,  weet hij inmiddels ook. Amper was de inkt van z’n contract opgedroogd, of er werd bij huize Leijnse aangebeld. S ’Morgens om zes uur wel te verstaan. Dopingcontroleur op de stoep. Wat een gepensioneerde Limburgse huisarts bleek te zijn, die Leijnse   uitgelegde dat iedere neoprof direct zijn plasje moet inleveren als de zogenaamd ‘nulcontrole’.
Van Enzo Leijnse begeleidt door oud-prof Roy Curver, wordt verwacht dat hij op een positieve manier de naam van zijn sponsor uitdraagt.  Knalde hij vorig jaar tijdens trainen nog wel eens door een rood stoplicht, nu wordt gewacht. Net als iedere wielerliefhebber hoopt Leijnse komende augustus weer aan de start van een koers te staan. Met Leijnse gaat het ongetwijfeld goed komen.

Boulevard der Verdriet

Piepende remmen. Lucht van verschroeid rubber. Krakende koersfietsen. Het zachte, weemakende geluid van schedels op hard steen.  Dan stilte! Onderbroken door gekreun. Geen ploegleider te ontdekken. En het peloton ijlt in de verte door.
Op de Boulevard der Verdriet krijgt ieder zijn deel, en wordt er géén onderscheid gemaakt. Maar wél toevallig dat het altijd de schlemielige knechten betreft.  Giuseppe Fallarini en Maurice Lavigne, broeders in het leed. Fallarini, een  bloedende hoofdwond,  door mannen met alpinopet van het asfalt geschraapt. Giuseppe vierentwintig jaar, afkomstig uit Piëmont, Italië.  Maakte als renner ondermeer reclame voor inmiddels legendarische ploegen als een Molteni, Bottecchia en Ignis-Frejus: voor de originele shirts, zijn hedendaagse verzamelaars bereid  om daar  een nier voor af te staan.
Een wetenschap die  Giuseppe op dat moment gestolen kon worden. Tijdens de zevende etappe van de Tour, anno 1958 had de man andere zorgen. Duizelig en wankelend zocht hij de restanten van zijn Frejusfiets. Het moet een deerniswekkend gezicht zijn geweest om Giuseppe Fallarini, zwaaiend op z’n karretje weg te zien rijden.
Dan was er ook nog Maurice Lavigne, een modale knecht, uitkomend voor een regionale Franse ploeg. Ach gossie, die Maurice, als Lord Wanhoop gesneuveld op boerenlandweggetje.  Dat moet die ene anonieme vrouw ook gedacht hebben. Zo’n moedertype overlopend van empathie, die al het leed van de wereld op haar schouders neemt. Madam Anonyme, met zo’n  typische jaren-50 haarkapje deed wat ze kon doen.
’Ach jongen toch, heb je zoveel pijn…’?, lispelde ze ongetwijfeld haar troostende woordjes. Waarbij ze natuurlijk aan de moeder van Maurice moest denken.
Maurice Lavigne en Giuseppe Fallarini , twee onbekende knechten wiens namen voortleven in de  bijschriften van twee wondermooie foto’s gepubliceerd in de Miroir de Sprint 1958. Jongens die evengoed hun kleine deel uit de wielerkoek wisten te peuzelen.
Giuseppe acht jaar prof, won acht koersen. Maurice Lavigne had het na drie jaar met zes gewonnen koersen wel bekeken. Dat de Engelsman Brian Robinson de etappe won is ter kennisgeving. Aardiger is dat Maurice Lavigne drie jaar geleden, op zevenentachtig jarige leeftijd zijn laatste adem uitstootte.
Iets waar Giuseppe Fallarini nog niet aan toe is. De man is met zijn zesentachtig jaar nog steeds onder ons.

