Joop koos voor zekerheid én de dood

Doping, zo oud als het wielrennen zelf. Hoort er bij als een fles jenever bij een ouderling. Nu, maar ook vroeger. Zo was het en zal het altijd blijven. Niet uit te roeien.  Joop de Wolf had de bedenkelijke eer om als eerste Nederlandse dopeslachtoffer de geschiedenis in te gaan.

De gifkast kende geen geheimen. In het pikkedonker wist hij feilloos de flesjes, voorzien van  een doodshoofd, te vinden. En het gifmengen had hij als apothekersassistent geleerd. Betere aanbevelingspapieren kan je als wielersoigneur niet hebben. Binnen korte tijd behoorde Pierre Viel  in zijn vak tot de top. Om je als renner door Viel te laten verzorgen was spannend. Gaf er een extra dimensie aan. Of je ‘vloog’ op zijn preparaten, of  je hing aan je vingertoppen dagenlang te bungelen boven het ravijn der Dood. Armand Blanchonnet wilde dat risico best nemen.
De brave Armand, won ooit twee gouden plakken op de Spelen van 1924, maar was op  inmiddels op leeftijd. Was van plan om in de Zesdaagse van Parijs 1934, nog één keer te vlammen. Blanchonnet liet zijn ouwe lijf door Viel prepareren tot ‘d’n drog’ uit zijn oren kwam. Op de eerste avond kukelde de voormalige Olympische kampioen  schuimbekkend van zijn karretje. Blanchonnet, dagen lang in coma waarbij artsen voor zijn leven vochten, kwam bij kennis met de legendarische kreet: ‘Ze hebben mij vergiftigd.’ Alsof heel Parijs en omstreken dat niet wist. 
Viel was beroemd.  Of beter gezegd berucht.  Meerdere renners door hem verzorgd werden plotseling ernstig ziek.  Zijn reputatie vloog de wereld over. Tijdens de Zesdaagse van New York werd hem én zijn apotheek de toegang tot het Madison Square Garden verboden. Die Janks, ook niet gek, wisten dat ze met Viel de kat op het dak haalde. In de Zesdaagse van Amsterdam was de Parijse alchemist welkom. Wat de ondergang werd van Joop de Wolf.
Joop, eerzuchtig, jong, verbrak op een haar na  het werelduurrecord. Kreeg voor deze prestatie een contract voor de six van zijn eigen stad.  Voor Wolf  een uitgelezen kans om zich voor eigen volk te bewijzen. Amsterdamse Joop nam het zekere voor het onzekere, en liet zich door Viel verzorgen. Enige weken later was Joop dood. Een longontsteking zo luidde het officieel. Maar insiders wisten beter. Jonkheer Bosch van Drakenstein, secretaris van de toenmalige Nederlandse Wielerbond, eiste een onderzoek. De NWU weigerde. Joop de Wolf , 25 jaar, werd bijgezet op begraafplaats Vredenhof. En zijn naam verdween in de doofpot .

Foto’s: linksboven Pierre Viel, rechts Armand Blanchonnet, Linksonder Joop de Wolf én zijn begrafenis.

Bron: Geïllustreerde Sportwereld jaargang 1935, Sport Revue jaargang 1934.

