Sweethart of Amsterdam een eeuw geleden geboren

Als eerste vrouw uit de geschiedenis won zij op de Olympische Spelen een gouden medaille bij atletiek. Dinsdag 23 augustus is het precies honderd jaar geleden dat Betty Robinson werd geboren.

De eerste zeven Olympische Spelen, onderdeel atletiek, was een aangelegenheid van en voor kerels waar vrouwen niets te zoeken hadden. Aletta Jacobs, Wilhelmina Drucker en andere, internationale feministische voorvrouwen vochten voor gelijke rechten. Met succes. Tijdens de Spelen van Amsterdam in 1928 mochten vrouwen voor het eerst meerennen, of zoals Leo Lauer, hoofdredacteur van Sport in Beeld schreef, ‘Het zwakke geslacht ontwaakt uit den atletische slaap’.
Sport in Beeld, ruim tachtig jaar geleden hét sportmagazine van de Lage Landen, had duidelijk maar één doelgroep: de toffe jongens. En die wilde naast sportverhalen vooral heel veel plaatjes van automobielen en ‘lekkere meiden’. Leo Lauer voelde dat feilloos aan en bestrooide zijn blad lustig met olijke noten wat staat voor veel foto’s van snelle bolides en bevallig kijkende Amerikaanse filmsterretjes. Illustraties van sportsters zoals zwemsters, vaak niet moeders mooiste, werden óf weg gemoffeld dan wel in een tweekolommertje geplaatst. Op de komst van  Inge de Bruin, de sexy zwemkoningin met ‘goddelijke rondingen’, moest nog zestig jaar gewacht worden: het leven voor een sportliefhebber in de roaring twenties was hard en wreed.
Maar tijdens de Spelen van ‘28 was er opeens Betty Robinson, een zeventienjarige hardloopwonder uit Amerika. Betty, stralende glimlach in een leuk fris koppie was wat je nu noemt fotogeniek. Dat ze hard kon rennen was voor de massaal aanwezige pers mooi meegenomen. Ook Leo Lauwer ruimde voor Betty in zijn blad de nodige ruimte in. Tijdens de Spelen van Amsterdam was Betty Robinson niet alleen de sweetheart of the Olympics maar schreef ook nog eens sportgeschiedenis. Spelenderwijs vermorzelde de Amerikaanse in de voorrondes al haar tegenstanders waaronder de Hollandse loopsters Grooss, Brieger en Angenendt.  Betty stond in de finale: pas haar derde officiële wedstrijd. In een tijd van twaalfenhalve seconde kwam ze winnend over de streep en veroverde als eerste vrouw in de sporthistorie een gouden medaille op de Spelen.
Vier jaar later: de Spelen van Los Angeles 1932. En dat beloofde Betty’s Nirvana te gaan worden. Maar het liep anders. In 1931 was de golden girl betrokken bij een vliegtuigongeluk. Betty, voor dood uit het wrak gehaald werd naar de eerste de beste  begrafenisondernemer gebracht.
Na ontdekt te hebben dat ze nog leefde lag Robinson zeven weken in coma en revalideerde nog eens twee jaar om weer te kunnen lopen. De Spelen van 1932 kon ze vergeten. Lichamelijk gehandicapt maakte ze vier jaar later haar comeback. Door haar ongeluk kon ze niet meer knielend starten. Aangezien Betty nog steeds over een formidabele sprint beschikte werd ze opgenomen in het Amerikaanse estafetteploeg.  Op de Spelen van Berlijn, voor de ogen van Adolf Hitler, won ze met haar ploeg  de gouden medaille. Betty Robinson die op 23 augustus aanstaande precies honderd jaar geleden geboren werd overleed op achtentachtigjarige leeftijd.

Foto: Voor de Canadezen Rosenfeld en Smith pakt Betty Robinson als eerste vrouw een Olympische  gouden medaille 

Bron: De wonderlijke database van John Brouwer de Koning, Sport in Beeld jaargangen 1928 en 1932, ‘Olympia 1936, Duitse uitgave’.

