Voor Thaddy Robl was de Dood een voorbijganger

Tot in de uithoeken van Europa was zijn populariteit ongelofelijk. Als hij aan de start stond  waren de tribunes afgeladen en voor zijn kleedkamer stonden massa’s volk geduldig te wachten om maar een glimp van hem op te vangen.  Keizers, prinsen en koningen wilde met hem op de foto.  Thaddeus Robl was een topstayer die met wapperende haren, zwarte kleding,  fietste achter een vuurrode motor als de duivel op de wielerbaan.  Drie keer wereldkampioen stayeren, houder van snelheidsrecords, hield van vrouwen, gokken, én gevaar. De dood was voor hem maar een voorbijganger. Precies honderd jaar geleden stierf  Robl.

Als de pijn té erg was en de verse wonden begonnen te schuren en te schrijnen, liep hij naar de woonkamer. Dan keek hij even in een vitrine waar twee aftandse en kapotte fietsschoentjes lagen alsof het kostbare kleinoden betrof. Steevast moest hij dan denken aan die ene dag in 1898 toen hij mee deed aan de monsterrace Bordeaux-Parijs.
De regen kwam toen met bakken uit de hemel en na tweehonderd kilometer koers over erbarmelijk slechte wegen, waren zijn schoenen zó doorweekt dat de punten van de pedalen door de zolen heen in zijn voeten prikten. Thaddeus Robl leed helse pijnen maar koerste door en kwam als derde aan in Parijs.
Rock ’n roll
Die dag was zijn grote leerschool, daar leerde hij wat pijn was, wat afzien betekende. Ervaringen die hem later van pas kwamen. Thaddeus Robl geboren in het München van 1876 had twee jaar eerder zijn debuut als stayer gemaakt, een lugubere, levensgevaarlijke, maar lucratieve sport waar veel geld en roem mee te verdienen viel, maar  waar de dood of blijvende  invaliditeit nooit ver weg waren.  Hoewel geen mens van het woord gehoord had was Robl rock ’n’  roll op de wielerbanen. Met zijn wapperende zwarte haar, bruine kop en ijlend achter een vuurrode motor, liet hij menig meisje op de tribune smelten. In tien jaar tijd werd hij drie keer wereldkampioen won tientallen grote stayerskoersen en verdiende daar ruim driehonderdduizend Goudmark mee. Over zijn rijkdom behoefde niemand jaloers te zijn, want er is geen renner zó vaak en zó hard achter de motor gevallen als de Münchener.
Medaillon
Angst voor valpartijen noch de dood konden hem deren. Vlak voor de start van een race, als de motoren brullend door het stadion reden, betastte Robl even het medaillon met de beeltenis van de Heilige Maagd dat aan zijn nek hing. Voor de diepgelovige Beier kon de race dan een aanvang nemen. Robl nam de kracht van dat medaillon uiterst serieus.
Tijdens een race ontdekte hij tot zijn ontsteltenis, dat hij dat amulet in de kleedkamer had laten liggen. Ondanks protesten van zijn gangmaker Brettschneider stapte hij af, rende naar de kleedkamer, deed hem om, en hervatte de koers om die nog te winnen.
Ondanks zijn vertrouwen in God en de Heilige Maagd brak Thaddy, zoals hij liefkozende werd genoemd, zeven keer zijn sleutelbeen,  twee keer zijn enkel en zat regelmatig met zware hoofdwonden op de fiets.
Fatalistische leefstijl
Om honderden keren je leven op het spel te zetten dan verandert er iets in je geest. Robl, gekleed naar de toenmalige laatste mode,  hield er dan ook een vrij fatalistische leefstijl op na.  Zo mocht hij, tussen het fietsen door, graag aan autoraces meedoen, waarin hij diverse zware crashes overleefde. Door de vele contracten, voornamelijk in Duitsland, was Robl maanden lang van huis. In zijn Opel, in gezelschap van manager Kühbander, reed hij van wielerbaan naar wielerbaan.