De Dood had het scenario al klaar

Juli 1967. Stayerskoers. Een van de combinaties is voor honderd procent Mokums. Gangmaker Joop Stakenburg leidt renner Bertus Raats veilig naar de finish. Staak en Raats, twee ras-Amsterdammers.  Joop lid van Olympia, Bertus van Ulysses. Waren decennialang actief in de wielersport, en  gefascineerd door het stayeren.  Dat De Dood  een wrede en onvoorspelbare rukker is blijkt wel weer. Want het scenario van  Raats en Stakenburg had hij al klaar. Beiden zouden omkomen bij een bizar dodelijk ongeluk.
Joop Stakenburg, twaalf jaar professional stayer. Behalve een derde plaats bij het nationaal kampioenschap in 1961, viel er weinig voor hem te lachen.  Wat hij als renner tekort kwam maakte hij als gangmaker meer dan goed. Behoorde tot de top. Loodste Cees Stam drie keer naar een wereldtitel. Verdiende niet alleen zijn brood op de wielerbaan maar was een groot liefhebber van het metier. Was vrijwel wekelijks met zijn renners onderweg door Europa. Op alle Europese wielerbanen was Joop kind aan huis. Dan is het 1989. Staak met zijn renner Mario van Baarle op weg naar een stayerskoers in Wenen. Het werd Stakenburg’s laatste reis. Op de autobahn in de buurt van Ausbach verongelukte  Joop Stakenburg, 61 jaar.
Raats, na zijn rennerscarrière, werd ook gangmaker. Was voornamelijk actief op de derny. Werkzaam als amanuensis bij een scholengemeenschap, ontdekte Bertus ook  ‘de gave van het geschreven woord’. Werd gewaardeerd wielerjournalist bij een hoofdstedelijke krant. Bertus Raats, zo’n man die niet moe te krijgen was. Barstensvol energie. Was betrokken bij organisaties van diverse wielerkoersen en schreef tussen door ook nog de geschiedenis van het Amsterdamse wielrennen, uitgegeven in een serie boekjes.
De voormalige amanuensis, want inmiddels in de vut, begaf zich ook in de wereld van de autorally: wat zijn dood tot gevolg had. September 2010. Bij het uitzetten van een rallyparkoers verongelukte de Amsterdamse wielerhistoricus.  Bertus Raats  had gisteren 74 jaar geworden. Op Bertus’ geboortedag werd zijn kleinzoon Sven clubkampioen tijdrijden. Sven verrichte dat kunstje op de fiets van zijn opa. Was Raats toch een klein beetje bij aanwezig…

Foto 1: Raats in het shirt van Ulysses achter Stakenburg. Foto 2: Een maand na het nemen van deze foto verongelukte Bertus Raats.

Foto’s: Guus de Jong en Hilco Koke

Radiodocu over Amsterdams allereerste wereldkampioen

…luister naar de prachtige en ontroerende radiodocu over Piet Dickentman waarin Stuyfssportverhalen, als Piet’s biograaf, maar ook Lotti Dickentman, de drieennegentigjarige dochter van Piet vertelt over Amsterdams allereerste internationale sportheld! 
Klik op: http://www.hollanddoc.nl/kijk-luister/documentaire/d/de-dood-sprint-mee.html

Van de vrijwel uitverkochte biografie van Piet Dickentman, ‘Flirt met de Dood’, zijn nog zo’n dertig exemplaren over.

Deze zijn te bestellen door tien euro (inclusief verzendkosten) over te maken op ING-nummer 28.28.25.3 t.n.v. André Stuyfersant, Amsterdam.