 

Ingehaald door De Dood

De Vlaamse animositeit tegen alles wat Frans was, werd handig op ingespeeld. Want plaats twee Franse tegenover een koppel Vlamingen en je bent verzekerd van een volle bak.  De letterzetter was dan ook snel klaar met zijn aanplakbiljet. De Grote Prijs van Antwerpen, editie 1909, een koers achter zware motoren werd betwist door maar vier renners.  Voor een smak franken wilde Louis Darragon en George Parrent,  drie jaar onafgebroken de beste ter wereld, best naar de Sinjorenstad komen om het duel aan te gaan met die twee Vlaamse jongens. Thuur Vanderstuyft en Kareltje Verbist voornamelijk actief op de buitenlandse wielerbanen waren  langzaam, gestaag en een beetje stiekem de top genaderd. En die middag  barsten ze van de goesting! Want wat is mooier dan om in eigen huis, voor eigen volk die arrogante Fransen een poepie te laten ruiken.
 Aan de sfeer zal het niet liggen. Tien minuten voor de start. Volle roezemoezende tribunes, zinderend van het komende spektakel. Mooie madammekes keken heimelijk maar zwoel naar blote rennersbenen. De harmoniekapel op het middenterrein speelde de longen uit het lijf. Gangmakers controleerden nog even de motor, fietsen werden klaar gezet. De fotograaf van de lokale gazet  installeerde zijn camera, stak zijn hoofd onder het zwarte doek. Voor zijn lens verschenen vier kerels waarvan drie met ernstige, grimmige koppen. Logisch, want ondanks de vrolijke schettermuziek, het geluid van duizenden toeschouwers, was het net of ze op de achtergrond het sinistere geklepper van de doodsklok  hoorde.  Binnen tien jaar  nadat de fotograaf zijn kiek schoot hadden Parrent, Darragon en Verbist  zich bij hun Schepper gemeld.
 De jonge Kareltje Verbist beet de spits af. Twee weken later al gaf hij de geest. Tijdens de Grote Koningsprijs een stayerskoers in Brussel kreeg Verbist in de laatste ronde een klapband. Karel, zeventwintig jaar geworden, moest een eeuw wachten op erkenning.  In 2009 werd in Wijnegem, zijn woonplaats, een straat  naar hem vernoemd.
Louis Darragon, veteraan van de Europese wielerbanen, betwiste honderden koersen achter de motor, was een internationale vedette, en werd twee keer wereldkampioen. Vocht tijdens de Eerste Wereldoorlog in de voorste loopgraven. Zag, tijdens het offensief bij Casency,  zijn dienstmaatje François Faber, winnaar van de Tour 1909, sneuvelen. Na zelf hersteld te zijn van opgelopen oorlogsverwondingen, stapte de gewezen wereldkampioen weer op de stayersfiets, wat uiteindelijk het voorspel werd van Louis’ hemelgang. Tijdens een stayerskoers op het Parijse Velodrome d’Hiver, 28 april 1918, brak zijn pedaal. De oorlogsheld, vijfendertig jaar, viel tegen de balustrade te pletter. In zijn geboortestad Vichy werden zijn verdiensten op waarde ingeschat. Als erkenning voor ’s mans prestaties werd het grote rugbystadion naar Darragon vernoemd.
Een half jaar later werd George Parrent door De Dood ingehaald. Zoals zovelen meende ook  George, drievoudig wereldkampioen, zijn land te moeten verdedigen.  In diverse veldslagen raakte Parrent zwaar gewond. Opgelapt werd de altijd somber kijkende George  weer terug gestuurd naar de voorste linies. Drie weken voor het einde van de Grote Oorlog stierf hij in de loopgraven van Saint-Germain-en-Laye aan de gevolge van Spaanse Griep. George Parrent werd drieëndertig jaar.
En Thuur Vanderstuyft? De enige die onbevreesd grijnzend op de foto staat. D’n IJzeren zoals zijn bijnaam luidde, reed een decennia achter de zware motor, werd diverse keren voor dood van de wielerbaan geschraapt, maar stierf uiteindelijk op drieënzeventigjarige leeftijd in zijn bed.
Foto 1: v.l.n.r. Parrent, Vanderstuyft, Verbist en Darragon. Foto 2: George Parrent, Foto 3: Parijs 1907 het Velodrome d’Hiver, links Darragon rechts Bobby Walthour.
Bron: Radwelt jaargang 1907, 1909, en 1918.

