In het Theater van de Dromen

 Zomaar een foto.  Oeroud, en romantisch. ‘Geschoten’ begin september 1903, op de wielerbaan van Friedenau, vóór de start van de  de  Friedenauer Goldpokal, een stayerskoers over twee uur. Op de volle tribunes de Berlijnse bourgeoisie. Aan de start de verworpenen der aarde want Thaddy Robl, Karl Käser, Alfred Görnemann, Paul Dangla en Piet Dickentman, acteurs in het lugubere Theater van de Dromen, waar het voor sommigen, fijn toeven is. Mannen, snakkend naar roem, eer, en rijkdom. Poserend, trots, tikkeltje angstig, en strak kijkend in de lens.  Met een hoorbare klik drukte de fotograaf zijn sluiter in. Waarmee een onzichtbare, maar onafwendbare helse machinerie in werking wordt gesteld. Arme jongens, onwetend van hun lot. In een kort tijdsbestek vertrekken er vier naar een ‘betere wereld’. De vijfde ontsnapt aan het mortuarium door zich te verslapen. Bizar, maar waar. De Goldpokal dus, met op de aanplakbiljetten de namen van de drie sterkste stayers ter wereld.  Enige weken eerder werd Dickentman wereldkampioen door Robl en Görnemann achter zich te houden.
Dat de koers mét zeventienhonderd goudmark, uiteindelijk werd  gewonnen door Robl  is af te doen als statistisch geneuzel.
Belángrijker zijn de foto én de renners. Door de geschiedenis bijna weggepoetst. Maar godzijdank wordt het een verhaal waar een gemiddelde ‘aanspreker’ zijn vingers bij aflikt. Waarbij Alfred Görnemann de bedenkelijke opening verricht. Alfred, brave kruidenierszoon uit Berlijn, staat op 11 oktober 1903 aan het vertrek van de 100-kilometer van Dresden. De laatste stayerskoers van het jaar. Ook voor Alfred. Die tijdens ‘de 100’ een dodelijke kukel maakt. Een half jaar later zag  Paul Dangla, op 4 juni 1904, voor de laatste keer de zon opgaan.  Paul, 26 jaar, een voormalig boekhouder aan de start van de Golden Rad von Magdenburg, krijgt een klapband en werd begraven op de begraafplaats Cimetière de Dolmayrac in zijn geboorteplaats l‘Agen.
Dan is er ook nog Karl Käser. Ach gut Karl, favoriet voor de Grote Prijs van Plauwen, gehouden in augustus 1904, waarbij Karl gegangmaakt werd door zijn broer Josef .
De laatste hoorde die ene weemakende klap achter zich. Enfin, Karl zou nooit meer een finishlijn passeren.
Robl ontsnapte aan het bloedbad. Bijna. In 1910 schaft de wereldkampioen stayeren 1901 én 1902, een vliegtuigje aan. Om op 18 juni in zijn tweedekkertje de maidentrip te maken. Makker en collega Piet Dickentman wordt uitgenodigd om Berlijn ook eens vanuit de lucht te bekijken. Piet verslaapt zich. Vanaf het vliegveld van Stettin stijgt Robl alleen op.  Op honderd meter hoogte stopt de motor. Het werd een ‘enkeltje’ richting hemel.

Foto 1: v.l.n.r. Robl, Kaser, Gornemann, Dickentman, en Dangla.
Foto 3: Piet Dickentman.

Bron: jaargangen Radwelt 1903 tot en met 1910.

