Een Kruiswegstatie van negen ronden

Copy of Ben Bril 2015 21 300Het gala behoort inmiddels tot een sportklassieker: de Ben Bril Memorial, voor de achtste keer gehouden in Koninklijk Theater Carré. Stuyfssportverhalen was daar bij en volgde Joos Poulino én Jessica Belder. Beiden gingen voor het Nederlands kampioenschap.

Hij houd van zijn eiland. Alleen een visuele gehandicapte was dat ontgaan. Een grote vlag  van Curaçao hangt pontificaal aan de deur, van de kleedkamer van Joos Poulino, 27 jaar. En deze had veel weg van een jongerensoos. Een lekker ontspannen muziekje. Vijf vrienden. Een  fruitmixer draait op volle toeren. Grappen die tegen de muur kaatsten. En relaxed zittend, Joos Poulino, een middengewicht. Naast hem trainer Joval. De laatste, stoïcijns de handen van zijn puppil intapet. Indrukwekkende tattoos verdwijnen onder lagen wit plakband. Met een paar gemummificeerde handen begint de opwarming. Volgens een aanwezige neef gaat Poulino zich nu visualiseren.
Copy of Ben Bril 2015 12 300Yes, Yes, Yes roepend, strak in de kleedkamerspiegels kijkend, worden armspieren los geschud. De man pept zich op. Achteraf gezien was dat allemaal onnodig. Joos  had net zo goed meteen de ring in kunnen stappen. Niets aan het handje.
Zijn tegenstander wekte namelijk de sterke indruk dat deze enkele uren eerder langs de Amstel een paar bokshandschoenen had gevonden en het wel aardig vond het ook eens te proberen. Waarmee het kampioenschap van Nederland een slachtpartij werd. Met Faroek Daku, een in Amsterdam wonende Oegandees van dertig jaar in de rol van slachtoffer. Passief, solliciterend naar een gesprekje met een neuroloog, onderging Daku, notabene kampioen van Afrika de afstraffing. Een levende bokszak met een incasseringsvermogen van een Centuriontank.
De verse kampioen begreep daar niets van ‘Tijdens de eerste ronde dacht ik dat kan niet waar zijn’, vertelde hij na afloop.  ‘Hij zat te bidden om die ene stoot. Ik sloeg zo hard ik kon, maar hij bleef negen ronden op de been. Ik wil graag iemand in elkaar slaan, maar niet dood maken’. De opmaat voor iets vreselijks speelde zich al vóór het gevecht af.
Copy of Ben Bril 2015 17 300Na aangekondigd te zijn door ringspeaker Eric Dijkstra bleef het stil. Wie er ook uit de coulissen kwam, geen Daku. Na minuten wachten kwam Daku eindelijk op: wapperende vlag van Oeganda voorop.  Op weg naar zijn Kruiswegstatie die uiteindelijk, door interventie van de scheidsrechter, negen ronden duurde. Voor Joos Poulino, na het gevecht kilo’s lichter, met een afzakkende broek, is zijn titel een opstapje naar meer. “Koning van Europa’ wil hij worden, riep hij na afloop, zonder  met zijn ogen te knipperen. Om haastig daar aan toe te voegen dat hij nog steeds een gewone jongen is. Zo één die zich nergens te groot voor voelt. Ook niet om  Stuyfssportverhalen te woord te staan.

