In regenboogtrui gaan ‘hemelen’

Hoe je ongelukken kunt voorkomen? Gewoon, door nooit onder een ladder te lopen. En mocht op vrijdag de dertiende een zwarte kat je pad kruisen, geef hem dan direct een schop onder zijn ‘derde oog’. Dan komt het geheid dik voor elkaar. Maar mócht je het levenslicht gezien hebben in een  dorpje met de naam Cieux, wat ‘hemelen’ in het Frans is, hou je dan maar voor de rest van je leven gedeisd. Zet je voeten dan maar in een teil water en leef  de rest van je bestaan als een geranium. Heel misschien dat je dan tussen de witte lakens je laatste adem uitblaast. Een ‘Hemelaar’ moet vooral het lot niet tarten. Dan kunnen de poorten van de hel wel eens open gaan.  
André Raynaud, geboren in Cieux, nog geen duizend inwoners, midden in het Franse Limousin, wist dat allemaal. Maar stak toch zijn nek in de strop. André werd stayer. Was geen winnaar. Op twee gewonnen zesdaagsen na, stond na acht jaar de teller onder de tien. André was geen ‘weggooier’, noch programmavulling. Er waren koersen dat hij het licht bij de tegenstanders uit de ogen reed.  Stond niet vaak met de bloemen te zwaaien. Er werd  rekening met hem gehouden. Vloog ieder koers, achter gangmaker Philippe, er vol in.
Na jaren boven de zuurton gehangen te hebben, kwam het zoet. In de herfst van zijn carrière want tweeëndertig jaar, werd hij  kampioen van Frankrijk. Om een jaar later als outsider wereldkampioen te worden. Voor André Raynaud afkomstig uit één van de armste streken van Frankrijk, begon de oogsttijd. Goedbetaalde contracten lagen voor het uitzoeken. Maart 1937. Het Antwerpse Sportpaleis trok voor de nieuwe wereldkampioen de beurs wagenwijd open. ‘De revanche van het wereldkampioenschap’, een koers over honderd kilometer, blokletterde de aanplakbiljetten. Goed voor een uitverkochte Sportpaleis. Het volk wordt spektakel beloofd. En krijgt dat ook. De 344e ronde. Hoog in de bocht op volle snelheid klapt de voorband van André Raynaud. De verse wereldkampioen valt, schuift naar beneden.
Was Raynaud nou maar geboren in welk ander gat dan ook, dan was er niets aan het handje. Maar in ‘Hemelen’… dat was de goden verzoeken. De stumper werd dan ook overreden door de achteropkomende motor met gangmaker Pasquier. Zwaargewond, met een snel aangebrachte ‘tulemuts’ op z’n hoofd, werd de wereldkampioen naar zijn cabine gesleept. Enige minuten later vertrok hij uit dit ondermaanse.
André Rayaud nam niet alleen plaats in het lugubere rijtje van verongelukte stayers maar was ook de eerste renner die stierf in een wereldkampioenshirt. Antwerpen liet André zijn laatste tocht richting station niet alleen doen. Meer dan honderdduizend mensen stonden langs de kant toen de verongelukte renner langskwam. Raynaud, 32 jaar, werd begraven op het dorpskerkhofje van Cieux.

Foto 1: André Raynaud met gangmaker Phillipe. Foto 2: Raynaud met regenboogshirt, Foto 3: Enige ogenblikken later stierf Raynaud.

 

 