‘Voetballen in oorlogstijd’

‘We proberen weer gewoon te doen’, schreef sportjournalist Ad van Emmenes in mei 1940. De rasopportunist Van Emmenes had nooit kunnen bedenken dat zijn uitspraak vijfenzeventig jaar later de titel van Harry Walstra’s nieuwe boek werd. ‘We proberen weer gewoon te doen, voetballen in oorlogstijd’, oorlogsverhalen gerelateerd aan voetbal, die zich afspelen in Duitsland én Nederland. Zoals over  Rudi Gramlich, een Duits international en aanvaller van Eintracht Frankfurt. Een gevierde voetballer maar wél één met een donkerbruin verleden. Gramlich, lid geworden van de beruchte SS Totenkopfregiments was in 1939 betrokken bij de ontruiming van het Joodse getto van Krakau. In 1946 werd de voormalige voetballer veroordeeld tot twee jaar gevangenis. Voor de Duitse voetbalbond én Eintracht Frankfurt was dat geen ethische belemmering om Gramlich later met alle egards te overladen.
Gramlichs diepe val was voor Walstra stof voor een prachtig maar ontluisterend verhaal. De zoektocht naar Gramlichs  verleden bracht de Friese auteur onder meer in Nederland waar de vroegere SS’er als voetballer ook actief was. Dat het nóg erger kon, beschrijft Walstra in het hoofdstuk over Tull Harder: onbetwist Duits voetbalidool die later de boeken inging als oorlogsmisdadiger.
‘We proberen weer gewoon te doen’ verhaalt niet alleen over foute Duitse voetballers. In vlotte schrijfstijl verhaalt Walstra over de lotgevallen van Oranjespelers als een Barend van Hemert, Jur Haak, Gejus van der Meulen en Rein Boomsma. De laatste, een vroegere aanvaller van Sparta die het concentratiekamp Neuengamme niet overleefde. Ook een niet-voetballer als Cor Coster, komt in Walstra’s boek voor. De oorlogsprofiteur Coster, zwarthandelaar, in 1942 betrapt met 72 kazen, ontleende later zijn status als de schoonvader van Cruijff. En dan is er ook nog het hoofdstuk ‘Neder-Duitse voetbalrivaliteit’. Met onder meer de vriendschappelijke wedstrijd Duitsland-Nederland gespeeld in 1975. Willem van Hanegem in de hoofdrol.
Voor Willem bestaan er geen vriendschappelijke duels. En al helemaal niet tegen ‘de mof’, waarin de vlam van zijn moffenhaat tegenstander Overath schroeide. Wie wil weten hoe dát afliep, moet snel Walstra’s nieuwe boek kopen.

Foto rechts: 1926, Duitsland-Nederland. Links aanvoerder Tull Harder met de Nederlandse aanvoerder Harry Dénis.

‘We proberen weer gewoon te doen’
Uitgeverij:  Boekscout.
206 pagina’s.
paperback 16×24
ISBN: 978-94-0222-240.
Auteur: Harry Walstra.
Prijs: 18,65 euro.

 

De Val van de stayerende hovenier

De val zag hij aankomen. En hij kon geen kant op. Omhoog sturen was zelfmoord. Wat restte was rechtdoor. Evengoed was het onzeker of er een ziekenauto aan te pas kwam. Dat in doodsnood je leven in een splitsecond  aan je voorbij trekt is niet waar. Het was gewoon een kwestie van levensinstinct. Lijfbehoud.  Het nationale stayerskampioenschap afgelopen januari, met Mark Oostendorp op de deelnemerslijst. Mark Oostendorp, hovenier in dagelijks leven en stayer als roeping, was geen favoriet. Maar eiste wél een hoofdrol op. Een bedenkelijke weliswaar, maar toch.
In het Alkmaarse Sportpaleis  knalde Mark, halfweg koers met zeventig kilometer in het uur, tegen een gecrashte motor.  Waar hij uiteindelijk een ontveld been aan overhield. Een godswonder op zich, want de smakkerd  speelde zich af op de stoep van de hel.  Nee, hij heeft daar geen trauma aan over gehouden.  Ook hoefde hij een ‘psych’ geen hand te geven. In een sport waar de teller van de Dood op bijna zeventig staat moet je een realist zijn. Dat accepteer je. Over gevaar hoor je hem niet klagen.  Evengoed ziet hij  De Val, een enkele keer,  in slow motion, voor bij komen. Beeld voor beeld, haarscherp geprojecteerd in zijn geest. Met de bijbehorende lugubere geluiden.
Fijne horror,  mét  patent op een prachtig epos.  Altijd leuk om later aan de kleinkinderen te vertellen, hoe opa als stayer een vreselijke val overleefde. Genoeg geleuterd. Laat Mark zelf zijn verhaal vertellen: ‘Ik werd ingehaald door twee motoren. Ik reed onder in de baan. Boven mij die twee combinaties. Wat er precies gebeurde was mij ontgaan. Wél dat gangmaker Uwe Smit  ten val komt. In een flits zag ik renner  Dex Groen onder een motor terecht komen.  Ik kon geen kant op. Alleen recht uit rijden. En knalde vol op die vallende motor. Het achterwiel van die  gecrashte  motor bleef doorrazen en schraapte het vel van mijn been. Ik was helemaal ontveld en kon een paar weken niet goed lopen’.
Of hij bang was geworden op de stayersfiets?  Hij zal liegen als dat niet waar was. Na een paar weken herstel trainde Oostendorp weer achter de motor.
Héél eng, volgens de hovenier. Gebeurde tijdens de training in het Sportpaleis. In de baan veel beginnende stayers.

