Na drieënvijftig jaar kwam droom uit…

Je kunt moeilijk beweren dat hij geen doorzettingsvermogen had. Want maar liefst drieënvijftig jaar had Herman van Bruggen nodig om zijn droom te verwezenlijken. In 1957 stond de piepjonge Van Bruggen op de deelnemerslijst van het wereldkampioenschap achtervolging bij de amateurs. In Luik waar de titelstrijd gehouden werd spatte de droom in de voorronden uiteen: een uitschakeling was een feit. Als iemand tegen hem gezegd had dat hij in 2010 revanche zal nemen had Van Bruggen ongetwijfeld op zijn voorhoofd getikt.

De wonderen zijn de wereld niet uit. Herman van Bruggen die, met een korte onderbreking, altijd is blijven koersen bleef een warme relatie met de stopwatch onderhouden. De tijdrit! De jacht op de snelste tijd! Een obsessie was en is het voor de inmiddels 74-jarige renner. Zijn hele leven staat in het teken van dé race naar de ultieme tijd. En er is maar één plek op de wereld waar jaarlijks veteranenrenners met elkaar de strijd aangaan, het Oostenrijkse Sankt Johann.
Drieduizend
Aan de voet van de Kitzbuheler Alpen werd afgelopen week voor de 42e keer de Radwelt Pokal, het officieuze wereldkampioenschap voor masters, zoals veteranen tegenwoordig genoemd worden, gehouden. Drieduizend renners in verschillende leeftijdsklasse en afkomstig uit de hele wereld, gingen een week lang de strijd met elkaar aan. Gereden werd in verschillende leeftijdsklassen.
Een wereldkampioenschap tijdrijden voor wielrenners van boven de zeventig jaar is dus géén rariteitenkabinet voor dwaze einzelgängers. Meer dan dertig renners afkomstig  uit landen als Duitsland, Frankrijk, Spanje, Amerika en Italië dichten zich zelf een kans toe, hadden zich  schompes getraind. Afgetrainde, tanige kerels, koppen als scheermessen en rijdend op hightech materiaal. Met een gemiddelde van veertig kilometer per uur kregen ze allemaal patje van de voorheen, Mokumse tijdrijder.

Spion
Met 37 seconden werd de tweevoudige wereldkampioen de Duitser Bruno Podesta geklopt. Podesta notabene die niets aan het toeval had overgelaten en weken voor het kampioenschap  een ’spion’ naar wielerparkoers Sloten had gestuurd om de daar koersende Herman van Bruggen te observeren. Het maakte allemaal niets uit. Maar laten we de ‘s werelds snelste master even aan het woord.
‘Ik rijd tegenwoordig met een fietscomputertje,’begint Van Bruggen. ‘Dat is wel zo handig met de snelheid.  Na de start bleek dat het magneetje verschoven was. Ik was minstens een kilometer bezig om dat ding goed te buigen. Maar eenmaal op gang kon ik goed snelheid behouden en pakte de titel’.
Scooter
Van Bruggen vertelt het simpel alsof het een ‘blokkie om’ betrof. Maar niets was minder waar. ‘Voor de start had ik drie kwartier op de rollen gezeten om warm te rijden.  Ik had niet alleen mijn dochter meegenomen maar ook haar scooter. Achter de scooter had ik, de dagen voor de titelstrijd, getraind.’
Tranen
Wereldkampioen worden is lekker, een bevestiging van je kunnen, maar daar zitten ook nadelen aan vast. De huldiging, op de Hauptplatz in Sankt Johann, en dat had nou weer niet gehoeven voor de bescheiden Van Bruggen. ‘Die huldiging is een gigantisch spektakel met honderden toeschouwers, een levensgroot televisiescherm, de uitreiking van de regenboogtrui én het volkslied.  Ik was behoorlijk onder de indruk, en kon amper de tranen binnen houden.’

Gevallen op ‘Dem Felde der Ehre’…

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd Duitsland overspoeld door een golf van nationalisme. De rekruteringsbureaus hoefden geen propaganda te voeren want iedere Duitser  wilde vechten voor Kaiser und Vaterland. Hele pelotons wielrenners meldden zich voor Felddiensten en werden ondergebracht in zogenaamde Radfahrttruppen. Dat in iedere mof een vechtlustige Pruis school was ook goed te merken in de jaargangen van het wielerblad Radwelt. Tot aan het uitbreken van de Grote Oorlog domineerden achtergrondverhalen, foto’s, wedstrijdverslagen en, vooral, statistieken het blad. Bij het uitbreken van de oorlog veranderde de toon! Een  IJzeren Kruis, de Rijksadelaar én een soldaat, uiteraard met een rijwiel, sierden het omslag . Onder leiding van hoofdredacteur Fredy Budzinski werden de kolommen gevuld met de heldendaden van de Teufelskerle auf den Rade, opgeleukt met foto’s van renners, nu getooid met Pickelhelm dan wel andere uniformen. Nauwkeurig werd bijgehouden waar de renners vochten, welke bekende renners aan het front verbleven en wie er onderscheiden werd met het IJzeren Kruis. Weggemoffeld werden ook de, aan het front, omgekomen jongens herdacht. In geallieerden dienst is aardig bekend welke renners gesneuveld waren. Van ‘gevallen’ Duitse coureurs is weinig bekend. Stuyfssportverhalen, in bezit van de complete jaargangen Radwelt 1903 tot en met 1928, heeft ze uit de loopgraven van het blad ‘opgediept’.

Van de Duitse gesneuvelden alleen de bekende renners:
1914: Paul Treciakowski won als renner in 1912 onder meer Rund um Dresden. Twee jaar later, aan het front bij Thin-le-Moutier, werd Paul, foto links, getroffen door een vijandelijke kogel.

1914: De wegrenners Höhne, Bierstedt, Rozenzweig, sneuvelen. Ook gangmaker Liese en stayer Engeman eindigden op das Felde der Ehre. Van al deze renners ontbreken nadere gegevens.

