En Johnny koos eieren voor zijn geld

Dat renners met bosjes doodvielen, behoorde tot het risico van het vak.  Daar kregen ze meer dan vorstelijk voor betaald. Maar dat toeschouwers hun leven niet meer veilig waren, dat werd het Pruisische ministerie van binnenlandse zaken té gortig. Nadat in het  Berlijn van 1909 negen toeschouwers tijdens een stayerskoers de dood vonden, mochten er voorlopig geen koersen gehouden worden. Veel hielp het niet….
Bij zijn collega’s stond de man bekend om zijn zuinigheid, sommige anderen noemde hem gierig. Amsterdammer John Stol was zo’n echte ‘knakenpoetser’, die iedere zilveren gulden twee keer omdraaide om die vervolgens in een ouwe sok te stoppen. John was beroepsrenner die alleen voor de poen op de fiets zat. In 1907 won hij, in het Madison Square Garden, afgeladen met rokende, zuipende en vechtende Janken, samen met koppelgenoot Walter Rütt,  als eerste niet-Amerikanen de verschrikkelijke Zesdaagse  van New York. Zes dagen, en nachten je kloten ‘afdraaien’ wat staat voor 4398 kilometer, om dan met vijfhonderd dollar weer naar de Oude Wereld terug te reizen.
Vijfhonderd dollar, een eeuw geleden een aardig bedrag maar niet in Duitsland. Op de Duitse wielerbanen pompten renners daar niet eens hun banden voor op, gewend als ze waren om in één koers met een veelvoud naar huis te gaan. Maar daarvoor moesten ze dan weer wél, als stayer, hun leven op het spel zetten. Fietsen achter zware motoren was dansen op een vulkaan, want een uiterst link bestaan. Ondanks dat er al een tiental renners een dodelijke smakkerd had gemaakt, maakte John Stol de afweging. En die sloeg door naar zijn portemonnee.  Een stayersfietsje werd aangeschaft en gangmaker Krüger gecontracteerd. Verdiende Stol als sprinter in 1907 jaarlijks vierhonderd goudmark, twee jaar later rinkelden er meer dan elfduizend goudmark in zijn zak.
Met een vette bankrekening en zeven gewonnen koersen stond der Kleine Höllander, zoals de Duitse pers hem noemde, zondag 18 juli 1909 aan de start op de pas geopende baan van de Berlijnse Botanische Garden. Johnny Stol  mocht dan gek op geld zijn, maar liet zich niet helemaal daardoor verblinden. Ongetwijfeld speelde in zijn gedachten de Grote Prijs van Neurenberg, drie weken daarvoor, waar hij, in de vierennegentigste ronde een klapband kreeg. Met een ingezwachteld hoofd  stond hij een week later in Spandau weer aan het vertrek om vervolgens wederom een smakkerd te vallen.
De feestelijk versierde Botanische Garden was volgestroomd. De militaire kapel speelde op het middenterrein populaire deuntjes als Berliner Luft. Het massaal opgekomen publiek zong mee, de worstverkopers deden goede zaken, de zon scheen uitbundig, en de  heren schoven hun strohoeden achteloos naar achteren toen het startschot viel. Brullende en grommende motoren in de baan.
Met sluimerende angst én een schrijnende kop draaide Stol zijn rondjes. Driemaal is scheepsrecht moet in een flits door zijn hoofd gegaan zijn toen Stol die ene droge knal hoorde. Hoog in de bocht was de achterband van gangmaker Krügers motor gesprongen. De achteropkomende combinatie met gangmaker Borchhardt  en Fritz Ryser trachtte de vallende motor te omzeilen. Scherp stuurde Borchhardt omhoog. Rysers motor vloog met negentig in het uur over de balustrade midden in de afgeladen tribunes, en ontplofte. Negen mensen waaronder vier uit één gezin vonden de dood en vijftien anderen werden met zware brandwonden afgevoerd naar het krankenhaus.
Pruisische autoriteiten verboden onmiddellijk alle stayerskoersen in Berlijn. Veel hielp het niet. Veertien dagen later, toen het verbod opgeheven was, ontplofte op de baan van Chemnitz de achterband van gangmaker Wolff. Als een ongeleid projectiel vloog de motor het middenterrein op en botste tegen de Franse soigneur Deville, die onmiddellijk naar betere oorden vertrok.
John Stol, wonderbaarlijk aan het inferno ontsnapt, trok zijn conclusie en koos eieren voor zijn geld wat staat voor een wielercarrière zonder zware motoren.

Foto 1: Tussen de negen doden en vijftien zwaar gewonden de smeulende motor van Fritz Ryser.
Foto 2: De Grote Prijs van Zurich met winnaar John Stol.
Foto 3: Fritz Ryser ontsnapt aan de ramp maar stierf in 1916 onder verdachte omstandigheden in zijn Berlijnse flat.
Foto 4: De ansichtkaarten van het ongeluk waren niet aan te slepen. Altijd fijn om zo’n kaartje te ontvangen.
Bron: Radwelt 1909, Revue der Sporten jaargang 1907, de biografie van John Stol geschreven door Fredy Budzinsky en uitgegeven  in 1914.