Kippenvel op zijn herstelde been, want griezelig met inhalen. Alles went. Ook het beoefenen van een discipline die je als bloedlink kunt bestempelen.  Inmiddels maakt het de man geen moer uit. Oostendorp heeft er gewoon zin in, zit barstensvol moraal. Voor dit winterseizoen kocht hij de hightech stayersfiets van de inmiddels gestopte Raymond Rol.  Een goede investering. In de komende weken rijdt hij waarschijnlijk een aantal koersen op de winterbaan van Berlijn.

Armoede troef in Velodrome

‘Het is een armoedige boel’, bromt Willem Fack. De boomlange gangmaker had geen woord te veel gezegd. Het Nederlands kampioenschap derny, was dan ook één troosteloos gebeuren. Waarbij alle betrokkenen de beschuldigende vinger wijzen naar de KNWU. ‘Het is dodelijk dat bij dit kampioenschap profs samen rijden met jonge amateurs. Dat  kan eigenlijk niet’, vat vroegere bondscoach Eric Geserick het probleem samen. De inschrijvingen waren  een voorbode voor een  echec.  Vorige week hadden zich pas vijf renners gemeld. De rest had geen trek om als kanonnenvoer te dienen. Om de afgang van een geannuleerd kampioenschap te voorkomen werden uit alle hoeken en gaten renners benaderd. Dat leverde merkwaardige situaties op.
Renners die vlak voor de start voor het eerst kennis maakte met hun gangmaker. Zoals Dylan van Zijl met gangmaker Dick de Haas. Geen meter getraind samen, laat staan een koers gereden. In de serie ging dat bijna mis, maar daarover straks. Eerst even vertellen over Dennis Bakker, talentvol renner gegangmaakt door zijn vader Alphons. De laatste kon gebrek  aan lef niet ontzegd worden. Zijn tweede wedstrijd pas. Zelf nooit gekoerst. Voor hem is het een leerjaar. Met Dennis als leermeester. Na de serie werd senior door zoonlief,  uitfietsend op de rollen, fijntjes op zijn fouten gewezen.
Het dernykampioenschap 2015 dus, georganiseerd door de geheimschrijvers van het Velodrome. Die er weer in geslaagd waren dit kampioenschap in volledige anonimiteit te laten verrijden. Op de burelen van het Velodrome is het begrip ‘public relations’ nog steeds onbekend. Geen aankondiging in de pers, helemáál niets.  Eigenlijk maar goed. Het handvol toeschouwers kreeg  een slaapverwekkende vertoning opgelepeld. Favorieten en smaakmakers als een Patrick Kos en Youri Havik, voormalige kampioenen, schitterden door afwezigheid. Kos gaf de voorkeur aan een strandrace. Havik zat in een trainingskamp in Spanje. Het enige bedenkelijke hoogtepuntje vond plaats in de eerste serie. Met in de hoofdrollen genoemde Dylan van Zijl met gangmaker Dick de Haas. De laatste passeerde de combinatie Christian Kos té strak. In een impuls gaf Kos zijn tegenstander een gooi. Waarbij de ketting van Haas’ derny er afliep.
En dan de finale, die verdacht veel leek op het kinderliedje van die tien kleine negertjes. Van wie de één na de ander sneuvelde. Met dank aan latere kampioen Jesper Asselman.  De laatste had aan één flinke versnelling genoeg. Slechts drie renners konden enigszins mee komen. De rest was afgestapt. Twee ronden voor het einde was de kampioen al bekend. Aardig was de strijd om de derde plaats tussen Jeff Vermeulen en Dennis Bakker. De laatste greep door onervarenheid van pa uiteindelijk naast het brons.