Aan de schoen herkent men den renner

Honderden gaatjes zitten erin. Alsof een paar schoten hagel erop afgevuurd zijn. De tekst is vaag geworden.  Bijna was het bord bij de vuilnis beland. Maar Stuyfssportverhalen heeft zich er over ontfermd. Het is reclame uit een lang vervlogen tijd met als doelgroep wielrenners. De tekst is gemaakt door een vakman. En die had er duidelijk zin in.  Enthousiast werd het blik met superlatieven opengetrokken.  De reclameschrijver had de grenzen van de verbeelding opgezocht. Om over zo iets lulligs als fietsschoentjes een tekstje te maken vereist namelijk het onmogelijke. 
De eerste regel hakt er direct goed in. ‘Aan de schoen kent men den renner’. Niet zijn fiets, noch de benen, laat staan de kop, maar het schoeisel…  Dan gaat hij helemaal los. De slagzin wordt gehanteerd als een slagbijl. ‘De kampioen der kampioenen zijn de Smits Boots’, ranselde hij uit zijn tikmachine.  ‘En die zijn licht, elegant en sterk.’ Om eraan toe te voegen dat ze alleen door de beste renners van Nederland worden gedragen. En dat waren Jacques van Egmond, Olympisch kampioen 1932, Jan Pijnenburg en Cor Wals: gereputeerde zesdaagserenners. De wonderschoenen waren alleen te verkrijgen bij de gebroeders Busstraan: constructeurs van de Rih-racefietsen. En daar gaat hij de fout in. De naam Bustraan wordt verkeerd gespeld. Eén ‘s’ te veel.
Het reclamebord, gemaakt midden jaren dertig, had jarenlang in het Olympisch Stadion gehangen. Nadat Cor Wals zich als vrijwilliger bij de Waffen-SS had aangemeld en zijn ‘Smits-Boots’ had  omgeruild voor een paar laarzen mét spijkers, werd het weggehaald. Sindsdien, en dat is meer dan zeventig jaar, verbleef het in de spelonken, achter het fietsatelier van Rih-Sport.
Smits Boots is opgeslokt door de geschiedenis.  Van Egmond, Pijnenburg en Wals zijn al decennia bij hun schepper. En Rih-Sport houdt eind mei, na meer dan negentig jaar, op te bestaan.  En het bord? Het bord, onder het stof en half opgevreten door de houtworm, heeft alles overleefd. Is een klein stukje sporthistorie geworden.

Jozef hoorde die ene zo gevreesde klap

Een goedlachse charmeur, met een afgetraind lijf. Zo’n gladjakker waar meisjes ‘tochtig’ van werden.  Een type voor wie het glas altijd half vol was. Afkomstig uit Beieren. Voor Karl Käser lag een carrière als bedtijger in het verschiet.  Kon met zijn charmes een bruin leven leiden.  Of Karl, twintig jaar, van de herenliefde was, is niet bekend. Wel dat hij de wereld van koekoeksklokken, blaaskapellen, bierkelders en vakwerkhuizen achter zich liet. Trok met zijn racefietsje de wereld in. Op zoek naar avontuur.
Dat vond hij op de Duitse wielerbanen. Käser, akelige scherpe sprint in de benen, nam plaats op de tandem. Sensationeel fietsnummer anno 1895. Vormde met zijn kameraad Freddy Müller een geducht koppel. Maakte naam in heel Duitsland. Telkens tegen de toges van een vent aan te kijken verveelt. Karl ging solo. Werd de populairste baanrenner van zijn tijd. Kwam in heel Europa in actie. Won tussen 1896 en 1900 ruim negentig grote baankoersen, wat beloond werd met ruim achttienduizend goudmark. In 1900 vertrok hij samen met Fritz  Ryser  naar New York. Het koppel  Käser/Ryser  op de affiche van de lokale Zesdaagse. The Six van New York, de meest ruige koers uit de wielergeschiedenis, waar alles toegestaan had wat god verboden had. Zes dagen én nachten oorlog in Madison Square Garden.  Stampendvolle tribunes waar persoonlijke vendetta’s uitgevochten werden. Met de knuisten, maar ook met het pistool. Waar renners goed hun zakken konden vullen.
Een huiveringwekkende ervaring rijker en zesde in de uitslag keerde Karl en Fritz terug naar Europa. Karl Käser baanrenner, sprinter, premiejager. Aardig, maar niet meer dan dat. De echte sterren, de publiciteitstrekkers waren toch die kerels fietsend achter de motor. Bij de firma Brennabor kocht de Beier een gangmaakmotor. Broertje Jozef, een geflopte renner, nam daarop plaats. Karl, in de wintermaanden actief als baansprinter, was een geboren rolrijder. De Käser Bruder gingen de wielerbanen onveilig maken. Met succes. In de zomer van 1904 stond de teller van gewonnen koersen op vijfenentwintig.
Karl Käser kende geen angst. Of misschien ook wel. Geld vergoedde veel. Maar het leven is ook mooi. Op een fietsje, in de zuiging van een windscherm, achter een razende motor, zonder helm… Ongetwijfeld zal hij wel eens vertwijfeld hebben afgevraagd waar hij mee bezig was.  Op foto’s zie je de voorheen vrolijke Beier duidelijk versomberen. De Dood hing dan ook onzichtbaar om hem heen.
Tijdens de Grote Prijs van Plauen op zondag veertien augustus 1904, hoorde Jozef die ene zo gevreesde weeë klap achter zich. Het geluid van zacht vlees op beton. Twee dagen later stierf zijn broer aan de verwondingen. Karl, volgens het blad  Radwelt een ‘gemüst Bravourmensch’ werd dertig jaar.
Bron: Radwelt jaargangen 1902, 1903 en 1904.
Foto 1 De broertjes Kaser. (foto archief Wim van Eijle)
Foto 2: Der Karl achter een onbekende gangmaker.
Foto 3: ‘Op foto’s zie je de voorheen vrolijke Beier duidelijk versomberen. De Dood hing dan ook onzichtbaar om hem heen’.

