Het geheime wapen van de Mijnwerker

Dat de winnaar van Parijs-Roubaix, 1925, uit Italië kwam stond eigenlijk al vast! Aan de start stond een overmacht aan Italiaanse renners waaronder campionissimo’s als een Giradengo en Bottechia. ‘De macht van het getal’ is natuurlijk geleuter, want uiteindelijk ging een morsige Belgische stoemper met de overwinning aan de haal. Maar die beschikte dan ook over een geheim wapen. Dat de renners tóen vlak langs de pavés  reden zal dit jaar niet gebeuren.

Een monument! Fenomenaal! De Koningin der klassiekers! Erfgoed!  Parijs-Roubaix is niet alleen de klassieker van de stenen maar ook van de superlatieven.  Het spektakel wordt  natuurlijk gemaakt op de meer dan vijftig kilometer obscure kasseipaden: om maar even een open deur in te trappen.
Tienduizenden wielerliefhebbers trekken vrijwillig de Hel in om  dat met eigen ogen te zien. Zesentachtig jaar geleden koersten de renners ook door het ‘inferno’ en geen hond stond aan de kant. Ze keken wel mooi uit.
André Reuze, sportverslaggever van Le Miroir des Sports, was er in 1925 snel klaar mee. De Parijs-Roubaix waarvan hij verslag deed, was geen reet aan. Volgens hem waren de beruchte kasseistroken alleen lastig voor de ‘automobielen’.  De renners hadden er weinig van te duchten want die vlogen over de assepaadjes, die vlaks langs de  pavés lagen.   Als er al spektakel viel te beleven, was dat op de helling van Doullens, de scherprechter van die dag.  Duizenden, voornamelijk mannen met de platte pet, vijf rijen dik, zagen daar een ontketende Alfredo Binda langsstuiven, achterna gezeten door de broertjes Francis en Henri Pelissier.
Reuze, aanwezig in de koers, noteert ijverig dat na de hergroepering ene Emile Hardy, ervan door ging. Volgens André, beschikkend over een vileine pen, was die Hardy een ‘tweederangsrenner, een klein onbeduidend kereltje’ die zo’n klassieker niet op zijn naam mocht schrijven. Duidelijk vergenoegd was  de verslaggever dat de vermetele vluchter na zestig kilometer weer in de kladden gegrepen werd.
De eindsprint op de brede Avenue des Villas in Roubaix werd ingegaan met zevenendertig renners. Ondanks een overmacht aan Italianen was het Felix Sellier die iedereen erop lag. De winst van Sellier, een voormalige mijnwerker uit Wallonië die pas op zijn zesentwintigste prof werd, kreeg  de zege van André Reuze. Logisch! Sellier, was niet alleen een  gewezen kampioen van België, maar ook drievoudig winnaar van  Parijs-Brussel én twee touretappes.
Na de koers deed Felix aan de lezers van Le Miroir des Sports uitgebreid zijn relaas.
Het grote geheim van de Mijnwerker, zoals zijn bijnaam luidde, hield hij lekker voor zich zelf. In 1934, zes jaar na het beëindigen van zijn carrière, verklapte Felix in een Vlaams sportblad hoe het precies zat.
Bij zijn dorpssmit had sluwe Felix een tandwiel met dertien tanden, wat niet in de handel was, laten fabriceren. Als de vorm er was, monteerde Sellier de ‘13’, en gaf de concurrentie het nakijken.

Bron: Le Miroir des Sports, jaargang 1925, de Vlaamse Sport Revue jaargang 1934.

Foto 1: Mannen met de platte pet zien Alfredo Binda voorbij stuiven. Foto 2: Naast de kasseien. Foto 3: ‘Mijnwerker’ Sellier.

Zwarte renner in eerste Parijs-Roubaix

Voor de pers hadden ze geen nationaliteit. Zwarte renners kwamen niet uit een land maar werden gewoon aangekondigd als ‘neger’. Het racisme was tenenkrommend en het vooroordeel hemeltergend. In het spierwitte Europa van honderd jaar geleden waren vier zwarte profs actief. Weinig, maar die schreven dan weer wél geschiedenis. Tijdens de eerste Parijs-Roubaix, gehouden in 1896, stuiterde en dokkerde over de kasseien ene Vendredi, een zwarte renner afkomstig uit Parijs.

