De digitale inktpot gaat weer open

italie2014 024Val di Concei. Hoog weg gestopt in de Dolomieten. Een door God en andere mountainbikers verlaten stuk ongerepte natuur. Waarbij je soms het idee had ergens in de Rocky Mountains te zijn. Val di Concei, en de aanpalende valleien, ruig mountainbikegebied. De trails, ongeplaveid, door bossen, langs bergweiden, en snel stromende riviertjes, staan daar garant voor. Stuyfssportverhalen, twee weken lang met zijn fietsje in de streek, verkende iedere morgen het gebied.  Dat de middagen met pasta en Oostenrijks bier werd door gebracht is ter zijde.   Biken in Italië betekende wel dat de blog stil stond. Veertien dagen geen columns. Excuus daarvoor. Maar we zijn weer terug. Vanaf vandaag gaat de digitale inktpot weer open.

‘Bobby Fischer voor beginners’

Nieuw op Stuyfssportverhalen is het podium voor vers uitgegeven sportboeken. Uitgevers en schrijvers mogen hun nieuwe boek hier aanbieden. Het adres is te verkrijgen via de e-mail: zie ‘contact’.

bobbyfishBobby Fischer, de eerste echte schaakprofessional. De man die het schaken tot een volwaardig beroep maakte. Maar die tevens had bijgedragen  aan het beeld dat een schaker als een gestoord, introvert genie gezien werd.  Gestoord was Bobby Fischer zeker. Vooral in zijn bizarre leven. In het zojuist verschenen boekje ‘Bobby Fischer voor beginners’, neem schrijver Renzo Verwer de lezer, via een uitgebreid onderzoek in de krantenarchieven, mee in het chaotische en soms paranoïde  bestaan van Fischer. Een fascinerend, onthutsende, tragisch en soms hilarisch leven.
Met vlotte pen beschrijft Verwer de jonge Fischer. Een eenzame jongen die maar één vriend had: zijn schaakbord. Hoe hij het als jochie van zestien tot de tien beste schakers ter wereld bracht.  Een wonderkind waar ook de geur van rellen altijd om hem heen hing. En dat laatste maakt het boekje zo leuk. Bobby Fischer als twintiger die tijdens de jaren zestig de hele dag bezig was met schaken. Om ‘s nachts de parkeerplaatsen af te schuimen om antisemitische  pamfletten onder ruitenwissers te schuiven. De Joodse Fischer had een fascinatie voor Hitler en diens Derde Rijk. Fischer is ook onlosmakelijk verbonden met het wereldkampioenschap schaken tegen Spassky en gehouden in het Reykjavik van 1972. Verwer beschrijft, zonder langdradig te worden, de randzaken tijdens dat inmiddels legendarische kampioenschap.
Een tweekamp waarin de moeilijke, soms autistische persoonlijkheid van Fischer aan het licht komt. Dat Fischer in plaats van 1400 dollar een prijzengeld bedong van 125.000 dollar (een bedrag dat door een miljonair nog eens werd verdubbeld) was te prijzen. Minder was, dat  Fischer, na gestoord te zijn door camera’s wilde stoppen met de tweekamp. Uiteindelijk was het minister van buitenlandse zaken, Henry Kissinger die, met de opmerking ‘Jij bent onze man tegen de rooien’, hem uiteindelijk wist over te halen. bobbyfischergraf
Bobby Fischer stopte na zijn wereldtitel in IJsland, waarschijnlijk door faalangst,  met openbare wedstrijden. De schaaklegende, die miljoenen dollars liet liggen, verkocht op straat antisemitische pamfletten en sliep in louche pensions en hotels in de omgeving van Pasadena. Om in 1992 opeens zijn rentree te maken. Voor een prijzengeld van vijf miljoen dollar ging Fischer een match spelen tegen zijn vroegere tegenstander Spassky. Dat Fischer voor deze match een dag aan het onderhandelen was omdat het paard in het spel, volgens hem een te lange neus had tekende zijn naderende krankzinnigheid.
‘Bobby Fischer voor beginners’, door Verwer, vlot en geestig geschreven, met het laatste hoofdstuk een analyses van Fischer’s belangrijkste partijen, is niet alleen voor schaakadepten verplichte kost.

‘Bobby Fischer, voor beginners’. Tweede herziene druk. 11.95 euro. Uitgave Uitgeverij Aspect. ISBN: 9789059117068.