Uitslag: 1: Jesper Asselman. 2. Melvin van Zijl, 3. Jeff Vermeulen.

Met dan aan fotograaf Javelin.

In Dresden zat de duivel op de hielen

Het lijf, tanig, afgetraind, in vorm. De geest scherp. Geriatrie, noch dementie kregen grip. Meer dan een kwart eeuw koerste hij achter de zware motor. Helse jaren. Waarbij vijftig collega’s dodelijk verongelukten. En de zeis van Hein  nog steeds niet was uitgemaaid. Voor  de eenenvijftigste stayer was al een plekje vrijgemaakt. Cijfers, gruwelijk in eenvoud. Evengoed had Piet Dickentman nog steeds courage. Waarbij geld dé motivatie was.  Dickentman, wereldkampioen in 1903, won tijdens zijn lange carrière zo’n beetje alle grote koersen. Vaak meerdere keren. De Amsterdammer, als stayer een begrip. De allerbeste óóit. Maar de klok kon hij niet stoppen. Achtenveertig jaar oud. Bijna vijf kruisjes stonden achter zijn leeftijd. Biologisch gezien een ouwe man. Hij was niet meer die almachtige kampioen van weleer.
Ondanks dát kreeg hij nog steeds zijn contracten. Veel in Nederland, maar ook in Duitsland waar Piet in de ‘internationale extra klasse’ een divisie voor de allerbeste uitkwam. Het moet die ouwe goed gedaan hebben dat zijn naam de affiches én advertenties sierden. Ook tijdens het seizoen 1927.  Alte Piet, zoals hij in de pers steevast werd aangesproken stelde het publiek namelijk nooit teleur. Daarvoor was hij te veel prof. Ook tijdens de Grossen Preis der Republik. Een koers over honderd kilometer gehouden in Dresden. Zeven stayers waaronder Ernst Freja en landgenoot Frans Leddy.
Dickentman had zo zijn dagen. Kende van die oprispingen. Dan voelden de benen weer goed, liet hij de rol achter de motor schroeien. Ook op de wielerbaan van Dresden. Wat de journalist van de Illustrierter Radrenn-Sport deed neerpennen dat Piet met jeugdig elan een ronde voorsprong nam of de teufel hem op de hielen zat. Een mooie actie waarbij Dickentman zichzelf opblies. Uiteindelijk eindigt hij als zesde. Frans Leddy won de koers. Der Alte  mocht met de winnaar de ereronde rijden. Schrale troost voor een renner die tijdens zijn carrière meervoudig Europees kampioen was en die jarenlang heerste als een koning achter de zware motor. Ouwe Piet, meer dan duizend koersen gereden. Wedstrijden waar het ziekenhuisbed nooit ver weg was. Waar De Dood op de tribunes zat.  Een gódswonder dat de man het overleefd had. Om Dickentman als mazzelpik te betitelen gaat te ver. De stayerssport bracht hem alles. Maar nam het ook weer af. Voor de Eerste Wereldoorlog miljonair. Na de Krieg door de geldontwaarding berooid. Om zijn jonge gezin tijdens de Grote Depressie draaiende te houden, moest er gekoerst worden. Reed Dickentman tijdens zijn hoogtijdagen iedere week in Duitsland, in het seizoen 1927 zette hij tien keer zijn handtekening onder een contract.  Koersen als het Gouden Wiel van Frost,  der Grossen Herbstpreis en de Grote Prijs van Dresden. Voor aanvang van deze laatste koers werd door de renners een zogenaamde herdenkingsronde gehouden voor de enkele weken eerder doodgevallen collega Ernst Feja. Piet kende de twijfelachtige eer om op kop te mogen rijden.

