Dat renners met bosjes doodvielen, behoorde tot het risico van het vak. Daar kregen ze meer dan vorstelijk voor betaald. Maar dat toeschouwers hun leven niet meer veilig waren, dat werd het Pruisische ministerie van binnenlandse zaken té gortig. Nadat in het Berlijn van 1909 negen toeschouwers tijdens een stayerskoers de dood vonden, mochten er voorlopig geen koersen gehouden worden. Veel hielp het niet….
Bij zijn collega’s stond de man bekend om zijn zuinigheid, sommige anderen noemde hem gierig. Amsterdammer John Stol was zo’n echte ‘knakenpoetser’, die iedere zilveren gulden twee keer omdraaide om die vervolgens in een ouwe sok te stoppen. John was beroepsrenner die alleen voor de poen op de fiets zat. In 1907 won hij, in het Madison Square Garden, afgeladen met rokende, zuipende en vechtende Janken, samen met koppelgenoot Walter Rütt, als eerste niet-Amerikanen de verschrikkelijke Zesdaagse van New York. Zes dagen, en nachten je kloten ‘afdraaien’ wat staat voor 4398 kilometer, om dan met vijfhonderd dollar weer naar de Oude Wereld terug te reizen.
Vijfhonderd dollar, een eeuw geleden een aardig bedrag maar niet in Duitsland. Op de Duitse wielerbanen pompten renners daar niet eens hun banden voor op, gewend als ze waren om in één koers met een veelvoud naar huis te gaan. Maar daarvoor moesten ze dan weer wél, als stayer, hun leven op het spel zetten. Fietsen achter zware motoren was dansen op een vulkaan, want een uiterst link bestaan. Ondanks dat er al een tiental renners een dodelijke smakkerd had gemaakt, maakte John Stol de afweging. En die sloeg door naar zijn portemonnee. Een stayersfietsje werd aangeschaft en gangmaker Krüger gecontracteerd. Verdiende Stol als sprinter in 1907 jaarlijks vierhonderd goudmark, twee jaar later rinkelden er meer dan elfduizend goudmark in zijn zak.
Met een vette bankrekening en zeven gewonnen koersen stond der Kleine Höllander, zoals de Duitse pers hem noemde, zondag 18 juli 1909 aan de start op de pas geopende baan van de Berlijnse Botanische Garden. Johnny Stol mocht dan gek op geld zijn, maar liet zich niet helemaal daardoor verblinden. Ongetwijfeld speelde in zijn gedachten de Grote Prijs van Neurenberg, drie weken daarvoor, waar hij, in de vierennegentigste ronde een klapband kreeg. Met een ingezwachteld hoofd stond hij een week later in Spandau weer aan het vertrek om vervolgens wederom een smakkerd te vallen.
De feestelijk versierde Botanische Garden was volgestroomd. De militaire kapel speelde op het middenterrein populaire deuntjes als Berliner Luft. Het massaal opgekomen publiek zong mee, de worstverkopers deden goede zaken, de zon scheen uitbundig, en de heren schoven hun strohoeden achteloos naar achteren toen het startschot viel. Brullende en grommende motoren in de baan.
Met sluimerende angst én een schrijnende kop draaide Stol zijn rondjes. Driemaal is scheepsrecht moet in een flits door zijn hoofd gegaan zijn toen Stol die ene droge knal hoorde. Hoog in de bocht was de achterband van gangmaker Krügers motor gesprongen. De achteropkomende combinatie met gangmaker Borchhardt en Fritz Ryser trachtte de vallende motor te omzeilen. Scherp stuurde Borchhardt omhoog. Rysers motor vloog met negentig in het uur over de balustrade midden in de afgeladen tribunes, en ontplofte. Negen mensen waaronder vier uit één gezin vonden de dood en vijftien anderen werden met zware brandwonden afgevoerd naar het krankenhaus.
Pruisische autoriteiten verboden onmiddellijk alle stayerskoersen in Berlijn. Veel hielp het niet. Veertien dagen later, toen het verbod opgeheven was, ontplofte op de baan van Chemnitz de achterband van gangmaker Wolff. Als een ongeleid projectiel vloog de motor het middenterrein op en botste tegen de Franse soigneur Deville, die onmiddellijk naar betere oorden vertrok.
John Stol, wonderbaarlijk aan het inferno ontsnapt, trok zijn conclusie en koos eieren voor zijn geld wat staat voor een wielercarrière zonder zware motoren.
Foto 1: Tussen de negen doden en vijftien zwaar gewonden de smeulende motor van Fritz Ryser.
Foto 2: De Grote Prijs van Zurich met winnaar John Stol.
Foto 3: Fritz Ryser ontsnapt aan de ramp maar stierf in 1916 onder verdachte omstandigheden in zijn Berlijnse flat.
Foto 4: De ansichtkaarten van het ongeluk waren niet aan te slepen. Altijd fijn om zo’n kaartje te ontvangen.
Bron: Radwelt 1909, Revue der Sporten jaargang 1907, de biografie van John Stol geschreven door Fredy Budzinsky en uitgegeven in 1914.
Slechts drie gewonnen koersen prijken op zijn erelijstje dat dan ook zo dik is als een shagvloetje. Hij had totaal weggezakt in het moeras van de herinnering als hij niet in 1924 de touretappe naar Bayonne op zijn naam wist te schrijven. Legio profs zijn bereid om voor dat laatste een vinger bij zich af te laten hakken om dat op hun palmares te krijgen.








