Trots, en niets te verliezen

gordiniEn dan was er ook nog Giovanni-Michelle Gordini. Een broodmagere Italiaanse bonestaak van éénendertig jaar. Een van god los geslagen rakker. Een vrijbuiter met anarchistische trekjes op een koersfiets. Had maling aan de heersende klasse. Gordini trok zijn eigen plan. Hij moest wel. De man reed als ‘toerist’ mee in de Tour de France anno 1927. ‘Toeristen’, een eufemisme voor ongesponsorde renners in de vooroorlogse Tour. Alleen weggelegd voor de echte gedrevene, de vrije van geest. Probeer het maar.  De hele dag je kloten er af rijden. Zelf depanneren, je eten bij elkaar scharrelen, en als je als je dan zo moe als een hond, beslijkt en besmeurd over de streep kwam, mocht je zelf een slaapplek organiseren. En op de mestvaalt genaamd ‘toerist’ bloeide soms onverwacht een roos: zoals de genoemde Gordini.
Wielerhelden worden geboren op de kasseien. Maar vooral in het hooggebergte.
Gordini begreep dat en ging los. Met als decor de tiende  etappe  Bayonne-Luchon over 326 kilometer: de eerste bergetappe. Met aan de horizon de sinistere toppen van de Peyresourde, de Aspin, de Tourmalet en de Aubisque. 
gordinikop1Gordini, een profrenner in zijn nadagen, met overwinningen in koersen als een Giro dell ‘ Umbria, Milaan-Bellinzona en Giro dell’Emilia. Maar dat was jaren eerder. Een trotse man die niets te verliezen heeft. Zo’n kerel is tot alles in staat. Zelfs tot een desperate zelfmoordactie. In het donker, met ijskoude regen én met drie tubes om zijn schonkige schouders, piepte de Italiaan  uit het peloton. Niemand zag dat. Giovanni-Michelle Gordini, stofbril en pet stevig op zijn harses, scheerde als eerste de toppen van de Aubisque, en de Tourmalet, en bouwde een voorsprong op van drie kwartier.
Virtueel in het geel gloorde roem en eer aan de finish. Door pech, ander malheur, valpartijen in de afdaling, werd de held van de dag teruggepakt. Gordini werd achtste. Even goed kon Michelle met opgeheven hoofd terugkeren in zijn geliefde Budrio, provincie Emilia-Romagna.  Door het organiserende blad L’Auto  werd Giovanni-Michel Gordini, 24e in het eindklassement, uitgeroepen tot officieus bergkoning van de Tour 1927. En behalve dat. Zijn doldrieste actie beklijfde evengoed. In het Theater van de Wielersport nam Giovanni-Michelle zijn plaatsje in, weliswaar op het tweede balkon, maar toch…

Bron: Le Miroir des Sports: jaargang 1927.