1915: Zoals zovele gangmakers en stayers nam Alfred Starkes dienst bij de Keizerlijke Luftwaffe. Helaas voor Alfred want aan het Westfront werd hij en zijn vliegtuig neergeschoten

1915: Theodor Menne, 23 jaar, sneuvelde op 26 mei.

1915: Josef Stubecke profrenner in 1911 sneuvelde aan het front van Saint-Julien.

1916: Topstayer Bruno Demke verruilde zijn fietsje voor de stuurknuppel van een vliegtuig, vocht boven het Westelijk Front. Met een in brand geschoten vliegtuig vloog Bruno veertig kilometer boven vijandelijke stellingen waarmee hij het IJzeren Kruis eerste klasse verdiende. Bruno, foto links, werd gewond naar de Heimat afgevoerd waar hij, eenmaal opgelapt, met zijn vliegtuig, opsteeg van vliegveld Doberitz. Hoog in de lucht begaf  Bruno’s vliegtuig het. Demke werd 36 jaar.

1916: Franz Gregl, Oostenrijks toprenner, 26 jaar. wordt in een gevecht met vijandelijke vliegtuigen neergeschoten. Na zijn dood verkreeg Franz postuum het IJzeren Kruis eerste klas.

1916: Fritz Finns wegren, en gesneuveld.

1916: Albert Ritzenthaler, piloot, 27 jaar, begenadigd baansprinter, wordt tijdens zijn eerste vlucht neergehaald.

1916: Ludwig Opel, tweede op het wereldkampioenschap 1898, ‘valt’ op 14 april van dat jaar. Ludwig werd 36 jaar.

1916: Voor de achterblijvers is het sneuvelen van een dierbare altijd een drama. Maar de dood van  Alex Benscheck moet een dubbel trauma zijn geweest. Op 6 augustus, op groot verlof in Frankfurt, werd  Alex, foto links, tijdens de Kriegsmeisterschaft von Preuzen winnaar op de kilometer. Tien dagen later, aan het front, bij het schoonmaken van zijn geweer, vergat Benscheck dat in het magazijn nog een kogel zat. Met een schotwond in de borst stierf Alex.

1916: Richard Dottschadiss won, in 1912, Halle-Potsdam-Halle en nam in 1914 dienst. Vocht vrijwel onafgebroken in de loopgraven van het Westelijk Front en stierf daar uiteindelijk aan een blindedarmontsteking. Richard werd 23 jaar.

Terwijl bommen en granaten overvlogen was het ook even tijd voor de nieuwe Radwelt.

Arthur Engemann

Arthur Engemann

1916: Josef Rieder won in 1912 de monsterrrit Bazel-Kleef over 620 kilometer. Beschikte niet alleen over uithoudingsvermogen maar was ook dapper. Verkreeg het IJzeren Kruis eerste klas en sneuvelde acht dagen later. Ook Rieder werd 23 jaar.

1916: Willi Theisz, sprinter, sneuvelt op 24 oktober. Willi werd 27 jaar.

1918: Aan het Westfront sneuvelden wegrenners Eickholl,  Erxleben, en Alwin Vater. In hetzelfde oorlogsjaar sneuvelde gangmaker Rudolf Cantieni, door een granaatsplinter getroffen. Rudolf genoot bekendheid als de gangmaker waarachter wereldkampioen Robl grootse triomfen vierde. Na vier jaar als krijgsgevangenen doorgebracht te hebben in Siberië, sterft op de terugreis naar de Heimat, Willi Kupferling.

Gesneuvelden geallieerde renners

1914: Emile Engel, net 25 jaar geworden, wint een etappe in de Tour de France. Het is Emile’s enige grote wapenfeit want nauwelijks drie maanden later, aan het Marnefront, sneuvelt hij. Engel werd 25 jaar.

1914: René Jean Perreard, Marius Vilette, Francois Cordier, Frederic Rigaux en René Etien, wielrenners sneuvelden bij de Slag om Gallipoli.

1914: Victor Fastre, Belgisch beroepsrenner van 1910 tot 1914. Won in 1909 Luik-Bastenaken-Luik. Op 12 september, bij het verdedigen van zijn vaderland, viel Victor, 24 jaar.

1914: Frank Henry, voor de oorlog de beste amateur van Frankrijk, sneuvelde in de eerste maanden van de oorlog.

1915: Ook prof Alfons Landuyt afkomstig uit het Vlaamse Niel, werd onder de wapens geroepen. Alfons die gold als een grote belofte, werd als motorrijder getroffen door een Duitse granaat.

1915: Op 28 augustus werd Pol Gabriels in een hinderlaag gelokt. Pol, foto links, vluchtte maar werd in de buurt van Ryckevorsel door een Duitse patrouille onder vuur genomen. Met twaalf kogels in zijn lijf stierf d’n Pol.

1915: Luxemburger François Faber gold als de sterkste wegrenner van zijn tijd. Faber was een alleskunner en won onder meer de Ronde van Frankrijk, de ronde van Lombardije, Parijs-Roubaix, Parijs-Tours, Parijs-Brussel en Bordeaux-Parijs. Als Luxemburger voelde hij zich geroepen om Frankrijk, zijn tweede vaderland, te dienen en nam dienst bij het Vreemdelingenlegioen. Op 9 mei 1915, tijdens gevechten aan het front, kreeg François een telegram met de mededeling dat hij vader was geworden van een dochter. Faber sprong schreeuwend op van blijdschap. Iets wat een Duitse sluipschutter ook zag. Faber werd 28 jaar.