Drie ronden én een gebroken kaak

Copy of benbril1aDe opkomst van boksers. Met de gebruikelijke bombast. Harde muziek. Spotlights. Show. En een spreekstalmeester mét lange uithalen. Voor Jessica Belder allemaal nieuw. De dertig al lang gepasseerd, maar toch haar debuut als profbokster in Carré. Strak van de zenuwen staat ze in de ring, te wachten op haar tegenstandster. Terwijl Belder, 55 kilo, de laatste instructies krijgt van trainer Joval, staat in de coulissen een jongensachtig grietje van amper veertien jaar te trappelen. Bokshandschoenen aan. Je gelooft je ogen niet. Een kind. En net als je haar wil vragen of ze een briefje met toestemming van haar moeder heeft, wordt ze door ringspeaker Eric ‘Jakhals’ Dijkstra, perfect brallend aangekondigd.
Copy of benbril11aGabrielle Mezei, uiteindelijk eenentwintig, tegenstander van  Belder, met inzet, de vakante Nederlandse titel.  Dan gebeuren er meerdere dingen tegelijk. Terwijl Mezei dansend de ring betreedt, hoort het publiek Dijkstra een onheilspellende mededeling doen. Volgens de Jakhals is Mezei afkomstig uit een bergdorpje in Transsylvanie. Mijn Heer. Als ze maar niet in nekken gaat bijten. Goddank staat ze op heilige grond want Koninklijk theater Carré, decor van de achtste Ben Bril Memorial. Maar we gaan verder met Jessicia Belder versus Gabrielle Mezei: de laatste met een conduitestaat van zeven gevechten, drie gewonnen en twee verloren.
De meiden gaan los voor een partij over tien ronden van twee minuten. Die maar drie ronden duurt. Gabrielle Mezei, moet de strijd staken want een gebroken kaak. Voor Belder profbokster met ambitieuze plannen voor een Europese titel, een deceptie. Geen echte glorie. Geen heroïsch gevecht die blijft beklijven. 
De verse kampioene, een nuchtere meid. Als geen ander weet ze dat het als pugiliste  sappelen is. Bij  een gemiddelde Nederlandse profbokster liggen de muizen immers dood in de broodtrommel.
Copy of benbril7aEr is geen cent te verdienen. Belder, pure liefhebber van de sport, is daarom in dagelijks leven registeraccountant bij Endemol. Waar ze nog in proeftijd is.  Hele dagen werken én een carrière als bokster. Of dat wel gaat? Wat dat laatste betreft maakt ze zich niet druk.  Volgens haar is het een kwestie van goed plannen. Vroeg opstaan, werken en in de avond trainen bij Raymond Joval waar ze trainingsweken van zestien uur aftikt. De nieuwe kampioene, allesbehalve een vedette. Blij met ieder klein ‘dingetje’. Zoals haar nieuwe sponsor, die een trainingskamp van een week bij een gerenommeerde gym in Londen, bekostigde.

‘Zonodig verander ik tijdens gevecht mijn tactiek’

benbril2015 006‘Dat gaat niet gebeuren.’ Wat eerst op Amsterdamse bluf leek, werd realiteit. Nadat Pedro van Raamsdonk vorig jaar vernam dat het de laatste Ben Bril Memorial was geweest, sprak hij gedecideerd deze woorden. De voormalige Europees kampioen legde vervolgens contact met sponsors. Waarmee het balletje begon te rollen. Heel lang verhaal kort te maken: maandag aanstaande gaat in Carré het allerbeste boksgala dat dit land kent los. De negende Ben Bril Memorial met in de absolute hoofdrol wereldkampioen Rafik Harutjunjan: die zijn titel gaat verdedigen.
Harutjunjan pakte vorig jaar in hetzelfde decor de wereldtitel in een sensationeel, en enerverend gevecht. Het Carré kolkte en de pannen van de omliggende huizen lagen te rinkelen. Een gouden toekomst lachte de Bosschenaar toe. Wat niet helemaal uitkwam. Rafik, toen  getraind  door Henny Mandemakers, stond een jaar lang droog. Niet één partij, laat staan een groot gevecht. Helemaal niets. Maar eerst vertellen over de breuk met zijn ontdekker Mandemakers. ‘Ik ben Henny heel dankbaar’, zegt de wereldkampioen. ‘Maar ik wilde mijn horizon verbreden door naar Duitsland te gaan, een heel sterk boksland. Henny wilde niet mee. Heel jammer.’
brilprogProbeer maar eens een bokser die geen partijen krijgt scherp te houden. Ook bij Harutjunjan begon de motivatie weg te sijpelen.  Het tekent de sportman Rafik dat hij toch de moraal vond om er tegen aan te gaan. ‘Mijn nieuwe trainer Artur Gregorian, een legende in Duitsland, en een nieuwe manager hebben toegezegd dat ik vanaf nu minstens vier partijen per jaar krijg. Voor mijn titelgevecht in Carré ben ik drie maanden in een trainingskamp geweest. Ik zal alles doen om mijn wereldtitel te behouden.’ Uitdager is  Kevin Dotel, afkomstig uit de Dominicaanse Republiek. De laatste is wat aantal partijen betreft  warm gedraaid. Negen gevechten, waarbij acht werd gewonnen, sieren zijn conduitestaat.  Hoe Rafik Harutjunjan zijn tegenstander gaat bestrijden? ‘Ik ga mij aan hem aanpassen. Zo nodig ga ik tijdens de partij mijn tactiek veranderen.’