Georgie fungeerde als opgewarmd lijk

Hij wist dat het link was. Spelen met vuur. Want in een maand tijd ging hij  als bokser twee keer knock-out.  En zoals altijd werd  gezond verstand verdrongen door brandende obsessie.  George Flores, twintig jaar jong, weltergewicht, had die ene gevaarlijke wens: een gevecht in het Madison Square Garden. Boksers kunnen daar hun verdere leven op teren. Garantie voor prachtige en sterke verhalen aan familie, vrienden of in de stamkroeg. Vechten in the Garden,  hét bewijs van erkenning. Daar zorgde het voorcriterium wél voor. Die was zwaar, hard en meedogenloos. Niet iedere zak met botten en spieren kwam daarvoor in aanmerking. 
De deuren van het Madison diende geforceerd te worden in de Saint Nicholas Arena. Een bokstempel gevestigd in de 66e street,  met wekelijkse aanwas van verse vuistvechters.  Aangeleverd door de boksschooltjes in de Bronx, Harlem of andere New Yorkse volksbuurten.
In de Saint Nicolas, ook wel St. Nicks genoemd was het voor aankomende boksers er op of er ober. Roem of vergetelheid. Dat dacht Al West ook. Nog zo’n  jongen met zulke grote dromen.  Eind december 1950, acht maanden voordat Georgies droom uitkwam stond Al, bijgenaamd Sonny Boy, tegen Percy Basset. Sonny Boy,  eenentwintig jaar. Een lichtgewicht afkomstig uit Baltimore, met bijna vijftig overwinningen. De eenenvijftigste zal nooit meer komen. Tegenstander Percy Basset sloeg in de zevende ronde letterlijk het licht bij Sonny Boy uit. Die een dag later overleed aan een hersenbloeding. Dat Sonny een zwangere vrouw, én een zoontje van nog geen jaar achter liet was ter kennisgeving.
Of Georgie Flores, acht maanden later,  aan Sonny Boys tragische hemelgang dacht? Ongetwijfeld. Zeker na zijn twee knock-outs binnen drie weken. Georges reflexen waren traag geworden. Zijn krachten gesloopt. De twee voorgaande gevechten hadden een wissel getrokken op zijn jonge gespierde lijf. Hij had zijn rust moeten nemen.
George, had niet alleen die rare brandende eerzucht maar ook een vrouw én een drie weken jong dochtertje. Er moest geld verdiend worden. Louche managers roken dat als een haai een bloedspoor. Het aanbod wat zij aan Georgie deden was té verleidelijk. De worst die hem voorgehouden werd was een gevecht in het Madison Square Garden én een aardige gage.
Eindelijk kwam zijn lang gekoesterde droom uit. George, arme jongen, verblind door  eerzucht, had niet door dat hij fungeerde als een ‘opgewarmd lijk’ voor tegenstander  Roger Donoghue. 
Roger, eenentwintig jaar, ook de eerste keer in the Garden, was gretig en uitgerust. Tot de zesenveertigste seconden in de achtste ronde kon Georgie de klappen van Roger weerstaan.  Om op een hoek bewusteloos neer te gaan. George Flores, twintig jaar jong, overleed drie dagen later. Nadat George bewusteloos was weggedragen drong het tot Roger door dat hij iets vreselijks had aan gericht. Uit wroeging schonk Roger later zijn overwinningspremie aan de weduwe Flores. En hing niet veel later zijn bokshandschoenen definitief aan een roestige spijker.

Foto 1: Sonny Boy West, stervend in de ring. Foto 2: Roger Donoghue deelt de beslissende klap uit. Foto 3: Het St. Nicks.

Bron: Sport Club jaargang 1951. Het digitale archief van de New York Times jaargang 1951.

