Zomaar een foto. Oeroud, en romantisch. ‘Geschoten’ begin september 1903, op de wielerbaan van Friedenau, vóór de start van de de Friedenauer Goldpokal, een stayerskoers over twee uur. Op de volle tribunes de Berlijnse bourgeoisie. Aan de start de verworpenen der aarde want Thaddy Robl, Karl Käser, Alfred Görnemann, Paul Dangla en Piet Dickentman, acteurs in het lugubere Theater van de Dromen, waar het voor sommigen, fijn toeven is. Mannen, snakkend naar roem, eer, en rijkdom. Poserend, trots, tikkeltje angstig, en strak kijkend in de lens. Met een hoorbare klik drukte de fotograaf zijn sluiter in. Waarmee een onzichtbare, maar onafwendbare helse machinerie in werking wordt gesteld. Arme jongens, onwetend van hun lot. In een kort tijdsbestek vertrekken er vier naar een ‘betere wereld’. De vijfde ontsnapt aan het mortuarium door zich te verslapen. Bizar, maar waar. De Goldpokal dus, met op de aanplakbiljetten de namen van de drie sterkste stayers ter wereld. Enige weken eerder werd Dickentman wereldkampioen door Robl en Görnemann achter zich te houden.
Dat de koers mét zeventienhonderd goudmark, uiteindelijk werd gewonnen door Robl is af te doen als statistisch geneuzel.
Belángrijker zijn de foto én de renners. Door de geschiedenis bijna weggepoetst. Maar godzijdank wordt het een verhaal waar een gemiddelde ‘aanspreker’ zijn vingers bij aflikt. Waarbij Alfred Görnemann de bedenkelijke opening verricht. Alfred, brave kruidenierszoon uit Berlijn, staat op 11 oktober 1903 aan het vertrek van de 100-kilometer van Dresden. De laatste stayerskoers van het jaar. Ook voor Alfred. Die tijdens ‘de 100’ een dodelijke kukel maakt. Een half jaar later zag Paul Dangla, op 4 juni 1904, voor de laatste keer de zon opgaan. Paul, 26 jaar, een voormalig boekhouder aan de start van de Golden Rad von Magdenburg, krijgt een klapband en werd begraven op de begraafplaats Cimetière de Dolmayrac in zijn geboorteplaats l‘Agen.
Dan is er ook nog Karl Käser. Ach gut Karl, favoriet voor de Grote Prijs van Plauwen, gehouden in augustus 1904, waarbij Karl gegangmaakt werd door zijn broer Josef .
De laatste hoorde die ene weemakende klap achter zich. Enfin, Karl zou nooit meer een finishlijn passeren.
Robl ontsnapte aan het bloedbad. Bijna. In 1910 schaft de wereldkampioen stayeren 1901 én 1902, een vliegtuigje aan. Om op 18 juni in zijn tweedekkertje de maidentrip te maken. Makker en collega Piet Dickentman wordt uitgenodigd om Berlijn ook eens vanuit de lucht te bekijken. Piet verslaapt zich. Vanaf het vliegveld van Stettin stijgt Robl alleen op. Op honderd meter hoogte stopt de motor. Het werd een ‘enkeltje’ richting hemel.
Foto 1: v.l.n.r. Robl, Kaser, Gornemann, Dickentman, en Dangla.
Foto 3: Piet Dickentman.
Bron: jaargangen Radwelt 1903 tot en met 1910.
‘We proberen weer gewoon te doen’, schreef sportjournalist Ad van Emmenes in mei 1940. De rasopportunist Van Emmenes had nooit kunnen bedenken dat zijn uitspraak vijfenzeventig jaar later de titel van Harry Walstra’s nieuwe boek werd. ‘We proberen weer gewoon te doen, voetballen in oorlogstijd’, oorlogsverhalen gerelateerd aan voetbal, die zich afspelen in Duitsland én Nederland. Zoals over Rudi Gramlich, een Duits international en aanvaller van Eintracht Frankfurt. Een gevierde voetballer maar wél één met een donkerbruin verleden. Gramlich, lid geworden van de beruchte SS Totenkopfregiments was in 1939 betrokken bij de ontruiming van het Joodse getto van Krakau. In 1946 werd de voormalige voetballer veroordeeld tot twee jaar gevangenis. Voor de Duitse voetbalbond én Eintracht Frankfurt was dat geen ethische belemmering om Gramlich later met alle egards te overladen.