Giuseppe vergat de klus af te maken

martanocolbayneDe tifosi begon te morren. Op sportredacties werden de inktpotten gevuld met vitriool. En in de dorpskerkjes werd er bij de Heilige Maagd  murmelend gesmeekt of er eindelijk eens gewonnen kon worden. Kaarsen werden met dozijnen opgestoken. Na zeven etappes, Tour de Franse editie 1934, stond de teller van winst op nul. Terwijl iedere dag een Franse renner de overwinningsruiker kreeg bleef de Italiaanse ploeg met lege handen. Mussolini, fascisme, maatschappelijk sociaal onrecht, onderdrukking door de kerk, het zal allemaal wel. Voor de Luigi’s en Pietro’s in de straat nog nét  te verhapstukken. Maar laat niet het nationale wielerbelang in gevaar komen…
Dat uiteindelijk Giuseppe Martano de redder des vaderland werd, besefte de simpele ziel niet eens. De man werd te veel in beslag genomen door frustraties. Giuseppe, 24 jaar, zijn dagelijkse pasta verdienend op de koersfiets, moest nog heel even wachten. Geduld tot de achtste etappe Grenoble-Gap. Een rit over een afstand van slechts 102 kilometer. Weinig, maar wél door het hooggebergte. Cols waar de lullo’s van kerels werden gescheiden. Waar gewrichten en botten op de proef werden gesteld, en de hartspier tot angstaanjagende proporties werd opgepompt.
Op de steile flanken van col de Bayard, een bottenkraker van 1246 meter, zag  hij zijn kans: Martano, zo’n van God vergeven klimmer,  ging op strafexpeditie. Giuseppe, een voormalig tweevoudig wereldkampioen bij de amateurs, lag daarmee een staaf dynamiet onder  het algemeen klassement. Heel chauvinistisch Frankrijk, want een landgenoot in het geel, kreeg hartkloppingen. Niet alleen het Franse gepeupel hapte naar adem. Ook de renners snakten naar een hap verse zuurstof. Het was heet. Alsof Beëlzebub, bedrijfsleider in de hel, met zijn snikkel het vuur oppookte. Zinderend dus.
martanoafdalingvooropGiuseppe Martano, met de aluminium stuurbidons klotsend vol, danste probleemloos omhoog. In zijn wiel de gele truidrager, Magne. En dan zijn er van die vragen, die een leven lang in hersenen blijft hangen. Waarom? Had ik maar… Ongetwijfeld ook bij Giuseppe.  Die moet op stille momenten zijn besprongen door die ene vraag: had ik maar doorgetrokken op de col Bayard,  dan had ik de Tour de France gewonnen. De col de Bayard, waar Magne op ‘hangen en wurgen’ aan zijn wiel hing, en hij, Giuseppe Martano, klimmer afkomstig uit Savona, Liguria, op de deur van het Italiaanse heldenrijk stond te kloppen.
Giuseppe, benen als spiegeltjes won met een zekere reserve de etappe. Magne op zeven seconden achterstand. In Parijs zag Martano zich terug op de tweede plaats in het eindklassement: een kwartier achter Magne. Uiteindelijk volgde in 1994  de revanche, want Martano stierf op vierentachtigjarige leeftijd. Waarmee hij Magné met zeven jaar klopte.

Foto 1: Op kop Martano gevolgd door Magne. Foto 2: De afdaling van de col de Bayard, op kop Martano. Bron: Le Miroir des Sports jaargang 1934.

De Gems van Cuminia

camusso9‘Kleine mannen, grote jannen’. Dat vrouwen met glanzende ogen heimelijk naar lilliputters staren is dan ook begrijpelijk. Dit in aanmerking genomen had signorina Camusso over haar Francesco ongetwijfeld geen klagen. Hooguit over zijn uiterlijk. Francesco Camusso, beroepsrenner, twee turven hoog, want kop, kont, flaporen én een klein lijfje. Een dreumes op de koersfiets. Zo’n kereltje waarvan je je hart vasthoudt met een beetje zijwind. Camusso, geen man van de ‘waaiers’. En al helemaal niet van de Vlaamse strontweggetjes. Zoveel was wel duidelijk. Francesco was klimmer. Een geboren grimpeur. Zo één die los ging bij het zien van besneeuwde cols. Francesco Camusso, afkomstig uit Turijn, Piemont, net droog achter de flaporen, won in 1931 de Giro d’Italia. Wat dat met zo’n jongen doet in een land dat bij iedere scheet gelaten door een wielrenner het kookpunt nadert, laat zich raden. Met zijn zege jaagde Piccolo Camusso, de oplages van de La Gazetta dello Sport tot recordhoogte. De prestaties van het klimmertje lieten de tikmachines van het journaille roodgloeiend staan. Superlatieven waren niet aan te slepen.  De mooiste was natuurlijk zijn bijnaam: de Gems van Cuminia. Terecht. Tijdens de Tour de France van 1932 bewees de  Gems, deel uitmakend van de squadra nazionale, dat in dat kleine lijfje een groot leeuwenhart schuil ging. Francesco, winnaar van de tiende etappe, trok drie dagen later weer ten aanval. Daarvoor was de dertiende etappe Grenoble-Aix-les-Bains, drie Alpenreuzen met als scherprechter de gevreesde Galibier, het decor.
Op de Galibier die zesentwintighonderd meter hoge pokkeberg, werd voor de Gems de rode loper richting Nirvana uitgelegd. Om te eindigen op het pad van de frustratie. Een dappere maar heilloze actie. Met regen in het dal en sneeuwbuien én vorst op de flanken van de Galibier fladderde het Latijnse lichtgewichtje omhoog.
camussoregenFrancesco, antivries in de aderen, scheerde als eerste de top. In de afdaling ging het mis. Lekke banden en valpartijen. Camusso’s aanval was een kleine rimpeling in een Tourgeschiedenis vol woeste erupties. Genoeg voor twee foto’s én een klein alineaatje in het sportblad Le Sports Illustrés.
Francesco Camusso eindigde de etappe als vijfde. De Gems van Cumiana,  negen jaar profrenner, reed vijf keer de Tour, won twee etappes en stopte met koersen in 1938. Dat klimmers taai zijn als oud hondenleer, werd maar weer eens bewezen. Op zevenentachtigjarige leeftijd begon de Gems aan zijn laatste ultieme beklimming.