Om naast een adrenalinejunk in een auto te zitten, was geen pretje. Voor Kühbander moeten die autoritten dan ook een helse ervaring zijn geweest. Ook in het toenmalige verkeer ging Robl ‘los’.  Op weg naar de Grote Prijs van Dresden 1907 gebeurde het onvermijdelijke. De stayerskampioen vloog met zijn Opel de bocht uit waarbij zijn manager een schedelbreuk opliep. Thaddeus zelf mankeerde niets.
Broertjes Wright
Het Berlijnse uitgaansleven was voor hem geen onbekende. Regelmatig zakte hij door en aan vrouwen geen gebrek. Erger was zijn goklust waar hij grote sommen geld mee verspeelde. De erudiete Robl, die meerdere talen waaronder Deens en Russisch vloeiend sprak, had het in 1909 wel gezien.  Fietsen achter de motor kon hem niet meer die adrenalinekick bezorgen  waar hij dagelijks naar snakte.
Gelukkig voor hem kozen de broertjes Wright in 1903, in een zelf geknutseld vliegtuigje, voor de eerste keer het luchtruim. In het spoor van de Wrights volgden tientallen waaghalzen. Terwijl met angstige regelmaat de wrakkige tweedekkertjes als aangeschoten ganzen op de grond te pletter vielen, koos Thaddeus Robl (foto rechts) óók voor het bloedlinke vliegen. Hoewel geen snars verstand van vliegtuigen besloot de gewezen fietskampioen een eigen toestel te ontwikkelen, wat het begin was van zijn financiële neergang.  Uiteindelijk ging zijn hele kapitaal, maar ook het kapitaaltje die hij voor zijn oude moeder had gereserveerd, op aan zijn nieuwe hobby.
Levensgevaarlijke combinatie
De eerste beginselen van het aviateurschap kreeg hij van de toenmalige topvlieger Frey. Na een paar lessen verklaarde Robl tegen de pers dat vliegen ‘heel gemakkelijk was en dat elke dappere man dat zou kunnen leren.’ Dapperheid én zelfoverschatting is en blijft  een levensgevaarlijke combinatie.
In de morgen van 18 juni stopte op het vliegveldje van Stettin een gloednieuwe auto, enige dagen daarvoor door Robl  aangeschaft.  Kwiek stapte de eigenaar uit, zoog zijn longen vol en gaf een aanwezige mecanicien de opdracht om een foto van hem zelf, mét een door hem geschreven tekst, (foto links) op de post te gooien.
Thaddeus Robl was er klaar voor, het zwerk lachte hem toe. Bij het aanzicht van de proestende, ploffende en hoestende tweedekker, voelde hij weer dat lekkere gevoel dat de haarwortels op zijn hoofd deed knetteren en de adrenaline door zijn aderen liet kolken. Hij dacht aan vroegere races, zag weer de brede rug van gangmaker Bretschneider voor zich, hoorde het publiek massaal zijn naam juichen. Scherend langs de randen van het leven, dát was voor hem een manier van leven.
Rechterhand verkrampt
Nog even een nonchalante armzwaai naar het grondpersoneel, de stofbril op, de pet stevig aangedrukt en de gashendel naar voren. Na een korte aanloop steeg de Farman-tweedekker met Duitsland’s eerste sportheld op. Een vlucht die een ‘enkele reis naar de hemel’ zou zijn.
Of de kracht van het Mariamedaillon uitgewerkt was of dat Vrouwe Fortuna het nu wel welletjes vond, is nóóit te achterhalen wél dat na een kwartiertje een doffe klap te horen viel. Thaddeus Robl was met zijn vliegtuig neergestort. Toen het lijk van Robl uit het wrak gehaald werd zat het medaillon mét ketting in zijn rechterhand verkrampt.
Robls hemelgang werd door de pers groots gebracht. Berlijnse kranten wisten te vermelden dat na zijn ongeluk een onbekende vrouw, zijn grote liefde, zich onmiddellijk naar het Berlijnse Stettin haastte en alle kosten van de begrafenis en vervoer naar München voor haar rekening nam. Wetende dat ze niet de liquide middelen had, beleende ze daarvoor al haar sieraden. Vier dagen later, op het Alten Südfriedhof in Munchen werd, Thaddeus Robl begraven.
Op de lokale Münchener wielerbaan werd twee maanden later de Robl Memoriam gehouden, een groot wielergala waarvan de opbrengt voor zijn armlastige moeder was.