Het vergeten graf van een vader en zoon

Vader en zoon. Meer dan tachtig jaar rustend in één graf. Beiden dodelijk verongelukt. Drama in optima forma. Vader ging eerst. Twee jaar later de zoon, nog maar nét eenentwintig jaar.  Een mooi maar betrekkelijk anoniem graf. Een sportmonument eigenlijk. En niemand die dat nog beseft. Totáál vergeten. Het graf symboliseert de betrekkelijkheid. Maar ook de sportwaanzin.
Stan Ceurremans, speelde ver voor de Eerste Wereldoorlog met zijn leven. Begaf zich als gangmaker in  de morbide, fatalistische wereld van het stayeren. Door de massa bewonderd om zijn lef. Stan, geboren en getogen Vlaming, vormde met zijn jeugdkameraad Karel Verbist een duo. Ceurremans op de motor. Karel erachter. Met jeugdige overmoed werden de wielerbanen bestormd. Karel en Stan hadden altijd zin. Gaven waar voor hun dure geld.  Ook in Dresden. Tijdens een woeste koers vloog de Vlaming de baan uit. Een razende vuurspugende motor het middenterrein op. Lichamen vlogen als lappenpoppen rond. Eén kon het niet meer navertellen.  Het jonge duo wél. Tot die ene fatale dag in 1909. Op de wielerbaan van Brussel kreeg Karel een klapband. Nog wel in de laatste ronde. Niet veel later stond Ceurremans aan het graf van zijn vriend.
Stan Ceurremans, was doordrongen van het gevaar. Maar ook van het snelle geld. Verdiende als gangmaker goed. Tot de Eerste Wereldoorlog. Vluchtte met zijn gezin in 1916 naar Nederland. Kreeg, met medewerking van de Nederlandse Wielren Unie, heel snel de Nederlandse nationaliteit. Woonde in Rijswijk, vlak bij de lokale wielerbaan. Stan Ceurremans, professional, scheerde meerdere keren per week, met angstige regelmaat, langs de randen van de dood. Decennialang de dood in de ogen kijken, dat doet iets met de hersenen. Aan Stan zat dan ook een steek los. Vond het goed dat zijn twee zoons in zijn voetsporen traden.
De een werd gangmaker, de jongste stayer. Hoe moeder Ceurremans zich voelde laat zich raden. Dan is het zomer 1931. Tijdens een koers op de wielerbaan Elberfeld zakt voor Ceurremans de laatste korrel door de zandloper. Zijn tijd zit erop. Ceurremans valt. Zwaargewond wordt hij afgevoerd. Twee dagen later is de voormalige Vlaming wijlen. Stan Ceurremans had bij leven en welzijn te kennen gegeven dat hij in Nederland begraven wilde worden. Gebeurde ook.
hoofdceurletDe onfortuinlijke Ceurremans  werd  bijgezet op de Algemene Begraafplaats van Den Haag, en kreeg op zijn graf een monument geschonken door vrienden en fans. Beeldhouwer Tempelman ontwierp belangeloos de bronzen plaquette.
Van het woord ‘leergeld’ hadden de broertjes Ceurremans, lid van de Haagse rennersclub Sparta, nooit gehoord. IJzerenheinig  werd  doorgekoerst. De oudste op de motor. Broertje Frans erachter. Moeder Ceurremans thuis, bijtend in het tapijt van de angst. Terecht. Twee jaar later. Woensdagmorgen drie mei 1933. Frans Ceurremans, op de wielerbaan van Rijswijk, trainend achter zijn broer, krijgt bij negentig ‘ín het uur’ een klapband. Met een zware schouderfractuur en een bloeduitstorting in de hersenen, wordt  Frans het Ziekenhuis Westeinde binnen gebracht. Drie dagen later meldt hij zich bij zijn ouwe heer. Frans Ceurremans werd eenentwintig jaar.