Ben Bril Memorial, Koninklijk Theater Carré. Maandagavond 12 oktober. Aanvang 19.00 uur. Er zijn nog tweehonderd kaarten beschikbaar.

‘Paula nu moet ik sterven’

Copy of appelhanskrugerGangmakers, inventief volk. Grootmeesters van dé ultieme truc. Dat  heimelijk  het gangmakerspak werd opvuld met extra truien,  of soms met een leeg olieblik, was ‘klein bier’.  Enfin, Werner Krüger had dat laatste niet nodig. De man was van zich zelf gevuld. Dikke Werner was de bijnaam. Werner Krüger,  pronte toges, vacuümzuigend op de buddysit,  had ‘abri’, dat was duidelijk. De man kende meer mankementen, want ging hinkepinkend door het leven. Ga ik uitleggen. In 1903 maakte die bolle, met renner Audemars, zijn entree op de wielerbanen. Tijdens de Belle Epoque dus, fijne tijd voor stayerskoersen én publiek. Ook bij de Grote Prijs Hannover. Krüger  met renner Audemars op het programma. Tegenstanders Robl en Dickentman. Werner ging los. Want nam met zijn jongen in volle vaart de bocht.
werner1En vond zich zelf iets later, met een versplinterde enkel, terug tussen de banken van de tribunes. De rokende motor onderin de baan.
Met een voor het leven trekkend been als blijvend souvenir. Ach, wat maakt dat uit, moet de man gedacht hebben. Bedrijfsongelukje. Zolang de polsen waarmee de gashendel werd bediend het maar deed. Voor Krüger dan ook geen beletsel om niet door te gaan.
De man verkocht eerst zijn ziel aan de Amerikanen Nat Butler en Menus Bedell, om later met Stellbrink de grote koersen te gaan winnen als de kampioenschappen van Duitsland én die van Europa. Voor vrolijke passagiers was geen plaats. Zat je bij Werner aan de rol dan kon je aan de bak. Hij perste alles uit zijn renner. ‘Ho’ roepen was er niet bij.  De man had een selectief gehoor. Gaf een dot gas bij. Sterven of winnen. Bij het uitbreken van de Grosse Krieg in 1914 was de corpulente gangmaker er als de kippen  bij om zich aan te melden bij het Keizerlijke Leger. Tussen de loopgraven door tufte hij als motorordonnans rond.
Na de grote nederlaag kaggelde Werner Krüger nog acht jaar als gangmaker rond onder meer met Willy Appelhans. In 1926 was het mooi geweest. Werner Krüger werd directeur van de Breslauer wielerbaan. Eind goed al goed zal je zeggen…
Niet dus. Door economische omstandigheden gedwongen, vroeg Werner vier jaar later weer een gangmakerlicentie aan. ­
wernerkruger4‑  ‘Héhe’, verzucht schrijver dezes, als die ene ouwe temeier die zojuist haar laatste klant de deur uit gewerkt had. ‘We komen waar we zijn moeten, want nu gaat het spannend worden’.  ‑
Dramatiek gloeit aan het firmament. In 1931 staat Werner Krüger met zijn renner Emiel van Tollenbeek op de aanplakbiljetten van de Grote Prijs Keulen. Waar de combinatie Krüger/Tollenbeek  direct ten aanval trok, en renner Schön, getrokken door Gedamke, aanviel.
De laatste bleef tijdens de inhaalmanoeuvre met zijn toeclip haken aan de motor van Krüger. Vier man ten val. Krüger, met gebroken ribben, hersenschudding, én een doorboorde long in het ziekenhuis.  Met de woorden ‘Nu moet ik sterven’, blies hij enige dagen later in de armen van zijn echtgenote Paula de laatste adem uit. Werner Krüger, 53 jaar, was het zesenvijftigste dodelijke slachtoffer van de stayerssport.
Bron: Onder meer Illustrierter Radrenn-Sport, jaargang 1931.