Heineken House op de Spelen van 1928

Het Heineken House én de Olympische Spelen. Dat staat voor zuipen, hossen, lallen, brallen én de polonaise:  het liefst met een raar oranje hoofddeksel op. Waar onze toekomstige troonpretendent zijn bijnaam van Prins Pils waar maakte en Erica Terpstra een hele natie plaatsvervangende schaamte bezorgde. Een  ontmoetingsplaats voor atleten, sponsoren en bobo’s, vooral die laatsten. Sinds  ‘Barcelona ‘92’ toen Heineken zijn meesterlijke reclameproject startte, is het niet meer weg te denken van de Spelen. Het concept is niet nieuw. Op de Olympiade van Amsterdam in  1928 stond er al een biertent van  ‘heerlijk, helder, Heineken’.

Dat Amsterdam voor de Spelen een nieuw Stadion bouwde, was logisch. Maar om dat nou te voorzien van een blijvend restaurant dat plaats bood aan vijfhonderd bezoekers, dat was even te veel van het goede.  In ‘normale’ tijden, want als het Olympisch circus de stad had verlaten,   zou dat toch niet lonend zijn: zo werd georakeld. Om de buitenlandse bezoekers van een natje en droogje te voorzien, werd besloten om de horeca in een grote tent onder te brengen. Architect Jan Wils kreeg niet alleen de opdracht om een nieuw Stadion te tekenen maar bemoeide zich ook met de vormgeving van de horecatent: gesitueerd vlak achter het Stadion. Op Wils’ aanwijzingen werd in Duitsland een futuristische tent van blauw en wit canvas in elkaar genaaid. Voor de exploitatie hiervan mochten bedrijven van naam en faam zich inschrijven. Heck’s Lunchroom met vestigingen in heel Nederland, maar ook brouwerijen als  Amstel, Oranjeboom en Heineken waren in de race. 
Heck’s Lunchroom en Heineken mochten de klus klaren, want zij voldeden aan de enige eis van het Olympisch Comite: op drukke uren een vlugge bediening. Met dat laatste ging het faliekant mis. Hoewel de buffetten als de biertapinstalaties voor toenmalige begrippen supermodern waren, was de bediening ronduit slecht, veroorzaakt door onervaren personeel. Tijdens de grootste drukte liepen  zo’n tweehonderd mannen en  vrouwen niet alleen de  benen uit het lijf maar ook elkaar in de weg. En daar zat nou net de kneep, want van die tweehonderd waren er negentien man eigen personeel en de rest ongeschoold.
Ondanks de vijftigduizend ontkurkte bierflessen, de ruim vijfentwintigduizend liter getapt bier, de zestigduizend limonadeflesjes en de zeventigduizend gesmeerde broodjes, kregen Heck’s en Heineken de kwart miljoen gulden die werd geïnvesteerd, er niet uit.
Sinds 1928 is veel veranderd. Maar wat blijft is de personele bezetting. Voor de Spelen van Londen heeft het Heineken House tweehonderd ‘enthousiaste’ vrijwilligers nodig. Horeca-ervaring is niet nodig, zo leert de site van de bierbrouwer. Als dat maar goed afloopt.

Foto: Heineken voor het eerst op de Spelen van 1928. Bron: Officieel Gedenkboek Olympische Spelen Amsterdam, uitgegeven 1930.

En Attilio trok ter Olympus

Terwijl in het  nabijgelegen Hollywood  Laurel en Hardy druk bezig waren met de opname van the Musicbox waar ze niet veel later hun enige Oscar mee wonnen, sexbom Jean Harlow de mannen van zich af moest rammen, op de Hollywoodboulevard,  jonge, mooie vrouwen, in een eindeloze optocht liepen  te paraderen in de hoop door de filmindustrie ontdekt te worden werd er elders in de stad de Olympische Spelen gehouden.
Welkom in het Los Angeles van 1932, midden in de Grote Depressie maar waar van een beurskrach niets te merken viel.  Ging in Nederland  Piet Pelle massaal  op zijn Gazelle naar de koers kijken,  op de zeeboulevard van Castelamare, in de buitenwijken van L.A., deed  de modale Amerikaan dat in zijn T-Fordje.
 Daar stonden ze dan, rijen dik, mannen met strohoeden, vrouwen gekleed  als Greta Garbo, hotdogs en hamburgers onder handbereik, wachtend op de renners. Al dat bekijks liet de Italiaanse renner Attilio Pavesi koud. Attilio kon die dag alles. Beschikte over onvermoeibare krachten had dat superieure gevoel dat iedere renner maar één  keer in zijn leven meemaakte. Voor Pavessi viel dat gelukkig op de dag van de Olympische tijdrit. Die hij op zijn naam schreef. Later die week werd bij Pavessi de tweede gouden medaille om zijn nek gehangen als lid van de Italiaanse ploeg.
 Na zijn gelukkige optreden in Los Angeles keerde Vrouwe Fortuna zich van de Italiaan af. In zijn latere profcarrière bleef de teller op nul gewonnen koersen staan.
Pavessi kon toch een lange neus trekken  naar zijn toenmalige concurrentie. Eén voor één  trokken zijn voormalige strijdmakkers naar een Beter Oord. Pavessi ging gestaag door. Maar ook voor Olympische Kampioenen stopt de klok een keer. In een rusthuis in Buenos Aires stierf, eergisteren de campionissimo op honderdjarige leeftijd. Attilio was de oudste nog levende Olympische kampioen.