Gods water over Gods akker, kost zege

sportclub9Tubes zijn op oorlogsspanning. Renners staan ‘scherp’.  En Orléans nadert. De derny’s worden gestart. Bordeaux-Parijs, editie 1951, gaat nu echt beginnen. Bijna zeshonderd kilometer, waarvan de laatste vierhonderd jakkeren achter een derny. Zestien lange uren koersen over de Via Dolorosa. Uren praten met God.  De hardste koers ooit.  Alleen bestemd voor gerijpte  kerels met een morbide verlangen naar de hel. Een koers met alleen maar verliezers. Op de winnaar na dan. Met een infernale finale in de heuvels van de Chevreuse. Waarin  renners, survivors eigenlijk, uitgeput achter het spatbordje van de derny hangen.  De heuvels, dé plek waar soigneurs vanuit auto’s de ene na de andere injectiespuit in rennerskonten steken.  Dwars door de broek heen.
Begin jaren vijftig. Hoogtijdagen van de amfetamines. De oorlogsvoorraden kwamen op de zwarte markt.  De jongens van de RAF en de Airforces, altijd gedrogeerd boven vijandelijk gebied, hadden daar fijne ervaringen mee. Om over de mof aan het oostfront maar te zwijgen. Die vocht, tjokvol perfetine, tegen de Rus. Maar we zijn niet op een oorlogssite. Dit gaat over Bordeaux-Parijs. Ook een soort van oorlog. Maar dan uitgevochten door vijfentwintig opportunistische kerels, waaronder één ventje. Roland Chartier twintig jaar jong, een talent.  Had het suïcidale plan opgevat om te starten in een koers waarbij lijven en carrières letterlijk werden gebroken.  Een jochie nog. Net over gekomen van de amateurs. Nog onvolgroeid.  En dan in de Bordeaux-Parijs. Kanonnevoer! Daar wisten zijn collega’s wel raad mee. De Vlaamse sportpers sprak  schande. Ploegleiders zaten daar niet mee.vanestbord-par
Bordeaux-Parijs, met Wim van Est als dé grote favoriet. De man waar iedere beetje gokker zijn laatste frank op had gezet. Daarvoor hoefde je geen kenner te zijn. Laat staan dat je in een lading koffieprut moest kijken. Een jaar daarvoor had Van Est in Bordeaux-Parijs behoorlijk huisgehouden.  En gewonnen. Van Est had dan ook een reputatie op te houden. Al was het alleen maar voor die stakkers die hun laatste geld op hem hadden ingezet. En die konden uiteindelijk fluiten naar hun franken. Met dank aan Lomme Driessens. De laatste moest zó nodig de aardappels afgieten. Maar daarover straks meer.
Bordeaux-Parijs dus, mét renners bij wie het  verstand op nul staat. Die blij zijn dat er nog leven in het lijf zit. Het denkwerk wordt maar overgelaten aan ploegleiders en gangmakers. In de wirwar van volgauto’s, derny’s, motoren kan een renner niet alles behapstukken. Daarvan maakte Bernard Gauthier, of beter gezegd, diens gangmaker sluw gebruik en piepte er ongezien tussen uit. Wim van Est noch diens gangmaker waren dat ontgaan. En Lomme Driessen, de ploegleider van Van Est? 
estborparLaat die nou juist op het moment suprême in een tarweakker zijn zwager een hand geven. Gods water over Gods akkers. Wat na afloop de nodige godslastering gaf.
Bordeaux-Parijs, de koers die alleen maar verliezers kent. In de zalige onwetendheid dat Gauthier al vier minuten eerder in het Parc des Princes was gearriveerd, dacht Van Est gewonnen te hebben.  Met de laatste is het trouwens nog goed gekomen. De Beul van ít Heike sloeg een jaar later genadeloos toe. Om in 1961 het onmogelijke te flikken, want won op bijna  veertigjarige leeftijd  nog één keer de monsterklassieker.

Foto 1: Bordeaux-Parijs met op kop Roland Chartier. Foto 2: Wim van Est. Foto 3: Winnaar Gauthier tussen zijn gangmakers.

Bron: Sport Club, jaargang 1951, Sportief, jaargang 1951.

Kampioen voor de poorten van de wielerhel

Copy of jaapoudkerkadamoSeptember 1964, Parijs, finale wereldkampioenschap stayeren amateurs. Met Jaap Oudkerk als dé favoriet, die zevenenvijftig minuten de concurrentie geselde.  Om in de laatste drie minuten bijna de titel te verspelen. Voor de poorten van de wielerhel pakte Jaap uiteindelijk de wereldtitel.  Stuyfssportverhalen staat bij het jubileum even stil.