Bron: Het Vaderland, en het Sociaal-Democratisch Dagblad, jaargangen 1931 en 1933. Foto 2: Stan Ceurremans én Karel Verbist.

Beginnersfout noodlottig in het Olympisch Stadion

Harry Miles beet de spits af. De man had de dubieuze eer om als eerste renner achter de motor te verongelukken. Op de baan van Walham, Massachuchetts viel de Bostonian, in 1900, te pletter.  Dan gebeuren er enge dingen waar Edgar Allan Poe patent op had. Terwijl de Amerikaan bezig was de overstap naar gene zijde te maken, wordt niet veel later in België  Felicien van Ingelghem geboren. Dood en geboorte, dé zekerheden van dit bestaan. Ook voor Harry en Felicien die aan elkaar werden gesmeed door een duistere, griezelige band. Tussen de Yank en de Vlaming lag namelijk een kerkhof vol lijken. Een dodenakker waar Harry als eerste werd bijgezet. Drieënzestig jaar later volgde Felicien, als laatste.
Voordat Van Ingelghem zijn plekje op het kerkhof innam, werd hij stayer: met een beperkte erelijst.  Kocht, na beëindigen van zijn carrière, een gangmaakmotor.  Als gangmaker kwam er succes, wat niet zijn portemonnee vulde. Het beleg werd op de wielerbaan verdiend. Het brood in de straten van Parijs, waar Van Ingelghem taxichauffeur was. Hoogstwaarschijnlijk nam Felicien de wilde mores van het Parijse verkeer mee naar de wielerbaan. Als gangmaker had hij een bedenkelijke reputatie. Een cowboy op de motor. Had schijt aan god en gebod. Was voor de duivel en zijn ouwe moer niet bang. 
Ook niet tijdens het wereldkampioenschap 1938 in het Olympisch Stadion. De eerste serie. Renners moeten zich plaatsen voor de finale. Nog vijf ronden te gaan en vier motoren, met Van Ingelghem én zijn renner Kraus, naast elkaar in de bocht. De winnaar ging meteen door naar de finale.  Kraus moet in die bewuste bocht doodangsten hebben uitgestaan. In plaats van te remmen gaf Felicien gas bij. Een catastrofe was een feit! Massale valpartij. Renners stuiterden over het beton. Een motor komt brandend op het middenterrein terecht.  De hoofdschuldige, Felicien van Ingelghem, kreeg niet alleen tweeduizend goudfranken boete maar werd ook een jaar geschorst.
Vijfentwintig jaar later, want donderdagavond 18 juli 1963.  Stayerskoers in het zelfde Olympisch Stadion. Motoren komen in de baan. Zoeken hun positie. Felicien van Ingelghem, gepokt en gemazeld op de gangmaakmotor, maar ook in de jungle van het Parijse verkeer, maakt daarbij een beginnersfout. Hij kijkt even achterom. Rijdt daarbij starter Muller aan. Van Ingelghem valt. Zwaar bloedend, met een schedelbasisfractuur,  wordt hij direct naar het Wilhelmina-Gasthuis afgevoerd. Twee dagen later gaf hij de geest. Op de Grote Dodenlijst van gesneuvelde renners en gangmakers neemt Felicien van Ingelghem de laatste plaats in.

Foto 1: Links Martin Wierstra met Van Ingelghem. Foto: Guus de Jong

Bron: Het Parool jaargang 1963, Het Vaderland jaargang 1938.