Bronnen: Radwelt jaargangen 1902 t/m 1910,

Eerste podiumplaats voor Kimberly Muusse

Logica in de sport bestaat niet. Op de kunstijsbanen is Kimberly Muusse, rank,  frêle,  een ‘meerijder’ vaak blij als ze aan het eind komt. Je houdt je hart  als zo’n meisje zich aan de grillen van de barre natuurwedstrijden overgeeft.
Zorgen om niks, want  Muusse blijkt een keiharde tante te zijn, taai als hondenleer.  Tijdens het kampioenschap van Nederland op natuurijs, een slijtageslag op het Laardermeer, dartelde ze onder barre omstandigheden naar de tiende plaats.
Bijna te laat voor de start omdat een lusje van haar sportbeha los zat en alle lagen kleding uit moesten, vloog ze er direct in. Gaten dicht rijdend,  demarages beantwoorden, tot een moment van verslapping. Even niet opletten betekent de slag missen, want twee meiden pierden er tussen uit. In een achtervolgend ploegje spurtte de Zaanse naar de tiende plaats.
Nauwelijks hersteld van de inspanningen stond ze drie dagen later in het Zweedse Fallun aan de start voor een honderd-kilometerrace die onder Siberische omstandigheden werd gehouden.
In het land van Pippi Langkous waar alle vrouwen blonde, blauwogige godinnen zijn en mannen een heel hoog sukkelgehalte hebben was het 23 graden onder nul. Als oren van  hoofden vriezen en aan daken ijspegels hangen als stalagmieten dan moet je als schaatster eigenlijk een beetje knots zijn, of van beton. Schaatsen werden aangetrokken in een verwarmde tent en met frisse tegenzin werd gestart. Op het lokale meer werd het een slagveld. Het overgrote deel van het peloton stapte af. Alleen de sterksten gingen door. In de eindfase sprongen drie meiden weg en met een alles of niets poging sloot Muusse aan.
In de sprint pakte ze de eerste podiumplaats uit haar loopbaan. Achter Andrea Sikkema werd de studente tweede. Ondanks lichte bevriezingsverschijnselen en een verkoudheid vertelde ze aan Stuyfssportverhalen dat  ze het ‘Ongelofelijk en onvoorstelbaar mooi vond.’
Van Muusse gaan we volgend jaar meer horen
.
Foto: Hilco Koke

Wie was nou de uitvinder van de Vikingschaats…?

Het was Rintje Ritsma die hem overhaalde het nog een keer te proberen. De rest is geschiedenis want Gerard van der Velde won goud in Salt Lake City. De duizend meter raasde hij af in een destijds ongelooflijke tijd van 1.07.18, een nieuw wereldrecord. In de docu ook beelden van schaatsenfabriek Viking van Jaap Havekotte.
Want geen schaatsgeschiedenis zonder schaatsen uit deze fabriek. Eind vorig jaar stond  de hoogbejaarde  Havekotte  de Telegraaf een interview toe waarin de historie van zijn ‘merk’ langs kwam. Havekotte (foto links: geplaats in Sportief 1949) repte ook over zijn toenmalige partner, Ko Lassche, die hij, in dat verhaal, van diefstal beschuldigde en daarom, zo’n achtenvijftig jaar geleden de laan uitstuurde.
Maar het was die zelfde Lassche die aan de wieg van het succes van Viking stond. In het weekblad Sportief van 1949 bevestigde Havekotte dat. ‘Een jongeman belde bij mij aan,’ vertelde Havekotte aan Sportief,. ‘Die mij een paar zelf gemaakte schaatsen liet zien. Het waren Noorse schaatsen die hij van biscuitblik gemaakt had. Ik zag meteen dat die jongen, Ko Lassche want dat was zijn naam, een eerste klas vakman moest zijn. Toen is bij ons het idee geboren zélf de fabricatie van Noorse schaatsen ter hand te nemen.’
Lang hield die samenwerking niet stand want Lasschke werd door Jaap weggeschopt.
Bert Lassche, zoon van Ko, reageerde furieus en het was columnist  Frenk der Nederlanden van Het Parool, die zijn verhaal oppikte… Hieronder diens verslag.