Als je al een neger tegenkwam, was dat in een boksring. De zwarte medemens was in het Europa van honderd jaar geleden een zeldzaamheid en een zwarte sporter een unicum. Tot 1901, want vanuit Amerika maakte Arthur ‘Major’ Taylor zijn opwachting op de Europese wielerbanen. Taylor was in 1899 wereldkampioen sprint geworden. Om daar een extra dimensie aan toe te voegen: aan dat kampioenschap deden honderdtachtig renners mee.
Voor de roomblanke wielerliefhebber waren zwarte renners geen onbekend fenomeen. Woody Hedspath,Germain  Delayfleche en Vendredi, alle drie zwart en ook nog eens woonachtig in  Parijs, waren al jaren voor de komst van Taylor, actief.  Een zwarte renner moest niet alleen ‘goede benen’ hebben, maar ook over een dikke huid beschikken.
De naam Vendredi, oftewel Vrijdag, was hoogstwaarschijnlijk verzonnen door zijn manager. Altijd fijn om een zogenaamde ‘wilde’ te vernoemen naar een, tot christendom bekeerde, slaaf van Robinson Crusoe. Vendredi, wiens werkelijke naam Hypolite Figaro was met roots op het eiland Mauritius, was deelnemer aan koersen die later absolute wielergeschiedenis werden.
Zondag 19 april 1896. In de Bois de Boulogne staan vijftig profrenners aan de start voor de eerste Parijs-Roubaix. Tussen toenmalige vedetten als Fischer, Maurice Garin, Guignard, Vanderstuyft ook Vendredi. De laatste kwam meer dan vier uur achter winnaar Josef Fischer als zeventiende aan in Roubaix, maar was dan wel de eerste zwarte renner in Parijs-Roubaix.
Ook op de Nederlandse wielerbanen was Vendredi actief. In de zomer van 1898 werd op het  sportterrein van Den Haag een wielerkoers gehouden met als hoofdnummer een koers achter de zojuist geïntroduceerde zware motor. Aan de start Van der Meij uit Amsterdam en ‘den Parijsche neger’ zoals Vendredi op de aanplakbiljetten was aangekondigd.  Vendredi, die volgens het Nieuws van de Dag bitter tegenviel, want kon de motor niet voordurend volgen. Vendredi hoorde als stayer ook regelmatig het suizende geluid van Magere Heins zeis.
Bij een stayerskoers in het Keulen van 1903 ontsnapte de Parijzenaar maar nét  aan  de dood.  In de eerste ronde raakte de voetsteun van de motor van een ontketende Vendredi de baan. Vendredi, die de vreemde gewoonte had om zijn schoenen voor de start aan zijn pedalen vast te binden om daarna zijn voeten er in te doen, vloog het publiek in. Met lichte verwondingen kwam de zwarte rolrijder er genadig vanaf.
Stadsgenoot Woody Hedspath, geboren Amerikaan, zocht zijn geluk én het daaraan verbonden geld ook op de wielerbanen. Won in 1898, op eigen kracht, de Zesdaagse van Dayton en vertrok kort daarna naar Europa, waar de financieel aantrekkelijke stayerij lokte. Een  zwarte renner achter de zware motor is altijd leuk en aardig maar ze moeten wél hun plaats weten, iets waar Woody in september 1903 in Breda achterkwam. Op de lokale wielerbaan werd de tweestrijd Ceuremans versus Hedspath verreden, waarbij de laatste acht ronden aan zijn koersbroek kreeg. Aardig detail: Ceuremans reed achter een motor met achttien pk inhoud, de Afro-Amerikaan moest het doen met een motorinhoud van twee pk. Volgens de Tilburgse Courant juichte het publiek ‘den neger herhaaldelijk toe’.
Ook Amsterdam maakte in 1905 kennis met het fenomeen Hedgepath, en daar wilde het Nieuws van de Dag best aandacht aan besteden. Werden in de vooraankondiging de renners vermeld met afkomst van hun land, achter die van Woody stond gewoon ‘neger’.
In Groningen waar, op de lokale wielerbaan, een internationale stayerskoers verreden werd, pakte ‘den neger’ de winst. Voor plaatselijke hotemetoot J. Schouten, lid van de Eerste Kamer, een gelegenheid om Hedgepath een gouden medaille op te spelden. Of  hij daarbij Hedspath de hand drukte werd niet vermeld. Woody Hedgepath was tot zijn vijftigste jaar actief als stayer, ging na zijn loopbaan wonen in Belgie, huwde met een balletdanseres, en werd hulpje van stayerskampioen Vicor Linart.
Germain Ibron was voornamelijk in Frankrijk actief als renner. ‘De Neger’ zoals zijn bijnaam luidde was een verdienstelijk stayer, reed zesdaagsen, was in de loodzware Bol d’ Or van 1909, een koers over vierentwintig uur, vijfde. Kortom de man was een verdienstelijk coureur. Dat was de Duitse wielerploeg Opel niet ontgaan. Germain kreeg  een contract en kon als rariteit in Duitsland baankoersen rijden. Of De Neger dat erg vond is hoogst twijfelachtig. Geld verzacht altijd de pijn, want kreeg een maandloon van vijfduizend frank, een astronomisch bedrag. Nadat Ibron zijn fiets voor altijd aan de zolderhaak opgehangen had begon hij in Parijs een kroeg.