1915: Twee voormalige wielerkampioenen in één vliegtuig, zo’n buitenkansje kan  de Engel des Doods niet lagen liggen. Leon Hourliers, voormalig Frans sprintkampioen, en zijn zwager profrenner Henry Comes, hadden de fiets omgeruild voor het gevechtsvliegtuig. Tussen de gevechten door én om te ontspannen leek het  Hourlier en Comes, foto links, wel aardig om een bokswedstrijd van Georges Carpentier, die honderd kilometer van de basis een gevecht had,  te bezoeken.  Omdat de wegen door Duits vuur té gevaarlijk waren én de tijd tekort, werd gevlogen. Vliegend tussen Cuperly en Saint-Étienne au Temple stopte op onverklaarbare wijze de motor en stortte het vliegtuig neer. Leon Hourlier, 29 jaar werd samen met Comes 26 jaar, begraven.

1915: Paul Gombault stayer, met het wereldrecord over de vijftig kilometer, stort met zijn vliegtuig neer.

Alfred  le Bars, en Anselme Mazan werden gedood in het Bois de Gruere juni 1915.

1915: Gangmaker Marius Thé, ook wel de ‘Koning van de Gangmakers’ genoemd, doet wat van hem verlangt wordt en meldt zich aan voor militaire dienst. Als brigadier, kanonnier sneuvelt hij tijdens de Slag om Artois. Thé werd drieënveertig jaar.

1916: Emile Friol was twee keer wereldkampioen op de sprint, meerdere keren de beste van Europa en won meer dan 24 grote sprinttoernooien. Als dienstplichtige motorordonnans verongelukte Emile, foto links, tijdens legerdienst.

George Boillot won ooit in één jaar 60 van de 65 wielerkoersen, wordt tijdens een luchtgevecht in de buurt van Verdun naar beneden geschoten.

1917: Hoewel Carlo Oriani in 1912 de ronde van Lombardije en een jaar later de Giro won, kreeg hij toch een enkele reis naar de loopgraven. Op 3 december 1917, bij het redden van anderen, verdronk Carlo die maar 29 jaar werd.

1917: Voordat Octave Lapize zich aanmeldde bij de luchtmacht  won hij 1910 de ronde van Frankrijk, en schreef nog eens drie keer Parijs-Roubaix op zijn erelijst. Tijdens een routinevlucht werd Octave verrast door vier Duitse Fokkers die de voormalige Tourwinnaar prompt uit de lucht schoten. Lapize werd 30 jaar.

Een plaquette ter nagedachtenis aan Francois Faber in het kerkje van Vimy.

1917: Lucien Petit-Breton komt de eer toe als eerste Fransman twee keer de Tour gewonnen te hebben. Lucien sloeg toe in 1907 én 1908. Bij het uitbreken van de Grote Oorlog nam Petit dienst bij het 11e Legerkorps en vocht in de loopgraven. Aan het front werd hij  diverse keren getroffen door Duits vuur, maar herstelde daarvan. Op 20 december was zijn geluk op. Als ordonnans botste hij met een legervoertuig frontaal op een tegenstander. Lucien werd 35 jaar.

1917: Francois Lafourcade, bedwong in 1910 als eerste renner, zonder van zijn fiets te stappen, de col d’Aubisque, sneuvelde op 10 augustus. Francois werd 36 jaar.

1917: Bij een luchtgevecht boven Pont à Mansson, sneuvelt Emiel Engel.  

1918: Fransman George Parent drievoudig wereldkampioen stayeren, vocht voor zijn vaderland, raakte meerdere keren gewond, maar stierf, drie weken voor het eind van  de oorlog, in de loopgraven van Saint-Germain-en-Laye, aan de Spaanse griep. George werd 33 jaar.

1918: Georges Bronchard ‘rode lantaarndrager’ in de Tour van 1906, overlijdt in de ambulance die hem zwaar gewond van het front afhaalde.

Met open hol richting Parijs…

Bordeaux-Parijs, een wielerkoers over zeshonderd kilometer met gangmaking van dernymotoren, was niet alleen een mix van topsport, romantiek, avontuur en verdwazing maar ook de laatste levende herinnering aan de prehistorie van het wielrennen. Koersen tussen de Garonne en de Seine was alleen weggelegd voor spijkerharde  kerels die bereid waren om hun scrotum én de pisbuis voor maanden aan gort te rijden. Want Bordeaux-Parijs  stond synoniem voor afzien, lijden, en ‘praten met God’. Maar daar stond wél iets tegenover: renner én gangmaker waren verzekerd van een plaatsje in de wielergeschiedenis. Bertus Raats, gangmaker in ruste, is dat gelukt.

Het is warm, van dat lekkere lomige zomerweer waarbij jonge meiden brutaal de rondingen van hun lijf showen en zwaluwen schreeuwend achter de muggen aan zitten. Zo’n dag waar je tijdens gure, donkere winterdagen met ongelooflijk veel heimwee en verlangen aan terug denkt. Op een terras aan de Weesperzijde zit een oudere man die der dagen nog lang niet zat is, maar wel oud genoeg om te mijmeren over zijn leven.
Nippend aan een ijskoude Cola en kijkend over de Amstel gaan zijn herinneringen terug naar 1983.
Hij ziet zichzelf weer rijden over die eindeloos lange, kaarsrechte Franse landwegen, langs wijngaarden, door korenvelden, golvend tot aan de horizon, langs Orleans, door Tours, over de heuvels van de Vallei des Cheuvreus waar geen eind aan leek te komen, op weg naar Parijs.