Het Parool
Zijn hele leven heeft hij zijn mond gehouden, maar nu moet het hoge woord er maar eens uit. Niet Jaap Havekotte, maar zijn vader, Ko Lassche, is de geestelijke vader van de Viking, de stalen noor die door Art en Keessie wereldfaam vergaarde. Bert Lassche: ‘Havekotte heeft altijd de eer opgestreken, maar nu hij om zich heen schopt, moet het echte verhaal maar eens worden verteld’.
Hij kijkt er niet vrolijk bij, want Lassche (Amsterdam, 1946) heeft ondanks alles wel respect voor ‘Ome Jaap’. ‘Havekotte heeft veel betekend voor de schaatssport in Nederland, dat staat buiten kijf. Ze mogen hem van mij in het zonnetje zetten, maar de uitvinder van de Viking is hij niet, wat hij ook beweert.’
Ten bewijze legt Lassche documenten, foto’s plakboeken op tafel. En dan zijn er natuurlijk nog de schaatsen zelf. De woonkamer van zijn huis in Schellingwoude hangt er vol mee, van de Linschoter krulschaats uit de negentiende eeuw tot de noren die zijn vader fabriceerde. Lassche slaat met zijn hand op de Telegraaf, waarin de nu 97-jarige Havekotte zijn vader onlangs betichtte van diefstal. ‘Walgelijk is het, zo laag bij de grond, en dat ten opzichte van een man aan wie hij alles te danken heeft. Mijn vader verdient dat niet.’
Ko Lassche (Nieuwendam, 1917) was als kind in de weer met ijzers, buizen en schoentjes. Na de oorlog maakte de koperslager in Durgerdam schaatsen van zaagbladen en koekblikken uit de voedseldroppings. Daarmee ging hij naar Havekotte, in die tijd een vooraanstaand figuur in de schaatswereld. Lassche: ‘Ome Jaap zag direct dat mijn vader een eerste klas vakman was. Begin 1948 gingen ze een samenwerkingsverband aan. Havekotte zorgde voor het startkapitaal, want mijn vader had geen stuiver. Ze werden allebei directeur. Daarom is het zo onverteerbaar dat Havekotte hem nu in de krant als een dom hulpje afschildert.’
Het duo begon een werkplaats in de Gerard Doustraat, maar de zaken gingen zo goed, dat ze een fabriek in de Derde Oosterparkstraat openden. De Vikingschaatsen vlogen als warme broodjes de deur uit en al snel hadden ze zeven man personeel voor zich werken. Maar in 1952 kwam aan de samenwerking een einde. Volgens Havekotte zette hij Lassche (foto rechts, Sportief 1949) op straat nadat die was betrapt op de diefstal van twee paar schaatsen.
‘Allemaal onzin’, zegt Bert Lassche. ‘Mijn vader was geen zakenman, dat klopt. Hij wilde vooral mooie schaatsen maken. Maar hij was een dief van zijn eigen portemonnee, niet van het bedrijf. Hij gaf ze weg aan vrienden in de hoop dat die dan in wedstrijden reclame gingen maken. Dat heeft kwaad bloed gezet, want Havekotte zat altijd op de penning.’
Hoe dan ook, Lassche begon weer voor zichzelf. In een oude boerderij in Amstelveen opende hij de Hjälmarfabriek. Hij gunde Havekotte het recht op de naam Viking. Lassche: ‘Mijn vader was niet haatdragend en heeft zelfs daarna nog werk voor Havekotte gedaan’.
In 1966 kwam hij bij een ongeluk om het leven. Zijn zoon staart uit het raam, naar de weilanden langs de Schellingwouderdijk. ‘De sloten zijn alweer bevroren’, zegt hij zacht. Dolgraag zou hij zelf ook het ijs opgaan, maar zijn knieën willen even niet meer. Hij neemt me mee naar de schuur, waar hij nog altijd schaatsen slijpt. ‘Uit heel Noord-Holland komen ze hier naar toe’.
Hij pakt de oude matrijzen van zijn vader en zegt: ‘Het doet wel pijn, hoor, zo’n aanval. Ik was zo kwaad dat ik Havekotte na die publicatie meteen heb opgebeld. Hij klapte helemaal dicht. Onbegrijpelijk dat een man op zijn leeftijd nog om zich heen gaat schoppen. Voor mij is hij niet langer ome Jaap, maar mijnheer Havekotte.’

Hup Saar….!