Bron: Radwelt jaargang 1903, Tilburgse Courant jaargang 1903, Nieuws van de Dag jaargang 1898, 1905 en 1908. Sport Revue jaargang 1934.

Foto 1: De start van de eerste Parijs-Roubaix. Tweede van links Vendredi. Foto Theo Buiting.

Foto 2: Arthur Major Taylor. Foto 3: Woody Hedgepath. Foto 4: Germain ‘de neger’ Ibron. Foto 5: Hypolite Figaro, oftewel Vendredi, foto: Theo Buiting.

Was het de geest van Piet van Nek…?

Beetje oneerbiedig geformuleerd maar het graf is een publiekstrekker eerste klas. In bezoekersfolders van de Nieuwe Oosterbegraafplaats staat de monumentale laatste rustplaats van Piet én Klaas van Nek, in kleur, nadrukkelijk vermeld. Ook  Stuyfssportverhalen, woonachtig op nog geen tweehonderd meter van het graf, fietst er regelmatig even langs want  gefascineerd door het tragische verhaal van de familie Van Nek.
Oom en neef, als wielrenners beiden doodgevallen, mogen zich dus ver na hun dood in een bedenkelijke populariteit verheugen. Op deze blog is al meerdere keren over Piet en Klaas geschreven (zie: ‘de begrafenis van Jong Klaasje’ en ‘Als beloning een monumentaal graf’ hieronder) waarbij flink gebruik gemaakt werd van het Amsterdamse Gemeentearchief en de jaargangen van Radwelt waarin met Deutsche pünktlichkeit de carrière van vooral Piet gereconstrueerd kon worden.
Maar hoe de begrafenis van de laatste nou was? Hoe er ook in diverse archieven gezocht werd…, niets te vinden. Tot vanmorgen. Bij het zoeken in de boekenkasten viel een ordner gevuld met krantenknipsels op de grond. Vergeelde, stoffige en knisperende krantenstukjes, ooit gekregen van een bezoeker van dit blog, maar nooit goed ingekeken, dwarrelde rond. Bestaat het begrip ‘toeval’? Was het de geest van Piet van Nek himself…? Het was om bang van te worden. Want na vergeefse zoekpartijen in archieven én vier dagen nadat er een verhaal over Piet geschreven was (zie: hieronder) dwarrelde een groot krantenknipsel met verslag én foto van de begrafenis van Piet van Nek aan de voeten van Stuyfssportverhalen neer.
Dat stayers voor de Eerste Wereldoorlog de status van filmsterren hadden werd goed duidelijk. Duizenden en duizenden Amsterdammers, tien rijen dik, stonden aan de kant toen de lijkstoet van het ouderlijke huis van Van Nek, een winkel in koffie en thee, gevestigd in de Van Woustraat, naar de ‘Ooster’ trok.  Piet werd gevolgd door niet alleen alle Nederlandse renners van betekenis maar ook door drie rijtuigen gevuld met bloemen en kransen.
Foto 1: De stoet in de Van Woustraat.
Foto 2: Piet van Nek.