Piet Dickentman, Amsterdams allereerste wereldkampioen én de eerste grote internationale sportheld afkomstig uit Mokum. Dickentman, nooit zijn afkomst vergeten, koersend in een shirt met het Amsterdamse wapen, maakte tientallen jaren reclame voor zijn stad. Hoewel er een toezegging is, heeft het Amsterdamse bestuur nog steeds geen straat naar deze grootste sportheld vernoemd.

Foto2: De herdenkingsronde voor de omgekomen Ernst Feja. Dickentman voorop. Foto 3: tweede van rechts Piet Dickentman.

Bron: Illustrierter Radrenn-Sport jaargang 1927.

Architect succes vergeten

Het clubhuis van de Wielervereniging Amsterdam. Tikkeltje rauw, volks, laagdrempelig. Waar de koers van de wanden spat. Met dank aan de vele wielermemorablia. Een plek met een heel hoog Vlaams gehalte. Maar dan wel op het wielerparkoers Sloten.  Maar dát is inmiddels verleden tijd. De wielerschatten zijn verdwenen.  Veilig opgeborgen. De sloophamer had zijn werk gedaan. Wielervereniging Amsterdam, in vervolg WVA genoemd, krijgt een nieuw clubhuis. En niet zo’n kleintje. Compleet met een twintig meter lange glazen tribune. Massage- én kleedkamers volgens de huidige tijd.  Dat het WVA voor de wind gaat is duidelijk. Ruim tweehonderdvijftig fietsende leden. Tijdens het seizoen drie koersen per week. Wat staat voor zo’n zeshonderd renners. Die voor drie euro inschrijfgeld een koersje rijden.  Profs, amateurs, veteranen en dames. Alles start bij elkaar. Koersen zonder enge juryleden,  en met reglementen wordt soepel omgegaan. De gouden sleutel tot succes.
Ooit was dat anders. In de jaren zestig bestond WVA letterlijk uit drie leden.  Decennia later behoort de club tot de succesvolle, en rijkste  van het land.  Succes kent vele vaders. Anno nu  wordt dat bij WVA, door verschillende geclaimd. Dat kan zo zijn. Maar er is maar één man die dat op zijn conto kan en mag schrijven: Jaap Ruiter, indertijd voorzitter van WVA!
De laatste, een gepassioneerd wielerliefhebber die op de Haarlemmerdijk een slagerij uitbaatte. Ruiter, een man met visie. Een gewiekste en handige onderhandelaar. Nadat de Amsterdamse clubs uit de polders rondom de stad werden verbannen gloorde, begin jaren zeventig, aan de horizon het splinternieuwe wielerparkoers Sloten. Vers opgeleverd. WVA, dat nietige, lullige kluppie, met zijn handvol leden mocht daar ook gebruik van maken. Van de vijf clubs die daarvoor in aanmerking kwamen, bleven er twee over: Olympia en WVA. De onderhandelingen werden door Ruiter slim gevoerd.
De man eiste dat de finishstreep voor de deur van ‘zijn’ clubhuis kwam. Dat de slager, als eerste zijn zaterdagmiddagkoersen openstelde voor renners uit het hele land was ongekend.
Uniek, nooit eerder vertoont, en tegen de reglementen van de bond in. Een schot in de roos. Clubkoersen met meer dan honderd renners. Vaak het dubbele.
Al dertig jaar raast de WVA-trein van succes onverminderd door. Jaap Ruiter heeft dat nooit meer mee kunnen maken. Tijdens een trainingsritje, in de jaren tachtig, verongelukte hij. Of Jaap Ruiter van WVA nog erkenning krijgt? Nee! Ruiter is vergeten. In de zogenaamde eregalerij, op de website van de club, pronken vijf clubcoryfeeën. Jaap Ruiter ontbreekt.  Voorzitter Maurice Willems geeft dat eerlijk toe. Volgens hem heeft dat te maken dat de huidige generatie WVA’ers daar weinig van meegekregen hebben. Geef de informatie maar, voegt hij daar aan toe. Dan plaatsen wij dat wel. Bij deze dus!