Hoe een bolknak een rebel op de knieën kreeg

De gewone maatschappij lag hem niet. Huisje, boompje, beestje? Hij gruwde daarvan. De brave burgermaatschappij kon zijn rug op. Johnny Schlebaum, een vrije jongen die zich niet liet knechten. En al helemaal niet door een baas. Johnny, zoon van een kolenhandelaar uit de Jordaan. Sterk als een gorilla in de paartijd. Loste voor zijn ouwe heer regelmatig en in zijn eentje een schuit vol kolen. Waarschijnlijk daardoor kon de wereld van de antraciet en cokes hem gestolen worden. Johnny Schlebaum besloot stayer te worden. Beschouwde dat als een heus vak. En een vak moet je leren. Volgens hem kon je dat maar in één land: Duitsland.
De voormalige kolensjouwer liep in moffenland stage. Was, als onbekende noodgedwongen alleen actief op de kleine baantjes. Van die wielerpistes die graag een héél goedkope buitenlander op de affiche  hadden. Schlebaum reed daarom voor noppes of heel weinig geld zijn koersjes. Johnny, de rebel uit de Jordaan, vocht in het ruige circuit van kanslozen om zijn plekje. Dat waren jaren van anoniem lijden, sappelen en afzien. Een harde leerschool waarbij de kloten regelmatig eraf werden gedraaid. Na drie jaar was de opleiding voltooid. De kolensjouwer uit de Jordaan was stayer.
Johnny Schlebaum, serieus genomen, kreeg in 1920  zowaar een contract voor de Grote Prijs van Antwerpen. Johnny kwam en won. Voor de Jordanees een zoete wraak. Hoe vaak had hij wel niet om een contractje gebedeld bij Jan van de Berg, directeur van het Amsterdamse Stadion? Van de Berg ging overstag en Schlebaums naam prijkte ook op de Mokumse affiches. Wat een journalist zich Johnny’s kolenloopbaan deed herinneren. Prompt verscheen een verhaal in de krant waarin de Jordanese stayer met de bijnaam ‘roetmop’ werd neergezet. De scribent, met gevoel voor sensatie maakte zijn lezertjes ook wijs dat ‘Roetmop’ een gewezen schoorsteenveger was. De media ging daarmee aan de haal. Kreeg er niet genoeg van. Foto’s, woeste verhalen wel of niet waar, en gedichten vulden de kolommen. Johnny, dat jochie uit de Lindenstraat, werd een cultheld. En met zijn niet aflatende aanvalslust in de koers was zijn kostje gekocht.
Schlebaum, een mooie jongen, voelde zich artiest. En had maar één missie: het publiek vermaken. En die kwamen aan hun trekken. Als Johnny, razend populair in Amsterdam, voor de zoveelste keer woest ten aanval trok, loeide het hele stadion de oeroude schoorsteenvegerskreet ‘hoeiii’.
Johnny Schlebaum boerde als stayer financieel goed. Werd vier keer kampioen van Nederland en behoorde in het interbellum tot de beste rolrijders van Europa. Kocht van zijn geld een sigarenzaak. En dat laatste had hij nou nóóit moeten doen. Dodelijk voor zijn image. Het beeld van ‘a Rebel Without a Cause’, kantelde. De definitieve ‘doodsteek’ was dat er een sigaar naar hem werd vernoemd. De Schlebaumbolknak. Lulliger kon het niet. Was Johnny nou maar gestorven in het harnas… Dan had zijn naam nu nog rondgezongen.  Maar Roetmop zakte weg in de grijze anonimiteit en stierf op achtenzestigjarige leeftijd.

Foto 1: Het ‘oude’ Amsterdamse Stadion. Links Johnny Schlebaum.
Foto 2:  Johnny Schlebaum, boven, trekt ten aanval.
Foto 3: Schlebaum met de naar hem vernoemde sigaar.

Bron: Sportief jaargang 1947, Het Nieuws van de Dag jaargang 1958.