Hebben we net de ramp met de Noord-Zuidlijn verwerkt doemt er een nieuwe op: de Olympische Spelen! Dat krankzinnige megalomane plan van de gemeente Amsterdam om de spelen in 2028 te organiseren.
Om twee weken in het middelpunt van de wereld te staan wordt de stad en de omliggende natuur voor eeuwig verwoest. Je kan er op wachten dat de zogenaamde infrastructuur verbetert moet worden wat ten kosten zal gaan van onder meer het ongerepte Waterland.
Maar in de pikdonkere tunnel van wanhoop gloort er een lichtje: Maarten van Poelgeest. De GroenLinks wethouder wees het Westelijk Havengebied (Houthavens en Minervahaven) aan als locatie voor die Spelen, en dat viel bij sommigen nou niet echt lekker. Met de kreet dat de ‘havens zijn een economische motor voor Amsterdam’ trok het bedrijfsleven direct zijn steun voor de organisatie in. De Kamer van Koophandel sprak zich ook uit tegen deze locatie en vindt het belachelijk dat de haven gekozen is.
Los van het feit dat die Spelen er natuurlijk nooit mogen komen is vrijwel iedereen vergeten dat het Westelijk Havengebied historische grond is. In 1928 vond aan de voet van de Hembrug, op vrijwel de plek van Poelgeest gedroomde locatie, de start van de Olympische wegrace plaats.
Volgens het blad Sport In Beeld, dat in augustus 1928 met een extra Olympische nummer uitkwam, was dat ´een vrij monotone beweging daar de renners niet tegelijk vertrokken´. Bij de start van de lokale favoriet Duyken (foto) verbaasde de dienstdoende redacteur zich over de ´overdreven politiemacht die aanwezig was´.
Dat laatste kan wel eens een dejavue zijn want volgens ingewijde schijnt notoire dwarsligger Saar Boerlage (haar naam zijt geprezen), en haar clubje, die eerdere Olympische plannen eigenhandig de nek omdraaide, al warm te lopen…
Hup Saar…!!

Foto: Archief Stuyfssportverhalen

Bij de opening van een nieuw ‘plakseizoen…’

De jacht is weer geopend! Complete families, vrienden en kennissen worden ingeschakeld en bij de kassa’s van Albert Heijn spelen zich Derde Wereldtoestanden af want bedelende kinderen om voetbalplaatjes.
Bij de grootgrutter is het nieuwe verzamelalbum te verkrijgen waarmee de aftrap voor het nieuwe voetbalplaatjesseizoen is gegeven. In het voorwoord heeft oud-prof Jan van Halst, het over een ‘fantastisch album’ waarbij de ‘beste voetbalfan’ een blik in de kleedkamer gegund wordt.
Van de achttien eredivisieclubs zijn er afbeeldingen van genoemde kleedruimtes: boven de stoel van de betreffende speler kan het plaatje geplakt worden.
Jan heeft geen woord gelogen, het boek ziet er prachtig uit. Maar toch…toch is het album iets té gelikt, té glad, té commercieel en vooral té groot want niet handzaam. En dan die blasé koppen van sommigen spelers. Voor een niets vermoedend kind een avontuur om zo’n harses uit een zakje te halen…
Wat dat betreft had Albert Heijn een voorbeeld kunnen nemen aan sigarettenfabrikant ‘Miss Blanche’: in de jaren dertig trendsetter wat voetbalplaatjes betrof. Vaders, ooms en opa’s mochten  zich een longaandoening roken want in ieder pakje sigaretten  een ‘voetballertje’, wat met  eerlijke Velpon- dan wel Glutonlijm  in een handzaam boekje van oerdegelijk en stevig karton werd geplakt.
Plaatjes van een ontroerende lulligheid, waar het calvinisme van afspat. En zo hoort het ook! Want voetbal in zijn essentie is en blijft toch maar een balspelletje.
Wie dat heel goed begreep was Leo Halle, keeper van Go Ahead én het Nederlands Elftal. In de Miss Blanche Album van Vooraanstaande Voetballers der competitie 1931-32, maakt hij, met zijn mollige knietjes en broek tot aan zijn oksels omhoog gesjouwd, eerder de indruk van een hopman van verkennergroep de Trekvogel dan de ‘Leeuw van Deventer’ zoals zijn bijnaam luidde.
En tot slot nog een bekentenis over Heijn’s voetbalplaatjes: ik spaar ze ook.
Enne…bespaar mij asjeblieft de hoon want ieder mens heeft recht op zijn dwangneurose…