Als beloning een monumentaal graf

Copy of piethaberePubliek, organisatie en renners, iedereen had er trek in. Na een barre winter was de Grote Oostprijs, een koers over honderd kilometer, de eerste grote internationale stayerswedstrijd in het Leipzig van 1914. Meer dan dertigduizend liefhebbers hadden de weg gevonden naar de lokale wielerbaan.  Aan het vertrek de Duitsers Peter Günter, Arthur Stellbrink, de Deen Gustav Janke, de Spanjaard Miquel en de Amsterdammer Piet van Nek. Nog één minuut voor het vertrek! Renners werden door verzorgers vastgehouden, de motoren aangeduwd, de starter controleerde zijn pistool en de fotograaf drukte nog één keer af. Voor één renner werd het de allerlaatste foto. Een half uur later lag hij stervend op de baan. 

Aan zijn voorbereiding had het niet gelegen. Nooit eerder had Piet van Nek zich zó serieus op een nieuw seizoen voorbereid. De winter werd doorgebracht op de Parijse winterbaan waar Van Nek zich de pokken trainde. Afgetraind, pezig, broodmager, maar tjokvol ambitie, meldde de Amsterdammer zich in het vroege voorjaar in Dresden waar de puntjes op de i geplaatst ging worden. Achter zijn nieuw gecontracteerde gangmaker, Albert Käser, werd dagelijks op  koerssnelheid geoefend. Hij wist dat zijn doorbraak een kwestie van weken was. vanneklaatstekoers2
Voor Van Nek was de tijd van oogsten aangebroken. Meer dan zeven jaar had Piet in zijn sport geïnvesteerd: harde jaren van zelfopoffering waarin hij zich in iedere koers de ballen van het lijf had gereden. In het stayersmaffe Duitsland met zijn meer dan vijftig topstayers zaten ze echt niet op dat kereltje uit Holland te wachten. Piet, snakkend naar erkenning, sloop iedere koers tergend langzaam naar de definitieve top. De laatste drie seizoenen schurkte de Amsterdammer zich steeds vaker tegen de vedettenstatus aan want won toonaangevende wedstrijden.
Dat Piet van Nek zijn lotbestemming in een levensgevaarlijke stiel als het fietsen achter een zware motor gevonden had, was niet zó moeilijk. Zoals zoveel Amsterdamse renners waren de prestaties van stadsgenoot Piet Dickentman hem niet ontgaan. Met bewondering en een tikkeltje jaloezie zag de aankomende rolrijder hoe Dickentman ieder jaar rijker en welgestelder werd.  Dickentman, dé sportster van Amsterdam, verdiende als stayer in Duitsland bakken met goud.
In 1905 maakte Van Nek de overstap van ordinaire wegrenner naar stayer. Op de hoofdstedelijke Zeeburgbaan beleefde hij zijn debuut. Twee jaar later mocht Van Nek, als amateur, de eer van zijn land verdedigen in Parijs waar het  wereldkampioenschap gehouden werd. Met een verdienstelijke vierde plek kwam Piet terug in Mokum. Een jaar later achtte Van Nek zich goed genoeg om een proflicentie aan te vragen. Gekoerst werd voornamelijk in eigen land en een enkele keer mocht hij opdraven als programmavulling in Duitse koersen. Kansen welke Van Nek niet liet lopen.
Zoals in de Grote Prijs van Steglitz in 1907 waar hij, achter gangmaker Brettschneider, totaal onverwacht de overwinning greep. Tussen 1908 en 1913 begon zijn ster te rijzen en werd vijfendertigduizend goudmark op zijn bankrekening geschreven.  Tussen zijn Duitse contractuele verplichtingen in was Van Nek ook op de vaderlandse wielerbanen actief waar hij, in 1907 en 1913, de nationale titel pakte.
En dan is het 13 april 1914, de Grote Oostprijs van Leipzig. Met een vet contract op zak was Piet van Nek de te kloppen man. Het liep anders. Na een half uur koers waarbij de kilometerteller tegen de negentig liep kreeg Van Nek een klapband. Bewusteloos werd de Mokumse rolrijder naar het krankenhaus afgevoerd waar hij dezelfde nacht stierf.
Piet van Nek, 28 jaar, werd op de Amsterdamse Nieuwe Oosterbegraafplaats ten ruste gelegd. Van Nek, een doodgewone Amsterdamse jongen die aardig kon fietsen, was allang in de vergetelheid gezakt ware het niet dat op zijn graf een prachtig monumentaal gedenkteken opgericht werd, betaald door zijn vrienden en supporters. Anno nu is het graf van Piet van Nek een beschermd rijksmonument en een pronkstuk op de Nieuwe Oosterbegraafplaats.