Jongens waren het nog

Tien minuten voor de start. De koersdirecteur had met een reuzentoeter de renners al opgeroepen. Op het middenterrein staat Piet Dickentman. Hij is nerveus. Gespannen tot in alle  vezels van zijn afgetrainde, pezige lijf. Niet alleen hij. Ook zijn gangmakers. Dan komt ook nog die klotefotograaf met zijn kiekkast aan. Met strakke, wit weggetrokken koppen en in zichzelf gekeerde blikken wordt geposeerd. De Grote Prijs van Leipzig een koers over honderd kilometer staat op punt van beginnen. Het stadion met veertigduizend man is uitverkocht.
Ondanks de reuring horen de vijf mannen niets. Ieder is met zijn eigen gedachten bezig. Het is 1903 en nog maar drie jaar daarvoor was de zware motor op de wielerbaan ingevoerd. Piet voelde het litteken op zijn rug trekken. Overgehouden aan zijn eerste koers in Wenen waarbij hij ten val kwam. Dagen had hij in coma gelegen. Zal hij er mee stoppen? Is dat het allemaal waard? Toch maar doorgaan, hield hij zich zelf voor. Nog een paar jaar op dat niveau koersen en hij zal zich financieel nooit meer zorgen hoeven te maken. Maar daar waren die vreselijke gedachten weer. De eerste doden, jongens die hij persoonlijk kende, waren al te betreuren. In Dickentmans hoofd ketst een verchroomde flipperkastballetje tussen de hersenstammen. Vragen, vragen en nog eens vragen. Zijn gangmakers werden er dol van. Of er genoeg benzine in de tanks zit. Voor de zoveelste keer worden de banden nagekeken.
Gestart wordt achter Adolf Thorman met aan het stuur Ernst Wolf. Voor de twintigste keer wordt de aflossing besproken. Na vijftig kilometer is de benzine op. In volle vaart komen dan Gerrit de Regt en Joseph Schwarzer in de baan. Met tachtig kilometer in het uur wipt Piet dan even over. O, mijn god als ze maar snelheid houden, schiet het bij de Amsterdammer door zijn hoofd. Even niet opletten en ik zie nooit meer de Westertoren. 
Piet, Gerrit, Joseph, Ernst en Adolf, jongens van nog geen vijfentwintig jaar. Iedere koers gaven ze waar voor hun geld. Vlogen er vol jeugdig enthousiasme erin. Ook in Leipzig. De moffen stonden na afloop op de banken. De winnaar werd Pruisisch toegejuicht. Minzaam zwaaide Dickentman met de bloemen. De overwinningsklokken luidden voor hem en zijn jongens. En toch… Als je goed luisterde, hoorde je ook een heel klein doodsklokje er tussen klepperen.
Vier jaar later. Op de wielerbaan van Dresden verongelukt Ernst Wolf, achtentwintig jaar. Een jaar daarvoor stond Piet Dickentman ook aan het graf van Joseph Schwarzer, zevenentwintig jaar en te pletter gevallen tijdens de Grote Prijs van Dusseldorf…

 Foto 1: Vlak voor de start van de Grote Prijs van Leipzig wordt met strakke koppen geposeerd.
Foto2: Piet Dickentman trainend achter zijn jongens. Op de motor Adolf Thorman die Dickentman ook naar zijn enigste wereldtitel leidde. Aan het stuur Ernst Wolf. Rechts Josef Schwarzer met stuurman Gerrit de Regt.
Foto 3: De Grote Prijs van Leipzig staat op Dickentmans naam.  De smoelen nog steeds strak. De dood was dan ook niet ver weg geweest.