Tweede worden op een wereldkampioenschap is mooi. Maar twéé keer tweede worden is frustrerend. Als wielrenner balanceer je dan op de kantellijn van crack of kruk.  Jaap Oudkerk,  hardrijder pur sang, behoorde, begin jaren zestig tot één van de beste  achtervolgers ter wereld. Stond twee keer in de finale van een wereldkampioenschap achtervolging.  En werd evenzoveel keren verslagen. Grote kans dat je de geschiedenis inglijdt als de man van ‘net niet’. Vertwijfeld vroeg Oudkerk zich af of hij het wel kon. Goddank was daar gangmaker Bertus de Graaf.  De laatste onderkende Oudkerks atletische kwaliteiten. Jaap Oudkerk nam zijn plekje achter de zware motor in.  Samen met de geslepen De Graaf werd de Europese wielerbanen bestormd: een succesvolle campagne. Voor het naderende wereldkampioenschap in Parijs was Jaap op slag dé favoriet..
De verwachtingen waren zo hoog als de Westertoren. Terecht. Oudkerk huppelde onbekommerd door de serie heen. De finale was een kwestie van een formaliteit.  En laat dat nou nét bijna mis gaan.knippie
Oudkerk, weliswaar een geboren topstayer, maar ook man met een kwetsbaar moraal. Tien minuten voor de start van de beslissende titelrace, als een vertwijfelde Jaap  masseur Piet Liebregts aanklampt met de vraag of hij het wel aankon. ‘Heb vertrouwen Jaap. Je moet het kunnen. Jij wordt wereldkampioen’, lispelde de Brabantse spierenkneder. De morele oppepper gaf het nodige vertrouwen. Na het  startschot stoomde de Mokumer direct op naar de eerste plek. Na veertig saaie minuten waarbij het publiek een gaap niet kon onderdrukken, lag de concurrentie op één of meerdere ronden achterstand. Alleen de Belg Jan Walschaerts en de Fransman Salmon, bijna op een ronde achterstand, hielden stand. Bertus de Graaf, gulzig, opende de aanval, waarmee hij tevens zijn renner ‘opblies’. Het begin van een bloedstollende finale.
Nog drie minuten te gaan. Oudkerk moet de rol lossen, rijdt meters achter de motor. Het tempo stokt.
Na twee zeperds in een finale van een wereldkampioenschap dreigde voor de potentiële wereldkampioen een nieuwe catastrofe. Werd het weer een mislukking? Weer ‘net niet’?
De titel was op dat moment mijlenver weg. En  Jan Walschaerts? De man reageerde als een bloedhond. Sloop dichterbij. Het werd een strijd tussen twee boksers die op hun laatste benen liepen. Zowel Oudkerk als Walschaerts zaten er doorheen.
JAAP OUDKERK 01Nog twee minuten koers.  Met het laatste restje energie weet Oudkerk  contact te maken met de De Graaf. In het diepst van zijn inzinking klonk het finaleschot. Voor de poorten van de hel, waar de regenboogtrui aan was vastgespijkerd kon Oudkerk het tricot lostrekken. Jaap Oudkerk, de twijfelaar die na de race angstig vroeg of hij werkelijk wereldkampioen geworden was, groeide uiteindelijk uit tot één van de beste stayers ter wereld.

Foto 1: Huldiging wereldkampioenen. V.l.n.r. Jaap Oudkerk, Bertus de Graaf, Timoner, en rechts Tiemen Groen. Tussenin zanger Adamo.
Bron: Vrije Volk jaargang 1964.