Foto 1

Een ras-amsterdammer, zittend op een té kleine, en knetterende dernymotor met achter zich, fietsend op een millimeter van het spatbord,  profwielrenner Etienne Vanderhelst.
Bertus Raats, een jongen afkomstig uit de Indische Buurt, acterend in Bordeaux-Parijs: hij kan het nog steeds niet geloven. Hoe hij in godsnaam als volkomen onbekende op de deelnemerslijst terechtkwam?
Een enorme eer
Raats vertelt dat hij als modaal gangmakertje te weinig koersen reed. Hij kwam gewoon niet aan de bak, werd genegeerd door de, toenmalige, gevestigde orde. Kwam er niet tussen. Om zijn dure licentie te bekostigen organiseerde hij, ten einde raad, met collega Martin Huizinga,  zelf wedstrijden.
Het werd een succes en zijn naam zong in het ‘wereldje’ rond. En als je dan ook nog eens de Franse taal beheerst, en je hebt de juiste connecties, en je vraagprijs is niet té hoog, dan komt er een dag dat er een uitnodiging voor Bordeaux-Parijs op de deurmat dwarrelt. Hij vond het een enorme eer, nog stééds, en dat mag iedereen best weten, zegt hij, ontspannen aan een tafeltje.

Foto 2

Nu nóg hoort Raats, 71 jaar, Etienne in sappig Vlaams vloeken, als hij, de gangmaker van dienst, iets té onderuitgezakt op de derny zat. ‘Allé goedverdoemme, Bertus, rechtop zitten’! Etienne, een redelijk succesvol Vlaamse coureur met, op dat moment, 23 gewonnen koersen, had zich niet voor niks maandenlang de kloten van het lijf getraind om in die verschrikkelijke monsterklassieker zó hoog mogelijk te eindigen. Alles was daarbij geoorloofd, desnoods moest Vanderhelst een pact met de duivel sluiten, en dan kan het niet zó zijn dat hij in de volle wind komt te zitten. Want ieder vleugje zuiging brengt Etienne dichter bij Parijs, waar hopelijk eeuwige roem, maar vooral vette contracten liggen te wachten.
Acht keer gescheten
Midden in de nacht was Vanderhelst met twintig andere renners gestart in Bordeaux, waarbij de eerste driehonderd kilometer zonder gangmaking werden verreden. De nacht was zwart, de lucht koud en de wegen slecht verlicht, maar evengoed werd er volop gekoerst. Tussen acht en negen uur in de morgen hoopten de renners in Poitiers te zijn waar de wedstrijd achter de derny verder ging. Voor iedere renner stonden twee gangmakers klaar. Etienne Boecks en Bertus Raats was het duo dat Vanderhelst veilig en snel naar Parijs moesten loodsen. Boecks en Raats die elkaar aflosten, want ging de één ‘de aardappels even afgieten’, dan nam de ander het over.
Voordat de renners arriveerden, hadden de gangmakers de hele nacht in een kille garage doorgebracht. Voor Raats waren dat lange, zenuwslopende uren. Bloednerveus was hij. Tientallen keren had hij zijn derny gecontroleerd en, zoals hij dat formuleerde, acht keer gescheten en zes keer gepist. Het ging dan ook niet om des keizers baard. Rot op zeg! Raats, van beroep amanuensis op een scholengemeenschap in Oost, met als hobby gangmaken en nooit verder gekomen dan de vaderlandse koersen, speelde nu een rol in een wielermonument, en was daar héél goed van doordrongen.

Foto 3

Drie heuvelpunten
En dan is het moment daar! De renners arriveren! Snel op de derny springen en in de hectiek van coureurs, knetterende brommers, materiaalwagens en meerijdende pers je poulain zoeken. Na de eerste geneutraliseerde kilometers ging het dan gebeuren.
Als de zon fel over de Amstel schijnt, roeiboten strak door het rimpelloze water glijden en de serveerster, een jong, mooi, Surinaams meisje, een verse bestelling aflevert, gaat Raats verder. Wat volgt is het smeuïge verhaal van een brave amanuensis die terechtkwam in een soort gekkenhuis op twee wielen. Een tafeltje verder luistert een terrasganger, vergenoegd en ongegeneerd mee.
Of renners op een bruine boterham reden dát wist Raats niet, wél dat de gangmakers zich prepareerden. ‘Hadde gij wat bij U voor onderweg?’, vroeg Boeckx aan een naïeve Raats. Om er direct aan toe te voegen dat hij, Etienne Boeckx, ‘iets’ voor zijn collega had. Pastillekens tegen de kramp, voor de luchtwegen, tegen de pijn en om wakker te blijven, kreeg Raats, en stopte die, strak van de zenuwen en gedachteloos, in zijn shirt om ze vervolgens helemaal te vergeten. Een paar dagen later schudde zijn vrouw het shirt leeg en vroeg verbijsterd wat dat allemaal was.
Raats neemt gulzig een slok Cola, zakt nog meer onderuit waarbij zijn rechterhand  onbewust een draaiende beweging maakt alsof hij aan de gashandel van zijn derny draait, en verteld met glanzende ogen over één van zijn grootste avonturen. ‘Godverdomme’, knalt het er hartgrondig uit, ‘Die kaarsrechte wegen die kilometers omhooggaan. En eenmaal boven dan is er geen afdaling maar zie je de weg nog in drie heuvelpunten voor je. Er werd gekoerst bij het leven. Met het hol open naar Parijs’.
In de slag
Op een gegeven moment lag het trio Vanderhelst, Boeckx en Raats op de tweede plaats op vier minuten achter de Franse favoriet Duclos-Lassal. ‘We reden gat dicht tot driehonderd meter. Op dat ogenblik reed ik op kop en wilde direct doorrijden maar dat mocht niet van Vanderhelst. Die begon te roepen en te schreeuwen dat hij eerst wilde eten. Even later begreep ik dat Vanderhelst in de slag zat met

Foto 4

Duclos-Lassal. We hebben ze maar laten lopen, en uiteindelijk werden wij tweede’, vertelt hij met teleurgestelde trek op zijn gezicht.
Scheidsrechtersfluitje
Bertus Raats, gewezen lid van het gilde der gangmakers, zit tóch niet met frustraties. Welnee, daarvoor zijn de herinneringen té mooi. ‘Weet je’, onthult hij, ‘ik heb uiteindelijk drie keer Bordeaux-Parijs gereden en niet één keer heb ik, tijdens de koers moeten pissen. Wel benzine tanken natuurlijk, wat nog een hele toer was. Dan raakte je los van het circus en dan was je gewoon een verkeersdeelnemer. Daar had de organisatie wat op gevonden. Wij kregen een scheidsrechtersfluitje om de nek. Na het tanken dan lag je plat op je derny om weer aansluiting te krijgen. Man, als je flink meetrapte haalde dat ding haalde wel honderd in het uur. En fluitend maakte je verkeer opmerkzaam dat je er aan kwam’.
Bertus Raats, is zo’n tien jaar gangmaker af. Zijn cardioloog vond het verstandiger om de derny op te bergen. Spijt heeft hij niet! Of hij het hectische wielerwereldje mist? Manmoedig schudt hij van nee. Hij had het allemaal wel gezien en wat blijft zijn de herinneringen.
Nee, Raats heeft er wel vrede mee.