Foto 1: Het duo Albert Kaser en Piet van Nek.
Foto 2: Sleets, overbelicht en zwaar geretoucheerd maar toch een uniek document want de allerlaatste foto van Piet van Nek.
Foto 3: Het graf van Piet van Nek. Op het monument Piet mét stayersfiets in reliëf geflankeerd door twee figuren, voorstellend  De Roem en De Dood.

Bron: Radwelt jaargangen 1908 t/m 1914.



Ik ben opgegroeid in de Apollohal

Het was carnavalzanger Arie Ribbens die de toon zette. Volgens Arie zijn Brabantse nachten namelijk lang en woest. Nou, vergeet dat maar! In het diepe zuiden borrelden absoluut geen beelden op van rock ’n roll! En van die gezellige hedonistische feesten met gilnichten en travo’s, laat staan Arie’s, beloofde swingende nachtleven, was ook geen spoor te bekennen. In Bergen op Zoom, waar je steeds het gevoel hebt dat mijnheer pastoor stiekem om de hoek staat te gluren, zijn de cheerleaders dan wéér wél jong, mooi, langbenig en vooral schaars gekleed. En als Mokummer wordt je ook nog eens begroet met ‘hadoei’ en, héél belangrijk, het leven schijnt er gemoedelijk te zijn.  Amsterdammer Mattijs Hak prijst dat laatste.

Voor een jonge, ambitieuze basketballer geeft Amsterdam te veel afleiding. Hak, 22 jaar, weet hoe leuk het in zijn geboortestad is. Maar toch… toch kiest hij liever voor een club in de provincie. Komt ook nog eens bij dat Bergen op Zoom een heel goed gestructureerde profclub binnen haar poorten heeft.  Mattijs Hak is afkomstig uit de roemruchte jeugd van de hoofdstedelijke Mosquito’s. Zo’n twaalf jaar geleden, na een oproep in de krant,  meldde de aankomende basketballer, samen  met drie klasgenootjes, zich in de Apollohal: waar een ambitieus plan gestart was om, middels een gedegen jeugdopleiding, het kwijnende basketbal een nieuwe impuls te geven. Dat laatste had een grote invloed op zijn latere leven.. Inmiddels mogen trainers als een Tree Marioneaux en Adrie Willemzorg trots op hun werk zijn. De eerste generatie van ‘hun jongens’ zijn ingelijfd door de diverse profclubs.
Drie jaar geleden werd Hak door de Brabanders gecontracteerd. ‘Ik heb totaal geen spijt dat ik voor de Giants gekozen hebt,’ vertelt Hak twee uur voor de wedstrijd tegen Amsterdam. ‘In Brabant kan ik mij zonder afleiding helemaal concentreren op het basketbal. Voor mij is het belangrijk om op een rustige plek te zijn. Hoe het leven van een prof eruit ziet? Dat is de hele dag met het spel bezig zijn. s’Morgens hebben we krachttraining en de middaguren worden basketballend door gebracht.’Hak roemt de organisatie bij de Giants. De sociale controles in dorpen mag dan benauwd zijn maar dat wordt goed gemaakt door het saamhorigheidsgevoel. ‘De mensen in de club zijn heel warm, lief. Er zijn hier veel vrijwilligers actief die je in alles helpen. Zo eten wij met het team, tussen de middag, warm bij de lokale hotelschool’.
Met zijn 1. 90 meter oogt Mattijs, tussen torenlange ploeggenoten, opvallend klein.  In de geest van een wijs, intectueel, Betondorps filosoof ,dat ‘ieder nadeel zijn voordeel hep’, weet Mattijs dat te pareren. ‘Inderdaad, voor het basketbal ben ik eigenlijk te klein. Maar wat is nou vijftien centimeter korter. Ik zit daar niet zo mee. Als je langer bent ben je ook minder mobiel. Kleiner is vaak handiger en sneller,’ sneert de guard.
Het gesprek vindt plaats in de ontvangstruimte van de sporthal. Buiten op het parkeerterrein stopt de touringcar van tegenstander Amsterdam. Op de typische slungelige manier eigen aan basketballers komen de spelers binnen. De begroeting met Hak is meer dan hartelijk. Dit zijn duidelijk vrienden. ‘Ik ken het hele team van Amsterdam. Wat dacht je dan? We komen allemaal uit de opleiding van Tree. We zijn allemaal opgegroeid in de Apollohal. Man, man, wat mis ik de Apollohal enorm,’ glipt het er emotioneel uit.
De naam van Tree Marioneuax is gevallen. De Amerikaan die als prof in de jaren zeventig in Amsterdam kwam en er altijd is gebleven. De man die het Amsterdamse basketbal met zijn gedegen jeugdopleiding op de kaart heeft gezet. Voor Mattijs Hak heeft Marioneaux,  afkomstig uit New Orleans, nog een specialere betekenis. ‘Tree? Dat is mijn opleider. Hij heeft alle jongens in de Apollohal de liefde en passie voor het basketballen bij gebracht. Hij heeft de grootste invloed op mijn leven gehad en nog steeds’. Hak onthuld een romantisch verhaal.  Tree Marioneaux vond in de Apollohal niet alleen een stel gemotiveerde jongens, maar ook zijn grote liefde, Esther, de moeder van Mattijs. ‘Mijn stiefvader is heel betrokken bij mijn leven. Natuurlijk praten we veel over basketballen, de man was prof in Amerika en speelde later bij Europese profclubs. Hij geeft vaak aanwijzingen, goede tips. Ik ben nogal eigenzinnig en moet van hem meer luisteren naar mijn coach.’
Mattijs Hak, een jongen uit Mokum, wonend in een flatje in Bergen Op Zoom. Een sporter die zijn droom waar gemaakt heeft, die een betrekkelijk onbezorgd leven leidt is opmerkelijk nuchter. ‘Ik moet realistisch zijn. Dit leven stopt een keer. Ik wil dan iets sociaals gaan doen. Dan kom ik zeker terug naar Amsterdam’.