Adolf ‘gevallen’ aan het Westfront?

Copy of schulze‘Doe er maar meteen twee!’ De man hield duidelijk niet van halve maatregelen. De winter van 1905. Bij de motorenfabriek van Brennabor bestelde ene Adolf Schulze twee, monsterlijk zware gangmaakmotoren. Schulze, jong, ambitieus én stayer, maar ook een gewezen loodgieter en zeeman. Koerste  als amateur  achter een tweedehands, lullig ééncilindermotortje. Won evengoed het Gouden Wiel van Zehlendorf. Dat laatste was kattenpis. Adolf, perfecte naam voor een hemelbestormer, had woestere plannen. Waarbij medailles én lauwerkransen zijn rug op kunnen.  Fietsen achter zware motoren: altijd riskant. Als er dan toch op het levenstouwtje gebalanceerd moest worden dan maar voor harde goudmarken, dacht Adolf. Behalve hagelnieuwe motoren werd onder meer gangmaker Alfred Starke geëngageerd.  Adolf Schulze,  werd beroepsstayer, wat meteen het begin was van één groot raadsel…     
Eerst even vertellen over het Duitsland van voor de Eerste Wereldoorlog. Niet alleen tjokvol kazernes maar ook zestig wielerbanen. Ieder weekend tientallen stayerskoersen. Uitverkochte bak. Zo’n honderdtachtig renners, naar sterkte verdeeld  over drie klassen.   Adolf Schulze, had een horrorachtige binnenkomer, want maakte bij zijn debuut als profstayer een bijna doodval. Of de man geestelijk niet helemaal joppe was, is niet duidelijk.
staatEnfin, een jaar later blokletterde zijn naam de aanplakbiljetten. Adolf mocht als b-renner, meedoen in de Grote Prijs van Treptow. Sensatie! Toenmalige wereldkampioen Darragon werd door Schulze op vele ronden gereden.
De voormalige loodgieter  mocht voortaan zijn ballen schroeien in de A-Klasse, de Premier League van de Duitse stayerssport.  Met winst in Baden, Pforzheim, Karlsruhe, Keulen, Nürnberg, Dusseldorf, Plauwen en Munster: af te doen als kleine koersen.
Tóch kon je Adolf niet in het vakje van ‘weggooiers’ stoppen. Met dank aan de Duitse statistici. Die met een dwangmatige ijver, iedere uitslag en de daarbij verdiende goudmarken, noteerde tot achter de komma. De zogenaamde jaarboeken van Radwelt staan er vol mee. Bij dé belangrijkste koersen schittert Adolf’s naam door afwezigheid. Niet in de lijsten van de ‘grootverdieners’, waar Schulze, zijn geld schrapend op de kleinere wielerbanen, steevast  bij de eerste vijf staat. En niet met onbenullige bedragen.
Zoals in 1909. Eenentwintig koersen  gewonnen, én zesentwintigduizend goudmark. Dan is het 28 juli 1914: de zegeteller van Schulze staat op zeven. En daar blijft het bij. Op die dag breekt ook de Eerste Wereldoorlog los.  De naam ‘Adolf Schulze’, honderd gewonnen koersen,  gedoteerd met honderdvijfenveertigduizend goudmark, lost langzaam op in de geschiedenis. De man neemt dienst als kriegsfreiwilliger bij het Keizerlijke leger.
Schulze_AdolfOf Adolf zijn laatste adem uitgeblazen heeft op de slachtvelden? Op 4 november 1918 wordt aan het Westfront een Adolf Schulze vermist. Of deze stakker Adolf de stayer is..? Nergens wordt dat duidelijk. Ach, wat maakt dat ook uit. Laat deze column een laatste eerbetoon zijn aan een jonge, inmiddels vergeten stayer.

Foto 3: Winnaar Grote Prijs van Keulen 1909.

Bron: Radwelt, jaargangen 1905 t/m 1914. Oorlogsgraven 1914-1918.