Emil, stuurman in de twilightzone

Copy of linartborchartWat er in zijn hoofd omging liet zich raden. Daar hoef je geen psych voor te zijn. Zijn kop zat dan ook vol met horror, en ander soort gruwel. Hoe de man ooit rustig heeft kunnen slapen, is een raadsel. Iedere nacht was één grote angstdroom vol verschrikkingen. Stuurman zijn op een motortandem ging je namelijk niet in de koude kleren zitten. Dát was linke soep. Wat zeg ik nou? Levensgevaarlijk zal ik bedoelen. Stuurman Emil Borchardt,  geestelijk getormenteerd, had traumatische dingen meegemaakt, zoveel is zeker. Nachtmerrieachtige gruwel waar Edgar Allen Poe patent op had.
Borchardts stuurmanscarrière speelde zich af in de twilightzone. In het gebied waar het tijdelijke overgaat in het sterfelijke.  Iedere koers werd er in de ogen van de dood gekeken. En dat in een tijd dat van geestelijke nazorg geen mens gehoord had. Borchardt, stuurman op, zoals Vlamingen plachten te noemen ‘d’n petroleumtandem’, zag het gevaar op zich afstuiven. D’n Petrool’, een brullend monster van een motorfiets door twee man bediend. Die met gemak honderd kilometer haalde. En het was hem allemaal zo mooi voorgespiegeld door gangmaker Willy Porte. Hij hoorde Willy nog zeggen: ‘Emil, jungen, geen reet aan. Jij hoeft alleen maar te sturen. Ik geef wel gas’. Voor Emil was het sowieso geen pretje. Want met zijn kont  tegen de benzinetank en vlak onder hem een godsgloeiend hete motor. Zoals ieder mens recht heeft op zijn moment, kreeg Emil die ook. Weliswaar van een bedenkelijk soort, maar toch.Copy of startkatastroof
Zijn finest hour speelde zich af 18  juli 1909 op de splinternieuwe wielerbaan in het Berlijnse Botanische Garden.  Waar de tribunes vol zaten, met uit flesjes bier lurkende mannen, die boeren lieten als geweerschoten en hun dames die van het naderende spektakel d’r directoires nat voelden worden.  Maar dat ontging Emil Borchardt allemaal. Emil, samen met gangmaker Willy Porte,  ging Fritz Ryser ‘trekken’:  dé grote favoriet want wereldkampioen. Nadat de renners zich hadden opgesteld en de motortandems met veel geraas waren vertrokken, klonk het startschot. Henry Contenet, Stellbrink, John Stol en Fritz Ryser trokken zich op gang voor wat later een infernale race werd. 
Zalig zijn de onwetenden. Ook Emil Borchardt en Willy Porte. Willy gaf nog maar even gas bij. Zijn stuurman vouwde zijn ielig lijfje plat op de motor.
Fritz Ryser  trapte zijn longen uit zijn tanige lijf, als die ene droge knal klonk. De achterband van Stols gangmaakmotor  was gesprongen. Borchardt mocht dan gesloopt zijn door helse dromen, de man bleef wél bij de les. In een splitsecond  stuurde Emil de motor scherp omhoog. En vloog vervolgens met negentig in het uur met motor en al over de balustrade midden in de afgeladen tribunes, en ontplofte. Negen mensen vonden de dood, en vijftien anderen werden met zware brandwonden afgevoerd.
Copy of rampberlijn9Van onder  de brandende motor vandaan werd Emil naar het middenterrein gesleept. Emil Borchardt, stuurman op de petroleumtandem, bracht het levend er van af, al zou nooit meer een motortandem sturen. Dat hij zijn conclusie trok is duidelijk. In de archieven kom je zijn naam, na zijn crash, niet meer tegen.

Foto 1: De motortandem, links stuurman Emil Borchhardt, gangmaker Willy Porte en Victor Linart. Foto 2: Vlak voor de start, links Fritz Ryser, Henry Content, John Stol en Stellbrink. Foto 3: De persen van de ansichtkaarten industrie draaide op volle toeren. 

Sportmonumentje ten prooi aan barbarisme

knipselvreHet gebeurde tachtig jaar geleden. Maar het drama is er niet minder om. Klaas van Nek junior, Flip Reijnders, en Sam Hoevens, verongelukte dodelijk in september 1934. Zojuist terugkomend van een koers in Leeuwarden, werd hun auto door een trein verpletterd op een onbewaakte spoorovergang in de buurt van Warmenhuizen. Sam Hoevens, net negenentwintig jaar, liet een vrouw en dochtertje Dien achter. samhoevensgraf 025
Sam, begraven op begraafplaats Vredenburg aan de Amsterdamse Haarlemmerweg, kreeg van zijn supporters een prachtig bronzen beeldje op zijn graf. Het graf, behoorde tot één van de weinige sportmonumenten in de hoofdstad. Tussen de graven van Johnny Jordaan, Cor van Hout en Johnny Meier, stond het beeld tachtig jaar te pronken. Tot afgelopen weekend. Koperdieven, zonder enige vorm van respect sloopte het beeld van de sokkel. Barbarisme waar geen woorden voor zijn.
De kleinzoon van Sam Hoevens, Henny Stakenburg is geschokt. Voor hem was het één van de weinige tastbare herinneringen aan zijn opa. Inmiddels is het bericht mét foto van het beeld, door Stuyfssportverhalen op Facebook geplaatst en ontelbare keren gedeeld. De stichting ‘Vrienden van Vredenhof’ looft een beloning van duizend euro uit voor terug bezorging van het beeld. Stuyfssportverhalen doet daar honderd euro bij.