Omer’s raderwerk was niet goed gesmeerd

Slechts drie gewonnen koersen prijken op zijn erelijstje dat dan ook zo dik is als een shagvloetje. Hij had totaal weggezakt in het moeras van de herinnering als hij niet in 1924 de touretappe naar Bayonne op zijn naam wist te schrijven. Legio profs zijn  bereid om voor dat laatste een vinger bij zich af te laten hakken  om dat op hun palmares te krijgen.
Omer Huysse was, wat renner betrof, een rare snuiter. Geboren en getogen in Kortrijk, pas begonnen op zijn tweeëntwintigste met koersen. Getrokken uit de vette Vlaamse klei wist Omer feilloos waar Abraham de mosterd haalde en dat was in zijn geval net over de grens. Won op de Noord-Franse kasseiwegen als amateur veertien grote koersen waaronder de hoog aangeschreven klassieker Cambrai-Lille. Voor manager Karel Steyaert aanleiding om Huysse direct in te lijfen bij het extra sportieve merk ‘cycles Marcel Buysse’. Steyaert, die als journalist schreef onder het pseudoniem ‘Karel van Wijnendaele’, beweerde dat Huysse ‘sterk naar de natuur’ was, wat de laatste onderschreef door als onafhankelijke, met overmacht de ronde van België 1923, te winnen.
Of Omer Huysse, een kasseienstoemper was? Nee!  De man bleek niet voor één gat te vangen. In 1925, tijdens de beklimmingen van de Galibier, Aubisque en Tourmalet klauterde  de Kortrijkenaar,  over prehistorische geitenpaden, zich als eerste op de top. Eigenlijk maakte het voor Omer geen moer uit wat voor koersen hij reed. Als het maar ‘schoof’. Alléén daardoor kwam Omer Huysse, die Vlaamse kasseienknuppel mét klimmersbenen, ongemerkt in de Amsterdamse sportgeschiedenis terecht. Als winnaar van de ronde van België kreeg de man uit Kortrijk, samen met streekgenoten Lucien Buysse en Amaat Dossche een contract voor de Hollandse versie van het criterium der Azen, gehouden in het Amsterdamse Vondelpark.
 Voor een kaartje van 1.20 gulden kon Amsterdam zesendertig renners, behorend tot de toenmalige wereldtop, aan het werk zien.  Buysse was de sterkste maar in gewonnen positie brak zijn ketting. Met een mazzeltje schreef Omer Huijsse zijn derde en laatste koers op zijn erelijstje. Uiteindelijk bleef Omer Huysse als renner ‘hangen’. Volgens diezelfde Karel van Wijnendaele kwam dat omdat bij Omer ‘een klein, zeer klein wieltje in ’t ingewikkelde raderwerk van het menselijk lichaam niet naar behoren gesmeerd was’.
Dat kon wel zijn maar evengoed bereikte Omer Huysse de gezegende leeftijd van 87 jaar.

Foto 1: Omer Huysse (1898-1985) met manager Karel Steyaert, alias Karel van Wijnendaele. Foto 2: Drie Vlaamse kasseienstoempers in het Amsterdamse Vondelpark. Links Omer Huijsse, Lucien Buijsse en Amaat Dossche. Foto 3: Tour de France 1925 de beklimming van de Aubisque. Omer Huijsse, links met Lucien Buijsse.

Bron: Geïllustreerde Sportwereld jaargang 1923, Le Miroir des Sports jaargang 1925, ‘Het rijke Vlaamsche Wielerleven’ jaargang 1943. 

Jan Derksen definitief een legende

De uitslag was glashelder. Jan Derksen kwam als eerste over de streep. Tegenstander George Senfftleben niet. Vlak voor de finish kwam hij ten val, en brak zijn sleutelbeen. Hoewel niemand van de twintigduizend toeschouwers iets  onreglementairs hadden gezien kwam er een protest uit het Franse kamp. Voor de UCI aanleiding met een oplossing te komen waar alleen de Internationale wielerunie een patent op heeft. De finale om de wereldtitel sprint bij de professionals, gehouden op 25 augustus 1946, op de Oerlikonbaan in Zurich, werd bijna twee maanden uitgesteld.

Voor de hele internationale sportpers was George Senfftleben dé favoriet. Die Derksen vonden ze maar een zenuwlijer die op de beslissende momenten geblokkeerd werd door spanningen. Helemaal ongelijk hadden de scribenten het niet.  In de revanchewedstrijden, ná die geannuleerde finale, verloor Jan Derksen keer op keer. Amsterdammer Derksen had alles en iedereen tuk. De man waarvan Piet Moeskops, zelf vijfvoudig gewezen wereldkampioen sprint,  beweerde dat hij ‘veel meer kan dan dat hij liet zien’ had wekenlang in het Olympisch Stadion hard getraind.
Met sparringpartner Arie van Vliet werden honderden messcherpe spintduels uitgevochten. In bloedvorm  reisde Derksen, 27 jaar,  af naar Zürich,waar zondag 6 oktober de beslissing moest vallen wie de regenboogtrui mee naar huis kon nemen. Maar door aanhoudende regen werd de titelstrijd een dag uitgesteld.
Terwijl heel mannelijk Zurich in de plaatselijke wapenfabrieken  de befaamde Oerlikonmachinegeweren in elkaar knutselden startten Senfftleben en Derksen voor vrijwel lege tribunes hun beslissende rit. Baandirectie en UCI hadden nog geprobeerd om de strijd in de avonduren te laten verrijden. Jan Derksen had daar geen trek in. Die wilde niet langer wachten.  Geld gaf voor Jan daarbij de doorslag.  Om maandagmiddag één uur vertrok zijn vliegtuig richting Holland en de ticket had hij al geboekt én betaald.
In de eerste rit waarbij Derksen de koppositie had geloot, hield hij Senff goed in het oog, ving diens aanval in de voorlaatste bocht op en rekende koel met de Fransman af. De tweede en beslissende rit klopte Jan Derksen met drie lengten zijn tegenstander. Getooid in de regenboogtrui reed de verse wereldkampioen een ererondje, pakte zijn ‘boeltje’ en stapte drie kwartier later in het vliegtuig richting Mokum.
Van het  thuisfront, via de buizenradio,  ‘gewaarschuwd’ door  de Nieuwsdienst van het ANP,  kreeg Derksen een heldenontvangst. In een open landauer werd Jan aan het volk getoond en in het Olympisch Stadion gaf hij de verzamelde pers nog even uitleg hoe hij dat allemaal had geflikt.
Jan Derksen, is afgelopen zondag op 92-jarige leeftijd overleden. In  ‘zijn’ Stadion, waar Jan is opgebaard, kan donderdagavond afscheid genomen worden. 

