Wat te doen op een lome zondagmiddag anno 1903? Tijdens de belle epoque, die heerlijke tijd, wisten ze dat wel. Voor spanning en sensatie lonkte de lokale wielerbanen. Voor een paar centimes, de hele middag koers. Op de tribunes, dames in baaien rokken, naast kerels met bolhoeden, handen op avontuur in de broekzakken. Daar tussen door militairen met weekend verlof, samen met hun liefje. Met een beetje geluk stond er een stayerskoers op het programma. Hoewel geluk..? Soms vloog er een motor tussen het publiek. Of anders zorgde één van de vele bloederige stayersongelukken wél voor een collectief trauma. Ach wat maakte dat ook uit, heimelijk kwam het overgrote gedeelte voor dergelijke sensatie. En de koersen zelf? Die waren simpel in eenvoud. Er waren sprintwedstrijden, tandemkoersen voor twee of drie man, en dat was het
Publiek van 1903, niet verwend, vond dat prachtig, en was nog in zalige onwetendheid wat voor krankzinnig, fietsend pretpark zich op de wielerpistes van een eeuw later aandiende.
Keirinraces? Totáál onbekend. De scratch? Hoe bedoel je? Koppelkoersen voor vrouwen? Die kwamen alleen voor in koortsige dromen van toenmalige feministen. En vertelde je over zo iets als de elektrische derny, dan wachtte het dolhuis op je. In 1903 waren er ook geen, met anabolen opgekweekte sprinters, met dijbenen van de omvang van een prijsstier. In 1903 namen renners gewoon een snuif cocaïne, of anders een tabletje strychnine. Futuristische carbonfietsen, afkomstig uit het brein van professor Lupardi? De jongens van lichting 1903 koersten op een ijzeren fiets, geknutseld door de plaatselijke smid. En er werd al helemaal niet hysterisch met de nationale vlag gezwaaid als er gewonnen was. Doe maar gewoon jongen, want met die malle koersbroek aan, ben je al gek genoeg, was het credo.
Zomaar een toekomstbeeld op de pistes van het heerlijke jaar 1903: als een angstaanjagend kwatrijn van Nostrodamus. Die helaas uitkwam…
Esser! Doodgewoon Thomas Esser, afkomstig uit Keulen. Jong, wild, ambitieus, én wielrenner. Thomas dus, samen met zijn broertje Jean furore makend in de lokale zesdaagse koersen, wat altijd sappelen was. In 1912 trok hij zijn conclusie. Het broertje mocht het zelf uitzoeken. Thomas maakte de overstap naar het lucratievere stayeren: voor dit verhaal een fijne, maar voor Thomas een desolate beslissing.
Terug naar Thomas Esser, die in 1913 door wist te dringen tot de beste veertig stayers van Duitsland. Thomas, tweede in de Grote Prijs van Europa, won de Grote Pinksterprijs én de Prijs des Handels in Frankfurt, werd ook nog eens tweede in de Grote Prijs van Brussel. Het Keulse jochie verdiende daar niet alleen ruim vijfenhalfduizend goudmark mee, maar ook een uitnodiging voor het wereldkampioenschap in Leipzig: gehouden de drie laatste dagen van augustus.
Thomas Esser, uitgeschakeld in de series, mocht nog even wachten. De Keulse jongen, in 1914 nog acht koersen gewonnen, vertrok voor twee jaar naar het Westfront, want de Grote Oorlog ging los. Dan is het juli 1917. Thomas met het geluid van knetterende mitrailleurs, keffende mortieren in de oren, aan de start van de Grote Prijs van Düsseldorf. Een stayerskoers over totaal honderd kilometer, waar Thomas nooit de finish zal halen. In de vijfentwintigste ronde krijgt de Keulse oorlogsveteraan een klapband. Thomas Esser werd drieëntwintig jaar.