Na de Tour een mythische status

Copy of vanbreenDeBaereJe hoefde alleen maar zijn voornaam te noemen. En de hele buurt wist wie dat was.  Een eer voor weinigen weggelegd. Hein van Breenen, lokale Tourheld, reed wél verschillende keren de Ronde van Frankrijk. Draaide als meesterknecht zijn ballen eraf voor Wim van Est en Wout Wagtmans. Was met afstand dé held uit de Amsterdamse Nieuwmarktbuurt. Begin jaren vijftig: de  Ronde van Frankrijk. Alleen te volgen via kranten of radioreportages van Jan Cottaar. Alle omes, tantes, én de hele geboortegolf van de buurt aan de buizenradio gekluisterd. Hein werd tweede in de zestiende Touretappe van 1954. En gaf vervolgens stotterend en in plat Amsterdams een onvergetelijk radio-interview.
Na zo’n Tour had Van Breenen een welhaast mythische status. Althans bij de buurtjongens.
Heins thuiskomst mocht er dan ook zijn. De  Korte Koningsstraat, straatje vol buurtwinkels, want bakker, melkman, avondwinkel, ijssalon, scharenslijperij, drogist én de groentenwinkel van de familie Van Breenen, ging los. De straat afgeladen met ‘de buurt’. Wachtend op de  thuiskomst van hun held. En dan kwam Hein. Via de Oude Schans als een koning in een open auto door de mensenmassa. Uit het raam, boven de groentewinkel,  de complete familie Van Breenen. Op het naastgelegen dakje buurman, en grootste supporter Appie Franzen.
Van Breenen kind van zijn buurt want hechte gemeenschap van havenarbeiders en ambachtsmensen. Tikkeltje rauw, sociaal bewogen. Recht door zee. Hart op de tong. Dat laatste brak Van Breenen op. Hein maakte deel uit van de Locomotiefploeg onder leiding van ploegleider  Pellenaars. De laatste, stak na de Tour de helft van de verdiende premies in eigen zak. Er was maar één renner die dat niet pikte…aheintour
Van Breenen, vier keer meegedaan in de Tour, en evenzoveel keer uitgereden. Na zijn carrière die acht jaar duurde baatte  Van Breenen onder meer de groentezaak van zijn ouders uit. Tussendoor fungeerde hij als bondscoach. In tegenstelling tot veel van zijn buurtgenoten, die uitweken naar Almere of Purmerend, bleef  de voormalige tourrenner zijn geboortebuurtje altijd trouw. Ook Tourhelden hebben niet het eeuwige leven. Maar die van Hein van Breenen was wel heel kort. Hein, held van de jongens uit de Nieuwmarktbuurt, overleed in 1990 op zestigjarige leeftijd.

Dit was de laatste column in de serie ‘Tour de France 2014’.

De toges van een goede knecht

Copy of clemtens19361Kopman en knecht! Een vorm van platonische herenliefde, dat het begrip kameraadschap ver voorbij gaat. Waar dat mee begint? De kont van zo’n knecht! Jaren na zijn carrière kon menig kopman die nog uittekenen. Het was immers die toges  waar hij tienduizenden kilometers lang tegenaan keek. Waar hij beschutting tegen storm, regen en ander gruwel, vond. Dan ontstond er iets moois. Of Arsène Mersch en Matthias Clement ‘iets’ met elkaar hadden, is niet meer duidelijk. Ook is niet meer zeker wie de kopman dan wel knecht was. Wél dat ze van elkaar hielden. Zoveel is zeker. Althans als je die ene foto goed bekijkt. Zo’n plaatje waar de genegenheid vanaf spat. De fijne ‘pakkerd’ die Arsène krijgt, spreekt namelijk boekdelen. Twee mannen, bezweet, beslijmd en bevuild die elkaar ongeneerd knuffelen. Op elkaars mond zoenen. Matthias en Arséne. Twee jongens, amper twintig lentes jong, Luxemburgers, die hun landje in één keer op de wielerkaart plaatste.
Tour de France, woensdag 9 juli 1936. De dag die de jongens hun leven nooit meer zouden vergeten. De zesde etappe,  Charleville-Metz, dwars door het Groothertogdom.  Honderdzestig kilometer lang. Ondanks de stromende regen waren Matthias  en Arsène, tjokvol moraal, de hele koers in de aanval. Strijdend voor eigen publiek, want rijen dik, daar kan geen preparaat uit een apotheek tegenop.arsenemersch
Matthias had dat goed gesnapt. In de laatste kilometers plaatste hij dan ook de beslissende ontsnapping. Met veertig seconden voorsprong solliciteert Matthias naar een plekje in de eregalerij van  etappewinnaars. Als even later blijkt dat Arsène Mersch de gele trui heeft veroverd gaan de Luxy’s helemaal los. Achter de finishstreep vinden er opmerkelijke zaken plaats.  Clement, dronken van euforie, neemt zijn vriend in een wurgende omhelzing. Een horde  toeschouwers kijken verbijsterd toe.  Maar die laatsten weten dan ook niets van de voordelen om achter zo’n kont te fietsen. 