Op een kermiskoers kun je een jaar verder

zottegem 031Kroegen met bieren op vat voor 1,20 euro per pint. En niet van die slappe Hollandse uilenzeik, maar merken als fier Gents Bier. Binnen, ‘op de koer’ een poëtische  benaming voor urinoir, gieten mannen, schouder aan schouder, met soepele polsbeweginkjes nog even  de aardappelen af.  Bij Vinny’s Snacks, een mobiele frituur, glijden de eerste broodjes zuurkool mét braadworst  over de toonbank. Terrassen lopen vol. Vanuit de schiettenten op de kermis klinken, elektronisch versterkt, holle stemmen. Op het Stationsplein ligt het bandje De Platte Choco’s op volle snelheid. Programmaverkoper Freddy Mestdagh prijst, in plat dialect, zijn waar aan. En op de hoek van  Hospitaalstraat-Musselstraat knikt ‘gemachtigd signaalgever’ Albér, goedkeurend.zottegem 024
Voor Albér kan de ‘80e Grote Prijs Stad Zottegem’,- moeder aller Vlaamse kermiskoersen, – van start gaan. Albér, klein, knoestig, een veteraan van vele oorlogsfronten. Van het vroege voorjaar tot diep in de herfst, van kermiskoers tot de ronde van Vlaanderen, staat Albér op wacht. Spiegelei in de aanslag. Zijn favoriete plekken zijn de Patersberg, de Paddestraat én De Muur.  Albér kent zijn klassieken.
De Grote Prijs Zottegem, tachtig jaar oud. Een kermiskoers ruig en eenvoudig in zijn soort, met winnaars als een Maurice Blomme, Arthur DeCabooter, Marcel Kint, Herman VanSpringel, een uitslagenlijst als een Vlaams wielerepos. Daartussen, als een blozende blom, Matthé Pronk, jongen uit de Noord-Hollandse polders en winnaar in 2002.
zottegem 052De Vlaamse kermiskoers. Waar de ooit Spartaans ingerichte staminees niet meer bestaan. En de mannen met d’n klak, de platte pet, de lokale kerkhoven bevolken. Voor de rest is het zoals het al een eeuw is, want wielrennen voor het volk, ontdaan van alle franjes. Alles kan veranderen. Renners met spacy zonnebrillen op koersfietsjes ontsproten uit het brein van professor Lupardi staan aan het vertrek. 
En net als je denkt dat de kermiskoers is veranderd zijn daar de zwaantjes, lieflijk Vlaams woord voor motoragenten, scheurend voor het peloton op hun motoren. De Grote Prijs Zottegem met bijna tweehonderdvijftig renners, gevolgd door vijfentwintig ploegleiderwagens.  Koers over vijf lokale rondes wat staat voor honderdnegentig kilometer. De Vlaamse Kermiskoers dat merkwaardige mengeling van topsport, bedrog, combine, geritsel, gokken, vreten en bier zuipen. Als Amsterdamse wielerliefhebber kun je daar een jaar op verder.
Lieve God, laat dat altijd zo blijven.