Veldrit, mix van cultuur, traditie en topsport, tenminste…in Vlaanderen

In Tabor, Tsjechië wordt dit weekend het wereldkampioenschap veldrijden gehouden. De kans dat een niet-Europeaan met de titel aan de haal gaat, is vrijwel nihil.
Vanaf het eerste wereldkampioenschap, in 1950, met winnaar Jean Robic, was, is en blijft het kampioenschap een onderonsje tussen voornamelijk Belgen, Zwitsers, Duitsers, Fransen wat Tsjechen, Italianen en, vooruit, Nederlanders. Om de sport te mondialiseren mag, in 2013, de Verenigde Staten het kampioenschap organiseren. Je behoeft geen waarzegger te zijn om te voorspellen dat daar geen Vlaamse ‘toestanden’ te verwachten zijn. Bij de zuiderburen is de veldrit vanaf 1910  een mix tussen cultuur, traditie en topsport waar iedere week tienduizenden supporters op af komen. Dat is nu, maar ook vroeger.   Absolute vedetten als  Sven Nijs, Niels Albers, Bart Wellens en Kevin Pauwels worden op straat herkend, zijn bekende Belgen. Tachtig jaar  geleden had Maurits Seynaeve (foto rechts) deze status. In de jaren dertig was de Vlaming vijf keer nationaal kampioen. Op de foto linksboven  het kampioenschap van Brabant, 1934, met de start in de straten van Thienen, met de latere winnaar Seynaeve.

Nederland heeft nooit een traditie van de cyclocross gekend en al helemaal niet voor de oorlog. Verstopt ver weg buiten de bebouwing, zoals bij Kraantje Lek in 1929, (foto links)  werden hier en daar werden wat veldritjes gehouden,  wat niet meer was dan folklore.

Foto’s: Archief Stuyfssportverhalen


Als je dan toch dood gaat…

Wielrenner Briek Schotte bewees dat de dood iets melodramatisch heeft, want zijn hemelvaart  had uit de pen van een Hollywood scenarioschrijver kunnen komen. Briek Schotte, krom gebogen over zijn fiets met een tube over zijn schonkige schouders was het archetype van de onverzettelijk Vlaamse kasseienstoemper. Beroepsrenner tussen 1940 en 1959, twee keer wereldkampioen, won alle  Vlaamse klassiekers, sommige meerdere keren.
D’n IJzeren Briek, volksheld, rukte ooit met zijn tanden een tube van de velg omdat zijn handen daarvoor te verkleumd waren. Kijk naar foto’s van Briek en er doemen beelden op van lugubere kasseienpaden mét zwoegende besmeurde renners. Zijn hele leven, de reden van zijn bestaan, maar ook zijn grote liefde en passie stond in het teken van de Vlaamse koers.
Op vier april 2004, de dag dat de Ronde van Vlaanderen door zijn geboortedorp Kanegem  denderde, blies    Briek Schotte, 84 jaar, zijn laatste adem uit en werd door de Grote Ploegleider tot Hem geroepen.
Lou Nova
Vermoedelijk had Lou Nova nooit van Briek laat staan de Ronde van Vlaanderen gehoord. Lou Nova, Amerikaan, was bokser, en géén slechte. Nadat hij in 1935 de wereldtitel zwaargewicht bij de amateurs greep werd hij prof. De eerste tweeëntwintig gevechten bleef the Cosmic Punch, zoals zijn bijnaam luidde, ongeslagen. Na afloop van zijn drieëntwintigste fight tegen Tony Galato werd Nova wakker in het ziekenhuis waar artsen ternauwernood zijn oog konden redde.
Na zijn revalidatie bleek de voormalige amateurwereldkampioen geen ‘opgewarmd lijk’ te zijn waarop beginnende boksers zich mochten uitleven. Lou Nova nam zijn plaatsje in de ring weer in en betwiste meer dan twintig partijen, waarvan hij een handvol verloor. Nova, en dat maakt de man zo fascinerend, was geen grijze boksende muis die in de pijlloos diepe krochten van de boksgeschiedenis terechtkwam.
Zo vocht Nova, in het New York van 1939, tegen Max Bear. Deze partij werd op de televisie uitgezonden: een unicum want het was de allereerste live tv-uitzending over boksen. Voor het nietsvermoedende thuispubliek moet dat gevecht een traumatische aangelegenheid geweest zijn, want het bloed spatte van het scherm. Lou, lekker op dreef, sloeg het gezicht van Bear tot pulp waarbij de ijzersterke Bear bijna stikte door een heftig bloedende onderlip.
Twee jaar later, op 29 september 1941, kreeg Lou de kans om het Nirvana van het boksen te betreden, want hij werd gecontracteerd voor een gevecht om de wereldtitel zwaargewicht. Tegenstander was de legendarische Joe Louis. Voor aanvang van het gevecht ontdekte verbijsterde journalisten dat Lou, in de kleedkamer, op zijn hoofd stond. The Cosmic Punch was de eerste pugilist die de voordelen van het joga ontdekt had. Niet dat het veel hielp, want in de zesde ronde werd hij door Louis neergehaald.
Voor Lou Nova, die na zijn bokscarrière een succesvolle loopbaan als acteur in Hollywood begon, was het gevecht tegen Joe Louis, publicitair, financieel én sportief het absolute hoogtepunt van zijn bestaan. Daar moet hij zijn hele leven bewust van zijn geweest, want exact vijftig jaar later, op 29 september 1991, stierf de boksende acteur…
Klaas de Lange
Ze woonden allebei in de Kerkstraat in Oostzaan, waren buurjongens en lid van wielervereniging DTS. Gerard van Beek en Klaas de Lange waren gepassioneerde wielrenners. De toen 28-jarige Van Beek was een redelijk goede beroepsrenner die zijn geld voornamelijk verdiende in de Zesdaagsen.
Zijn buurjongen Klaas, 19 jaar, wilde niets liever dan in de voetsporen van zijn buurman treden. Samen trainden ze en waar mogelijk gaf Van Beek (foto link) tips, en nam de jongen onder zijn hoede. Voor De Lange, was Van Beek een held van een andere planeet. Helemaal toen  Gerard hem één van zijn shirts gaf.
Dan is het 15 maart 1951. Voor de familie Van Beek, de buren en héél Oostzaan stond de klok even stil. Tijdens de Zesdaagse van Berlijn was Gerard van Beek dodelijk verongelukt.  Zestien weken later werd Klaas de Lange  begraven. Tijdens een clubkoers in de Wijde Wormer, notabene op de verjaardag van zijn vader, klapte De Lange op een tegemoet komende auto. Klaas, stierf in het shirt van zijn buurman.