Brug én fietspad voor vroegere wereldkampioen

henniebrug 020Het waren vriendjes. Maar ook elkaar grootste concurrenten. Als nieuwelingen, midden jaren vijftig, heersten zij in de criteriums. Dat Leen van der Meulen en Henny Marinus tijdens het nationale wegkampioenschap 1955, één en twee werden was geen verrassing. Zij gunde het elkaar.  Hoewel het zestig jaar later bij Henny Marinus nog wel eens ‘schrijnt’. Had hij maar iets eerder naar de in de finale ontsnapte Van der Meulen toegesprongen, dan… Enfin, dat maakt voor Marinus niet veel meer uit. Het leven is voor hem té vergankelijk en nadert zijn eindstreep. Henny en Leen. Twee wielervrienden, alle twee lid van Olympia.  Kregen als amateur en professional de ‘roeping’ om stayer te worden. Met succes. Van der Meulen werd in 1961 wereldkampioen bij de amateurs. Marinus kon drie jaar later, als broodrenner, het rood-wit-blauwe shirt aantrekken.
De jongens trokken veel met elkaar op. Samen naar de koers, maar ook trainen. Het viel Marinus tóen al op dat zijn kameraad graag in de stille polders trainden.
Leen, afkomstig uit de Haarlemmermeer, hield van de rust en ruimte. Vond hij prachtig. Dat Van der Meulen na zijn fietscarrière naar Canada emigreerde zal gerust te maken hebben met de daar aanwezige ‘the wide space’. Wat dat laatste betreft kan de symboliek niet treffender zijn, waar we straks op terug komen. Na een lang ziekbed overleed vorige maand de vroegere wereldkampioen stayeren. De gemeente Haarlemmermeer vergeet zijn helden niet. Ook niet Van der Meulen. Als erkenning én eerbetoon werd, in het pas geopende Park21, een pad én een brug vernoemd naar Leen van der Meulen. In de Grote Stayershemel moet Van der Meulen goedkeurend geknikt hebben. Zowel pad en brug mogen zich wentelen in rust en ruimte.  Op een zaterdagnamiddag bracht Henny Marinus, 78 jaar, een soort ‘bedevaartje’ aan zijn vroegere maatje.  ‘Mooi hé’!, fluistert  Marinus boven op de brug tegen  zich zelf. ‘Dat had Leen prachtig gevonden’.

Foto 2: 1955, links Leen van der Meulen met Henny Marinus.

De onheilskraai van Western Union op de stoep

Copy of georgestartbobDrie foto’s, wat uitslagen, een paar kleine krantenknipsels én zijn overlijdensdatum. Meer is niet bekend.  George Leanders leven én wielercarrière, een zucht in de sportgeschiedenis.  Ondanks dát publiceerde dit blog zo’n vier jaar geleden een column over hem.  George trok dan wél op een dramatische wijze richting hemel. De man,  afkomstig uit Chicago, sneuvelde fietsend achter de zware motor in het Parijs van 1904.  Fijn gegeven om Georgie niet zomaar anoniem in de geschiedenis weg te laten glijden. Wél met dank aan zijn  achterneef Russel Leander. Russel  mailde Stuyfssportverhalen een serie unieke, en onbekende  foto’s en documenten van zijn oudoom. Nog éénmaal een  eerbetoon aan Georgie Leander:  jongen met woeste dromen…