Foto 1: Doorkomst van de renners op de zeeboulevard van Castelamare, in de buitenwijken van L.A.

 Bron: Sport in Beeld, jaargang 1932.

Jef en Johnny’s roomblanke kont

Bloed, tranen, gevoel voor drama,  beetje sportverdwazing en de aanwezigheid van de pers. Meer heb je niet  nodig om een held te worden.  Want neem een duik in het prikkeldraad en je bent een internationale hero. Johnny Hoogerland heeft die status bereikt.  Of hij met zijn inmiddels legendarische kukel een standbeeld krijgt…
Wat dat betreft was Jef Demuysere een trendsetter, maar daar over straks meer. Jef Demuysere dus.  Met zo’n naam moet je wél wielrenner worden, want daar doemen beelden op van frietkotten, staminees, trappistenbier op vat, vlasakkers, kasseiwegen en de kermiskoers.  Jef, geboren en getogen in de Vlaamse Westhoek, profrenner in de jaren dertig, vermeed de rondjes om de schiettent en draaimolen. Jef verdiende zijn geld in Frankrijk en Italië, waar hij Vlaamse geschiedenis schreef. In de eindrangschikking van Tour 1929 werd de inwoner van Wervik derde. Twee jaar later nog een keer tweede. Scheerde als eerste de top van de Tourmalet. In de Giro d’Italia van 1931 en 1933 klopte  Demuysere, vierkante kop, argwanende blik, flink op de poorten van het Nirvana.
 Jammer voor Jef, maar met een tweede en derde plaats bleef die dicht. Aardig voor de statistici: Demuysere was dan wel weer de eerste Belg die het roze leiderstricot, voor het eerst ingevoerd in 1931, greep. Goddank voor Jef was daar nog Bordeaux-Parijs 1929. Deze monsterklassieker, met motorgangmaking over meer dan vijfhonderd kilometer, zorgde ervoor dat d’n Jef  niet als schlemiel de wielergeschiedenis is ingegleden.
De vooroorlogse Bordeaux-Parijs was wat publieke belangstelling betrof te vergelijken met de hedendaagse Tourhysterie. Vlaamse, Franse kranten en sportmagazines werden in topoplages verkocht. Acquisiteurs deden goede zaken. Paginagrote advertenties van Ovomaltine, die beweerde dat de coureurs op dat chocoladedrankje koersten, wat natuurlijk niet zo was. Rechtstreekse uitzendingen op de radio. Sportredacties maakten overuren. In de extra edities die niet aan te slepen waren solliciteerde Jef Demuysere naar eeuwige roem. Een apocalyptische valpartij was daarbij onontbeerlijk. In de buurt van Dourdan kregen de toeschouwers én pers het spektakel waar ze stiekem op gehoopt hadden. Samen met zijn gangmakers maakte de Westvlaming een behoorlijke val. Zwaar gehavend en krimpend van de pijn gaat Demuysere in de achtervolging, pakte de kopgroep terug om op de streep uiteindelijk derde te worden. Jef met zijn bebloede kop op de sportpagina’s: een held was geboren.
Dat is nou zo aardig aan Vlaanderen, want die weten hun helden op waarde in te schatten. Opdat we nooit mogen vergeten, van dat soort kreten dus, werd in 2008 precies honderd jaar na zijn geboorte in Wervik, een  standbeeld van Demuysere onthuld. Kunstenaar Willy Calis liet in brons een bloedende Jef Demuysere voor eeuwig jong zijn.
Of Johnny Hoogland, afkomstig uit het strak calvinistische Yerseke, met zijn gehavende roomblanke billen ook in brons wordt afgegoten is hoogst twijfelachtig.