Foto 1: George Senfftleben grijpt naar zijn gebroken sleutelbeen. Jan Derksen kijkt, en moet uiteindelijk nog twee maanden wachten op zijn wereldtitel.
Foto 2: Aankomst op Schiphol. Foto 3: In een open landauer gaat de verse wereldkampioen door de Amsterdamse  Albert Cuijpstraat.

Bron: Weekblad Sportief jaargang 1946 nummers 39, 41, en 45.

Wessel Van Keuk ruikt het gevaar

Een eerzame Amsterdamse huisschilder die al meer dan twintig jaar meerijdt in de voorste gelederen van Tour de France, de Giro d’Italia en alle grote internationale wielerklassiekers. Dat is geen woeste fantasie maar realiteit. Meer dan honderd keer per jaar verruilt hij jaarlijks de witte overal en verfkwasten voor een fotocamera. Achterop een motor maakt hij zijn foto’s die kolommen vullen van de nationale en internationale pers. Amsterdammer Wessel van Keuk realiseerde zijn jongensdroom.

Op smalle, stoffige kasseipaden, midden in akkerland, staan tienduizenden mensen uren  te wachten. Er wordt gegeten. Dorst wordt weggedronken met liters bier. Dan gaat het beginnen. Zacht klinkt het geluid van een helikopter. In de verte verplaatst zich  één grote stofwolk. Het circus van Parijs-Roubaix maakt zijn jaarlijkse boetedoening door de Hel van het Noorden. Als renners dwars door een walm van bierlucht en stof voorbijstuiteren, worden de grenzen van de hectiek ver opgeschoven. Amsterdammer Wessel van Keuk, als wielerfotograaf gepokt en gemazeld, is nog steeds verbijsterd.
‘Daar staan echt duizenden supporters op heel smalle weggetjes en ze doen geen stap opzij. Renners en motoren scheuren vlak langs. De  achteruitkijkspiegel van de motor kleppert met een ritmisch geluid tegen de mensen op. Dat daar geen ernstige ongelukken gebeuren, verbaast mij nog steeds. Parijs-Roubaix staat bekend als aanslag op mens en materiaal. Maar ook voor fotografen. ‘Na deze koers moet mijn Canon naar de fabriek. Die zit dan helemaal onder het stof’.
Zijn baan is zwaar, of, om in wielertermen te blijven: een hard labeur. Het is keihard werken waarbij, soms wekenlang, uit de koffer geleefd wordt. Tijdens de Ronde van Frankrijk maakt hij dagen van meer dan vijftien uur. Klagen doet Wessel van Keuk, 51 jaar, niet. Daarvoor houd hij te veel van het wielrennen, zit hij te graag midden in de koers. Na twintig jaar verveelt het nog steeds niet. Zelf ooit gekoerst maar te licht bevonden. En dan zijn er van die toevalligheden die het lot bepalen.
 ‘In 1984 ben ik als wielerfotograaf erin gerold. Ik had nooit een foto genomen. Na een kampioenschap waar ik aan meedeed werd ik door Cor Vos, van het gelijknamige fotobureau, gevraagd of ik, tijdens koersen chauffeur wilde worden. Ik kreeg gelijk een fototoestel in handen gedrukt. Hetzelfde jaar gingen we naar het wereldkampioenschap in Barcelona. Ik maakte, puur toevallig, een foto die aansloeg want werd overal geplaatst’. Twee jaar later mocht Van Keuk, als duvelstoejager, naar de Tour de France waarbij zijn voornaamste opdracht was om fotorolletjes op te halen en naar Nederland te brengen. In 2000 zat zijn leerproces erop.
Wessel van Keuk, huisschilder uit Amsterdam, was wielerfotograaf geworden. Als één van de twaalf officiële geaccrediteerde fotografen, én als enige Nederlander volgt Van Keuk, achterop een motor, de koers. ‘Ik heb een vaste motorrijder, Jos Verschuur, zo’n ruige biker die helemaal onder de tatoos zit. We zijn een hecht team, helemaal op elkaar ingespeeld. Jos rijdt de motor en ik moet op van alles letten maar ook nog een keer de foto’s maken. Het is een heel professioneel wereldje, een samenspel van renners en fotografen. Als Verschuren  claxonneert gaan renners meteen opzij, de motor remt niet eens. Die renners weten gewoon wat ze moeten doen’.
En soms gaat het wel eens fout. Zoals in de Omloop van het Nieuwsblad, de openingskoers van het jaar, waarin heel België en Nederland op de televisie Wessel en Jos Verschuren een schuiver zagen maken. Hoewel maanden later Jos nog in de lappenmand zit, blijft Van Keuk daar vrij laconiek onder. Kan ook niet anders als je tijdens bergetappes met meer dan honderd kilometer langs diepe afgronden scheurt. Valpartijen, met het dodelijke ongeluk tijdens de Ronde van Italië actueler dan ooit, worden ook op de plaat gezet, hoe gruwelijk soms ook. Als voormalig wielrenner ruikt Van Keuk waar het gevaar schuilt. Zoals bij de afdaling van de Kemmelberg in Gent-Wevelgem van twee jaar geleden, waar hij wist dat daar verschrikkelijke dingen stonden te wachten.
‘ Bij die steile afdaling over een kasseiweg gingen daar een paar renners afschuwelijk onderuit. Ik stond daar als enige fotograaf en deed mijn werk. Een dag later stonden in de kranten honderdtwintig foto’s waarvan er tachtig van mij.’
Als fotograaf heeft Wessel van Keuk, duizenden koersen gevolgd. Maar wat zijn mooiste en meest spannende momenten waren, weet hij feilloos. De Giro d ‘Italia door zijn eigen Mokum. ‘Dat vond ik zó leuk, zo apart. ‘s Morgens, tijdens het controleren van het parkoers, was de stad angstig stil. Ik hield mijn hart vast. Dat wordt één grote flop. Maar die middag,’ roept hij nog steeds verbaasd uit. ‘Het was één groot spektakel, Italiaanse toestanden  met rijen dik volk.’
Voor Van Keuk is het fotografen een hobby. Bewust maakt hij daarvan niet zijn broodwinning. Als huisschilder runt hij zijn eigen bedrijfje. ‘Ik zie mijzelf niet jarenlang op de motor zitten omdat het steeds gevaarlijker wordt, maar ook omdat ik mijn werk als schilder veel te leuk vindt’.