Dank aan John Brouwer de Koning en zijn wonderlijke data-base die de tip gaf over Lou Nova’s sterfdatum, maar ook aan Hans Middelveld.

‘Flirt met de Dood’ bestellen of kopen

Na de mooie recensies die ‘Flirt met de Dood’ ten deel vielen, ook even de adressen waar het boek te verkrijgen is.

Ger Bikes, Brink 15, Amsterdam-Watergraafsmeer,
Stadsboekenwinkel, Vijzelstraat 32 in de hal van het Gemeente-Archief,
Het Martyrium, Van Baerlestraat 170-172, Amsterdam,
Beekhoven, Zuideinde 477 Amsterdam-Noord.
Boekhandel Pantheon Sint Antoniebreestraat 132-134 Amsterdam
Boekhandel Voorhoeve Kerkstraat 77-79 Hilversum
De Hilversumse Boekhandel Leeuwenstraat 36 Hilversum
Cycletrend Bussum Brinklaan 84   Bussum

Natuurlijk kan het boek ook besteld worden via http://www.stuyf@msn.com



Maas en het kruis van Zijlaard

Met een beetje fantasie kan je de samenwerking duiden als een pact sluiten met de duivel. Maas van Beek én Joop Zijlaard, vrienden zullen het nooit worden, maar zijn wél verbonden door  één band: onblusbare eerzucht.
Eind vorig jaar liet wielrenner Maas van Beek de wereld versteld staan door het werelduurrecord achter de derny te verbreken. Gezien zijn leeftijd van 53 jaar, kan je Van Beeks record  gerust opmerkelijk noemen en wordt het door kenners van het metier op zijn juiste waarde geschat. Maar niet bij iedereen! In bepaalde kringen stak en schuurde het dat  die ‘ouwe zak’ zijn plaatsje in het Guinness Book of Record opeiste.
Wie die kringen zijn? Volgens  Van Beek is dat Joop Zijlaard, de gangmaker van de onttroonde recordhouder Matthe Pronk. Want het was Joop Zijlaard (foto: rechts) die tot zijn ontzetting moest toezien dat het record van zijn poulain, Matthe Pronk, een jonge beroepsrenner, uit de boeken werd gekukeld.
Op wielerbanen  is Zijlaards eerzucht bekend, de Rotterdamse gangmaker wil overal en altijd winnen. En soms gaat dat nou eenmaal niet! Dan heeft Joop goed de pest erin, wat voor een ‘sportman’ wel weer een goede eigenschap is. Tijdens een persconferentie ter ere van Van Beeks’ record, en in bijzijn van camera’s van SBS6, maakte Zijlaard insinuerende opmerkingen over Maas’ fiets, die volgens hem niet aan de juiste reglementen voldeed.
Het vuur van een naderende rel was ontstoken, maar werd ook weer snel geblust. Maas van Beek, inwoner van Barneveld, mag dan ‘s werelds snelste man achter de derny zijn, maar is niet van de pot gerukt. En aangezien één en één  twee is, en Van Beek het record nóg scherper wil stellen, en ook nog eens het feit dat Zijlaard de beste gangmaker is, gebeurde er iets dat niemand voor mogelijk hield. Van Beek gaat met zijn criticaster een samenwerkingsverband aan.
Insiders hadden Van Beek verzekerd dat Zijlaard de beste abri had, wat staat voor zuigkracht. Voor de verse recordhouder het sein om tijdens de laatste gehouden Zesdaagse van Apeldoorn, drie avonden lang, Zijlaard te observeren wat nou diens geheim is. En laat die Van Beek dat nou ontdekken! Het kruis! Maar laat Maas dat zelf maar vertellen.