Foto’s: Hilco Koke

Niset schreef geschiedenis in eerste marathon van Rotterdam


Het is niet alleen het grootste loopevenement van Nederland maar wordt ook tot de beste ter wereld gerekend. Twintigduizend hardlopers gaan zondag 10 april van start voor de eenendertigste marathon van Rotterdam. Volgens de organisatie won John Graham in 1980 de eerst versie. Dat is niet waar! De eerste marathon door de Maasstad, werd gehouden op 23 mei 1909 en de winnaar was Niset, een inmiddels totaal vergeten Belgische hardloper
.

Wat een spijt hadden ze. Mannen van de organiserende vereniging Pro Patria keken elkaar veel betekenend aan. Bol- en strohoeden werden achterover gedrukt. Ze konden de haren wel uit hun kop trekken. Wie van hen was ook alweer die idioot die de marathon er door had gedrukt? Hadden ze op het Schuttersveld in Rotterdam een prachtig atletiekprogramma georganiseerd, waar de fine de fleur van rennend en springend Nederland op af was gekomen, verknalde die marathon het hele evenement. Berichten dat in stad verschrikkelijke dingen plaats vonden had het Schuttersveld inmiddels bereikt.
Terwijl Jan van der Meer, met een sprong van 3.30 meter, het polsstokhoogspringen won, J. Maasdijk de honderd meter sprint afraffelde in een verbazingwekkende tijd van 11.5 seconden en Arnhemmer Koops met een sprong van 5 meter 75 het verspringen op zijn rekening schreef, vond in de straten van de Maasstad de ‘martelgang van Kromme Leendert’ plaats.
Verbaasde en verbijsterende Rotterdammers zagen tientallen kerels kotsend, broekschijtend en verdwaasd uit de ogen kijkend, voorbij strompelen. Volgens de verslaggever van de Revue der Sporten was het één en al misère. Een erbarmelijk gezicht. Om te eindigen met de vraag wat zulke nummers op een atletiekprogramma had te zoeken. Gelukkig was er nog de Belg J. Niset, afkomstig uit Brussel, die de boel nog enigszins wist te redden. Niset moet zelf het meest verbaasd zijn geweest dat hij die helletocht winnend én levend van af bracht.
Zwaaiend met een zakdoek kwam de Brusselaar in een tijd van 3 uur en negen minuten terug op het Schuttersveld. Rotterdammer De Boer liet de kans om geschiedenis te schrijven voorbij gaan en eindigde als tweede.