Foto’s: Hilco Koke en Cor Vos.

Van bokskampioen tot cabaretnummer

Dat is even lekker! Word je notabene voor je thuispubliek knock-out geslagen, begint je tegenstander het smartlied uit de opera Paljas te galmen. Of de zingende bokser zich bij zijn collega’s daarmee populair maakte, is niet zeker: zijn erelijst doet het ergste vermoeden.  Dertien keer in de ring gestaan, acht keer verloren waarbij zes keer het licht uitging. Treurig makende cijfers waarvan Joop Liet geen minuut wakker lag. Als ‘zingende bokser’, een variétéartiest, had hij zijn bestemming gevonden.

De muizen lagen dood in de broodtrommel. Ben je gewezen zwaargewichtbokskampioen van het land, verdien je als prof nóg het zout in de pap niet. In het Nederland van 1925 waren het alleen een paar wielrenners die van hun sport konden leven. Bokser Joop Liet, die naast het boksen graag een operariedeltje mocht zingen, had dat snel bekeken. Met drie tientjes op zak stapte Joop op het stoomschip Batavier op weg naar Londen. In good old England hoopte Liet te slagen.
Armoede doet rare dingen met de mens. Zeker voor Joop Liet die voor zijn bootticket zesentwintig zilveren guldens aftikte. Met nog maar vier gulden op zak, meldde hij zich bij het Ring Gymnasium, dé boksschool van Londen. Liet, honderd kilo met een lengte van twee meter, mocht laten zien wat hij kon. Binnen tien minuten sloeg hij vier sparringpartners tegen het canvas waarvan de langste het één minuut volhield. Voor promotor Dan Sullivan genoeg om de Hollander een contract te geven voor een gevecht tegen Billy Prestage, een zwaargewicht uit Londen. In Billy, zojuist terug uit Amerika, was de hoop van Albion  – in wie een nieuwe wereldkampioen werd gezien gevestigd.
Onder de kreet ‘we zien wel’ liet Joop Liet, platzak, niet eens geld voor de bus, zich met een taxi naar de Ring, een bokscolosseum, brengen. Dan gebeuren er toevalligheden die alleen in jongensboeken voorkomen. De taxichauffeur blijkt een enthousiaste boksliefhebber te zijn. Of Joop al een verzorger voor zijn gevecht had en als dat niet zo was, wilde de cockney, in ruil voor zijn gederfde geld, dat graag op zich nemen.
Met een handdoekzwaaiende taxichauffeur sloeg Joop Liet Engelands hoop in bange dagen knock-out. Voor een Hollandse supporter in de zaal, op de hoogte van Liets voorliefde voor opera, genoeg rede om uit te roepen dat Joop een liedje moest zingen. Dat moest je nou net niet tegen Joop zeggen. Boven een verbijsterende en net wakker geworden Billy Prestage, galmde de Hollandse zwaargewicht  uit volle borst het smartelied uit de opera Paljas. Voor de sensatiekranten was de Singing Dutchman geboren. Dezelfde week kreeg Liet, what’s in a name, een contract voor zes wedstrijden aangeboden, met de speciale clausule dat Joop wél een liedje na afloop moest zingen. En daar ging Liet, als bokser, mee in de fout. Na zijn tweede gewonnen gevecht in een uitverkochte Ring begint die, boven zijn verslagen tegenstander  ‘Mother, I’m dreaming of you’ te zingen. Dat was meteen zijn laatste gewonnen gevecht. Toekomstige tegenstanders die niet voor paal wilde staan, knokten zich helemaal leeg. De acht resterende gevechten verloor Joop waarbij hij zes keer op het canvas wakker werd.
Voor Joop Liet maakte dat allemaal niet veel meer uit. Joop had zijn bestemming al gevonden. Gehuld in een bokskostuum, was Joop in heel Europa een veelgevraagd variétéartiest geworden. Ook Tuschinski in Amsterdam contracteerde Joop Liet.
Terwijl twee straten verder, in het Floratheater, een artiest optrad met een boksend paard, afgewisseld met een eveneens boksende kangaroo, kreeg Joop in eigen stad geen toestemming. De hoofdstad kende een boksverbod. Niet veel later stopte hij met zijn artiestencarrière. De Singing Dutchman die, met zijn act financieel goed geboerd, opende begin jaren dertig in de Amsterdamse Jodenbreestraat een kroeg die hij later omruilde voor een winkel in siervissen.