Uwe Smit koestert zijn mooie herinneringen

uwenotleyGevaarlijk? De wielerbaan was zes meter breed en meer dan driehonderd meter lang. Betere omstandigheden voor een stayerskoers zijn niet denkbaar. En toch zag hij het onheil. Uwe Smit, decennialang op de gangmaakmotor, had zo zijn twijfels. Voor de aanvang van de stayerskoers op de wielerbaan in het Franse Leblanc, afgelopen week,  zag de Noord-Hollandse gangmaker meteen het latente gevaar. Craquelé in het beton. Bloedjelink want kleine scheurtjes waar water onder komt. Met zijn renner, de Brit  James Notley, stond Smit op het programma voor een koers over twee manches. Waar zijn sluimerende onrust uitkwam. Vlak na het uitrijden van één van de bochten  ontstaat een flink gat in het beton. De voor hem rijdende stayer krijgt een klapband. En weet met een godswonder heelhuids te stoppen. Bij Uwe Smit neemt onrust op zijn schouder plaats. En fluistert in zijn oor over ‘Alkmaar’. Afgelopen januari was de lokale wielerbaan hét decor van het nationaal kampioenschap stayeren. Fantastische koers. Veel volk op de tribunes. Met een dramatische wending. Een behoorlijke valpartij. Smit was daarbij betrokken. Een mirakel dat de betrokken renners én Smit er redelijk goed vanaf kwamen. De laatste begon vraagtekens bij zijn hobby te plaatsen. En dat moet een gangmaker nooit doen. Geheid dat de kat plaats neemt op het dak.
uwearmbreukMaar wij gaan terug naar Frankrijk. Waar de baan met zogenaamde ‘snelcement’ werd opgekalefaterd. Dat gebeurde wél met de ’Franse slag’.  Uwe Smit kan dan wél bijna zeventig jaar zijn, maar aan zijn ogen mankeert niets. Scherp zag hij dat uit het gemaakte en opgevulde gat een steentje steken. Een opmaat voor ellende. En als dan ook nog eens een collega gangmaker zonder naar rechts te kijken omhoog rijdt, is het over en uit. Na twintig jaar stopt Smit er mee.  Op de zware gangmaakmotor zien ze hem niet meer. Hooguit op de derny. Het noodlot moet nooit getart worden. Een paar dagen na dit interview gaat het mis. Gecontracteerd voor de dernykoers van Zevenbergen. Waar Smits  geluk op was.  Valpartij. Gebroken sleutelbeen voor Uwe.  Wat meteen de welbekende druppel was. Het gangmaken is ‘over en uit’. De derny gaat verkocht worden. Ondanks de malheur is er geen spijt. Smit  koestert zijn mooie herinneringen. Over koersen in Duitsland, met overwinningen in Darmstad. En de  jaren dat hij samen met Notley op de Franse wielerbanen een veelgevraagde combinatie was. Of hij het adrenalinekolkende stayerswereldje gaat missen? Nee! De man staat nog steeds met zijn poten midden in het leven. Speelt in een rockband de basgitaar. En blijft als voorzitter van de Alkmaarse baancommissie betrokken bij het stayeren.

 Foto 1: Uwe Smit met James Notley.