Foto 5

Foto 1:
1923: 49 Renners waren op weg naar Parijs en gereden werd achter menselijke gangmaking. De Vlaming Emiel Masson tussen zijn gangmakers (links Vermande en rechts Scieur) werd winnaar in 19 uur en 41 minuten.

Foto 2
1935, Edgard de Caluwe afkomstig uit Denderwindeke, stormt het Parc des Princesses binnen op weg naar de overwinning. Edgard’s erelijst was niet groot maar de koersen die hij wél won mogen er zijn want winnaar van Parijs-Brussel, de ronde van Vlaanderen én Bordeaux-Parijs.

Foto 3
1937: Jef Somers was te uitgeput om te genieten van één van zijn mooiste overwinningen. Even voor de ‘kiek’ genomen werd had Jef Bordeaux-Parijs op zijn naam geschreven. Met zijn twintig jaar was Somers de jongste winnaar ooit. Hoewel de oorlog Jef’s carrière dwarsboomde kon hij toch terug zien op een mooie erelijst want in 1947 won nog hij nog een keer Bordeaux-Parijs, werd in 1946 tweede en derde in 1950. Bordeaux-Parijs 1937 was ook de laatste keer dat er achter handelsmotoren werd gereden. Op de foto rechts gangmaker Théo Wynsdam.

Foto 6

Foto 4
1938: Een primeur in Bordeaux-Parijs want de derny deed zijn intreden.   Charles Pellisier won niet alleen deze editie maar was ook nog eens trendsetter. Pellisier was de man die de eer toe kwam de witte sokken in het peloton te hebben ingevoerd.

Foto 5
1948:  Ange Le Strat passeert koploper Gerad Buyl en is bezig zijn plaatsje op de erelijst van Bordeaux-Parijs in te nemen. Met scheidsrechterfluitje houdt Le Strats gangmaker de weg vrij.

Foto 6
1930: Voor zijn drieëntwintigste jaar won hij Parijs-Roubaix, drie keer Bordeaux-Parijs en werd tussendoor ook wereldkampioen op de weg. Met een lichaam ‘in de groei’niet zo gezond natuurlijk. Daar kwam George Ronsse ook achter. Na zijn vierentwintigste kreeg George last van enge kwalen zoals zweren, spataderen, en gewrichtsaandoeningen. Met een totaal ondermijnd lichaam was zijn wegcarrière over. George zocht zijn heil op de baan als stayer. Foto’s, uit zijn baancarrière, laten een ziekelijke, uitgeteerde man zien die de indruk wekt ieder moment dood van zijn fiets te vallen.

Foto’s: Hilco Koke en Archief Stuyfssportverhalen

Met geld is niet alles te koop

De Olympische droom van Duitsland om de winterspelen van 2018 in Garmisch-Partenkirchen te organiseren dreigt in duigen te vallen. Het I.O.C. eist van de organisatie om de atleten zo dicht mogelijk bij de accommodaties onder te brengen en daarvoor is grond nodig waar ze een goede prijs voor willen betalen.
De patjepeeërs van het Olympische Comité gingen er al vanuit dat met geld alles te regelen valt. Maar niet bij de meer dan tachtig boeren uit Garmisch en omgeving, want die houden hun boerenbeen lekker stijf en weigeren land af te staan. De Spelen zijn aardig maar niet op hun geboortegrond want dat is heilig, volgens woordvoerder Josef Glatsz.
Glatsz, zijn naam is geprezen,  had het ook over ’een groot risico voor het landschap, en het  behoud van eeuwenoude natuur’, en die lieten hij en zijn collega’s niet kapot maken voor twee weken ‘Olympisch feest’.
In 1936 ging dat wel even anders. In de voorbereiding van de vierde winterspelen, in hetzelfde Garmisch, stond het hele Derde Rijk daar achter. Of dat spontaan was is nog maar de vraag. Lokale boeren hadden maar te doen wat Berlijn verordende.
Tijdens deze Spelen deed ook een Nederlandse afvaardiging mee die met lege handen naar huis ging. Garmisch-Partenkirchen 1936 was ook een opwarmertje voor wat Europa nog te wachten stond want de Wehrmacht én de Führer waren tijdens de Spelen prominent aanwezig….

Foto’s: Adolf Hitler, beschermheer van de Spelen deelt handtekeningen uit aan het nationale Canadese ijshockeyteam. Voor de laatste leverde dat niet veel geluk op want the Mapple Leafs verloren in de finale kansloos van Groot-Brittannië.

 

De biatlon was een demonstratiesport en Duitsland vaardigde een kwartet Alpenjagers af, een elite-eenheid van de Wehrmacht. Gestreden werd in landenformatie en achter Italië, Finland, en Oostenrijk eindigde de edelgermanen op een smadelijke  vierde plaats.

Matrozen in de Alpen, het blijft een rare combinatie. Evengoed werd  de Olympische vlag gehesen door matrozen van de Kriegsmarine.

Foto’s: Archief Stuyfssportverhalen

‘De reus van de natuur’….