Bron: Revue der Sporten jaargang 1930
Foto 1 en 2: Joop Liet, Foto 3: In het ‘pre-Marianne Thiemetijdperk’ was boksen tegen een kangaroo  een aardig volksvermaak. Op de foto, gemaakt in 1934, toenmalig wereldkampioen Carnera. 

Tijdens de hongerwinter werd basketbal geboren

Midden in de hongerwinter van 1944, toen de nood het hoogst was werd in het Rotterdam  het Nederlandse basketbal geboren. In de grote sociëteitszaal van de IJsclub Kralingen gebeurde meer dan basketballen.  Er werd niet alleen met de bal getraind maar ook met het werpen van handgranaten.

Gas en elektriciteit waren afgesloten. Er werd honger geleden. Op noodkacheltjes, gestookt met hout gesloopt uit leeg gehaalde huizen, werden bloembollen gekookt. Licht kwam van een waskaarsje. Op fietsen met houten banden, werden de zogenaamde ‘hongertochten’ ondernomen, want door de sneeuw op weg naar de boeren om het tafelzilver, of de gouden trouwring om te ruilen voor voedsel. In de hongerwinter van 1944 werd aan alles gedacht behalve aan sport. Het laatste was toch onmogelijk.
Om luchtlandingen te voorkomen waren ondermeer de sportvelden van palen en andere obstakels voorzien. Op de resterende plekken stond Duits luchtafweergeschut. Was heel Holland sportvrij? Nee, in het Rotterdamse Kralingen werd de kont tegen de krib gegooid. Ene Huib van Mastrigt, houder van een lokale populaire sportschool, was al een tijd op zoek naar een teamsport waarmee hij een stel jongens van de gevaarlijke straat met zijn razzia’s, kon houden. In een Engelse encyclopedie ontdekte Huib het bestaan van het, in Nederland volkomen onbekende, basketbal. Met de spaarzame gegevens werd een reglement in elkaar gespijkerd.
Huib’s initiatief sloeg aan. De clubs vlogen uit de grond. Bekende Rotterdamse sporters als voetballer Faas Wilkes en schaatser Swanenburg stonden op de ledenlijsten. In de grote sociëteitszaal van de IJsclub Kralingen ging de eerste Nederlandse basketbalcompetitie met vierenveertig teams van start. Als vorm van stil verzet werden de ploegen vernoemd naar geallieerde vliegtuigen zoals de  Mustangs, Lancashire, Mitschels, Spitfire’s, Mosquito’s. Ook de  Nachtjagers en de Onderzeeërs waren van de partij. De sportschool was ook  een middelpunt van de illegaliteit. In de zelfde zaal waar gebald werd oefende de jongens van de Onderzeeërs, tevens lid van  een verzetsgroep, ‘s morgens, zich onder meer in het werpen van handgranaten. Onder de vloer van de zaal lagen de stenguns en explosieven opgestapeld. Spannend detail: in de middaguren stonden de matrozen van de Kriegsmarine, bezig met gymnastiek, op de houten vloeren te springen.
Bij de razzia’s in november werd de sportschool ook regelmatig doorzocht op onderduikers. Als de Grune Polizei op de vliering van de sportschool kwam staarden ze op een grote reclameplaat afkomstig van de Olympische Spelen van 1936.  ‘Ich rufe die Jugens der Welt’ riep de Führer vanaf  het karton. De mensenjagers, in hun sas om zoveel wijsheid, vonden het niet nodig om verder te zoeken. Sukkels.  Als de punaises verwijderd waren was er een luik zichtbaar dat toegang gaf tot een schuilplaats voor veertien jongens.
Na de bevrijding speelden regelmatig Canadese militairenploegen, opgegroeid met de sport,  tegen de juist kampioen geworden Mosquito’s. De bevrijders kregen een pak slaag. Na afloop werden de Mosquito’s, evenals al de andere teams, flink op het hart gedrukt dat het gebruik van lichaamskracht, verboden was.  Huib van Mastrigt had de spelregels, overgenomen in die donkere vreselijke hongerswinter, iets te ruim geïnterpreteerd. Het was hem vergeven.

Bron: Weekblad Sportief, december 1945, nummer 4.

Foto 1: Het eerste Amsterdamse basketbalteam, met Hans van Swol, Bouman, Brasser en Boersma gehuld in shirtjes van atletiekclub AAC, in de ‘oude’ Rai, najaar 1945. Foto 2: Voetballegende Faas Wilkes.


Marathonbuurt is een illusie armer

Het was een volksoverlevering, een mythe die meer dan tachtig jaar door de buurt gekoesterd werd. De bewoners van de Amsterdamse Marathonbuurt waren tientallen jaren heilig van overtuigd dat hun wijk ooit diende als Olympisch Dorp voor de Spelen van 1928. Maar was dat wél zo? Er waren van die vervelende twijfels. Een officiële stadsarchivaris werd benadert om dat uit te zoeken. Stuyfssportverhalen had de bewoners ook uit hun droom kunnen halen.