Met boksen geen ruggenmergtering of kaalheid

Eerste Wereldoorlog. Nederland neutraal en de hoofdstad beschermd door fortencomplex genaamd ‘de Stelling van Amsterdam’. Mobilisatie! Zevenduizend soldaten, voor wie, behalve de dagelijkse mars, geen moer te doen was. Verveling troef. Jonge kerels bij wie de hormoontjes door het lijf gierden. Die de hele dag maar aan één ding dachten… Zelfbevlekking? Ze keken wel mooi uit.  Daar kreeg je ruggenmergtering, anders wel totale kaalheid van. Dat had de dominee er wel goed ingestampt. Hou die jongens maar eens rustig. De legerleiding wist dat. Deed alles om spontane bobbels in soldatenbroeken te voorkomen. De knoet ging er vervolgens over. Er móest en zóu gesport worden. De manschappen moesten de forten uit. Vermoeide mannen hebben immers geen ‘lekkere trek’. In de kazematten ten zuiden van Amsterdam werden de dienstplichtigen massaal het veld ingejaagd. De veldloop had zijn intrede gedaan.
Gerend werd over een loodzwaar parkoers met levensgevaarlijke hindernissen. Maar dié jongens waren nog goed af. Want je zult toch maar in Fort Halfweg gelegerd zijn. Dan had je echt een probleem. Daar  kwam namelijk ene sergeant Hofman regelmatig langs. En Hofman kwam niet met lege handen. De man nam zijn betonharde bokshandschoenen gevuld met paardenhaar mee. Hofman was boksinstructeur en kanonnier Limburg zijn assistent. Limburg, wedstrijdbokser en op de foto’s een redelijk suf geslagen kop, mocht het vuile werk opknappen.
‘Wie wil?’, zal Limburg ongetwijfeld geroepen hebben. Niemand dus. Je zult, als dienstplichtige, wel gek zijn. ‘Wel te drommel’, riep luitenant Van Steeden hardop en wees vervolgens soldaat Bonneveld aan. In de winter van 1917 speelden zich in de spelonken van Fort Halfweg vreselijke, macabere zaken af. Soldaat Bonneveld kreeg van kanonnier Limburg een flink pak op zijn lazer. Of luitenant Van Steeden ook met Limburg ging sparren?  Hij was wel goed maar niet gek, en keek vervolgens met glimmende gepoetste laarzen, punten in de snor en de handen in de zij goedkeurend toe hoe zijn ‘jongen’ bewerkt werd.
Of de zegeningen van het noble art of selfdefence bij Bonneveld waren doorgekomen, is niet duidelijk. In het archief van Stuyfssportverhalen komt hij na 1918 niet meer voor.

Foto 1: Links soldaat Bonnemans, met kanonier Limburg. Op de achtergrond luitenant Van Steeden.

Foto 2: Beter af waren de geïnterneerde Belgische soldaten in kamp Harderwijk. In het kamp bevond zich, behalve een grote wielerbaan waar wekelijks internationale koersen werden gehouden, ook een groot theater, decor van vele bokswedstrijden.

Foto 3: Terwijl het voetvolk elkaar aftuigde hielden de officieren zich bezig met schermen.
Bron: Revue der Sporten jaargang 1917.

Ernst Feja had het niet goed begrepen

De republiek van Weimar. Hyperinflatie. Een brood voor vijfhonderd mark. Armoe troef. Ook in het wielrennen. Een beetje prof koos voor het fatalisme. Werd stayer. Lucratief maar link. Eén stuurfoutje of materiaalpech? Een ‘enkeltje’ richting kerkhof. Of anders een invalidenkarretje. Geklaagd werd er niet. Er stond een flinke zak geld tegenover. En mocht het fout gaan, dan werd er wél op spektakel gerekend. Wat dat betreft had die rits verongelukte Franse stayers dat goed begrepen. De hemelgang was Darragon, Brécy, Dangla, en Ganay was groots, meeslepend, stond bol van dramatiek. Die jongens stootten  de laatste adem uit in afgeladen stadions. Hun hemelgang deed tienduizenden tegelijk sidderen. Veroorzaakte een collectief orgasme. Bosjes vrouwen vielen in katzwijm. Massahysterie bij de begrafenis. Kranten waren dagenlang niet aan te slepen. Sensatiejournalistiek avant le lettre
Wat dat betreft had Ernst Feja het niet goed begrepen. De man piepte er haast stiekem tussen uit. Feja afkomstig uit Breslau kende een late roeping. Na een carrière als tandemrijder waarbij de muizen dood in de broodtrommel lagen, ging Ernst voor zijn portemonnee. Liet zich omscholen tot stayer. Met behulp van vrienden en supporters werd materiaal aangeschaft. Op thuisbaan Breslau ging Ernst bij gangmaker Thomas in de leer. Na een paar maanden stage verruilde Feja, zoon van een spoorwegbeambte, Thomas in voor gangmaker Junggeburth: een geharde oorlogsveteraan.
Ernst Feja mocht zich eerst bewijzen in de b-klasse. In drie seizoenen loodste de sluwe Jungeburth, middels acht gewonnen koersen, zijn poulain de hoogste klasse binnen. Feja kon zijn borst nat maken: veertig topstayers wisten wel raad met dat lulletje uit Breslau. De voormalige tandemrijder, in de voorgaande winter samen met Piet van Kempen nog winnaar van de Zesdaagse van Breslau, stond op scherp. Feja zocht de confrontatie. Met succes.
De Breslauer  won achttien hoog genoteerde koersen. Stond op de lijst van grootverdieners op de vijfde plaats. Het oogsten kon beginnen. De zakken werden gevuld. Contracten voor het uitzoeken. Feja, dromerige blik in de ogen, koos voor de ‘harde’ Zwitserse frank. Eind augustus 1927 vertrok Ernst naar Zürich. Op de lokale Oerlikonbaan werd de Duitse opkomende ster geacht  de rol van de motor te laten schroeien. Als voorbereiding werd, met een training de baan verkend. Dan gebeurd er iets heel treurigs.  In een godverlaten stadion springt de tube van zijn voorwiel. Ernst Feja, de trots van Breslau en omgeving, de hoop van zijn ouders, stort tegen het harde cement.  Tijdens zijn crash schiet ook nog zijn helm los. Met een zwaar schedelletsel sterft hij dezelfde nacht. Ernst Feja werd achtentwintig jaar.