Op 21 juli 1910 werd de Tourmalet voor het eerst opgenomen in het routeschema van de Tour deFrance. Over een soort geitenpad dat er sinds 1736 ligt moesten de renners zich maar een weg zoeken.  Het werd een overlevingstocht, want het pad lag vol stokken, keien, grind, steenslag, en kuilen en bij regen was het één grote modderpoel. Pas in de jaren zestig kreeg het een fatsoenlijk wegdek.
De Tourmalet met zijn 2115 meter de hoogste van de Pyreneeëncols blijft evengoed een scherprechter, want renners wonnen er de Tour of sneuvelde jammerlijk. Slechts éénmaal, in 1974,  werd er gefinisht boven op de col en de betreffende etappe werd gewonnen door Jean-Pierre Danguillaume.  Voor Touradepten gaat het komende week ongetwijfeld smullen worden.
Ter gelegenheid van het eeuwfeest wordt de ‘reus van de natuur’ zoals zijn bijnaam luidt, twee keer beklommen. Dinsdag gaat het peloton, in de etappe van Bagnéres-de-Luchon, de eerste keer over de Tourmalet. Donderdag finisht de koninginnenrit van de Tour boven op de berg.
Links boven: De beklimming van de Tourmalet in 1948 met v.l.n.r. Brulé, Apo Lazarides, Louison Bobet en de latere winnaar van de etappe én de Tour Gino Bartali.

De Tour is dus cultuur…

Slechts honderd stappen vanaf een kil en beton metrostation en je stond midden in de hectische wereld van de Tour de France. Het contrast had niet groter kunnen zijn. Maar eerst met de trein en metro naar Rotterdam-Zuid, een reisje van niks want nauwelijks  anderhalf uur onderweg om bij  het grootste sportevenement ter wereld aanwezig te zijn. Je zult wel gek zijn om dat dan te laten. Een gemiddelde Ajaxsupporter krijgt terstond een rolberoerte bij het idee om een bezoekje aan Rotterdam te brengen. Ik niet! Als Amsterdammer heb ik namelijk wél goede herinneringen aan de Maasstad. En dat heeft niets met voetbal te maken maar doodgewoon  met fietsen. Koersen wel te verstaan.
Als programmavulling bij de amateurs stonden de wielerrondes van Feyenoord, het Oude Noorden en die van Blijdorp, jaarlijks op de agenda. Criteriums rijden door Rotterdamse volksbuurten, waar ik mij nog thuis voelde ook. Alsof je door de Dapper- dan wel Kinkerbuurt koerste, dat herkenbare volkse sfeertje.
Maar terug naar de proloogstart van de Tour, waar meer dan een half miljoen bezoekers, van het type ‘Henk en Ingrid’, getuigen van waren. Raar, maar Mohamed en Fatima waren in geen velden of wegen te bekennen. En dat in een stad die voor driekwart uit allochtonen bestaat. Bij de inburgeringcursus blijkt er toch iets vergeten te zijn. Het is buiten kijf dat, wil je slagen in dit land, je niet alleen Hoeperdepoep zat op de stoep kan  zingen, speculaas, drop, en zoute haring leert eten maar ook de  geschiedenis van de Tour de France kent. Inderdaad, de Tour is een Frans spektakel maar is wél verankerd in ‘onze’ cultuur. Vraag aan een willekeurige voorbijganger waar hij was toen Jan Janssen de Tour won en hij weet het precies. Het lespakket bij de inburgeringscursus dient dan ook heel snel herschreven te worden.
Wel leren over het ‘politieke spectrum’ van Nederland maar niet eens de stemmen herkennen van radioverslaggevers Jan Cottaar, Fred Racké en Theo Koomen. Dát kan natuurlijk niet! Bij  de nieuwe ‘medelanders’ moet erin gestampt worden welke rol de schoonmoeder van Kees Pellenaars speelde in de overwinning van Jan Janssen. Welk merk horloge Wim van Est droeg tijdens de Tour van 1953,  en wie de Engel van het Hooggebergte was.  Welk amfetaminepreparaat uit de koerstrui van de overleden Tommy Simpson werd gehaald, dát hoeft dan weer niet.
Hé Aboutaleb, er is werk aan werk aan de winkel man…!

Foto: Tom van Leeuwen

Fietsende Paradijsvogel…

Als je twee keer kanker overwonnen hebt is het verbreken van het werelduurrecord achter de derny een makkie. Maas van Beek 53 jaar, flikte het laatste: zie het verslag op deze site. Iedere nitwit die in dit land, een harde scheet laat, krijgt bakken publiciteit. Maas niet! Noem het leeftijdsdiscriminatie of een nieuwe vorm van ‘apartheid’ maar nergens lees of zie je iets van Van Beek’s prestatie terug. TV-Gelderland pikte hét wel op. Wat volgde is een prachtige docu. Enfin Hilversum schaam je!

Kijken want een aanraaier!

http://www.garnierstreamingmedia.com/asx/openclip.asp?file=/omroepgelderland/wmv/100628 192 Sparren.wmv

Foto: bf-one, Rob van Duin

Het bordje…

Wout Wagtmans won etappes in de Tour de France, en Giro d’Italia en droeg meerdere keren de gele trui. In de jaren vijftig, en vér daarna, waren Wout, en trouwens ook dorpsgenoot Wim van Est, dé grote sporthelden van het land. In 1994, op vierenzestigjarige leeftijd, vertrok Wagtmans naar de Grote Wielerhemel. Wout was dus een wielericoon. En naar iconen worden straten vernoemd. Ook in Almere. En dat laatste kun je wel overlaten aan de jongens van de straatnaamcommissie in deze poldergemeente.
Die wéten wel hoe je een sportheld moet eren. En na lang vergaderen van de commissie verscheen in het ‘grote niets’ opeens een straatnaambordje. Zomaar, in het ‘grote niets’ dus… Letterlijk, want er is namelijk niks! Hé-lé-máál niets. Ja, totale leegte en een overweldigende stilte! Alsof je op de prairie ergens in Montana bevindt, zoiets.  Woutje Wagtmans held van de geboortegolf, wordt levend gehouden aan een doodstille weg die zinderend in een puntje aan de horizon verdwijnt: een gebied dat in de allerergste nachtmerries van  pleinvreespatiënten voorkomt.

