
Doping, zo oud als het wielrennen zelf. Hoort er bij als een fles jenever bij een ouderling. Nu, maar ook vroeger. Zo was het en zal het altijd blijven. Niet uit te roeien. Joop de Wolf had de bedenkelijke eer om als eerste Nederlandse dopeslachtoffer de geschiedenis in te gaan.
De gifkast kende geen geheimen. In het pikkedonker wist hij feilloos de flesjes, voorzien van een doodshoofd, te vinden. En het gifmengen had hij als apothekersassistent geleerd. Betere aanbevelingspapieren kan je als wielersoigneur niet hebben. Binnen korte tijd behoorde Pierre Viel in zijn vak tot de top. Om je als renner door Viel te laten verzorgen was spannend. Gaf er een extra dimensie aan. Of je ‘vloog’ op zijn preparaten, of je hing aan je vingertoppen dagenlang te bungelen boven het ravijn der Dood. Armand Blanchonnet wilde dat risico best nemen.
De brave Armand, won ooit twee gouden plakken op de Spelen van 1924, maar was op inmiddels op leeftijd. Was van plan om in de Zesdaagse van Parijs 1934, nog één keer te vlammen. Blanchonnet liet zijn ouwe lijf door Viel prepareren tot ‘d’n drog’ uit zijn oren kwam. Op de eerste avond kukelde de voormalige Olympische kampioen schuimbekkend van zijn karretje. Blanchonnet, dagen lang in coma waarbij artsen voor zijn leven vochten, kwam bij kennis met de legendarische kreet: ‘Ze hebben mij vergiftigd.’ Alsof heel Parijs en omstreken dat niet wist.
Viel was beroemd. Of beter gezegd berucht. Meerdere renners door hem verzorgd werden plotseling ernstig ziek. Zijn reputatie vloog de wereld over. Tijdens de Zesdaagse van New York werd hem én zijn apotheek de toegang tot het Madison Square Garden verboden. Die Janks, ook niet gek, wisten dat ze met Viel de kat op het dak haalde. In de Zesdaagse van Amsterdam was de Parijse alchemist welkom. Wat de ondergang werd van Joop de Wolf.
Joop, eerzuchtig, jong, verbrak op een haar na het werelduurrecord. Kreeg voor deze prestatie een contract voor de six van zijn eigen stad. Voor Wolf een uitgelezen kans om zich voor eigen volk te bewijzen. Amsterdamse Joop nam het zekere voor het onzekere, en liet zich door Viel verzorgen. Enige weken later was Joop dood. Een longontsteking zo luidde het officieel. Maar insiders wisten beter. Jonkheer Bosch van Drakenstein, secretaris van de toenmalige Nederlandse Wielerbond, eiste een onderzoek. De NWU weigerde. Joop de Wolf , 25 jaar, werd bijgezet op begraafplaats Vredenhof. En zijn naam verdween in de doofpot .
Foto’s: linksboven Pierre Viel, rechts Armand Blanchonnet, Linksonder Joop de Wolf én zijn begrafenis.
Bron: Geïllustreerde Sportwereld jaargang 1935, Sport Revue jaargang 1934.



De gewone maatschappij lag hem niet. Huisje, boompje, beestje? Hij gruwde daarvan. De brave burgermaatschappij kon zijn rug op. Johnny Schlebaum, een vrije jongen die zich niet liet knechten. En al helemaal niet door een baas. Johnny, zoon van een kolenhandelaar uit de Jordaan. Sterk als een gorilla in de paartijd. Loste voor zijn ouwe heer regelmatig en in zijn eentje een schuit vol kolen. Waarschijnlijk daardoor kon de wereld van de antraciet en cokes hem gestolen worden. Johnny Schlebaum besloot stayer te worden. Beschouwde dat als een heus vak. En een vak moet je leren. Volgens hem kon je dat maar in één land: Duitsland.
Johnny Schlebaum, serieus genomen, kreeg in 1920 zowaar een contract voor de Grote Prijs van Antwerpen. Johnny kwam en won. Voor de Jordanees een zoete wraak. Hoe vaak had hij wel niet om een contractje gebedeld bij Jan van de Berg, directeur van het Amsterdamse Stadion? Van de Berg ging overstag en Schlebaums naam prijkte ook op de Mokumse affiches. Wat een journalist zich Johnny’s kolenloopbaan deed herinneren. Prompt verscheen een verhaal in de krant waarin de Jordanese stayer met de bijnaam ‘roetmop’ werd neergezet. De scribent, met gevoel voor sensatie maakte zijn lezertjes ook wijs dat ‘Roetmop’ een gewezen schoorsteenveger was. De media ging daarmee aan de haal. Kreeg er niet genoeg van. Foto’s, woeste verhalen wel of niet waar, en gedichten vulden de kolommen. Johnny, dat jochie uit de Lindenstraat, werd een cultheld. En met zijn niet aflatende aanvalslust in de koers was zijn kostje gekocht.
Johnny Schlebaum boerde als stayer financieel goed. Werd vier keer kampioen van Nederland en behoorde in het interbellum tot de beste rolrijders van Europa. Kocht van zijn geld een sigarenzaak. En dat laatste had hij nou nóóit moeten doen. Dodelijk voor zijn image. Het beeld van ‘a Rebel Without a Cause’, kantelde. De definitieve ‘doodsteek’ was dat er een sigaar naar hem werd vernoemd. De Schlebaumbolknak. Lulliger kon het niet. Was Johnny nou maar gestorven in het harnas… Dan had zijn naam nu nog rondgezongen. Maar Roetmop zakte weg in de grijze anonimiteit en stierf op achtenzestigjarige leeftijd.