Bron: Revue der Sporten jaargang 1909

Foto’s: De veldwachter klaar staat om in te grijpen en de organisatie één opdringende toeschouwer wegduwt komt ondertussen J. Niset zwaaiend over de finish.

Foto 2: Overzicht van het Schuttersveld tijdens de ‘druk bezochte wedstrijden’.


Treurig einde voor Nederlands eerste wereldkampioene

Geen woord te veel gezegd, dat Mien van Bree dé pionier van het Nederlandse dameswielrennen was. Stuyfssportverhalen schreef daar onlangs een verhaal over (De vergeten wereldkampioene) waarbij geput werd uit een schaars interview, begin jaren vijftig,  van Mien met het blad Sportief. Maar wie was Mien eigenlijk? Wat voor vrouw was ze? Wat was er van haar geworden? Eén groot raadsel. Totdat Luuk van Bree, neef van de wielrenster, op dat verhaal reageerde. Luuk mailde niet alleen een serie prachtige en unieke foto’s, maar vertelde ook het treurige levensverhaal van Nederlands allereerste wereldkampioene op de fiets.

Ze deed gewoon wat ze leuk vond en wat een ander daar van dacht had ze maling aan. Om in de jaren dertig, in dit land, als meisje te gaan koersen, daar was lef én doorzettingsvermogen voor nodig. Mien van Bree had niet alleen die eigenschappen maar kon ook nog eens een aardig stukje fietsen. In België waar het vrouwenwielrennen, tachtig jaar geleden, volkomen geaccepteerd en daardoor héél populair was, behoorde Mien tot de top.
Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was het gedaan met Mientjes wielercarrière. Na de oorlog was het de wederopbouw van het land én de verzorging van haar vader die Mien van de racefiets hielden. Tijdens de sompige en donkere jaren vijftig zakte de bekendheid van Van Bree langzaam weg, om bijna definitief te verdwijnen in de vergetelheid.
 Voor de Van Brees was de oorlog één groot trauma. Bij het bombardement op Den Haag stierf Miens broer. De ouders van Mien, die een paar jaar tevoren ook hun dertienjarige dochter hadden begraven, waren gebroken. In de oorlog overleed moeder Van Bree aan verdriet. Met vader Van Bree, die met een zoon en dochter achterbleef, was het niet beter gesteld.
Van Mien, in 1945, dertig jaar oud en  in de kracht van haar leven, werd verwacht dat ze het fietsen eraan gaf en de verzorging van haar vader op zich nam. Naast haar werk als verpleegster in de psychiatrie, verpleegde ze zonder klagen haar oude heer.
Na diens heengaan gloorde voor de voormalige wereldkampioene de eenzaamheid. Relaties had ze niet en neef Luuk had haar nooit in een gezelschap van een man gezien. Mien had wél vriendinnen. Zelf vermoedde Luuk dat ze lesbisch was: in die tijd natuurlijk een grote schande. Luuk van Bree moet er niet ver naast zitten. Op meerdere foto’s staat Mientje heel intiem met Maria Goudens, een collega wielrenster.
Mien van Bree wonend in dat grote, stille ouderlijke huis, haalde troost uit het kweken van kanaries én de fles. Van haar kanaries, waar ze op tentoonstellingen veel prijzen mee won, genoot ze. Troost haalde ze uit de fles. Eenmaal in de VUT bracht ze, met een neutje onder handbereik, zittend achter het raam de dagen door. De liefde voor een vrouw mocht niet en fietsen in dit land kon ze wel vergeten en toch was Mien, volgens neef Luuk alles behalve verbitterd. Eerder vrolijk. Als Luuk langs kwam werd er door tante Mien uitbundig gezwaaid. Op vier augustus 1983 werd Mien van Bree, 68 jaar, gestikt in haar eigen braaksel, dood gevonden.
Mien van Bree, is voor het Nederlandse dameswielrennen van onnoemlijk veel betekenis  geweest. Naar Mien, geboren, getogen en tot haar dood een Loosduinse, is geen straat vernoemd.
Kom op gemeente  Loosduinen, laat je niet kennen!

Foto1: Mien van Bree, foto 2: Mien en haar hartsvriendin Maria Goudens, foto 3: Mien van Bree in Vlaanderen. Foto’s: Luuk van Bree