Je moest namelijk de plekken weten

Ze noemen het de tijd waarin alles vijftig jaar later gebeurde. Saaiheid troef. Maar dat is geleuter. Niets van waar. Laat die historici maar kletsen. Je moest namelijk de plekken weten! Wist je die, dan zat je geramd. En dat voor een luttel bedrag. Het bloed spatte je dan om de oren. Levens hingen aan zijden draadjes. Alsof je een blinde trapezewerker zonder vangnet in actie zag. Dat soort werk. Fijne tijden voor een adrenalinejunk  zo rond 1900.
Ook op de Amsterdamse Wielerbaan, begin september 1901. Tribunes vol met strohoeden en korsetten. Opgewonden wachtend op de tweestrijd Emile Bouhours tegen Piet Dickentman. Een race achter motortandems. Motoren werden aangeduwd. Harde plofgeluiden over de baan. Rillingen in onderbuiken. Natte plekken op houten banken.  Amsterdamse Piet, toffe jongen uit de Jordaan, was dé favoriet. Dickentman, pas een jaar stayer, glorieerde op de Duitse wielerbanen.  Was in Germanenland een  opkomende ster. Iedere maandag deden de lokale kranten verslag. Verbaast dat Pietje die fietsende moffen het leven zo zuur maakte.  En dat wilden Amsterdammers wel eens met eigen ogen zien. Die kregen waar voor hun stuivers.
Spektakel in de zesde ronde. De ketting van Bouhours motor vloog er vanaf. Kwam terecht in  het achterwiel.  Nadat de stuurman van de wielerbaan was geschraapt, werd er overgestart. Bouhours achter de reservemotor, kreeg de geest, en jakkerde ver voor  Dickentman uit. Op het moment dat Piet gedubbeld werd, gebeurden spannende zaken. De voorband van Piets motor, met tachtig in het uur,  vloog er af.  Dickentman, én zijn gangmakers Adolf Thormann en Jozef Schwarzer, gietijzeren cowboys uit Berlijn, werden gelanceerd.
De catastrofe  was nog niet compleet. In een flits stuurde de stuurman van Bouhours zijn motor omhoog. Ontzetting op de tribune. Ga er maar even aan staan. Alsof een rijdende bom op je afstormt. Stuurman en balustrade werden verpletterd. Gedeelte smart is natuurlijk géén halve smart.   Piet Dickentman en zijn jongens lagen te krimpen van de pijn en werden, volgens het Nieuws van den Dag ‘deerlijk gewond met bloedende wonden aan hoofden, armen, borst en beenen’, afgevoerd richting Wilhelmina Gasthuis. 
Bij Piet Dickentman, als stayer actief tot in 1928, hoorde ongeluk én dood als een papegaai op de schouder van een piraat. Stuyfssportverhalen heeft uitgerekend dat de Amsterdamse rolrijder  meer dan twintig keer aan de groeve van een verongelukte collega stond. Zelf crashte hij meer dan tien keer. Waarbij hij dagen in coma lag. Piet, zeventig jaar geworden, kon het nog navertellen. 

Foto1: Piet Dickentman, achter de motortandem, Foto 2: Fransman Emile Bouhours en Piet Dickentman, wereldtoppers. Foto 3: De begrafenis van motorhelper Orlemans, gesneuveld in 1922 in het Amsterdamse Stadion. Eén van de slippendragers was Dickentman, rechts.

Bron: Nieuws van den Dag, jaargang 1901.