Foto 2: Start van de Grote Prijs van Dresden 1927. Links Frans Leddy, Parisot, Ernst Feja, Saldow, Erxleben en de ‘oude’ Piet Dickentman.
Foto 3: Gangmaker Jungeburth

Bron: Radwelt jaargang 1926 en 1927.

De ulevel van Moos

Van sportfotograaf Guus de Jong, regelmatig bezoeker van deze blog, ontving Stuyfssportverhalen een serie mooie historische foto’s, door De Jong ‘geschoten’  in het Olympisch Stadion. Op één van de foto’s staat naast  renner Martin Wierstra, samen met gangmaker Lucien van Ingelghem, ook soigneur Moos Bremer: helemaal rechts. De laatste is voor Stuyfssportverhalen een icoon uit zijn wielerjeugd.

Als piepjong rennertje zat ik ‘in de verzorging’ bij  Moos Bremer: mijn vaste masseur. Moos hield praktijk in een bovenhuisje ergens in De Pijp, Amsterdam. Moos was niet zomaar een ‘benenpoetser’. Moos had een naam op te houden. Bewoog zich al meer dan vijftig jaar als soigneur in het wielerwereldje. Als Moos mij masseerde was ik goed doordrongen van het feit dat diezelfde handen ook de onderstellen van Gerrit Schulte, Peter Post, Wim van Est en een hele rits vedetten,  hadden beroerd. Moos was mijn goeroe. Ik was ‘in Moos’.
Tijdens één van de massages vertelde Moos mij dat ik slechte benen had. Van Moos, in witte doktersjas, mocht ik nog maar één liter vocht per dag drinken. En mijn trainingen diende afgewerkt te worden met een ulevel achter de kiezen. Een tiental apotheken had ik in Vlaanderen afgestroopt voor ik erachter kwam dat het begrip ‘ulevel’ stond voor een zuurtje. Ik was jong. Wist van niets. Met een wijnbal van Jamin achter de kiezen maalde ik mijn dagelijkse kilometers weg. Op een dag gebeurde een wonder. Het scheenbeen oogde als een scherp zwaard. En de rest van mijn benen vertoonde het uiterlijk van een landkaart. Ieder adertje en spiertje was goed te zien. Ik had ‘goede benen’. Tevens was ik een nierpatiënt.
Op een ochtend plaste ik onder helse pijnen een niersteen als een handgranaat uit. Wie mij dat wijs had gemaakt vroeg de internist, nadat ik vertelde van die liter vocht én mijn trainingen. Nooit, maar dan ook nóóit verraadde ik mijn goeroe. En wat wist zo’n internist nou…  Ging over Moos niet het hardnekkige gerucht dat deze, met de inhoud van zijn koffertje, een dode weer tot leven kon wekken? Ik bedoel maar!
Ondanks Moos’ verzorging had ik het als renner niet verder geschopt dan een meerijder. En  Moos Bremer, een aardige, lieve man, is al decennia niet meer onder ons. Met Moos is ook het begrip ‘geheimzinnige soigneur’ uitgestorven. Het wielrennen een stuk romantiek armer…

Foto rechts: Jaren twintig, Moos Bremer winnaar van de Kikkertbeker een tijdrit. Moos maakte, na zijn fietscarriere, het prachtige, en inmiddels uitgestorven vak van wielersoigneur eigen.