In zijn lijf géén blikkie

examenmickhug 030De kop hanig, het lijf tanig. De blik op scherp.  En dan dat hart. Tweeëntwintig slagen tijdens zijn slaap. De cardiologe van het OLVG in Amsterdam, trok wit weg. Of het geen  tijd was  om een pacemaker te implanteren werd voorzichtig voorgesteld.  Ga je weg! In zijn lijf geen ‘blikkie’ zoals hij dat zelf noemt. Tweeëntwintig tikken, ‘gewone’ stervelingen worden nooit meer wakker. Maar hij is dan ook geen gewoon mens, dat we dat maar even weten. De man is hardfietser en belijdt de religie van de tijdrit.  Tijdens het wereldkampioenschap achtervolging 1957, amateurs, vond hij zijn ‘roeping’. Achtste werd hij.  Heeft sindsdien een latent erotische relatie met de chronometer. Een goed huwelijk, kun je stellen. Iedere dag wordt daarmee de liefde bedreven. Het voorspel begint bij de aanvang van de training. De wijsvinger zweeft boven de chronometer. Liefdevol wordt het knopje ‘start’ ingedrukt. Het dagelijkse gejakker,  tachtig kilometer lang, neemt een aanvang. examenmickhug 031
Decor, de kaarsrechte, winderige polderwegen ten noorden van Amsterdam.
Op een fietsje uitgevonden in een ruimtevaartlaboratorium en zónder valhelm. Hoofdbescherming is voor mietjes. De man behoort tot de helmloze. Hooguit een koerspetje op. Of een bandana. De man, voor intimi Luke, wegens gelijkenis met stripheld Lukey Luke, had meer bijnamen.
In zijn boek ’42 Wielerverhalen’ noemde Tim Krabbé hem Kunst. Maar dat zijn bijzaken.  We hebben het wél over die hardfietser, waarvan wij vooral niet moeten denken dat die ook zo nodig ‘moet’.
Vijf jaar geleden werd hij namelijk ’s werelds beste tijdrijder bij de masters. Op een behoorlijk geaccidenteerd terrein in Oostenrijk raasde hij met een gemiddelde veertig kilometer het parkoers van dertig kilometer af. Amateur-renners tekenen daar voor. De tijdrit, zijn Heilige Graal.  Aan de jaarlijkse wereldkampioenschap voor masters gehouden in Denemarken, laat hij aan zich voorbij gaan. Niet om fysieke reden. Het is het financiële plaatje. Of er moet zich een sponsor melden. En dan zijn er ook nog de zondagmorgenwielrenners. Die jongens op hun té dure fietsjes en té kekke zonnebrillen. Mochten deze twijfelen aan de man zijn kwaliteiten. Test het.  Ga het duel maar aan…  
Herman van Bruggen, bijna tachtig jaar: een fenomeen.

Giovanni kreeg de vrije hand

corrieontsnap2Ogen, zwart en gloeiend als de vulkaan de Etna. Een haviksblik. Geboren en getogen op Sicilië. Eiland bevolkt met mannen van eer: haatdragend en niet altijd even goed snik. Opgegroeid in de wereld van Don Corleone, waar conflicten werden beslecht met de Lupo, een fijn in de hand liggend jachtgeweer.  De kneepjes van de omerta zaten ‘snor’, en de  mores van Sicilië was er goed in gestampt. Wat dat zoal met een adolescent doet? Vul dat zelf maar in. Dat zoiets beklijft is zeker. Giovanni Corrieri, Siciliaan tot in de nerven van z’n ziel en opgegroeid in de achterbuurten van Messina. Ondanks dát  liet Giovanni op  twintigjarige leeftijd voorgoed zijn  geliefde eiland achter zich om voor een schamel contractje bij Gloria, een fietsfabriek in Noord-Italie, zijn geluk te vinden. 
Giovanni Corrieri, tjokvol ambitie, maar ook een pragmaticus. Zo één die lijf,  én zweet zonder scrupules verkocht aan kopman, Gino Bartali. De ragazzo afkomstig uit Messina werd de ultieme gregario, die voor zijn broertjes en zusjes de lires bijeenschraapte.
Gino Bartali, God himselve koersend op een Legnanofiets, was wél zo slim om zijn trouwe knecht regelmatig wat kruimels te gunnen. Van die dagen dat Giovanni de vrije hand kreeg.
corrieribloemZoals tijdens de Tour editie 1950. Vijfde etappe Rouen-Dinard 316 kilometer. Waarin vijfentwintig kilometer voor het eind Corrieri samen met René Desbats ontsnapte. Op de finishstreep werd  Desbats vakkundig, met een ‘poeshaartje’ verschil, geklopt.  
Giovanni Corrieri, meesterknecht, één van de belangrijkste helpers in de Tourzege van Bartali in 1948. Gedenkwaardige Tour waarin Giovanni zelf twee etappes wist te winnen.
Het feodale leven van een Italiaanse gregario was zwaar. Tijdens de koers, maar ook daar buiten. Ziel en zaligheid, alles voor de kopman.  Ook in de hotels. De Siciliaanse knecht,  vaste kamergenoot van Gino Bartali, wat geen pretje moet zijn geweest. De mysticus Gino, een godvrezend mens, trouw volgeling van Rome met de bijnaam De Vrome. Klaar ben je. Na de massage wél even op de knieën, om samen met de kopman, de capo di tutto hier boven,  even te danken voor de dag. Dat er geslapen werd met de handen boven de dekens, dat spreekt.
Uiteindelijk heeft het Corrieri geen slecht gedaan. Op vijfennegentigjarige leeftijd is de Siciliaanse supergregario, stram van lijf, maar scherp van geest, nog steeds onder ons.