Foto 1: De Tour van 1931. Boven op de Tourmalet Jef  Demuysere.
Foto 2: Paginagrote advertenties.
Foto 3: Op de hoek van de Geluwestraat-Ommegangstraat in Wervike is Jef mét bloedende kop,  in brons gevangen.
Bron: Sport-Revue jaargang 1932, Les Miroir Illustres jaargang 1932, de site van de gemeente Wervik.

‘Ik ken alle honderd stoten’

Onnavolgbare caramboles op de vierkante decimeter, effectballen die een eigen leven lijken te leiden. Amsterdammer Sander Jonen is dan ook niet zomaar een biljarter maar wereldkampioen biljart Artistiek.

Biljartballen maken een klotsend geluid. Diffuus licht boven groene en blauwe biljarttafels. Flarden van gedempte gesprekken zweven rond. Mannen met op een bazooka lijkende kokers komen binnen. Even later worden keu’s in elkaar geschroefd. De smeulende sigarenpeuk én asbak zijn in de ban gedaan. In biljartcentrum Osdorp is de ouwerwetse Mokumse bruine kroeg op dat moment heel ver weg.
Terwijl de  jongens van biljartclub Rembrandt  bezig zijn hun caramboles bij elkaar te sprokkelen, staat op de bar een monsterlijke sporttrofee te glimmen en blinken: vers gewonnen door de uitbater van het biljartcentrum. In het Franse Florange greep Sander Jonen vorige maand de wereldtitel bij het biljart Artistiek. Zonder overdrijven kan gesteld worden dat Jonen, 38 jaar, de grootmeester van de onnavolgbare effectstoot op de vierkante decimeter is. Biljart Artistiek, het onbetwiste spektakel van het groene laken, wordt wereldwijd beoefend. De sterkste spelers komen uit Nederland, België, Spanje, Frankrijk en Turkije. Ook in Zuid-Korea en Japan is het spel populair, evenals in Mexico. Amsterdammer Jonen is groot geworden met biljart. In de kroeg van zijn vader stond hij als achtjarig pikkie ’s morgens vroeg al te oefenen. Net zestien jaar geworden, was Sander een verdienstelijk driebandspeler die niet veel later  het ‘artistiek’ ontdekte: wat staat voor honderd vaste figuren die op het laken met behulp van een mal  zijn getekend. Aan de hand van de moeilijkheid worden daarvoor punten gegeven.
Sander Jonen is daarin de beste van Europa en sinds kort ook van de wereld. ‘Ik was de grote favoriet voor de titel’, doet Jonen uit de doeken. ‘Ik was al een keer wereldkampioen en dit jaar pakte ik ook de Europese titel. Het hele spelletje heeft te maken met vertrouwen in jezelf, wat je kan. Mijn favoriete tegenstander is de Spanjaard Xavier Fonellosa. Die klopte ik in de finale van het Europees kampioenschap. Wij zijn de nummers één en twee van de wereld. In de voorronden trof ik hem al.’
Aan biljarten kleeft een stoffig  imago. Niet bij ‘artistiek’. Dat is de wereld van Hans Klok, maar dan  magic met drie biljartballen, met Jonen in de rol van de  illusionist, waarbij zijn keu als toverstok dient.
‘De sfeer en ambiance zijn voor mij heel bepalend. Wat dat betreft voelde ik mij in Frankrijk heel goed. Het kampioenschap werd in een soort theater gehouden. Heel spectaculair. Voor mij waren dat allemaal pluspunten en begon daardoor lekker en groeide langzaam in het toernooi. Minpuntje was dat de publieke belangstelling tegenviel. Normaal zit bij zo’n kampioenschap de zaal barstensvol. Nu was dat een stuk minder. Had te maken met het feit dat de lokatie op een afgelegen plaats lag.’
Bij het artistiek komt er soms veel geweld aan te pas. Vooral bij de pikeestoot, als de keu verticaal naar beneden wordt gericht, heeft het biljartlaken te lijden. ‘Ik gooi alles in de strijd voor die ene effectbal. Daarbij stoot ik keihard verticaal op de bal. Je moet de techniek dan wel goed beheersen, maar toch krijgt het laken flink op zijn sodemieter.’ De huis-tuin-en-keukenbiljarter die dat in een kroeg ook eens wil proberen, loopt geheide kans horizontaal naar buiten gedragen te worden. Mokums verse wereldkampioen heeft daarvan geen last want beschikt over een eigen tafel. Een luxe die hij pas sinds kort kent.
‘Anderhalf jaar geleden heb ik samen met mijn vrouw dit biljartcentrum overgenomen. We moeten heel hard werken en ik heb eigenlijk weinig tijd om te trainen. Die paar avonden die ik dan heb, train ik op mijn eigen biljart. Voor het wereldkampioenschap heb ik maar drie avonden kunnen trainen. Zo druk had ik het.’
Voordat Jonen met zijn nering begon, werden de centen verdiend als vloerenlegger en met demonstratiepartijen. Dat laatste was een circus met drie ballen en een keu. ‘Ik legde dan iemand op het biljart en speelde de bal dan over zijn hoofd heen die vervolgens een carambole maakte. Of plaatste dertig volle bierglazen op het biljart en speelde de bal daarover heen.’
Biljart Artistiek mag dan een feest om te zien zijn, maar kent toch te weinig toernooien in Nederland. Volgens Jonen gaat dat waarschijnlijk veranderen. ‘Tijdens het wereldkampioenschap werden door Eurosport opnames van een uur  gemaakt. Die worden in augustus uitgezonden. Ook heeft deze zender mij gevraagd om in Amsterdam een groot toernooi te organiseren.’