Een ongeslepen diamant die niet te slijpen viel

Met één klap sloeg hij zich uit de anonimiteit. Een dreun die hem ook de Europese titel opleverde. Lignano, juni 1968. Carmelo Bossi, Europees kampioen weltergewicht, verdedigde zijn titel.  Tegenstander, Edwin Fighting Mack, die geen partij was. Acht ronden lang kreeg Mack op zijn lazer. Tot de negende ronde. Een moment van onoplettendheid werd de Italiaan fataal. In die betreffende  ronde sloeg Mack, wiens eigenlijke naam Edwin Nicodemus Alberto is, de kaak van Bossi aan gort. Bossi had de conduitestaat van zijn uitdager beter moeten controleren.
Edwin ‘Fighting’ Mack, Antilliaan van geboorte, was geen opgewarmd lijk. Van de zesentwintig voorgaande partijen had hij er twee verloren. Zestien keer werd een tegenstander na het gevecht wakker. Mack werd niet alleen totaal onverwacht Europees kampioen maar ook de eerste zwarte Nederlander die een internationale bokstitel won.  Na zijn titel stond Mack als vijfde op de wereldranglijst van de WBA. Niets stond een glorieuze bokscarrière, én een vette bankrekening in de weg. Het ultieme leven van een sportheld lag te wachten.  Om uiteindelijk te eindigen als  medewerker aan een benzinepomp. Een tragedie, maar dat maakt het verhaal ‘Mack’ wél zo fascinerend.
Aan zijn begeleiders heeft het niet gelegen. Mack, op de ‘eilanden’ ontdekt door ene Berend Prakken die hem direct naar Amsterdam loodste. Waar hij onder de hoede kwam van ome Nelis Bisschop, gereputeerd bokstrainer. 
Fighting, tjokvol talent. In bezit van een harde rechtse.  Maar aanleg alleen is niet genoeg. Talenten, daar ligt het kerkhof vol mee.  De Antilliaan had dan wel dynamiet in zijn knuisten maar gedroeg zich als een kikker in een kruiwagen . Aan trainen had hij een hekel. ‘Dertien dagen trainen, voor dertien ronden’, was een gevleugelde uitspraak van hem.  Voor bokslegende Wim Snoek aanleiding om zich over hem te ontfermen. Snoek vond hem een ruwe diamant. Ook Snoek lukte het niet om deze te slijpen.
Een treurig boksverhaal is nooit compleet zonder louche managers. Mack werd uitgemolken als een ouwe koe. Paar weken na zijn titel moest er geoogst worden. In de toenmalige Oude Rai werd een boksgala georganiseerd. Meer dan tweeduizend liefhebbers kochten een peperduur kaartje. Hoofdpartij,  Fighting Mack versus de Argentijn Valerio Nunez. Een gevreesde tegenstander, die na drie ronden zomaar opgaf.  Het publiek voelde zich bestolen.  ‘Dieven, dieven’, scandeerde het massaal. Vijf maanden na zijn winst in Lignano was Mack zijn titel weer kwijt. Silvano Bertini sloeg Edwin Nicodemus knock-out .
De opmaat voor de teloorgang vond plaats in de Amsterdamse Jaap Edenhal. Hoofdrolspelers Fighting Mack tegen  Ben Zwezerijnen. Mack was favoriet. In ieder geval bij de massaal opgekomen Antilliaanse gemeenschap. Die had zwaar op hun jongen gewed. Weggegooid geld. In een legendarisch gevecht sloeg Zwezerijnen  de Antilliaanse hoop in bange dagen knock-out.  De bokscarrière van Edwin Fighting Mack was exit. Later werd hij in Zandvoort gesignaleerd als medewerker bij een benzinepomp.

Bron: Het Parool, De Waarheid en Amiqoe di Curaçao, Weekblad voor de Antillen.

Het publiek zat te schudden in hun tuig

Op de trukendoos had hij het patent. Voor een gangmaker altijd mooi meegenomen. Maar Hendrik Hayck mocht dan sluw en doortrapt zijn, hij had ook een groot nadeel: de man was een gratenpakhuis. Renners door hem ‘getrokken’,  kregen het gevoel achter een homp gatenkaas te rijden. Hendrik loste dat probleem uiterst creatief op. Zijn ruime leren jas werd opgevuld met dekens, en soms een olieblik. De man zat nergens mee, want reglementair verboden. Hendriks leerschool was dan ook de rauwe wereld van de Amsterdamse Wielerbaan, waar hij als renner wekelijks zijn koersjes reed. En daar leerde hij Jan van Gent kennen, een aanstormend stayerstalent. Hendrik en Jan, lefgozertjes, beiden Mokumers en  lid van Olympia.
 Van Gent zocht een gangmaker, eentje die in staat was om geel geschilderde mussen te verkopen als zijnde kanaries.   Hendrik Hayck, tweederangs renner, paste naadloos in dat profiel en nam plaats op de zware motor. Het debuut voor het koppel Van Gent/Hayck werd niet snel vergeten. Niemand minder dan Piet van Nek, op het punt van internationale doorbraak, werd uitgedaagd tot een tweestrijd.  Plaats van handeling: de Amsterdamse Wielerbaan.
Op een warme julizondag in 1908 brachten Jan en Hendrik rock-’n-roll op de wielerpiste. Na de eerste manche, gewonnen door Van Gent, volgde er op het middenterrein een woeste  matpartij tussen Van Nek en Van Gent. Maar tijdens de volgende koers zat het publiek pas echt te schudden in hun tuig. In volle race kreeg Hendrik Hayck het aan de stok met de gangmaker van Van Nek. Op de tribunes braken vechtpartijen uit. Volgens de Revue der Sporten kwam de massaal uitgerukte ‘Hermandad’ er aan te pas. Dat was dus in 1908! 
Voor Hendrik en Jan werd het brave Holland iets te klein. In 1909 vertrok het Amsterdamse koppel, voor een serie contracten, naar Duitsland.  Wat voor Hendrik fataal werd. Tijdens het uitrijden, na afloop van de Grote Prijs van Keulen, schakelde Hendrik zijn motor in de bocht iéts te vroeg uit.  Hayck, op een onderuitglijdende  motor, werd vol geraakt door een achteropkomende motor. ‘Deerlijk gewond’, zoals de Revue der Sporten schreef,  werd de Amsterdammer naar het krankenhaus afgevoerd waar hij na een ‘langdurig en smartelijk lijden’ zijn laatste adem uitblies.
Hendrik Hayck, achtentwintig jaar, kreeg waar hij recht op had. Zijn vrienden bezorgden hem op de Oosterbegraafplaats een heldenbegrafenis. Voor zijn arme, hulpbehoevende  weduwe en twee kleine kinderen, ‘trekkend’ van de Armenkas, werd op de wielerbaan een grote collecte gehouden. ‘Bevallige jongedames’ gingen met de collectebus rond en haalde 165. 57 gulden op. Hendrik Hayck, ‘rustend’ op het Ooster, kreeg vijf jaar later gezelschap van Piet van Nek: verongelukt in Leipzig. 