Bron: Le Sports Illustrés jaargang  1932.

Erectiespecialist wint op heilige wielergrond

Copy of tour2015bim2Viagra kwam alleen voor in woeste, natte dromen.  Had je lekkere trek om met moeders een ‘doppie’ te maken en die kleine rakker weigerde dienst, dan was je aangewezen op het potentiemiddel Yohimbix, in de volksmond Bim genoemd. Alleen te verkrijgen bij de apotheek. God hielp je de brug over. Je moet er maar niet aan denken wat dáár voor gif in zat. De jaren dertig, harde tijden. In bijzonder voor de impotente man in Esch-sur-Alzette, stadje in het Groothertogdom Luxemburg. Waar de lokale impotento in de  apotheek geholpen werd door een zestienjarige knulletje: erger kon niet.
Jean Diederich, apotheekassistent én aankomend wielrennertje. Aan zijn opleiding als renner lag het niet, zeg nou zelf.  Jean, lulletje rozenwater om in het jargon te blijven, kenner van Yohimbix, kreeg van de locals  de bijnaam Bim. Waar hij mooi klaar mee was. Bim Diederich, inmiddels de witte jas omgeruild én het Ardennenoffensief overleefd, werd in 1945 beroepsrenner. Bim, zo’n solide knecht, maakte in 1947 zijn opwachting in de Ronde van Frankrijk. De voormalige tovenaarsleerling, reddingsboei van de smachtende huisvrouw, reed zes keer de Tour. Eindigde vier keer in het eindklassement bij de eerste twintig. De uitslagenlijst van Bim, acht jaar broodrenner, paste op een bijsluiter van Yohimbix. De man schraapte maar zes overwinningen bij elkaar. Weinig. Maar wél van grote kwaliteit. Bim had daar tijdens  zijn lange leven dikwijls aan gedacht, zoveel is zeker. 
Speciaal  aan de tweede etappe Reims-Gent, 185 kilometer, editie Tour 1951. Met doorkomst over de muur van Geraardsbergen, bevolkt met tienduizenden supporters.
Die hun hoop hadden gevestigd op favorieten als een Alois van Steenkisten, Marcel Verschueren, en Stan Ockers.
Copy of bimhuldigingWaar heel knotsgek wielerminnend Vlaanderen bij de gokkantoren hun franken op had gezet. Weggegooid geld. Op de Muur, notabene heilige Vlaamse wielergrond, maakte Bim zich onsterfelijk. Op het steilste gedeelte trok Bim op avontuur. Coppi, Magni, Bobet, en Koblet  in verwarring achterlatend.
Of Bim Diederich, erectiespecialist uit Esch-sur-Alzette aan de eindstreep lekkere gevoelens in de koersbroek had is niet duidelijk. Wél dat hij bijna drie minuten moest wachten op nummer twee, Stan Ockers alvorens hij zijn gele trui kon aan trekken. Bim Diederich en de Tour van 1951. Waarin hij na acht dagen koers én de gele trui met  6500 gulden de meest verdienende renner was. Bim Diederich stierf in 2012 en werd negentig jaar oud.

Bron: Sport Club jaargang 1951.