Foto’s: Hilco Koke

Terug naar aanrecht, fornuis en wieg

Deze week is in Duitsland het wereldkampioenschap voetbal voor vrouwen van start gegaan. In negen stadions gaan zestien teams strijden om de cup waarvan huidig wereldkampioene Duitsland de grote favoriet is. Met in hun achterhoofd dat er al 670.000 kaarten zijn verkocht belooft de  Fifa dat het één groot feest gaat worden. Dat hadden die Rotterdamse meiden in 1913 nou nooit kunnen bevroeden. Zelfs niet in hun meest woeste en natte dromen. Fatsoenlijke vrouwen voetbalden niet! Wie dat wel deed was volgens de algemene mores een hoogstverdachte feministisch manwijf. Alle hulde voor die meiden uit Rotjeknor die zich daar niets van aan trokken en voor de Eerste Wereldoorlog een voetbalclub oprichtte. Een lang leven was dat niet beschoren. In de zomermaanden werd een paar avonden gespeeld en daar bleef het bij. Het was de N.V.B. de toenmalige voetbalbond die het verbood. De Revue der Sporten vond rennende meiden achter een bal maar helemaal niks. Volgens hen was voetbal een mannelijk spel dat de vrouw niet ten goede komt. Of zoals de redacteur van dienst als foto-onderschriftje maakte, ‘terug naar het aanrecht, fornuis en wieg’. 

Kijk ook op: http://www.sportgeschiedenis.nl/2011/06/29/voetballende-vrouwen-moet-je-vangen-en-opsluiten.aspx