Bijbelse Tijden

De iconische jaren zestig, waarin de haan van de revolutie zich schor kraaide. Een decennia van  opstand, vrije seks , drugs, babyboomers die zich warm liepen, en woeste meiden die baas in eigen buik wenste te zijn.  Neil Armstrong maakte zijn eerste sprongetje op de maan, Martin Luther King mobiliseerde zwart Amerika,  en de jongens en meisjes van Provo hielden hun  happenings op het Amsterdamse Spui.
En natuurlijk  de muziek. De Rolling Stones,  Pretty Things en nog een rits obscure Engelse bandjes schokte de bourgeoisie, met hun ruige uiterlijk en dito muziek.  Dat laatste,   schaamteloos gejat van onder meer Chuck Berry, Bo Diddley, Muddy Waters en andere godfathers  van de rock ’n roll en blues. De Sixties, een wilde romantische tijd waarin de heilige huisjes flink omver geschopt werden. Alle heilige huisjes? Natuurlijk niet.
Het echte, ruige, woeste leven vond plaats op de Vlaamse en Noord-Franse kasseien. Waar de koers nog steeds de koers was, waarbij  drugs, intriges, en verraad hand in hand gingen. Zoals  Parijs-Roubaix editie  1967,  nog gevrijwaard van de hedendaagse massahysterie, waarin live televisie-uitzendingen een utopie was. De Hollandse wielerliefhebber was aangewezen op de rechtstreekse radio-uitzendingen verzorgd door de BRT.
De BRT met verslaggevers als een Piet Theys en Marc Uytterhoeven, die vooral oog hadden voor de Vlaamse renners, wat logisch was. De Nederlandse media, met een lullig verslagje op Sport in Beeld,  zondagavond uitgezonden, hobbelde daar uren later  achter aan.
Goddank was er de Miroir des Cyclisme, gedrukt in fullcolour, door schrijver dezes maandelijks gekocht bij de boekhandel op het Damrak, voor het astronomische bedrag van acht gulden. Maar dan kréég je ook wat. Paginagrote foto’s van genoemde  Parijs-Roubaix. Waarin de namen van de helden, gehoord op de buizenradio, een gezicht, in paginagrote foto’s kregen. Wát een verschil met  die enkele grofgerasterde foto in de Volkskrant dan wel De Telegraaf.
De foto’s van Parijs-Roubaix, gepubliceerd  in de Miroir, waar het modder en zweet van de pagina’s af ketsten. ‘Platen’met kerels, gehuld in wollen shirts, koersend op stalen karretjes, balancerend op de rug van de Hel. Ongeneerd gevolgd door een rits motoren. Mannen als een Ward Sels, Gianni Motta, Thuur Decabooter, Willy Planckaert en Rudi Altig, en natuurlijk de latere winnaar Jan Janssen.  
De Miroir bestaat  niet meer. En alsof het een verhaal uit het Oude Testament  betreft, heeft de horror van het coronavirus  Parijs-Roubaix in z’n wurggreep. Voorlopig geen koers meer. Het zijn Bijbelse Tijden…  

Tegenpolen

De pioniers van het fietsen, want jong, wild en avontuurlijk. Jongens lid van de Adrenaline Sekte. Op de wielerbanen zochten ze  de grenzen van het bestaan op. Het moest snel, sneller, allersnelst. In 1898 viel de tandem nog in de categorie ‘snel’.   Zeker op de wielerbaan van München. Waar Taddy Robl met Gustaf Freudenberg een combinatie vormden op de tweezitter. Voor Robl, links op de foto ging de tandem nog niet snel genoeg. Nadat twee jaar later de eerste gangmaakmotor op de wielerbanen zijn opwachting maakte, maakte Taddy de overstap. Met succes. De man werd twee keer wereldkampioen bij de profstayers. Robl tot  rond 1909, één van de sterkste stayers ter wereld, en verdiende daarmee letterlijk goudgeld. Wat hij ook weer even snel er door heen jaagde.
Wat dát betreft was Freudenberg zijn tegenpool. Die had zo zijn bedenkingen tegen het gejakker achter die motor. Waar ongetwijfeld het aantal dodelijke stayersongelukken bij gedragen hadden. Terwijl maatje Robl van het ene succes naar het ander ijlde, ontwikkelde Gustaf zich tot redelijk sprinter,  wat wel zo veilig was. Veilig? Dat het lot van Robl uiteindelijk  bezegeld was, daar  was geen ontkomen aan. Maar dat van Freudenberg…
Dan is het 29 april 1906, als op de wielerbaan van Maagdenburg een groot sprinttoernooi gehouden wordt. Tijdens één van de manches, in volle sprint met kop onder het stuur, klapt der Gustaf tegen een aan de balustrade geparkeerde gangmaakmotor. Met slagaderlijke bloeding in zijn linkerbeen werd Gustaf, 30 jaar, naar het krankenhaus vervoerd. Waar hij enkele uren later de geest gaf. Het woord wrang, is een gotspe, want dát uitgerekend Gustaf, bang voor alles wat met stayeren te maken had, sterft door een verkeerd geparkeerde gangmaakmotor.
Voor maatje Robl, aanwezig bij de begrafenis van z’n vroegere maat Freudenberg, was het stayeren nog niet link genoeg. De man knutselde in 1910 van linnen, houten latten en bijeengehouden door pianosnaren een vliegtuigje in elkaar. Waar hij op 18 juni, hoog vliegend boven Stettin, opeens zijn motor hoorde stoppen. Taddy werd 33 jaar.
Gustaf Freudenberg en Taddy Robl, echo’s uit een vér verleden. Behalve bijgevoegde zeldzame fotootje, zijn die jongens zijn allang vergeten.