Voor Willem bestaan er geen vriendschappelijke duels. En al helemaal niet tegen ‘de mof’, waarin de vlam van zijn moffenhaat tegenstander Overath schroeide. Wie wil weten hoe dát afliep, moet snel Walstra’s nieuwe boek kopen.
De val zag hij aankomen. En hij kon geen kant op. Omhoog sturen was zelfmoord. Wat restte was rechtdoor. Evengoed was het onzeker of er een ziekenauto aan te pas kwam. Dat in doodsnood je leven in een splitsecond aan je voorbij trekt is niet waar. Het was gewoon een kwestie van levensinstinct. Lijfbehoud. Het nationale stayerskampioenschap afgelopen januari, met Mark Oostendorp op de deelnemerslijst. Mark Oostendorp, hovenier in dagelijks leven en stayer als roeping, was geen favoriet. Maar eiste wél een hoofdrol op. Een bedenkelijke weliswaar, maar toch.
Fijne horror, mét patent op een prachtig epos. Altijd leuk om later aan de kleinkinderen te vertellen, hoe opa als stayer een vreselijke val overleefde. Genoeg geleuterd. Laat Mark zelf zijn verhaal vertellen: ‘Ik werd ingehaald door twee motoren. Ik reed onder in de baan. Boven mij die twee combinaties. Wat er precies gebeurde was mij ontgaan. Wél dat gangmaker Uwe Smit ten val komt. In een flits zag ik renner Dex Groen onder een motor terecht komen. Ik kon geen kant op. Alleen recht uit rijden. En knalde vol op die vallende motor. Het achterwiel van die gecrashte motor bleef doorrazen en schraapte het vel van mijn been. Ik was helemaal ontveld en kon een paar weken niet goed lopen’.
Héél eng, volgens de hovenier. Gebeurde tijdens de training in het Sportpaleis. In de baan veel beginnende stayers.
‘Het is een armoedige boel’, bromt Willem Fack. De boomlange gangmaker had geen woord te veel gezegd. Het Nederlands kampioenschap derny, was dan ook één troosteloos gebeuren. Waarbij alle betrokkenen de beschuldigende vinger wijzen naar de KNWU. ‘Het is dodelijk dat bij dit kampioenschap profs samen rijden met jonge amateurs. Dat kan eigenlijk niet’, vat vroegere bondscoach Eric Geserick het probleem samen. De inschrijvingen waren een voorbode voor een echec. Vorige week hadden zich pas vijf renners gemeld. De rest had geen trek om als kanonnenvoer te dienen. Om de afgang van een geannuleerd kampioenschap te voorkomen werden uit alle hoeken en gaten renners benaderd. Dat leverde merkwaardige situaties op.
Het dernykampioenschap 2015 dus, georganiseerd door de geheimschrijvers van het Velodrome. Die er weer in geslaagd waren dit kampioenschap in volledige anonimiteit te laten verrijden. Op de burelen van het Velodrome is het begrip ‘public relations’ nog steeds onbekend. Geen aankondiging in de pers, helemáál niets. Eigenlijk maar goed. Het handvol toeschouwers kreeg een slaapverwekkende vertoning opgelepeld. Favorieten en smaakmakers als een Patrick Kos en Youri Havik, voormalige kampioenen, schitterden door afwezigheid. Kos gaf de voorkeur aan een strandrace. Havik zat in een trainingskamp in Spanje. Het enige bedenkelijke hoogtepuntje vond plaats in de eerste serie. Met in de hoofdrollen genoemde Dylan van Zijl met gangmaker Dick de Haas. De laatste passeerde de combinatie Christian Kos té strak. In een impuls gaf Kos zijn tegenstander een gooi. Waarbij de ketting van Haas’ derny er afliep.
En dan de finale, die verdacht veel leek op het kinderliedje van die tien kleine negertjes. Van wie de één na de ander sneuvelde. Met dank aan latere kampioen Jesper Asselman. De laatste had aan één flinke versnelling genoeg. Slechts drie renners konden enigszins mee komen. De rest was afgestapt. Twee ronden voor het einde was de kampioen al bekend. Aardig was de strijd om de derde plaats tussen Jeff Vermeulen en Dennis Bakker. De laatste greep door onervarenheid van pa uiteindelijk naast het brons.