Voor de poen had George Leander de koersfiets helemaal niet nodig. Zijn toekomst als zoon van een uitgever mét drukkerij was veiliggesteld. Generatieconflicten zijn van alle tijden. Jongens van rond de twintig jaar. Probeer die maar eens in een keurslijf te proppen. Georgie, 21 jaar, amper  haar op z’n zak, gaf gehoor aan de onrustige lokroep van rondrazende hormonen. Voor the Wild West, vanouds de hangplek voor dat soort Amerikaanse jongens, kwam hij twintig jaar te laat. Als alternatief begon Georgie te fietsen achter zware motoren.
Copy of georgeheroGeorge, branie, uitstraling, mooie kop én een struis lijf, had zich als renner in de beruchte Amerikaanse zesdaagsen bewezen. Een goede binnenkomer voor de Europese wielerbanen. Zo dacht zijn manager er ook over. De laatste had zijn poulain natuurlijk opgewarmd met verhalen over volle wielerstadions, filmsteruitstraling en lekkere meiden bij de vleet. Dat het op de Europese wielerbanen, met zijn vele ongelukken, niet pluis was werd wijselijk verzwegen. Jongens als George Leander daar zaten ze in Europa op te wachten. Helemaal in Parijs.
Zalig zijn de sukkelaars en onwetenden. Ook moeder Leander. Die met een ‘doe je voorzichtig jongen?’, afscheid van Georgie nam.  Ze zal haar zoon terugzien in een lijkkist.
Georges  Europese première was op de Parijse wielerbaan Parc des Princes: 21 augustus 1904. Stayerskoers over drie manches. George achter gangmaker Cissac met tegenstanders Eugene Bruni en Bobby Walthour. Een dag eerder stuurde George zijn ma nog een kaartje met de geruststellende tekst dat ‘er hard getraind wordt’.Voor het geval  ma Leander mocht  denken dat haar jongen zijn pijp aan het leegkloppen was in de Parijse bordelen. Goede knul… Een paar dagen later viel George Leander achter de motor te pletter.  In gewonnen positie raakte hij heel even de motor. Leander werd met zware verwondingen afgevoerd naar het Beauyon Hospital, waar hij twee dagen later gaf hij de geest.
georgetelegramTerwijl George een  ‘houten jekker’  kreeg aangemeten werd bij Huize Leander aangebeld. Op de stoep als een onheilskraai, een telegrambesteller van Western Union. De schok moet voor de Leanders vreselijk zijn geweest. Na het tweede telegram, dat er eerst vierhonderd dollar betaald moest worden, arriveerde  het lijk van George Leander in zijn thuisstad.  George, 21 jaar, rust sindsdien ergens op een begraafplaats in Chicago. Waarmee een klein familieraadsel begon. Achterneef Russel, de beheerder van George documenten  weet niet welke.

Foto 1: Links George Leander. rechts Bobby Walthour.

Speelfilm over de ‘grote wielerbedrieger’

posterlancearmstrongDe man heerste in het hooggebergte. Sloeg daar zeven keer de beslissende ‘slag’ voor winst in een  Tour de France: waarbij aan de horizon vaag de contouren van een apotheek opdoemde. Dat er iets mis was, was zeker. Lance Armstrong dus. Een eertijds modale hardrijder, die gelost werd als er een heuvel opdoemde. De man was géén klimmer. Hooguit een  aanklamper. Zo één die blij was het leven te behouden. En opeens was dat anders. Hij vloog tegen de bergen op. Scheerde de ene na de andere coll als eerste. Armstrong meldde zich in het elite rijtje van grimpeurs. Hoe kon dat? Kenners hadden zo hun donkerbruine vermoedens. Die niet hard te maken waren.  En had niet het lef om deze  twijfels hardop te zeggen. Enfin, de agressie die dat bij  Armstrong veroorzaakte waren berucht.   Sportjournalist David Walsh had wél die moed en bond de kat de bel aan. Walsh, met zijn verdenkingen stond er alleen voor. Goddank is de waarheid sneller dan de leugen.  In het tranentrekprogramma van Oprah Winfrey ging de Texaan voor de bijl. Hij bekende jarenlang ‘gepakt’ te hebben. Sterker: hij was de bedenker van het meest geavanceerde, professionele en succesvolle dopingprogramma dat de sportwereld ooit zag.  De affaire ‘Armstrong’ was een feit. Stof genoeg voor boeken maar vooral speelfilms.  Hollywood sprong daar boven op. Enfin, 19 november aanstaande komt de speelfilm The Program in de Nederlandse bioscopen te draaien. De film die iedere wielerliefhebber móet zien.

Als opwarmertje  de trailer: https://www.youtube.com/watch?v=FdFpnZoO7sw&feature=youtu.be