Bron: Miroir Sprint jaargang 1950.

Schitteren als die ene ouwe sopraan

cammelinitelegrapheIntegratie zie je met je eigen ogen. Maar niet in Frankrijk. Daar is men nogal kippig. Heeft alles te maken met chauvinistische grandeur. Vive le France! Blue, Blanc, Rouge. Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap.  Enge, holle kreten. Bestemd voor eigen volk.  Stroomt er geen beaujolais door de aderen of kreeg je als kind geen pak rammel met een stokbrood, dan kun je het vergeten. Ook Fermo Camellini. De laatste kon de Marseillaise  uit zijn hoofd. Stak op 14 juli de nationale driekleur uit, maar had alleen die ene makke… Als klein jochie, zoon van Italiaanse gastarbeiders, naar La France geëmigreerd.  Maar nooit de Franse nationaliteit aangevraagd. Met dank aan zijn ouders. Wat  natuurlijk te maken had met die rare Latijnse trots.
Jaren later, Fermo was wielrenner om den broden, brak dat op. Camellini, een rasklimmer, iedere dag trainend in de bergen achter Monaco won bij zijn profdebuut in 1937 koersen als Nice-La Turbie, de Grand Prix Guillaumontin, Circuit des Alpes en Grasse-Grasse. Om in 1939 door te breken met zes overwinningen waaronder het Circuit Mont Ventoux. Het lijf volgroeid, was in topvorm. En dan slaat drama toe. De oorlog breekt los. De zoon van arme Italiaanse gastarbeiders, één van de sterkste klimmers van zijn tijd, koerste nog wel, maar dat ging om des keizers baard. Voor zijn debuut in deTour de France moest de grimpeur uiteindelijk zeven jaar tandenknarsend wachten. In 1947 is het eindelijk zover. Fermo Camellini, drieëndertig jaar, zijn beste jaren achter de rug, reageerde precies zoals die ene ouwe sopraan uit de Jordaan: hij wilde nog één keer schitteren. 
cammelinigalibierDe opmaat hiervoor was in de Vogezen waar de vierde etappe over de ‘ballons’  werd gewonnen. Uitkomend voor een regionale ploeg genaamd ‘buitenlanders wonend in Frankrijk’, liet de kleine klimaap tijdens de achtste etappe het Franse journaille de wenkbrauwen fronsen.
Fermo schudde de frustraties van zich af. De grimpeur van Italiaanse afkomst, danste  als eerste over de legendarische Croix de Fer, Télégraphe en de Galibier, en kwam met meer dan twee minuten voorsprong aan de finish. Na de tiende etappe, ook gewonnen, sloeg de moeheid toe. In de koers moest Fermo alles alleen opknappen, want zat  in een ploeg van ‘drie keer niks’. Evengoed vond de man zich in Parijs terug op de zevende plaats van het eindklassement. Fermo Camellini, achtendertig grote overwinningen in zijn carrière, gespte op  in 2010 op vijfennegentigjarige leeftijd definitief de toeclipriempjes van het leven los.