Dat is even lekker! Word je notabene voor je thuispubliek knock-out geslagen, begint je tegenstander het smartlied uit de opera Paljas te galmen. Of de zingende bokser zich bij zijn collega’s daarmee populair maakte, is niet zeker: zijn erelijst doet het ergste vermoeden. Dertien keer in de ring gestaan, acht keer verloren waarbij zes keer het licht uitging. Treurig makende cijfers waarvan Joop Liet geen minuut wakker lag. Als ‘zingende bokser’, een variétéartiest, had hij zijn bestemming gevonden.




Met alle respect voor Harmen Snel en Ymere, maar dat hele onderzoek was verspilde moeite. Weggegooid geld. De eerste de beste verzamelaar van ‘oude’sportboeken had de buurt al veel eerder wreed uit haar droom kunnen halen. Stuyfssportverhalen dook ook in zijn archief en wist binnen een kwartiertje te melden dat de Duitse ploeg onderdak vond in meerdere hotels in Zandvoort zoals het Grand Hotel, het Orange-Hotel, hotel Driehuizen en in Amsterdam in de hotels Americain en Suisse in de Kalverstraat. De Britse equipe logeerde in het Carlton-Hotel in de Vijzelstraat en de Amerikaanse atleten sliepen op het stoomschip, U.S.A.-Expedition dat hen naar Mokum had gebracht. De Polen en Fransen hadden hoofdstedelijke scholen ‘gemetamorphoseerd’ tot moderne hotels compleet met eigen koks en eigen personeel. Aardig te weten is dat de Deutsche Manschaft een door de Opel-fabriek beschikbaar gesteld autobus hadden.




Een ‘piepeltje’ als Wim Snoek mocht niet winnen, want daarvoor waren de financiële belangen in Ingmar Johansson té groot. De Zweedse scheidsrechter, niet vies van chauvinisme, hielp daarbij een handje. De man treuzelde expres met tellen. Als neutrale toeschouwers dertig seconden hadden geteld, was de ringrechter pas bij zes tellen gekomen: genoeg voor Johansson, die inmiddels op zijn benen stond. De volgende ronden zag de voormalige Zweedse wereldkampioen kans om te herstellen en in de vijfde ronde lukte het hem eindelijk om zijn ‘gevreesde rechtse’ te plaatsen: bij Wim Snoek ging het licht uit.