Aan de andere kant van het bordje bevindt zich een gigantisch, zwart kolkende wateroppervlakte waarvan vuurtorenwachters nerveus worden.
En kijkend naar rechts  zie je een natuurgebied dat de Serengetivlakte van Nederland genoemd wordt en waar afgelopen winter honderden hoefdieren de hongerdood stierven. Een gebied waar ze de wolf weer willen introduceren want er woont toch niemand.
In deze lugubere, sinistere omgeving, waar je niet eens dood gevonden wil worden, wordt  dus één van de grootste vaderlandse wielerlegendes geëerd.
Goed gedaan Almere, maar niet heus…

Fluks’ avonturen in Spanje

Als jonge talentvolle basketballer ben je in Nederland mooi gesjocht. Vergeet die jarenlange droom maar om op topniveau te spelen! Ga maar lekker, met al je talenten, op het buurtpleintje basketballen, want clubs nemen liever een stel duurbetaalde derderangs Amerikanen dan eigen jeugd. Gedesillusioneerd stoppen de meesten. Simon Fluks liet het er niet bij zitten en ging zijn basketbaltalent in Spanje te gelde maken. Hij belandde in de wereld van topsport, zwart geld, staking, en een faillissement.
Hij kreeg bijkans eelt op zijn kont. Anderhalf jaar zat hij, als wisselspeler, op de bank bij profclub Amsterdam. Hij werd geacht daar blij mee te zijn. Sterker, hij moest het maar zien als een eer. Want om als broekie van amper achttien jaar een piepklein contractje bij basketbalclub Amsterdam te krijgen, is niet iedere basketballer gegeven. Maar niet voor Simon Fluks! Had hij zich daarvoor jaren alles ontzegd, zich de pletter getraind? Goddank kwam daar opeens de kans om te ontsnappen aan die vermaledijde bank.
Belediging
‘Halverwege het seizoen 2007 kreeg ik een aanbieding uit Spanje om daar te komen spelen’, vertelt Fluks. ‘Van Amsterdam mocht ik niet weg, die hield me aan mijn contract. Dat was jammer maar begrijpelijk. Maar wat ik niet begreep: dat ik een week later uit de selectie werd gegooid en in het tweede moest spelen. Het bestuur zag het als een persoonlijke belediging dat ik weg wilde. Ik moest het namelijk een eer vinden dat ik er bij zat.’
Profclub Weert liet dat buitenkansje niet liggen en lijfde de Amsterdammer direct in. Maar ook in Limburg lijden ze aan de ‘Amerikaanse ziekte’. Na een aanvankelijke goede start werden zeven Yanks aangetrokken. Exit voor Fluks, 21 jaar, die geen andere mogelijkheid zag dan over de grenzen te kijken. ‘Ik benaderde een mij bevriende spelersmakelaar die in Spanje actief is. Die regelde voor mij een contract bij Lerida, een Catalaanse club uit de derde divisie waar ik halverwege december aan de bak kon. Bij Lerida, die grootste plannen had om door te stoten naar de top, kwam ik terecht in een geolied team. Dat was wel lastig om direct hun spelsysteem door te krijgen’.
Immigrant
De eerste maanden moest Fluks erg wennen. Het spel blijkt daar niet alleen veel sneller te zijn maar ook het communiceren ging heel moeizaam. ‘De coach sprak geen woord over de grens en tijdens time-outs ratelde hij in het Spaans tegen mij wat ik fout deed. Uiteindelijk ben ik op Spaanse les gegaan.’
Als ‘immigrant’ moet je je aanpassen. Wat dat betreft geen probleem met Fluks, geboren en getogen in de schaduw van de Westertoren. Dat hij een appartementje met drie andere spelers moest delen, maakte hem geen zier uit. ‘Dat huisje werd iedere dag schoongemaakt en er was een kok die voor ons kookte. Dat was allemaal goed verzorgd. Ook mochten wij gratis gebruikmaken van een fitnesscentrum, gevestigd in hetzelfde gebouw. Ik had het er wel naar mijn zin.’ Maar er waren toch van die kleine dingen die Fluks aan het denken zetten. Zoals de manier van betalen. ‘Ik kreeg iedere maand mijn geld, maar niet zoals ik dat gewend was. Dat werd namelijk uitbetaald in een witte enveloppe. Dat geld was volgens mij zo zwart als steenkool. Maar zolang ik dat kreeg vond ik het wel prima.’
Spaargeld leven
Kortom Fluks kon lekker ballen, kreeg op tijd zijn poen, voor zijn natje en droogie werd gezorgd, en het team draaide aan de top als een trein. Maar zoals in ieder sprookje gebeuren er onverwacht rare en vreemde zaken. ‘Eind februari kwam de club in problemen en kregen wij geen geld meer. Tot eind april moest ik van mijn spaargeld leven. Werk jij voor niks’, antwoordt hij op de vraag of er toch gespeeld werd. ‘Wij gingen een week in staking en uiteindelijk kregen wij ons geld. Ik als eerste. Dat had er mee te maken dat ik buitenlander was. Inmiddels is de club failliet en is Fluks weer terug in Mokum, waar het op basketbalgebied ook kommer en kwel is. ‘Bij de Nederlandse clubs heeft de recessie flink toegeslagen. Er zijn al een paar verenigingen failliet of hangen aan een zijden draadje. Ik heb nu contact met een team maar dat is nog heel prematuur.’
Een profsporter is net een auto. Laat je die te lang stil staan dan komen er geheid problemen. Fluks beseft dat als geen ander. ‘Iedere dag train ik urenlang in de Apollohal. Met een aantal topspelers waaronder de in Amsterdam vakantie vierende NBA-prof Francisco Elson, spelen wij partijtjes. Dat doen wij over twee speelvelden zodat er flink gerend moet worden. De andere uren zit ik in de sportschool. Ook heb ik mijn studie commerciële economie weer opgepakt. Ik ben bezig mijn scriptie te schrijven.’
Voorrang
Over zijn toekomst als basketballer maakt Simon Fluks zich de nodige zorgen. In eigen land is er voor een jonge ambitieuze basketballer geen droog brood te verdienen. Spanje met zijn tientallen profclubs, dát is het beloofde land. Maar daar is het ‘eigen volk eerst’.
‘Ik wil graag terug, maar daar zitten ze niet op mij te wachten. Spaanse clubs zijn iets anders dan hier in eigen land. Daar krijgt de jeugd wél voorrang. Maar wel eigen jeugd, hè. Het is heel moeilijk om daar tussen te komen.’