De Miniemen

Voor Italiaanse jongens was het leven vijftig jaar geleden overzichtelijk. Of je werd lid van de lokale maffia óf ‘het geestelijke ambt’ riep je. Was dat laatste het geval, dan was er sprake van  een roeping. Het  priesterschap lonkte. Om je plaatsje in de hemel zéker te stellen meldde zo’n jongen zich bij de Order der Miniemen. Dat laatste alleen bedoeld voor de gelovige hardliner.
De monniken der Miniemen,  topsporters  in het geloof,  levend volgens een zeer strenge gelofte van armoede. Mannen die van het ascetische bestaan een wetenschap hadden gemaakt, schurkend tegen het masochisme aan. Wee die monnik die zich zelf betrapte op een lullig foutje. Met een zekere genoegdoening  mocht zo’n monnik zich zelf, mét de korte zweep, fijn geselen.   
De  Miniemen, eten geen vlees, eieren, noch zuivelproducten. Wat die eieren betreft, logisch. Een monnik met een ‘zware zak’, dát wil je niet in je klooster. Zo’n abt moet daar toch niet aan denken.
Of ze ondanks al die ontberingen  wel eens lol hadden? Zekers. Maar dan  wél in het teken van naastenliefde. Lachen om het lachen was er niet bij, zoals Umberto Eco dat beschreef in zijn ‘De Naam van de Roos’.
Lol hadden ze in het klooster als  de Giro d’ Italia langs trok. Tussen de vesters en middaggebed in mocht de jongste fratello de lijdende koersende medemens, verfrissen met de waterslang.  Zoals tijdens de Giro van 1966. Waar een roodgloeiende zon, ruggen van coureurs schroeide. Bij zo’n monnik zat natuurlijk een vorm van herkenning, want pijn is fijn, pijn loutert de ziel, pijn zorgt later voor de beloning, anders wordt je geen Miniem, laat stáán profrenner.  
Lijdt maar jongen, denkt zo’n monnik, voor jou de Rondemiss, maar voor mij het heerlijke, eeuwige leven. Je mag dan wel een Miniem zijn maar ook een Italiaan. Ongetwijfeld werd in het klooster tijdens het avondgebed  gesmeekt dat vooral een landgenoot de Giro mocht winnen. De Heer heeft het met zijn jongens der Miniemen het beste voor.
De Lombardijn Gianni Motta, werd de eindwinnaar van  de Giro d’ Italia 1966.

Stuyfssportverhalen, een blog met meer dan zevenhonderd sportverhalen, én gratis te bezoeken.  Mocht U mijn blog waarderen deel dan svp, de ‘links’ van de verhalen die ik regelmatig op Facebook plaats. Hoewel er over bezoekersaantallen niets te klagen valt, kan er altijd meer bij. Bij voorbaat hartelijk dank en veel plezier op Stuyfssportverhalen.

Virus

Het poliovirus trapte nog wild om zich heen. Suikerklontjes besprenkeld met vaccinatie viel niet aan te slepen. Dat laatste,  geweigerd op de Veluwe én Bijbelgordel. De Heer heeft namelijk met alles een bedoeling. Ziektes zijn de straf voor beleden zondes, zo werd van de kansel geroepen.   Een opinie waar de rest van het land lak aan had.
Dan was er ook nog het tuberculosevirus waar hele volksstammen in sanatoria van bij lagen te komen. Om maar te zwijgen over het difterievirus. Begin jaren vijftig, waar de ratio het overwon van massahysterie. Grote bijeenkomsten vonden  gewoon plaats. Sportwedstrijden werden massaal bezocht. En de Koers? Die ging gewoon door. Liep je als toeschouwer daarbij een virus op, dan had je doodgewoon pech. Of anders was het wel de beoogde straf van Hem. De Heer wikt, de Heer beschikt. Dat Parijs-Nice anno 1951 van start ging, dat stond niet ter discussie. Voor Roger Decock maar goed ook. Decock, een Vlaamse stoemper  van vijfentwintig jaar, maakte tijdens de tweede etappe met finish in Saint Etienne, dé beslissende slag (zie foto, met Decock helemaal links). Decock pakte daarmee de leiderstrui. Om het hele koersverloop hier te beschijven is saai. Laten we het er maar op houden dat Roger de overwinningsbloemen van Parijs-Nice mee nam naar Izegem, West-Vlaanderen, z’n woonplaats.
Roger Decock, die in 1952 absolute wielergeschiedenis schreef, door de Ronde van Vlaanderen te winnen, was twaalf jaar profrenner en verdiende zijn  franken voornamelijk in de Vlaamse koersen.  En laten we vooral niet badinerend doen over het instituut, ‘Vlaamse Kermiskoers’, waar alleen de ijzersterke overeind in bleven: Roger Decock won er eenenvijftig van, waarvan akte.
Dat Roger Decock met een ijzersterk gestel is gezegend blijkt wel. Die ouwe, taaie  Vlaamse kasseienstoemper is met zijn vijfennegentig jaar nog steeds onder ons.