Epische kerels, en hun heldendaden

tour2015aankondigingDe Ronde van Frankrijk, mooiste tijd van het jaar want zomer, licht, lucht, zon én vakantiegevoel. Kortom wat wil een wieleradept  nog meer?  Met de start in Utrecht draait ook het publiciteitscircus op kookpunt.  Deze blog raast mee in de gekte van het moment, en nam een duik in zijn archief. In  oude, stoffige en vergeelde  jaargangen volgde een zoektocht naar  die ene en unieke foto, maar vooral naar hét verhaal daar achter. En dat werd gevonden. Onbekende kerels en hun onbekende maar epische heldendaden,  alláng weg gevaagd in de geschiedenis werden opgegraven. Als eer en erkenning brengt Stuyfssportverhalen, ze nog één keer tot leven, en publiceert tijdens de Tour meerdere  columns per week. Zaterdag de eerste, over een man die alles wist van potentiemiddelen, maar ook Tourgeschiedenis schreef…

‘Bidon’, Een leven lang de Tour

bidon‘De man strekt zijn arm, zijn hart bonst. De man voelt opeens een verhoogde bloeddruk. Zijn arm verraadt onzekerheid. De man is nerveus, bloednerveus. Hij staat aan het eind van strook 6, het begin van de finale in de vijfde etappe van de Tour de France 2014, Ieper-Porte  du Hainaut, zeg maar Arenberg.’ Zo die zit! Peter Ouwerkerk, pakt de lezer vanaf de eerste alinea bij zijn nekvel en sleept hem mee in zijn boek ‘Bidon’.  Ouwerkerk, krantenverslaggever in ruste, met negenentwintig Tour de Frances op naam. Schreef voor Het Vrije Volk en het Rotterdams Dagblad, niet alleen kranten vol, over de Tour, maar nam uit Le France ook de nodige wielerparafernalia mee: bestemd voor zijn bovenkamer ‘twee trappen omhoog’, een creatief heiligdom, vol met kartonnen dozen gevuld met boeken, foto’s, rondenboeken en relikwieën over en van de Tour.
Ouwerkerk koestert zijn schatten. Voor hem kleeft aan iedere voorwerp een verhaal. Ook aan die ene roze en gecraqueleerde bidon met de rode letters EVIAN, voorzien van drie mysterieuze blauwe viltstiftkruisjes en de letters A.G. Een bidon behorend aan de Spaanse KAS-renner Gonzálo Aja Barquin. ouwerkerkop
Bij Ouwerkerk borrelen dan allerlei herinneringen boven. En beelden. Uiteraard over Gonzálo Aja Barquin, die twee keer, 1973 en een jaar later in La Grande Boucle, startte.
Ouwerkerk was daarbij. In een prachtige stijl beschrijft hij hoe de Tour naar Spanje trok. Door Andorra en dalend naar Seo de Urgel met finish op de Avida del Generalissimo Franco. In het officiële Rondeboek van de Tour beschreven als ‘een stadje dat baadde in rust, comfort en kalmte; beroemd om zijn gastvrijheid’. Nou, dat heeft de Tour geweten…
Peter Ouwerkerk, samen met Tim Krabbé en Bert Wagendorp bij de beste wielerschrijvers van het land, is in Bidon in topvorm  Vierentwintig hoofdstukken, bijna driehonderd pagina’s, heerlijk leesvoer. Voor iedere zich respecterende Touradept een aanraaier! 