Geplaatst in Mug, Juli 2010 Foto’s: Hilco Koke

Posted in Diverse. Tags: . 1 Comment »

Uiteindelijk werd de Oude Meester toch verslagen

Met afstand was hij de beste lichtgewichtbokser aller tijden. Met een rechterarm sneller dan het licht en onnavolgbaar voetenwerk sloeg hij meer dan negentig boksers knock-out. Zelf incasseerde hij nauwelijks klappen. De meeste stoten van zijn tegenstanders wist hij te blokkeren dan wel te ontwijken. Hoe hij dat laatste flikte? Bij God, als hij dat wist! Zelf hield hij het op een zesde zintuig. Uiteindelijk verloor hij zijn allerlaatste gevecht. En wie toen zijn tegenstander was? Tuberculose! In de armen van zijn moeder stierf, precies honderd jaar geleden, Joe Gans, de allereerste zwarte Amerikaanse wereldkampioen.
Op zijn  conduitestaat hadden veel meer overwinningen gestaan  als hij geen zwarte was geweest. Bokser Joe Gans vocht niet alleen in de ring maar ook nog eens tegen het racisme.  Het Amerikaanse boksen van meer dan een eeuw geleden werd gedomineerd door witte managers die liever niet zagen dat hun blanke boksers van een zwarte zouden verliezen. Zwarte pugilisten vochten alleen tegen blanke opponenten als het zeker was dat de eerste zouden verliezen. Voor het spierwitte management werd  die twaalfde mei 1902 ongetwijfeld een vlees geworden nachtmerrie.
In het Canadese Fort Erie vond die dag het gevecht om de wereldtitel plaats tussen de heersende kampioen Frank Erne en de zwarte uitdager Joe Gans. Voordat de, in Zwitserland geboren en op jonge leeftijd naar de States geëmigreerde, Frank het besefte, lag hij, in de eerste ronde, bewusteloos op de grond.
Met een verbijsterend snelle en verwoestende rechterhoek sloeg  Joe,  afkomstig uit Baltimore, Erne knock-out. Joe’s rechtervuist bezorgde hem niet alleen de overwinning maar ook een plaatsje in de Amerikaanse geschiedenis, want hij werd de eerste zwarte wereldkampioen in welke sportdiscipline dan ook.
Joe Gans wordt door historici gezien als de beste bokser ooit. Ver voordat ene Mohammed Ali furore maakte, danste Joe al door de ring. Volgens ooggetuigen én krantenverslagen was Joe een complete bokser. De San Francisco Chronicle schreef  in september 1904: ‘Hij danst, ontwijkt, blokkeert de meeste slagen en slaat met een verbijsterende snelheid zijn tegenstander neer. Zijn kracht is indrukwekkend evenals zijn lichamelijke conditie.’
Dat laatste wordt bevestigd door stokoude filmpjes (zie hieronder) waarop een Joe met een platte buik als een ‘wasbord’ zich door de ring begeeft. Volgens de krant bewoog Joe zich op wieltjes tussen de touwen, om zijn weergaloze voetenwerk aan te geven, en gaf hem de bijnaam The Old Master
.
‘Geen idee! Ik heb geprobeerd daar achter te komen maar ik weet het niet. Ik denk dat het een zesde zintuig is’
, antwoordde Joe op de vraag hoe hij toch de meeste slagen wist te ontwijken.
En dan is het maart 1909! Joe Gans staat voor de laatste keer in de ring: tegenstander de Britse kampioen Jabez White. Volgens dezelfde Chronicle
zag Gans er ‘zwak, dof, en ellendig uit’. De journalist van dienst zag duidelijk dat Joe heftig rilde van de koorts, om er aan toe te voegen dat Gans verschrikkelijk leed.
Tuberculose had zijn dodelijke bacteriën in het lijf van de Oude Meester losgelaten. Ondanks dát liet Joe, volgens de krant, zijn fameuze snelheid en slagkracht zien door White in een gevecht over tien ronden twee keer knock-out te slaan waarbij de gong telkens White redden.
Joe Gans vocht meer dan 188 gevechten, won 138 partijen waaronder 96 keer door knock-out en verdedigde, over een periode van zes jaar, veertien keer zijn wereldtitel, maar moest het tegen zijn laatste tegenstander, tuberculose, afleggen.
Op 10 augustus 1910, overleed Joe Gans, 36 jaar, in de armen van zijn moeder. Bij zijn hemelgang woog The Old Master
slechts 84 pond.
Joe werd begraven op het Mount Auburn Cementery in Baltimore. Zijn graf wordt onderhouden door de internationale boksbond.

Bronnen: The San Francisco Chronicle, met dank aan John Brouwer de Koning en zijn wonderlijke database.
Zie filmpje: http://www.youtube.com/watch?v=ML5WLvrc0P8