Bertus op zijn Norton en Tinus op zijn BSA

In dichte drommen waren meer dan vijftigduizend toeschouwers met de boot, trein, motor, auto, bus naar de TT van Assen, editie 1932, gekomen. Onder hen ook Bert Prinsen Geerlings, verslaggever van het blad Sport in Beeld. Bert vond het eigenlijk allemaal gekkigheid, zo liet hij zijn lezers weten, dat  al die mensen van heinde en ver waren gekomen om de ‘ganschen dag het gokspelletje van Mager Hein te aanschouwen’. Voor hem waren de coureurs die met een gemiddelde van 136 kilometer over een Drentse grintweg jakkerden, rijp voor een ‘verbeter-inrichting’.
Bert, op de perstribune en ijverig tikkend op zijn schrijfmachine, zag klokslag tien uur ‘den strijd ontbranden’. De klassen 175 cc, 250 cc en 350 cc startten gezamenlijk. In ronkende volzinnen noteert de man minutieus ieder doorkomst, waarbij de namen van Engelse coureurs in de kolommen over elkaar heen buitelen. Zag Bert dat nou goed? Warempel, bij de tweede doorkomst zag hij landgenoot Van Gent op de derde plaats aan zich voorbijstuiven om die vervolgens niet meer terug te zien. Terwijl Prinsen Geerlings op zijn typemachine zat te ratelen, zat Van Gent met een kapotgescheurde achterband op het Israëlische kerkhof ergens aan het parkoers gelegen. Tijdens de race rook van Gent de lucht van verbrande rubber en meende dat zijn rem was vastgelopen, wat niet zo was maar een moer van zijn achterspatbord die tegen de band aan liep. Het was een wonder, tikte Prinsen Geerlings, dat Van Gent met die formidabele snelheid zijn machine mét ontplofte band tot stilstand wist te brengen.
 Dat er aan die coureurs een klein steekje los zat, werd voor Bert maar eens bevestigd. Motorcoureur Nico Kuyper, gestart op een DKW, kwam over de finishlijn op een FN-motor. Aan de achterkant van het parkoers kreeg Nico pech en tot zijn stomme verbazing stond aan de kant van de weg de FN-motor van concurrent Milhoux, die in geen velden of wegen was te bekennen:  logisch, want de man  was even daarvoor met gillende sirenes afgevoerd naar het ziekenhuis. Milhoux, zware hersenschudding kon zich later zijn val niet meer herinneren.
Als Bert zijn lezers goed nieuws wil vertellen, moet dat in de middag gebeuren, als de 500 cc van start gaat. Bij het vallen van de startvlag, ziet de Sport in Beeld-scibent Bertus van Hamersveld als eerste wegspuiten. Voor Bertus, rijdend  op een Eysink, een Hollandse machine, moet het voor eigen publiek geen pretje zijn geweest. Na de tankbeurt in de tiende ronde krijgt Bertus met grote moeite zijn motor aan de praat.
Er volgt een inhaalrace, die voor  Van Hamersveld bijna fataal afloopt. Op een doodstil weggetje tussen de vette en bloeiende heidevelden krijgt de Eysink-machine een vastloper. Bertus wordt gelanceerd.
Uiteindelijk kwam niet veel later een eind aan  Bertus’ gejakker, als hij op Zandvoort een ernstig ongeluk krijgt. Bertus, bij wie een been geamputeerd werd, begon in Bussum een motorzaak. Na zijn overlijden kwam zijn houten been op de kartbanen van Tom Coronel te hangen. Volgens Tom, kleinzoon van Bertus, had zijn opa model gestaan in ‘Oerendhard’, de kraker van Normaal.

Foto 2: De start van de 175cc, 250 cc en 350 cc. Foto 3: Rechts winnaar van de 500 cc de Engelsman Hunt.

Lakmoesproef in Sportquiz der Nederlanden

Het theatertje bevindt zich in het oog van de orkaan want vlak om de hoek raast de krankzinnigheid van Amsterdams rosse buurt. Hoerenlopers, blowers, junken, dronken Engelsen en hordes toeristen hebben in de Pieterspoortsteeg niets te zoeken. Geen sex- noch peepshow in het Parooltheaterje waar die avond de maandelijkse bijeenkomst is van de ware sportfreak. Gelijkgestemde mannen en een enkele vrouw, liefhebbers van de uitslagenlijsten, en opstellingen uit lang vervlogen tijden worden door Frenk der Nederlanden, sportjournalist bij Het Parool, middels een quiz getest op hun vermeende sportkennis. Frenk, op podium voor scherm, legt de spelregels uit en sluit af dat er over de uitslag niet ‘gecorrespondeerd kan worden’. Streng maar rechtvaardig zullen we maar zeggen. Maar toch zit de amicale stemming er goed in, waar het huisbier, Prael met 8 procent, hoogstwaarschijnlijk een kleine bijdrage aan leverde. De quiz begint al goed met de eerste vraag. Hoe bij schaken de openingszet e4, c5 genoemd wordt. En of we ook de namen wisten wie al die voormalige Ajaxspelers wiens naam met een D begon, en wie de laatste Engels mannelijke winnaar bij Wimbledon was. En wat was ook alweer de naam van dat grote stadion in Montevideo?  Stuyfssportverhalen moest ter plekke lossen om maar het juiste jargon te gebruiken.  De avond wordt afgesloten met de uitslag en prijsuitreiking. Voor Stuyfssportverhalen dagelijks uren doorbrengend in de ‘oude sportboeken’ was dat een hard gelag want net onder de middenmoot geëindigd. Evengoed is de Sportquiz der Nederlanden een heel leuke avond en voor de sportliefhebber een aanrader. En hoe de opening e4, c5 genoemd wordt? De Siciliaanse natuurlijk!