Foto 1: Hendrik Hayck met ‘gevulde jas’. Foto 2: Hayck en Van Gent.

Bron: Revue der Sporten jaargangen 1908 en 1909.

Na eeuw verdwijnt stuk cultureel sporterfgoed

Het pand is al verkocht. In de framebouwerij wordt de laatste hand gelegd aan het allerlaatste frame. Na bijna een eeuw actief te zijn geweest sluit Rih-Sport eind mei voorgoed de deur. Dan verdwijnt er niet alleen een stuk cultureel erfgoed maar ook een brok vaderlandse wielergeschiedenis. De Amsterdamse Westerstraat, thuisbasis van Rih, zal nooit meer dezelfde zijn.

Hij moet wel, roept Wim van der Kaaij, eigenaar van Rih-Sport. Van der Kaaij wordt er ook geen jaartje jonger op. Vijfenzeventig jaar is hij. Niet dat je hem dat geeft. Zelf fietst hij nog regelmatig zijn toertochtjes. Op wel merk? Wat dacht je zelf!  Van der Kaaij gaat nog iedere dag opgewekt naar de Westerstraat, heeft er nog steeds zin in. Maar ook voor hem tikt de klok  genadeloos door. Zelf probeert hij het merk Rih nog voort te laten bestaan. Met drie geïnteresseerden kopers  is hij in onderhandeling. Er wordt gezocht naar een pand ergens in Amsterdam.
Van der Kaaij, drieënzestig jaar betrokken bij zijn Rih, wil dan adviseur blijven. Maar het begrip ‘Rih Westerstraat’ is dan over en uit. Eén brok wielergeschiedenis, bijna een eeuw oud, is voorgoed voorbij. Rih liep parallel met de historie van de vaderlandse wielersport. Het aantal wereldkampioenen  op het Amsterdamse merk loopt in de zestigtal. Er was een tijd dat ieder zichzelf serieus noemende renner een Rih onder zijn kont had. Met de komst van bulkladingen kunststofframes uit het Verre Oosten kwam de klad. Van der Kaaij bleef trouw aan de stalen Reynoldsbuis. Beetje gelijk had hij wel. Na een decennia carbon- en aluminiumfietsen komt heel langzaam de belangstelling voor het stalen frame weer terug. Voor Rih te laat.
Speciaal voor Stuyfssportverhalen laat Van der Kaaij zijn framebouwerij zien. Via een gangetje en trap te bereiken. Alleen al die trap. De treden zijn uitgesleten van miljoenen stappen. Hoeveel kampioenen hadden deze al niet beklommen? De framebouwerij. Meer dan zeventig jaar de kraamkamer van Rih. Ooit het heiligdom van Willem Bustraan, legendarisch framebouwer. De geest van Ome Willem Bustraan waart nog altijd rond. Je verwacht hem elk moment in zijn stofjas te trap op te horen stommelen. Willem van der Kaaij pakt nog maar even een vijl en slijpt en werkt een frame bij. Zijn allerlaatste.
Rih-Sport. Je voelt, ondergaat en ziet om je heen de historie. Foto’s van al lang vergeten kampioenen. Fietsen! En niet zomaar een karretje. Achteloos in de hoek staat de stayersfiets van Gerrit Schulte. De voormalige Zesdaagsenkeizer dacht zo’n zestig jaar geleden furore achter de motor te maken. Helaas voor Gerrit werd het een mislukking. De liefhebber die bereid is achttienhonderd euro neer te leggen, kan Gerrits fiets mee krijgen.
Van der Kaaij heeft zijn verhaal verteld. Hij gaat weer verder met de veil.  Stuyfssportverhalen heeft nog één vraag. Wie en wat de nieuwe eigenaar van het pand wordt. Het antwoord is onthutsend: een modewinkel.
Historie, pure geschiedenis, nóg tastbaar, wordt dus ingeruild voor het zoveelste boetiekje gerund door één of andere nitwit.