Foto: Guus de Jong

Een standbeeld voor de Elektricien van de Alcazar

Eerst moesten er wat koppen rollen, waarbij de  guillotine roodgloeiend stond na te sissen.  Maar dan kreeg je wél wat. ‘Vrijheid, Gelijkheid, Broederschap’ en dat soort gezwets. Iedereen gelijk. De jongens van de Franse revolutie hadden geen woord gelogen. Ruim een eeuw later werd dat goed verwoord. Werden eerst straten vernoemd naar de bourgeoisie. Midden jaren twintig viel ook die eer aan een elektricien, een simpelaar uit Marseille,  ten deel. Voor de laatste hing daar wél een kaartje aan: de Dood! Maar wat geeft dat. Je naam is gevestigd.  Op slag ben je voor altijd een bekende Fransman. Een straat, en een stadion werden naar je vernoemd. Dat hij ook nog een standbeeld kreeg was helemáál mooi meegenomen.
Dat had Gustav Ganay nooit kunnen vermoeden toen hij als soldaat  in de loopgraven van Verdun lag te creperen. In de modder en slijk van Noord-Frankrijk viel hooguit een lintje te verdienen. Anders een steen op een soldatengraf. Ganay, die de ‘gehaktmolen’ van Verdun, overleefde, kreeg geen medaille, en dat graf daar moest hij nog eventjes geduld voor hebben. Na zijn miltaire kloffie ingeleverd te hebben, trok Ganay zijn racefiets uit het vet. De oorlogsveteraan, een redelijk wegrenner, won in 1919 vier grote  wegkoersen waaronder  Marseille-Lyon. Aardig voor de statistieken maar niet meer dan dat. De Marseillaan, luisterend naar de bijnaam ‘de elektricien van de Alcazar’, ging voor het grote geld.
De wegfiets ging aan de kant en de wereld van ampères en voltages werden ingeruild voor het bloedlinke stayeren.  Ganay, niet echt een topper, maar door zijn niet te temmen aanvalslust toch rijkelijk bedeeld met contracten. Werd in 1922 derde bij het wereldkampioenschap. En in 1926 mocht hij de bleu-blanc-rouge trui als nationaal kampioen aantrekken. En dan is het augustus 1926. Stayerskoers op het Parc des Princes, Parijs. De brave Gustav ook aan de start.
De man  moet een gemakkelijke gozer zijn geweest. Gaf de uitdrukking ‘met de Franse slag’ een extra dimensie door met een voorwiel te starten waarvan de tube niet aan de velg was vast gekit. Dat is het zelfde als je kop onder een heiblok leggen. In de veertiende kilometer sprong de band van de velg. Ganay, aan de leiding, stortte neer, werd naar het hospitaal gebracht. Dezelfde nacht vertrok Frankrijks nationale kampioen naar een betere wereld.
Na Gustavs hemelgang gebeuren er zaken waar alleen Latijnse landen patent op hebben.  Van het stadsbestuur kreeg Ganay, vierendertig jaar, een heldenbegrafenis. Half Marseille deed hun gevallen held uitgeleide. Aan het vers gedolven graf een diepbedroefde weduwe en zijn twee jonge kindjes. Om het leed enigszins te verzachten, werd niet alleen één van de grootste straten in de Zuid-Franse havenstad naar Ganay vernoemd, maar ook een stadion én een standbeeld. 
Foto2: Ganay met gangmaker Pasquer.
Bron: Miroir des Sports jaargang 1926, Het Nieuws van den Dag jaargang 1926.