Bron: Miroir Sprint jaargang 1947.

Jef kraste zijn kerf in de Tour

Copy of Bottechia-félicite-Van-Dam-De nacht is zwart, stil en kil, als de klok van de kerk van Briançon drie keer slaat. De haan in het kippenhok lazert van zijn stok, en mijnheer pastoor kruipt nog even tegen de pronte kont van zijn huishoudster aan. Maar op het plein is het hectisch. De vijftiende etappe Briançon-Evian editie, Tour de France 1926, staat op punt van beginnen. Onder de kleumende renners ook Jef van Dam. Jef, ultieme rennersnaam, woeste, harde kop, de huid als een trommelvel  gespannen over jukbeenderen, staat strak geprepareerd, want zwarte koffie, gekluste eieren, cognac én wat strychninetabletjes. Om een etappe over driehonderd kilometer met de lugubere cols Galibier, Arravis en de Gets, te koersen op wat suikerklontjes, doen alleen braverikken, en voormalige misdienaars.
Jef van Dam, een man met een late roeping. Werd op zijn vierentwintigste beroepsrenner, en had een carrière als een scheet van ’n oud wijf. Kort, hard en schetterend. Slechts één keer de Tour de France gereden. Weinig. Maar wél genoeg voor decennia lang prachtige, heroïsche  verhalen in de lokale staminees.  
Van Dam, Flandrien avant la lettre, een kerel met een onheilspellende blik won namelijk drie etappes. Jef, wist wat hij waard was. De man afkomstig uit Willebroek, verhuurde zijn krachten aan een Italiaanse kopman. Ottavio Botteccia, frontman van Automoto, een Franse fabrieksploeg, was ongetwijfeld ingenomen met zo’n Vlaamse oermens als knecht. Jef mocht dan wel als Ottavio’s  lijfeigene fungeren, maar ging in de koers ook zijn eigen weg. Waar de man met zijn krachten smeet.
Dat de Vlaming de zesde én de achtste etappe won, was een voorproefje. In de vijftiende etappe ging Jef pas echt los.
De prelude daarvoor vond plaats op de hellingen van de Galibier waar de ontsnapte  Omer Huijse, nog zo’n Vlaamse krachtpatser, de top scheerde in ‘een zee van menschen’, zoals de Geïllustreerde Sportwereld schreef, om te vervolgen dat ‘d’n Vlaamsche Leeuw een donderende ovatie kreeg’.
vandamrevailerJef van Dam, met brandend stof in de longen, volgde stoempend op vijf minuten.  Wedstrijdverslagen zijn taaie kost. We beperken ons maar tot de finale. Waarin Jef  een definitieve kerf kraste in de balk van de Tourgeschiedenis. Aan de finish in  Evian rekende d’n Jef vakkundig af met een kopgroep van zesentwintig renners.
Ook krachtmensen zijn aan slijtage onderhevig. Jef had toch iets te veel van dat sterke lijf gevergd. Twee  jaar later hing hij  wegens gezondheidsproblemen, de koersfiets aan de haak. Jef van Dam, die knoestige, uit Vlaams eikenhout gehakte kerel, stierf op vijfentachtigjarige leeftijd.

Foto 1: Rechts Ottavio Bottecchia  met Jef van Dam. Foto 2: Links Dossche, zittend Van Dam, staand Omer Huijsse, rechts Mertens.  

Bron: Geïllustreerde Sportwereld en Le Miroir des Sports jaargang 1926.