Foto 3: De stayersfiets van Gerrit Schulte. Foto 4: Wim van der Kaaij bezig met zijn allerlaatste frame.

Slagersknecht maakte internationaal naam

Oersterk. Een schouderpartij als een Mechelse pronkkast. Tikkeltje Neanderthalertype. Kwam op dertienjarige leeftijd in dienst van een ‘vleeschhouwerij’ waar hij halve koeien in zijn eentje in de haak hing. Maar echt los ging Dirk van den Berg als slager op het Amsterdamse abattoir. Daar werd zijn kracht ontdekt.  Dirk sjouwde met kadavers  alsof het zakken gevuld met watjes betrof. Van den Berg ging zijn talent te gelde maken. 
Op een dag zag hij zichzelf terug als de ‘sterke man’ op kermissen, circussen en theaters. Dirk in zijn handsopje. Boven zijn hoofd zweefden loodzware halters. Gadegeslagen door boeren, burgers en buitenlui. Het is 1890 als de tweeëntwintigjarige Dirk van de Berg er achter kwam  dat je net zo makkelijk mensen kunt optillen. Dirk werd beroepsworstelaar. Bij zijn eerste wedstrijd in 1893 won de voormalige slager de derde plaats. Dirk, populair bij de massa, vertrok toch naar Duitsland. Voor een zak goudmarken lekker rollebollen in de ring.  Van den Berg won in iedere Duitse stad. Van een toenmalige bekende theaterdirecteur kreeg Van den Berg een massief gouden gordel.
Maar Dirks naam zong door heel Duitsland nadat hij de onoverwinnelijke Turk Kara Achmed van Jetje gaf. Dirk van de Berg, hard trainend, zijn lijf goed verzorgend, was ongetwijfeld weggesukkeld in de geschiedenis als ene Jan Mulder niet op zijn pad gekomen was. Jan was de machinist van de ‘quint Mulder’, een vijfmanstandem. Rond 1895 waanzinnig populair onderdeel op de Europese wielerbanen. Spektakel met vijf kerels op een fiets: niet in de laatste plaats door de verschrikkelijke ongelukken. Jan zag Dirk bezig in zijn ‘ijzerwinkel’ van halters en gewichten en wist meteen dat hij de ‘diesel’ voor zijn quint  gevonden had. Dirk van de Berg op de fiets tussen Mulder, Jan Slesker, Jan van der Tuyn en Piet Dickentman. Standplaats was Berlijn. Daarvandaan werd heel Europa bestreken.
Dirk stond garant voor legendarische verhalen.  Stopte hij een aambeeld in zijn valies en gaf deze nonchalant aan de treinconducteur die prompt een mitella kon bestellen. Dat was even lachen. Met de komst van de zware motor op de wielerbanen was het gedaan met de quint. Dirk, de voormalige wielrenner, en slagersknecht had wat je noemt boerenslimheid. Zijn centjes had hij goed belegd. De man had in de buurt van Kopenhagen een buitenhuisje met een lap grond. Dat wisselde hij af met een woning in Parijs.
Dirk van den Berg mocht dan wel spieren als gewapend beton hebben, in zijn bovenkamer zat het niet helemaal ‘snor’.  Dirk werd getroffen door, wat de toenmalige pers noemde, ‘een rare zenuwziekte’. Tijdens zijn laatste wedstrijd in Amsterdam beefde hij over zijn hele lijf, was sterk vermagerd en leek niet meer op ‘den kranige athleet’ van weleer’. 15 Maart 1913. In Bonn, zijn laatste verblijfplaats overleed de Hollandse versie van Hercules op vijfenveertigjarige leeftijd.

Foto 1: De quint Mulder met v.l.n.r. Piet Dickentman, Jan van der Tuyn, Dirk van den Bergh, Jan Slesker en stuurman Jan Mulder.

Bron: Dagblad van het Noorden jaargang  1913, Revue der Sporten jaargang 1913.