Bidon, een leven lang de Tour. Uitgeverij De Geus B.V.
ISBN: 978-90-445-1541-1

Crownfunding voor De Mannen van Staal

rihnieuw 016RIH-Sport, ooit dé racefiets van Nederland. Dat op deze fiets meer dan zestig wereld- én Olympische titels zijn behaald behoort tot de wielercultuur. Maar aan alles komt een eind. Na bijna een eeuw bestaan te hebben, trok eigenaar/framebouwer Van der Kaaij twee jaar geleden  de deur voor goed dicht. Exit RIH-Sport, en einde van een tijdperk. Wonderen bestaan echt. Drie maanden later verrees RIH uit zijn as. Twee jonge enthousiaste fietsenmaker besloten met het roemruchte merk een doorstart te maken. Waarbij Willem van der Kaaij ze de geheimen van het stalen frame ging bijbrengen. Filmregisseur Matthieu Landweer zag daar een prachtig onderwerp in voor een documentaire. En ging mét camera aan de slag in de nieuwe vestiging van het bedrijf. Het werd een film over de liefde voor de stalen koersfiets, en een zoektocht naar de passie aan de hand van een portret van Willem van der Kaaij. Om de film te realiseren wil de regisseur 15.000 euro via crownfunding ophalen. De frames  worden nog steeds gebouwd volgens het beproefde recept van ‘grootmeesters’ als een Willem Bustraan en Willem van der Kaaij. Na het onverwachte overlijden van Van der Kaaij zet framebouwer Lester Jansen het ambacht voort. Of dat gaat lukken…
Informatie: www.cinecrowd.com/de-mannen-van-staal

Posted in Niet gecategoriseerd. Leave a Comment »

Na halve eeuw goed voor kroeg en kleinkinderen

Copy of pizallipasnieuwDe signalen waren overduidelijk. De man was namelijk stram, werd geteisterd door reuma, en was der dagen nog nét niet zat. Vinzenzo Pizzali, ondanks een arendsblik, was dat duidelijk ontgaan. Vinzenzo, jong, vurig, en ambitieus.  Gevaarlijke mix. Als stayer legde hij zijn lijf en leden in de handen van een gangmaker van bijna tachtig jaar oud. Arthur Pasquier, een levend museumstuk op de zware motor. De man, een halve eeuw actief in het metier, was één van de weinigen die het bloedbad van de Duitse wielerbanen na kon vertellen. Pasquier afkomstig uit  Parijs, zag tientallen jonge renners en collega-gangmakers al dan niet dodelijk, verongelukken.  Arthur Pasquier dus, gangmaker met een ijzeren reputatie. Grootmeester van het ondoorzichtige spel dat zich in de catacomben van de wielerbaan afspeelde. Voerde vier renners naar de wereldtitel. Reed je achter Arthurs rug, dan zat je als renner snor.  Maar dat was vroeger. Vér voor het geriatrische verval. 
Op die warme augustusavond in 1959 had Vinzenzo dat niet zó in de gaten. Verblind door eigen ambitie én van de reputatie van zijn gangmaker. Vinzenzo Pizzali held van zijn geboortestadje Mortegliano, kampioen van  Italië, aan de start van het wereldkampioenschap stayeren over tweehonderd ronden. In een tjokvol  Amsterdams Olympisch Stadion. De onberekenbare Vinzenzo gold als dé gevaarlijke outsider voor de titel. 
pizallikopTerwijl de oude Pasquier de motor rond liet razen en bij de tien renners de zenuwen door de strot gierden, klonk het startschot voor een memorabele race. Zo’n gebeurtenis die bij de aanwezige toeschouwers vijftig jaar later nog steeds  in het collectieve geheugen staat  geëtst. Goed voor prachtige verhalen in de kroeg anders wel aan de kleinkinderen. Succes verzekerd.  Met dank aan de combinatie Pasquier/Pizzali. Met nog vijftien ronden te gaan raast Pasquier met zijn jongen op kop. De mondiale titel in zicht. Maar niet heus. Want de finale krijgt een helse lading. Als de Spanjaard Timoner aanvalt, raakt Pizzali even het contact met de motor kwijt. Pasquier houdt ietsje in. Geeft Vinzenzo gelegenheid terug te komen. De laatste klapt vol tegen de rol van de motor aan. Door het kolkende Stadion gaat een voelbare siddering. Virginio komt met negentig per uur ten val. En blijft voor dood op het cement liggen.
Hoe  de oude Pasquier zijn motor zó snel kon stoppen is een van die grote raadsels. Met zijn stramme lijf snelt hij naar de onheilsplek.  Dan gebeurt er een incident. De oude gangmaker maakt de stevige indruk dat hij voor de aankomende motoren wil springen. Volgens anderen was het een poging om over te steken. Wat het ook was, het maakte geen moer uit. Eén van de mooiste anekdotes uit het stayeren was een feit. Dat de ouwe Arthur getraumatiseerd was, is zeker. Ongetwijfeld flitste die ene vreselijke koers in het Antwerpen van 1937 door zijn hoofd. Een koers waar de toenmalige wereldkampioen André Raynard gevallen, door Pasquier werd overreden.  
Copy of pasquier1905Arthur Pasquier, grijsaard, balancerend op het randje van dementie, in een levensgevaarlijke sport. Reed een jaar later nog een wereldkampioenschap in het Oost-Duitse Karl Marxstad. Nadat hij zijn eigen renner had ingehaald was het duidelijk. Niet veel later werd zijn licentie ingenomen.
En Virginio Pizzali, die jongen met een droom van een wereldtitel? Hoewel met gillende sirenes naar het Wilhelminagasthuis gebracht mankeerde hij weinig, was nog een paar jaar actief als stayer. Pizalli, een jongen met een droom, werd tachtig jaar.