Het nieuws was hard en onverbiddelijk. Voor Vera Valk is het sprookje uit. Over! Ze had hetzelfde gevoel als kind toen haar verteld werd dat Sinterklaas niet bestond. Al zestig jaar woont Vera in de Marathonbuurt, dat wijkje palend aan het Amsterdamse Olympisch Stadion. En al die tijd had zij heilig geloofd dat, uitgesproken haar buurtje, diende als Olympisch Dorp voor de Spelen van 1928. Fantasieën had ze over Bulgaarse gewichtheffers die ooit, twee weken, in haar woning bivakkeerden. Niet alleen Vera was daar heilig van overtuigd, maar vrijwel de hele buurt. Zoals mevrouw Teunenbroek, 89 jaar,  die al zestig jaar in de schaduw van het Stadion woont, al die tijd geloofde dat haar huis onderdak bood aan sporters. 
Eigenlijk niet zó raar, want zelfs officiële gemeentepublicaties repten daar verschijnende keren van. Woningbouwcorporatie Ymere, die grote delen van de buurt opknapt, wilde daar duidelijkheid over en gaf stadsarchivaris Harmen Snel opdracht uit te zoeken hoe dat nou allemaal zat. Na een onderzoek in het Gemeente-Archief wist Harmen precies het zat. Voor een groot publiek van buurtbewoners, waaronder een verslaggever van Het Parool,  gaf  Snel, in het inmiddels tot monument verklaarde portiershuisje van het Stadion, uitsluitsel.
Na een gedegen onderzoek in het archief wist Harmen het héél zeker. Niets van waar! De buurt heeft nooit gefungeerd als Olympisch Dorp. Atleten werden ondergebracht in scholen, een passagiersschip, pensions en hotels. Harmen werd bedankt. Weg illusies! Dag lang gekoesterd buurtsprookje.
Met alle respect voor Harmen Snel en Ymere, maar dat hele onderzoek was verspilde moeite. Weggegooid geld.  De eerste de beste verzamelaar van ‘oude’sportboeken had de buurt al veel eerder wreed uit haar droom kunnen halen.  Stuyfssportverhalen dook ook in zijn archief en wist binnen een kwartiertje te melden dat de Duitse ploeg onderdak vond in meerdere hotels in Zandvoort zoals het Grand Hotel, het Orange-Hotel, hotel Driehuizen en in Amsterdam in de hotels Americain en Suisse in de Kalverstraat. De Britse equipe logeerde in het Carlton-Hotel in de Vijzelstraat en de Amerikaanse atleten sliepen op het stoomschip, U.S.A.-Expedition dat hen naar Mokum had gebracht. De Polen en Fransen hadden hoofdstedelijke scholen ‘gemetamorphoseerd’ tot moderne hotels compleet met eigen koks en eigen personeel. Aardig te weten is dat de Deutsche Manschaft een door de Opel-fabriek beschikbaar gesteld autobus hadden.
Ook bij de eigenaren van kleine Amsterdamse herbergen vlogen de gebraden duiven in de mond want veel ploegen vonden er onderdak. Maar niet die ene anonieme Amsterdamse pensionhouder  die ‘een paar kleine landen  maanden tevoren  contracteerde’ en vlak voor de Spelen zakelijk failliet ging. Zijn nering werd gesloten en de organisatie stond voor een lastige klus om al die atleten op het laatste moment onder te brengen.
En de Nederlandse ploeg? Je mag, als atleet dan wel dan wel voor ‘volk en Vaderland’ strijden, maar je moet wél je plaats weten en je werd vervolgens ondergebracht in scholen. Dat de vaderlandse bobo’s, mannen met bolhoeden, knettervesten mét horlogeketting én bolknak zich niet in zo iets ordinair als een school lieten huisvesten, laat zich raden.

Bron: Sport in Beeld, jaargang 1928, en ‘Olympia 1928’, uitgegeven in het zelfde jaar . 

Foto 1: De aankomst in de Amsterdamse haven van de ss. u.s.a.-Expedition. Foto 2: De Duitse damesploeg in het Grand-Hotel in Zandvoort. De Duitse Manschaft voor de Opel-bus in Zandvoort.