Het lijf, tanig, afgetraind, in vorm. De geest scherp. Geriatrie, noch dementie kregen grip. Meer dan een kwart eeuw koerste hij achter de zware motor. Helse jaren. Waarbij vijftig collega’s dodelijk verongelukten. En de zeis van Hein nog steeds niet was uitgemaaid. Voor de eenenvijftigste stayer was al een plekje vrijgemaakt. Cijfers, gruwelijk in eenvoud. Evengoed had Piet Dickentman nog steeds courage. Waarbij geld dé motivatie was. Dickentman, wereldkampioen in 1903, won tijdens zijn lange carrière zo’n beetje alle grote koersen. Vaak meerdere keren. De Amsterdammer, als stayer een begrip. De allerbeste óóit. Maar de klok kon hij niet stoppen. Achtenveertig jaar oud. Bijna vijf kruisjes stonden achter zijn leeftijd. Biologisch gezien een ouwe man. Hij was niet meer die almachtige kampioen van weleer.
Ondanks dát kreeg hij nog steeds zijn contracten. Veel in Nederland, maar ook in Duitsland waar Piet in de ‘internationale extra klasse’ een divisie voor de allerbeste uitkwam. Het moet die ouwe goed gedaan hebben dat zijn naam de affiches én advertenties sierden. Ook tijdens het seizoen 1927. Alte Piet, zoals hij in de pers steevast werd aangesproken stelde het publiek namelijk nooit teleur. Daarvoor was hij te veel prof. Ook tijdens de Grossen Preis der Republik. Een koers over honderd kilometer gehouden in Dresden. Zeven stayers waaronder Ernst Freja en landgenoot Frans Leddy.
Hoewel er een toezegging is, heeft het Amsterdamse bestuur nog steeds geen straat naar deze grootste sportheld vernoemd.
Het clubhuis van de Wielervereniging Amsterdam. Tikkeltje rauw, volks, laagdrempelig. Waar de koers van de wanden spat. Met dank aan de vele wielermemorablia. Een plek met een heel hoog Vlaams gehalte. Maar dan wel op het wielerparkoers Sloten. Maar dát is inmiddels verleden tijd. De wielerschatten zijn verdwenen. Veilig opgeborgen. De sloophamer had zijn werk gedaan. Wielervereniging Amsterdam, in vervolg WVA genoemd, krijgt een nieuw clubhuis. En niet zo’n kleintje. Compleet met een twintig meter lange glazen tribune. Massage- én kleedkamers volgens de huidige tijd. Dat het WVA voor de wind gaat is duidelijk. Ruim tweehonderdvijftig fietsende leden. Tijdens het seizoen drie koersen per week. Wat staat voor zo’n zeshonderd renners. Die voor drie euro inschrijfgeld een koersje rijden. Profs, amateurs, veteranen en dames. Alles start bij elkaar. Koersen zonder enge juryleden, en met reglementen wordt soepel omgegaan. De gouden sleutel tot succes.
Ooit was dat anders. In de jaren zestig bestond WVA letterlijk uit drie leden. Decennia later behoort de club tot de succesvolle, en rijkste van het land. Succes kent vele vaders. Anno nu wordt dat bij WVA, door verschillende geclaimd. Dat kan zo zijn. Maar er is maar één man die dat op zijn conto kan en mag schrijven: Jaap Ruiter, indertijd voorzitter van WVA!
Uniek, nooit eerder vertoont, en tegen de reglementen van de bond in. Een schot in de roos. Clubkoersen met meer dan honderd renners. Vaak het dubbele.



Leen, afkomstig uit de Haarlemmermeer, hield van de rust en ruimte. Vond hij prachtig. Dat Van der Meulen na zijn fietscarrière naar Canada emigreerde zal gerust te maken hebben met de daar aanwezige ‘the wide space’. Wat dat laatste betreft kan de symboliek niet treffender zijn, waar we straks op terug komen. Na een lang ziekbed overleed vorige maand de vroegere wereldkampioen stayeren. De gemeente Haarlemmermeer vergeet zijn helden niet. Ook niet Van der Meulen. Als erkenning én eerbetoon werd, in het pas geopende Park21, een pad én een brug vernoemd naar Leen van der Meulen. In de Grote Stayershemel moet Van der Meulen goedkeurend geknikt hebben. Zowel pad en brug mogen zich wentelen in rust en ruimte. Op een zaterdagnamiddag bracht Henny Marinus, 78 jaar, een soort ‘bedevaartje’ aan zijn vroegere maatje. ‘Mooi hé’!, fluistert Marinus boven op de brug tegen zich zelf. ‘Dat had Leen prachtig gevonden’.