Een levenlang Herr Oberweltmeister

Het nieuws vloog als een razend vuur door Berlijn. Binnen enkele uren was het stadion uitverkocht.  Kaartjes gingen op de zwarte markt voor een veelvoud van de hand. In de Stubes werd over niets anders gesproken. Het zinderde in de stad. Er hing iets in de lucht. Krantenkoloms werden vol geschreven. Spektakel in overtreffende trap. Maar daarvoor was eerst een conflict nodig. De UCI, de internationale wielerbond, lag in conflict met de Duitse manager Knorr: die alle topstayers onder contract had. Prompt vaardige Knorr een oekaze uit. Niet één van zijn jongens mocht meedoen aan het wereldkampioenschap stayeren, gehouden in Brussel.
Uit rancune organiseerde Knorr een eigen kampioenschap. Het Ober-Weltmeisterschaft, de overtreffende trap van Weltmeister, werd verreden op de baan van Steglitz.  Met als extra dimensie dat er liefst acht voormalige wereldkampioenen aan de start stonden. Voor de winnaar lag aan de finish een pot gevuld met drieduizend goudmark. Het publiek voelde aan zijn water dat er spektakel zat aan te komen.
Godsallemachtig, het ging dan ook wel om iets. Combines zijn uitgevonden door stayers, die onderling nog wel eens iets willen ritselen. Maar niet tijdens het Ober-Weltmeisterschaft van 1910. Daarvoor stond er iets te veel op het spel. Dat geld kon ze gestolen worden. Het ging om de eer. Zo’n sterk deelnemersveld zal nooit meer aan één koers meedoen. Voor meer dan dertigduizend toeschouwers werd ‘rechtuit’ gereden.
Aan de start ook Piet Dickentman.  Piet gaf gangmaker  Brettschneider de opdracht de gashandel open te houden. ‘Ik klopte ze allemaal’, vertelde de Amsterdammer  in 1949 tegen een verslaggever van Het Nieuws van de Dag. Dickentman, de rest van zijn leven door de Duitse pers Herr Ober-Weltmeister genoemd, reed meer dan dertig jaar achter de motor. Was wereld- én Europees kampioen, verbrak snelheidsrecords,  won honderden koersen en schreef tientallen Grote Prijzen op zijn naam. Maar wat zijn mooiste overwinning was, wist hij bijna veertig jaar later precies. Het Ober-Weltmeisterschaft, vertrouwde hij de krant toe.
Over zijn zege in Steglitz was hij tot aan zijn dood zo trots als een pauw.  Dickentman, een man van het volk, calvinist, wars van kapsones,  pronkte op officiële gelegenheden  met zijn gouden overwinningsmedaille, gespeld op de revers van het colbert.
Twee jaar geleden: Stuyfssportverhalen op zoek naar nazaten van Dickentman weet zijn inmiddels tweeënnegentig jarige dochter Lotti op te sporen.
Lotti Dickentman vertelde niet alleen het prachtige levensverhaal van haar vader, maar liet ook een paar gouden medailles, hangend aan een gerafeld horlogebandje, zien. Totale verbijstering en verbazing bij Stuyfssportverhalen. De ene was Piet’s overwinningsmedaille van zijn enige wereldtitel. De ander van wat Dickentman zelf zijn mooiste zege vond: het Ober-Weltmeisterschaft.

Foto 1: Voor de start van wat later de belangrijkste koers uit het stayeren werd. Tweede van rechts Piet Dickentman. 
Foto 2: De gouden overwinningsmedaille in bezit van de familie Dickentman.
Foto 3: Tot aan zijn dood mocht Dickentman graag pronken met zijn medaille.
Bron: ‘Flirt met de Dood’ uitgegeven door Stuyfssportverhalen. Lotti Dickentman.