Wie de wielergod lief heeft wordt vroeg geroepen

Juni 1948! Russische troepen sluiten de aanvoerwegen naar Berlijn af: de Koude Oorlog is een voldongen feit. In Brussel slijpt een jonge tekenaar nog maar even zijn potlood, en een jaar later verschijnt zijn stripalbum Kuifje en De Zonnetempel, waarmee Hergé, in die donkere, sombere jaren vijftig, generaties babyboomers intens gelukkige uren bezorgde. En als in Palestina Ben Goerion de Israëlische staat uitroept is, in Zwitserland de lokale wielerronde in volle hevigheid losgebarsten.
Op de steile hellingen van de Süsten-Pas, een monster van ruim tweeduizend meter, rijden Stan Ockers en Richard Depoorter, in zalige onwetendheid voor de verschrikkingen die nog te wachten staan, achter de ontsnapte Ferdinand Kubler en Jean Robic aan. Stan en Richard, jagend op eeuwige wielerroem, maar hun levenslot lag al angstig vast. Voor Depoorter duurde het bestaan op dit ondermaanse nog hooguit een kwartiertje: vijftien harde minuten van pijn en afzien voor hij zijn plaatsje in de Tragische Galerij van Gesneuvelde Wielerhelden kon innemen. Voor Stan, doodgevallen in 1956, tikte de doodsklok traag, maar onverbiddelijk nog acht jaar door.
Als er een pechprijs was geweest voor de meest onfortuinlijke coureur kwam Depoorter daarvoor in aanmerking. Prof geworden in 1937, werd zijn carrière geknakt door de oorlog. Als soldaat gevochten tegen de Duitse troepen om daarna in krijgsgevangenschap te verdwijnen. Vrijgekomen, won hij in 1943 de gedevalueerde koers Luik-Bastenaken-Luik. Nadat Amerikaanse troepen in 1944 België bevrijden, pakt Depoorter zijn carrière eindelijk weer vol op. In 1948, drieëndertig jaar oud en in de nadagen van zijn loopbaan als prof, naakte eindelijk het succes. Winnaar van wederom Luik-Bastenaken-Luik en uitverkozen om deel uit te maken voor de nationale Tourploeg. Maar eerst nog even de ronde van Zwitserland.
Richard Depoorter, veteraan uit de Tweede Wereldoorlog,  wist Duitse kogels en granaten te ontwijken, maar werd uiteindelijk tóch door De Dood ingehaald. In een onverlichte tunnel tijdens de afdaling van de Süsten-Pas kwam Richard ten val. De achteropkomende ploegleiderwagen, een T-Fordje met Lomme Driessens en chauffeur Louis Hanssens kaggelde over Depoorter heen, met fataal afloop.
 April 2011! Berlijn bruist als nooit tevoren, de Koude Oorlog ligt alweer twintig jaar achter ons. Israel vecht nog steeds voor zijn voortbestaan en Kuifje is inmiddels cultureel erfgoed geworden. En Richard? Met een jaarlijkse koers, de Grote Prijs Richard Depoorter  wordt zijn naam in Vlaanderen  levend gehouden. En, o ja, 29 april is het zijn vijfennegentigste geboortedag.

Foto 1: Een sterfende Depoorter. Foto 2: Het doodsprentje van Depoorter, speciaal voor Stuyfssportverhalen ter beschikking gesteld door Nick Vanbraeckevelt, een jonge verzamelaar van militaria.


Hoe Snoek heel Zweden de adem liet inhouden

Heel Zweden hield de adem in en managers zagen kapitalen verdampen. Deze week is het precies negenenveertig jaar geleden dat voormalig wereldkampioen zwaargewicht,  Ingmar Johansson, in thuisstad Stockholm, door Wim Snoek, een volkomen onbekende outsider, in  de eerste ronde werd  neergehaald. Een scheidsrechterlijke dwaling voorkwam dat de Amsterdammer zijn plekje in de boksgeschiedenis kon innemen.

De Zweedse pers had medelijden met hem. Dat Wim Snoek een pak slaag ging krijgen, stond  voor hen al vast, maar de mate waarin was nog onduidelijk. Snoek was hooguit een aardige ‘voorbijganger’, warm vlees, een sparringpartijtje voor de Zweedse volksheld Ingmar Johansson, die nog steeds zicht had op een wereldtitelgevecht. Van die Snoek, al een week in Stockholm, begrepen ze sowieso niets. De Scandinavische  pers beschreef hem als ‘rustig, en sympathiek’, maar allesbehalve een gedreven bokser. Ze vonden de Amsterdammer er een nogal vreemde voorbereiding voor een gevecht op na houden.
In de lokale boksgyms was Snoek niet te bekennen. In plaats van te trainen ging Snoek met zijn vrouw Jeanne de stad bezichtigen. Dat weekje trainen schreef  de Mokumse zwaargewicht op zijn afgetrainde buik. In de, inmiddels legendarische  boksschool van Piet ter Meulen, een kelder aan het Amsterdamse Singel, had hij zich maandenlang in het zweet gewerkt. Wim Snoek, die jongen uit de Jordaan, dertienvoudig nationaal kampioen,  stond geestelijk en lichamelijk op scherp,  maar onderschatte zijn Zweedse tegenstander niet.
 Een week voor zijn gevecht tegen Johansson verklaarde hij aan Het Parool, dat hij niet bang was voor Johansson, maar ook verwachtte hij dat het de zwaarste partij uit zijn carrière ging worden. Om te besluiten dat hij niet naar Stockholm was gekomen om zich af te laten slachten. Iets wat hij ging bewijzen ook. De man hield zijn woord.
In de Koninklijke Hallen van Stockholm, voor meer dan vijfduizend bezoekers, was de eerste ronde vijftig seconden oud toen Johansson, tweede op de wereldranglijst, en toekomstige uitdager voor een wereldtitelgevecht, zijn dekking achteloos verwaarlosde. Met een  ‘verraderlijke maar perfecte linkse hoek’ werd dat door Snoek afgestraft. Voor een uitverkochte zaal vol verbijsterende Zweden ging ‘Ingo’, zoals zijn bijnaam was, neer en bleef knock-out op het canvas liggen.
Een ‘piepeltje’ als Wim Snoek mocht niet winnen, want daarvoor waren de financiële belangen in Ingmar Johansson té groot. De Zweedse scheidsrechter, niet vies van chauvinisme, hielp daarbij een handje. De man treuzelde expres met tellen. Als neutrale toeschouwers  dertig seconden hadden geteld, was de ringrechter  pas bij zes tellen gekomen: genoeg voor Johansson, die inmiddels op zijn benen stond. De volgende ronden zag de voormalige Zweedse wereldkampioen kans om te herstellen en in de vijfde ronde lukte het hem eindelijk om zijn ‘gevreesde rechtse’ te plaatsen: bij Wim Snoek ging het licht uit.
Een dag na het gevecht waren de Zweedse media unaniem lovend over de kwaliteiten van de Amsterdamse pugilist en vonden het jammer dat een ‘bokser met dergelijke kwaliteiten  de laatste jaren geen betere tegenstanders heeft gehad.’
Na zijn gevecht tegen de Amsterdamse zwaargewicht stond Ingmar Johansson nog twee keer in de ring en stopte een jaar later definitief.  Wim Snoek ging nog vier jaar door, vocht daarin zestien partijen en stopte in 1966.