Foto 1: Pizzali achter de oude Pasquier. Foto 3: Pasquier in 1910. 

Noot: Schrijver dezes was als elfjarig jochie aanwezig bij bovenstaande finale. Meegenomen door zijn oudere broers Cees en Reggie, met de tram en lopend tussen mensenmassa’s richting Stadion. Kaartjes, dagen tevoren gekocht bij sigarenzaak Hulscher in de Amsterdamse Halvemaensteeg. Staand in Vak S, vooraan bij de rand van de wielerbaan, zag hij voor  de allereerste keer een stayerskoers. Een onuitwisbare indruk. 

Herinneringen aan een groots verleden

harrymater1 016De drama’s weet hij nog. Tot in details. Zoals de finale van het wereldkampioenschap stayeren 1959 gehouden in het Olympisch Stadion. Als hij zijn ogen dicht doet ziet hij weer die beelden van Viggio Pizzali, een jonge Italiaanse stayer. Viggio hartstochtelijk aanvallend met Latijns temperament raakte diep in de finale héél even de zijkant van de rol van zijn motor. Schokgolf van ontzetting golfde door het uitverkochte Stadion. Helse beelden van een stuiterende Viggio op hard cement waarbij de vonken uit zijn fiets kwamen. Sindsdien is Harry Mater gefascineerd van het stayeren. Harry Mater, gepassioneerd  van het metier, werd helper van de gangmakers, en trok veel op met gangmaker Gerrie Pelser. Voor de koers mocht hij Pelsers  motor aanduwen. Als de motor door de compressie kwam, volgde dat geluid…. Alsof het de mooiste symfonie betrof.
Harry Mater, nu succesvol ondernemer in ruste, liet iedereen meedelen in zijn passie, en organiseerde meer dan tien keer het Rai-Derny Race. Knetterende derny’s door Amsterdam-Zuid met daarachter de toenmalige wereldtop. Mokum en omstreken hadden hun jaarlijks terugkerende topkoers. Inmiddels geschiedenis. Met dank aan het, volgens Mater, ‘lullige’ gedrag van de Amsterdamse autoriteiten.
harrymater1 003Voor Mater rest nu de herinneringen. Zoals die van een paar jaar geleden. Mater, op vakantie op Mallorca, bezocht daar de inmiddels vervallen wielerbaan. Waar hij tot zijn ontzetting de resten van een ineengezakte stayersmotor aantrof. Heiligschennis. Het was namelijk dezelfde motor waarachter de Vlaamse stayer Willy Lauwers eind jaren vijftig het leven liet. De herinneringen van Mater. Zoals aan  de finale van het wereldkampioenschap stayeren 1979 gehouden in het Olympisch Stadion. De complete ere-tribune werd door hem afgehuurd. Eén groot feest. Zijn personeel, relaties en familie, iedereen was welkom. Dat Martin Venix een door zijn bedrijf gesponsorde renner de titel pakte, maakte het feestje compleet.
Harry Mater is ook een beheerder van het stayerserfgoed. Ergens op een geheime locatie in het Gooi bewaart hij zijn grote schat. In een tikkeltje vochtige schuur staan de oude derny’s, tientallen ingelijste wieleraffiches, en ander stayers- en wielerparafernalia. Topstuk in zijn collectie is een tachtig jaar oude gangmaakmotor. Een monster van 1200 cc dat in 1968 zijn laatste koers reed.
Speciaal voor Stuyfssportverhalen wordt de motor met hulp naar buiten gereden. Het is niet de enige motor in de collectie. In het oosten van het land staan nog twee exemplaren gestald.
harrymater1 025Dan gebeurt er iets onverwachts. Mater herinnerd zich nog een schuurtje waar nog ‘iets aardigs’ staat. Schuur gaat open. Tegen de muur rust een Bianci-koersfiets uit begin jaren vijftig. Achteloos wordt verteld dat het een fiets was van Fausto Coppi. Jaren geleden kreeg Mater de tip dat deze fiets te koop stond. Coppi, veelvuldig reizend met Wagon-Lits, had deze geschonken aan de toenmalige directeur. Na diens overlijden bood zijn weduwe de fiets te koop aan. Als extraatje zat bij de fiets ook het shirt van Il Campionissimo.