‘Zijlaard is kort, breed en dik’, onthult de Barnevelder. ‘Aangezien je de zadelhoogte reglementair niet mag veranderen, heeft de man het ideale lijf voor een gangmaker. Want’, gaat hij verder, ‘bij lange gangmakers vormen de benen een trechter, wat veel tegenwind veroorzaakt. Bij Joop heb je dat niet, want zijn kruis houd alle wind tegen.’
De rest is geschiedenis want Maas van Beek benaderde Joop Zijlaard en het contact was gelegd. In mei reist het duo af naar Moskou om een nieuwe aanval op het record te doen.
Aan zo’n recordpoging hangt een kostenplaatje. Van Beek heeft daarvoor tienduizend euro nodig en is op zoek naar goede sponsors. Maar daar krijgen eventuele geldschieters wel wat voor terug verzekert de recordhouder.
Aan de voorbereiding van Maas van Beek ligt het niet.
Terwijl gans het land zucht onder de kou, sneeuw en ander ongemakken, overwintert Maas van Beek in Brazilië. ‘Ik ben hier bij mijn schoonouders. En nee, de fiets heb ik thuis gelaten, maar loop wel iedere dag te rennen over het strand en in een lokale sportschool onderhoud ik de spierkracht.’
Van Maas van Beek zijn we nog niet af…

Wordt vervolgd

Foto: bf-one.com

Historie tussen bitterballen en neuten…

De overeenkomst, de gelijkenis, is verpletterend. Alsof de geest van stayerslegende Piet Dickentman, Amsterdams allereerste sportheld, door de kantine van Olympia waarde. Pieter Dikkentman, 58 jaar, is niet alleen de kleinzoon ‘van’ maar heeft behoorlijk wat genen van zijn illustere opa geërfd, want lijkt exact op hem.
Olympia, de club waarvan  Piet Dickentman, van 1898 tot aan zijn dood in 1950, lid van was, hield zijn jaarlijkse nieuwjaarsreceptie, waarvoor de kleinzoon de speciale gast was.
En nee hij heeft niets met wielrennen, was voor het eerst in het clubhuis, heeft zijn opa nooit meegemaakt, maar weet uit familieoverlevering weer wél heel aardige anekdotes over hem te vertellen.
Gevoel voor historie kun je junior  niet ontzeggen: ook zíjn  kleinzoon gaat  door het leven als Pieter Dikkentman.
Terwijl vroegere wereldkampioenen als Henk Faanhof en Piet van Heusden de geneugten van een lekkere neut, mét bitterbal, ondergingen, liep Dikkentman naar een hoek van de kantine. Daar, op een ereplaats, hangt de stayersfiets van zijn opa, geschonken door de familie, als  één van Nederlands grootste sporttrofeeën, een monument, dat eigenlijk in het Amsterdams Historisch Museum thuis hoort. ‘Opdat we nóóit mogen vergeten’ lijkt het  karretje uit te schreeuwen. Dat gebeurt dan ook niet!
Want stayer Piet Dickentman, wereldkampioen 1903, won honderden koersen, was meer dan vijfentwintig jaar actief achter de zware motor. Maar zijn grootste verdienste was dat hij dat allemaal kon navertellen. Iets wat veertig van zijn collega’s niet meer konden want te pletter gevallen op de wielerbanen.
‘Wat een mazel heeft die ouwe toch gehad’ verklapte Pieter Dikkentman tegen Stuyfssportverhalen, als hij met dat lugubere getal geconfronteerd wordt.
Mazzel en geluk kun je niet afdwingen! Laten we het er maar op houden dat Ouwe Piet, tijdens zijn rennerscarrière, een innige relatie had met zijn  minnares, Vrouwe Fortuna…