Foto 1: Wim Snoek, Foto 2: Het graf van Wim Snoek op de Nieuwe Oosterbegraafplaats.

Bron: Het Parool, april 1962.

Posted in Boksen. Tags: . 3 Comments »

De dood van de fietsende opticien

Later! Nu niet! Dat opticiendiploma komt nog altijd van pas. Slechtziende mensen hou je altijd! Met die wetenschap in zijn achterhoofd gaf hij zijn baan als opticien op. Amper  achttien jaar oud, ruilde hij de brillen en monturen in voor een racefiets. Een fataal besluit. Precies honderd jaar geleden, onder de ogen van zijn moeder, verongelukte Fritz Theile.
Zie je wel dat ik gelijk had, riep Theile naar zijn moeder. Frau Theile, een sceptische toeschouwster bij de Goldener Rades, een sprinttoernooi op de Berlijnse wielerbaan, zag zojuist haar jongen de overwinning pakken. Voor moeder en zoon was het een beladen dag, bloednerveus als ze waren. Het was Fritz’ première als sprinter, waarbij hij meteen met de hoofdprijs naar huis ging. Hoewel Fritzie nog koersen won in Dresden, Keulen, Hamburg en Leipzig was het toch ‘eerste gewin kattengespin’.
Fritz Theile, geboren en getogen Berlijner, bleek na zijn flitsend debuut als sprinter toch niet over zulke snelle benen te beschikken. Na drie achtereenvolgende jaren zijn prijsjes gepakt te hebben, maakte hij ook zijn financiële balans op: ruim negenduizend goudmarken. Niet echt een bedrag waar hij wakker van lag.  Om als programmavulling te dienen, daar voelde de voormalige opticien niet veel voor. Maar  om met de staart tussen de benen terug te keren in de wereld van brillen, monocles en monturen deed hem pas echt huiveren. De uitnodiging om met stadsgenoot Wegener een tandemkoppel te vormen kwam dan ook als geroepen.
In de winter van 1907 reisden de jonge Berlijners  af naar Parijs, waar op de lokale winterbaan de Grote Prijs van Parijs, een tandemkoers over honderd kilometer op het programma stond. Voor Fritz Theile werd het een gedenkwaardige avond, want de geflopte sprinter bleek tot zijn stomme verbazing over een ongekend duurvermogen te beschikken: wat uiteindelijk het voorspel tot zijn dood inluidde.
In een veld van achttien koppels, geharde kerels afkomstig uit Vlaanderen, Frankrijk en Duitsland grepen de Berlijnse jochies het zilver. Een tweede plaats die helemaal op rekening van Theile geschreven kon worden. Fritz Theile, lenzenslijper uit Berlijn, bleek een rationeel denkend mens te zijn voor wie één plus één nog steeds twee is, en koos direct voor de uiterst lucratieve, maar levensgevaarlijke stayerssport. 
1908 was voor Theile nog een leerjaar maar de twee jaren daarop maakte der Fritzl korte metten met de concurrentie. In twee jaar won de Berlijner dertig grote koersen, waar hij meer dan tachtigduizend goudmark mee opstreek. En dan is het 4 juni 1911, de Grote Pinksterprijs van Berlijn. Aan de start in het uitverkochte Zehlendorfstadion de Amerikaan Bobby Walthour, de Deen Gustav Janke, de Franse stayer Jules Miquel en publieksfavoriet en stadsgenoot Fritz Theile. De dertigste ronde. Gangmaker Hodle draait hoog de bocht in als hij achter zich een doffe klap hoort. 
Fritz Theiles, wiens voorband was gesprongen, smakt op het beton. Tot ontzetting van iedereen maar vooral van moeder Theile, rijdt de achteropkomende motor van gangmaker  Reckzeh met renner Miquel, over Fritz’ nek. Reckzeh en Miquel  kunnen er niet omheen en vallen ook. Het inferno is kompleet als als de motor brandend op het middenterrein vliegt, en  Fritz Theile zijn laatste adem uit blaast. Fritz, 27 jaar, werd onder massale belangstelling begraven op Friedhove zu Wilmersdorf
Twee jaar later, de Memorial Fritz Theile een jaarlijks terugkerende stayerskoers om de gedachtenis aan de stayerende opticien levend te houden. Het scenario voor de koers werd geschreven door Magere Hein himself. Hans Lange een jonge stayer komt ten val. Met een gebroken schedel meldde Lange zich drie dagen later bij Fritz Theile.

Foto 1: Theile achter Hodle en Schmidt, Foto 2: Fritz Theile passeert Reckzeh en Miquel, enige seconden later verongelukt Fritz.(foto: Theo Buiting). 3:  Fritz Theile. Foto 3: Fritz’ graf. 

Bron: Radwelt jaargangen 1902 t/m 1911.