Voor Adolf wachtte de chocolaatjesfabriek

Een bokspartij om niks. Afgedaan met een klein alineaatje op de sportpagina. Een partij gedoemd om in de vergetelheid te zakken. Met twee tamelijk onbekende boksers. Uitgevoerd in het Berlijn van pal na de oorlog: een fijn detail. En toch… zat er een scenario in  dat filmregisseur Sergio Leone niet had kunnen bedenken. Veertien mei 1950, boksen in het Waldbühne-Amfitheater, gelegen in West-Berlijn. De zwaargewichten Adolf Kleinholdermann versus Gene Tiger Jones. Op de tribunes vijfentwintigduizend liefhebbers, waaronder veel Amerikaanse GI’s.  Kleinholdermann, vijfendertig jaar, dé lokale favoriet. Maar was ook een voormalig lid van de Waffen-SS. 
Met zijn twee meter gespierde lijf en blauwe ogen zo’n rukker waar de toenmalige Führer goedkeurend bij knikte. Na terugkomst uit krijgsgevangenschap in 1948  nam Adolf zijn oude stiel als profbokser weer op. Adolf hield wel van dem Kampf, zoveel is wel duidelijk.
En nu stond de veteraan van het Oostfront, de Ardennen én Normandie, opgevoerd als ‘warm lijk’, in een vol stadion tegen de zwarte Amerikaan Gene Tiger Jones. 
Voor Adolf, 96 kilo aan spieren en botten werd het zijn zestiende partij. Tevens zijn laatste. Wat er in de minuten voor het gevecht in de geest van Adolf omging? Ongetwijfeld een gevoel van rassensuperioriteit. Ingestampt tijdens zijn jaren bij de Hitlerjugend en de SS. Tiger Jones, zwarte jongen afkomstig uit Philadelphia, had daar schijt aan. 
Gene, 93 kilo bewees dat rassenleer geleuter is. De zwarte zwaargewicht had daar nog geen minuut voor nodig. Om precies te zijn achtenvijftig seconden als Jones verwoestend uithaalt. Kleinholdermann wordt uitgeteld door scheidsrechter Max Schmeling.
Gene Tiger Jones, onbewust van zijn kleine aantekening in de boksschiedenis stond tot 1954 in de ring.  Gene, met zesenveertig overwinningen nooit hoger dan de zesentwintigste plaats op de toenmalige wereldranglijst, werd na zijn bokscarrière drummer in een swingband. En Adolf Kleinholdermann? Ach gut Adolf. Groot geworden met marsmuziek, nazi-retoriek, stampende laarzen, en rauwe bokspartijen, vervolgde zijn loopbaan allesbehalve heroïsch.  De man begon een chocolaatjesfabriek. Uiteindelijk werd de voormalige SS’er ingehaald door zijn eigen verleden. In 1960 op zesenveertigjarige leeftijd, suf geslagen want dement, vertrok Adolf naar een betere wereld.

Bron: de wonderlijke database van John Brouwer de Koning.