Matthias Clement gekoerst tot 1948, stierf op zesentachtig jarige leeftijd. Zijn kameraad Arsène, die ook nog eens de 21e etappe won, ‘vertrok’ op zevenenzestig jarige leeftijd.

 Foto rechts: Arsène Mersch. Bron: Sport Illustres jaargang 1936.

 

Giovanni’s kerf op de paal van de Tourgeschiedenis

Copy of gerbikopHet is de vroege ochtend van 15 juli 1909, als hij met een stevige punt in zijn lange jaegeronderbroek wakker wordt. Lomig denkt hij aan de romige borsten van zijn buurmeisje. En net op hét moment dat hij de hand aan zich zelf wil  slaan, galmen diep in zijn hersenen opeens de  horrorpreken van mijnheer pastoor dat onaneerders en andere viespeuken hel en vagevuur wachten.  En anders  kaalheid dan wel ruggenmergtering. Met ijskoud water, afkomstig uit een lampetkan, weet  Giovanni Gerbi zijn lust te blussen. Gelukkig voor hem. Want deze dag heeft hij alle hormoontjes en eiwitten extra hard nodig.  De achtste etappe Grenobele-Nice, driehonderdvijftig kilometer dwars door en over de Alpen,  staat namelijk te wachten.  Na zich te hebben geschoren met het klapmes van wijlen zijn opa hijst Giovanni, winnaar van de ronde van Lombardije 1905, zich in zijn klamme, muffe rennerskleren. Na het ontbijt van tien rauwe eieren, spek, zwart brood en een liter koffie, peddelt Giovanni Gerbi, bijgenaamd ‘de Rode Duivel’ op zijn Bianci-karretje naar het vertrek.  Voor Giovanni, perfecte maffiaharses,  mocht de etappe beginnen. Copy of gerbihandtek
Als het startsein gegeven is, vertrekt de Duivel voor een doldriest avontuur met hilarisch afloop. Dat hij een kerf ging krassen in de paal van de Tourgeschiedenis, dát was zeker. Maar niet op de manier waarop hij gehoopt had. Halfweg koers piept de inwoner van Piemonte er tussen uit. Aan zijn eenzame vlucht over de hoge Alpencols mankeert niets. Ver voor het peloton uit,  stormt de Italiaan het decadente Nice binnen. Nog drie kilometer. De finish in zicht. Roem, glorie, eer en geld staan te wachten..
En dan…dan is er geen koffie maar een tramrails. En laat de Duivel die nou nét niet zien.  Wat volgt is drama. Zo één waar alleen Italiaanse renners patent op hebben. Zijn achterwiel blijft steken in de rails. Een flinke kukel en zijn fietsje is een wrak. De Piemontees neemt de restanten van wat ooit een koersfiets was,  op zijn schouder en rent,  met de moed der wanhoop richting eindstreep. Om vlak voor de finish voorbij gestoken te worden door zes renners. Giovanni Gerbi, op de drempel van eeuwige Tourroem, zal nooit meer een rit in de Tour de France winnen en zakt langzaam weg in de stoffige wielergeschiedenis. Om in 1982 opeens op te duiken. Paolo Conti, een zingende murmelaar, brengt zijn nieuwe lp uit. Als ode aan die ene schlemiel uit Piemonte ook het nummer Diavolo Rosso Dimentica La Strada.

Bron: Een kleine alinea in de Vlaamse Sport Revue, jaargang 1936, waarmee Stuyfssportverhalen opmerkzaam werd gemaakt over Gerbi’s lotgevallen in Nice. Wikipedia.