De Sportquiz der Nederlanden,  Het Parooltheater, Sint Pieterpoortsteeg 33. Info: http://www.parooltheater.nl

Jupke de held van het Bronsgroen Eikenhout

Als je elf jaar beroepsrenner was en je nam maar drie keer de bloemen mee naar huis ben je niet echt een winnaarstype. Toch nam Jupke Franssen  zijn plaatsje in de wielergeschiedenis in door de allereerste titelrace voor beroepsrenners gehouden in 1927 op zijn naam te schrijven.

Jupke was niet echt een winnaar: om maar even een open deur in te trappen. Ver voor het woord underdog bekend was, zweefde dat bij Jup in een tekstballonnetje boven zijn hoofd. De man kon aardig klimmen, vloog iedere koers erin om dan met lege handen te eindigen. Als een papegaai op de schouder van een piraat zat de pech aan hem gekleefd. Hoe vaak Jupke niet in gewonnen positie lag, om dan op een lullige manier ten onder te gaan. Jup kon daar een boek mee vullen. Maar er waren ook van die dagen dat op Jupke geen maat stond. Het waren er maar héél weinig, maar toch. Zoals in het kampioenschap van Limburg 1927, bezocht door tienduizenden en gehouden op en rond de Cauberg.
Jupkje Franssen geboren en getogen in het Limburgse Ubbachsberg, was die dag dé held van het Bronsgroen Eikenhout. Jup speelde met de complete concurrentie. Schroeiend werden de heuvels genomen en met zeshonderd meter voorsprong op nummer twee, kwam Franssen grijnzend over de streep.  Geboren kampioenen zijn per definitie dé favoriet maar ook  dodelijk voor de sport. De sympathie legt altijd bij de sjlemiel, de gesjochte, de man die strijdend ten onder gaat. Je kon er dan ook op wachten dat Jupke na zijn overwinning door de massa op de schouders gehesen werd. Jup was sowieso razend populair in het Limburgse.
Koersend in het interbellum, tijdperk van de krankzinnige records, keek niemand raar  op toen Jup in 1928 aankondigde een aanval op het nationaal 24-uurrecord achter een auto te doen. Voor Jupke stond er direct een actiecomité klaar. Van alle kanten stroomde geld binnen, gedoneerd door middenstanders, mijndirecties, werklieden, misdienaars en pastoors. Autodealers stelden vier auto’s beschikbaar. Achter een auto voorzien van een gangmakersrol en gevolgd door materiaalwagens met drie reservefietsen, tien wielen, twee dozijn tubes en voldoende eten om een weeshuis te voeden,  raasde Franssen, op de Napoleonsbaan tussen Grathem en Blerick een etmaal lang naar zijn record van bijna zevenhonderd kilometer. Jups merkwaardige record is allang vergeten. Stoffig ten onder gegaan in oude, vergeelde jaargangen van sportbladen.
Jup Franssen, dat modale Limburgse beroepsrennertje heeft ondanks zijn bescheiden erelijst tóch geschiedenis geschreven. Nadat de nationale wielerkampioenschappen voor amateurs en profs gelijktijdig gehouden werden, besloot de N.W.U., de toenmalige wielerbond, in 1927 de titelrace te splitsen. Jup flikte die dag wat niemand voor mogelijk hield. Voor hém en niemand anders werd het Wilhelmus gespeeld. Na een zware val in de ronde van Vaels stopte Jupke Franssen in 1933 met koersen en opende in zijn geboortedorp Ubachsberg een fietsenzaak. Nadat zijn zoon Harry de zaak overnam, wordt  anno nu de zaak bestiert door Jups kleinzoon Jo.
Jupke Franssen, een al lang vergeten Limburgse volksheld, stierf in 1975 op zesenzeventig jarige leeftijd.

Bron: Revue der Sporten jaargang 1927, Nieuwe Rotterdamse Courant jaargang 1928.