Bron: Miroir Sprint, jaargang 1951.

Fles melk

1960, hét  rock ’n roll-tijdperk van de koers. Waar alleen de geestelijk sterke van het peloton overeind bleven.  Dat waren de jongens met harde, magere koppen, met   een wantrouwende blik, diep verzonken in oogkassen. Altijd op hun hoede om niet besodemieterd te worden door zo’n ploegleider. Wat al een hele prestatie op zich was. Toenmalige ploegleiders, ongure sujetten  ontsnapt aan de aandacht van justitie, dominee en pastoor.
Koersen in de sixties, de Hoge School van het leven. Eenmaal  college gelopen, dan was je voor de rest van het leven gepokt en gemazeld. Of anders had je een  verslavingsprobleem, met dank aan louche  soigneurs. Volgens sommigen was het de romantische tijd  van de koers. Wat twijfelachtig is.
In de loopgraven van het peloton zingen de anekdotes over de toenmalige soigneurs, nog steeds rond. Hilarische, horrorachtige verhalen. Zoals over die ene Amsterdamse verzorger,  die een oekaze had uitgevorderd dat een renner, bij hem in ‘de verzorging’, maar een half liter vocht per dag mocht drinken. Tientallen coureurs kregen prompt last van nierstenen.
Dat ze met  de amfetaminepreparaten wel raad wisten, behoorde tot de mores van het peloton. Minder was, dat deze kwakzalvers een enkele keer té ver gingen.
Zo’n gedrogeerde renner, aan iets vreselijks ontsnapt,  kreeg dan na de koers een fles melk te drinken. Ontgifte werd dat genoemd. Hoe simpel wil je het hebben?
Ongetwijfeld voelde Gastone Nencini zich senang in dat wereldje. Nencini, begenadigd klimmer uit Toscane, won eind jaren vijftig de Giro d’ Italia. Gastone, één van beste dalers uit de geschiedenis, werd door de tifosi beschouwd als dé opvolger van Coppi, Bartali en Magni. Hoger en benauwder kun je  de lat voor een Italiaanse renner niet leggen. In 1960 benaderde Nencini de verwachtingen. Na de tiende etappe van de Tour mocht de Toscaan de gele trui aantrekken. Om die tot Parijs te houden.
Inmiddels wielergeschiedenis. Memorabeler waren de huldigingen na zo’n etappe. Waarin Nencini het vrijgevochten beeld van de toenmalige koers bevestigen, door voor de dagelijkse huldiging van de gele truidrager, even een sigaret weg te paffen. Ongetwijfeld had de verzorger geen melk voor handen…

Het eeuwige leven

Leef wild en sterf jong, het liefst in het harnas. Je naam zingt rond en de status van cultheld lonkt. Fausto Coppi , James Dean, en Marco Pantani gingen voor. Stan Ockers overkwam dat ook. Stan, wielrenner tijdens de fifties. De tijd van tubes om de schouder, steenpuisten op het zitvlak, soigneurs met koffers vol dope en louche ploegleiders. Wat volgens sommige de romantische tijd van de koers was. Over Ockers, afkomstig uit Antwerpen hadden sportschrijvers in de loop der jaren schrijfmachines en vulpennen op versleten. Toch even een kleine samenvatting over Stanneke, zoals zijn bijnam was.
Ockers, geen toevallige voorbijganger in het peloton, won onder meer de Waalse Pijl, Luik-Basenaken-Luik en werd in 1955 wereldkampioen op de weg. Dat Stan ook nog twee keer tweede werd tijdens de Tour van 1950 en 1952, en ook twee keer de groene trui won in 1955 en een jaar later,  is aardig voor de statistici onder ons.
Op 29 september klopte Stan op de poort van de Cultstatus door tijdens een dernykoers, gehouden in het Sportpaleis van Antwerpen ten val te komen. Twee dagen later stierf Stan, zesendertig jaar.
Ockers, volksheld uit Antwerpen, kreeg  een vorstelijke begrafenis, door meer dan twintigduizend  trouwe bewonderaars, bijgewoond. Volkshelden als Stan moeten blijvend geëerd worden. Iets dat ze in Antwerpen goed hadden begrepen. In de Antwerpse wijk Borgerhout werd een straat naar Stan vernoemd.
Culthelden hebben het eeuwige leven. Vandaag 3 februari, de honderdste geboortedag van Stan Ockers.

error: Content is protected !!
%d bloggers liken dit: